Chapter 4
Waar het pad van het meer af gezien naar beneden boog, kon ik, even maar, duidelijk waarnemen hoe ze half verborgen in het kreupelhout scherp naar mijn oude kano stond te turen; op 't zelfde oogenblik zag ze mij echter en verdween ze met een sprong in mijn richting, zigzag tegen den heuvel op. Bij een hulstboschje, waar ik juist langs was gegaan, liet ze haar heesch _ka-a-ah, ka-a-ah!_ hooren en stak haar staartje naar boven. Er ontstond geritsel in het boschje, een scherp _ka-a-ah, ka-a-ah!_ beantwoordde het hare; het tweede hertje drong uit de schuilplaats te voorschijn waar zij hem had verborgen, en schoot met haarden heuvelrug over. Als een groote roode vos sprong het van rots op rots, als een valk zweefde het over de omgevallen stammen, terwijl het zoo goed als het kon zijn moeders spoor hield, met zijn snuitje strak in de richting van het witte vaantje, om toch maar niet af te wijken van dat nuttige voorschrift.
ISMAQUES, DE VISCHAREND.
_Oewit, oewit, tsjwie?_ _Oewit, oewit, oewit, tsjwie-ie-ie!_ zoo klonk gierend en snerpend Ismaques' jachtkreet boven mijn hoofd. Toen ik van mijn visschen opkeek, kon ik zijn breede wieken over mij heen zien zwieren en trof mij de glinstering in zijn stralend oog, als het in mijn kano spiedde of naar het koele plekje tusschen de rotsen achter mij, om te kijken of ik ook wat ving. Zoodra hij echter al die visch in 't oog kreeg--een zilveren wade over de donkere rotsen, waar ik mijn zwartvisch [3] wegborg om ze voor berenaas te gebruiken--schoot hij verbaasd een eind naar beneden om eens te kijken hoe ik dat klaarspeelde. Als de forellen niet bovenkwamen en zijn scherpe blik geen flikkertje rood of goud in mijn kano ontwaarde, vloog hij weer weg met een aanmoedigend _k'wie-ie!_--dat is zooveel als "goede vangst" van een broeder van 't visschersgilde. Want er is geen kwaad haar aan Ismaques, er schuilt geen aasje schrielheid bij hem. Hij leeft in vrede met de wereld en schijnt blij te wezen als gij een dikkerd ophaalt, zelfs al is hij hongerig en al klinkt het geweeklaag uit het nest waar zijn jongen om eten roepen, ook zoo doordringend dat zijn gemoedsrust er door verstoord wordt.
Ik zou wel eens willen weten wat er toch in dat uit visschen gaan schuilt, dat zelfs het oude bijbelwoord: "zal een luipaard zijne vlekken veranderen?" schijnt te logenstraffen en tot een ander mensch schijnt te maken wie als de knoppen zwellen zich haast bij 't verscholen beekje te komen. Daar heb je Keeonekh, den otter. Voordat hij visscher werd was hij een woeste, bloeddorstige wreedaard, die een walglijken stank verspreidde, zooals alle andere wezels, maar nu leeft hij met iedereen op goeden voet, is helder, is zachtaardig, en wanneer ge een huisdier van hem maakt, wordt hij zoo speelsch als een poesje en zoo trouw als een hond. En dan Ismaques, de vischarend: voordat die visscher werd was hij net zoo gehaat als alle andere roofvogels om zijn wreedheid en zijn rooversmanieren. De schaduw van zijn wieken was voor alle schuwe dieren het sein om zich te verbergen. Dan riepen gaai en kraai: "dief, dief!" Dan liet de koningsvogel zijn krijgskreet weerschallen en schoot voor den dag om 't gevecht te beginnen. En nu--de kleine vogels bouwen hun nestjes tusschen de takken van zijn groote woning en de schaduw van zijn wieken is een veilige bescherming, want uil en havik en wilde kat hebben al lang geleerd dat het maar 't verstandigst is goed op een afstand te blijven van Ismaques' woonplaats.
Niet de vogels alleen, maar ook de menschen voelen de verandering in zijn aard. Ik ken bijna geen jager, of hij zal een omweg maken als hij een roofvogel onder schot kan krijgen; dezen gevleugelden visscher echter, van hetzelfde bloeddorstige geslacht, roepen ze allen hartelijk "goede vangst" achterna, zelfs al zien ze hem zwaar beladen opstijgen uit de eigen waterkom waar de dikke forellen huizen en waar zij van plan zijn bij zonsondergang in te gooien.
De visschers aan de zuidelijke kust van Nieuw-Engeland juichen het uit bij zijn terugkomst--zoo geregeld als de maanden van het jaar. In éen staat tenminste, waar hij het meest voorkomt, wordt hij door de wet beschermd; en onze Puriteinsche voorouders zelfs, die niet aan jachtwetten schijnen te hebben gedaan, zagen hem met gunstig oog aan en maakten met hem een uitzondering op dat algemeene verlof tot dooden. Laat het tot hun eer gezegd zijn, dat ze eens een jongen, een zekeren Eliphalet Bodman, een Belialskind klaarblijkelijk, "openbaarlijk gestraft" hebben, omdat hij gewelddadig met kruit en lood een vischarend om het leven had gebracht en het nest met de eieren van een anderen boosaardig vernield had.
Of dit laatste ook gewelddadig gebeurd was, door het nest met kruit en lood uit een oud geweer in stukken te schieten, of eenvoudig op jongens-manier: door in den boom te klimmen, vermeldt die wonderlijke, oude stedelijke oorkonde niet. Dit dient hier echter alleen, om aan te toonen dat onze voorouders aan de kust in hun hart vriendelijke menschen waren; dat die brave, eenvoudige visscher, met zijn nest bij hun deur, vrijwel dezelfde beteekenis voor hen had als de ooievaar bij de Duitsche dorpsbewoners, waar hij op de schoorsteenen nestelt,--en zijn komst werd door de visschers als een voorteeken van een goede vangst beschouwd.
Diep in de wildernis, waar Ismaques nestelt en uit visschen gaat, zooals zijn voorouders een duizend jaar geleden, vindt ge door weelde noch armoede geschaad dienzelfden trouwen vogel, die toen wij nog jong waren al op onze verbeelding werkte en zich een goede gezindheid verwierf bij onze voorvaderen aan de kust. In zekeren zomer had ik mijn tent aan het meer opgeslagen; ik kon er maar niet toe besluiten op te breken, geheel bekoord door die heerlijke omgeving en het goede vischwater. Tegenover mij hadden een paar vischarenden in den top van een hoogen spar aan de berghelling hun nest gebouwd. _Zij_ waren het die elken dag boven mijn kano of boven de rotsen, waar ik naar zwartvisch hengelde, kwamen kringen, om te zien hoe ik het maakte, en om mij een verheugd _Tsj'wie! tsjip, tsj'wie-ie!_ "goeie vangst, en visch plezierig!" toe te roepen, wanneer ze weer wegzwenkten. Er zou nu heel wat bewijskracht noodig zijn, om er mij van te overtuigen dat ze mij ten slotte niet als broeder van het gilde erkenden en niet oprecht belang stelden in de manier waarop ik te werk ging, en in het succes dat ik er mee behaalde.
Niet zoozeer om de vischarenden te bestudeeren ging ik eerst naar dat nest toe, maar om daar zoo nu en dan eens een glim op te vangen van een schuw natuurleven der bosschen, dat voor de meeste blikken verborgen is. Het ging goed met het visschen, want de beide vogels kenden hun vak in de puntjes. Toen de jongen nog in hun groei waren, was er altijd meer dan genoeg in 't groote nest op den sparretop. Wat er van dien overvloed restte, in den vorm van koppen, graten, overblijfsels waar ze voor bedankten, werd over den rand van het nest gegooid en leverde een uitgezochte lekkernij voor allerlei hongerig rondsluipende dieren. "Minken" staakten hun kikkerjacht in de beek, en door den lekkeren geur in de lucht aangelokt kwamen zij er op af. Pof, pof, daalden bunzings den heuvel af, met een eigenaardig hol, dof geluid, waar ze hun komst mee aankondigen. Wezels en een oude, grijze boommarter, die te langzaam of te rheumatisch was om op de boomen nog een dier te vangen, gleden uit het kreupelhout te voorschijn en tastten toe zonder verlof te vragen. Wilde katten vochten als duivels om de heerlijke kluifjes; meer dan eens hoorde ik ze 's nachts te keer gaan. En eens, laat op een middag, toen de schaduwen dieper werden en ik er nog niet toe besluiten kon mijn schuilplaats tusschen de rotsen te verlaten, kwam er heel behoedzaam, alsof hij voor zichzelf een beetje met zijn figuur verlegen was, een groote lynx uit het kreupelhout, die kieschkeurig aan de vischgraten begon te snuffelen.
Hij kwam daar blijkbaar voor 't eerst, en wist niet dat Jan en alleman er mocht komen smullen, maar verkeerde al dien tijd in de meening dat hij den een of ander zijn buit opat. Dat was duidelijk uit zijn houding, uit de verschrikte bewegingen die hij maakte, uit zijn geluister, uit de wijze waarop hij zachtjes in zichzelf zat te brommen op te maken. Hij was grooter dan elk ander dier dat er was en hoefde dus niet bang te wezen; maar voor het jachtrecht en voor een andermans eigendom koesteren de dieren een geweldig ontzag; en dit voelde ook die groote kat. Hij had trek in visch, maar zoo groot als hij was, gaven toch al zijn bewegingen te kennen dat hij klaar stond om zijn hielen te lichten voor het eerste het beste kleine beest, dat op zou komen dagen en hem toebijten: "Dat is van mij!" Toen hij later wat op zijn gemak raakte en ook aan de edelmoedigheid van den vischarend wende, die een feestmaal aanricht voor al wat langs de sluipwegen en door het dichte kreupelhout van de wildernis aankomt, trad hij brutaal genoeg op en eischte hij wat hem toekwam. Zooals hij daar nu echter steelsgewijze rondsloop en telkens angstig stilstond om te luisteren, bood hij gelegenheid om het recht onder de dieren te bestudeeren, wat op zichzelf al een vergoeding voor die lange uren wachtens was. Maar de arenden zelf boezemden mij meer belangstelling in dan hun ongevraagde gasten. Ismaques--trouwe baas die hij is--paart voor zijn heele leven en keert jaar in jaar uit tot zijn oude nest terug. De eenige afwijking van dien regel, waarvan ik weet, is dat geval met een vischarend dien ik als jongen goed gekend heb, en die zekeren zomer door een noodlottig toeval zijn wijfje verloor. Het ongeluk gebeurde met een geweer, dat een onnadenkend jager hanteerde. Het was duidelijk dat Ismaques verdriet had; dat zagen zelfs menschen die anders niet hard over de dingen nadenken. Uit dien verlaten, vragenden kreet die over het stille zomerwoud schalde was het te hooren; het was te zien aan het klapwieken van zijn vleugels, als hij ver het land in vloog naar andere meren--niet om te visschen, want Ismaques vischt nooit in het vischwater van zijn buurman, maar om zijn verloren wijfje te zoeken. Wekenlang bleef hij op de oude, bekende plaatsen toeven, aan alle kanten roepen en zoeken, maar eindelijk werden hem de eenzaamheid en al die herinneringen te machtig, en verliet hij, lang voordat de trektijd gekomen was, dat oord. Den volgenden zomer kwam er een vreemd paar zijn plaats innemen, herstelde het oude nest en ging in het meer visschen. Gewoonlijk eerbiedigen de vogels elkaars vischwater en vooral elkaars oude nesten; maar deze twee kwamen er zoo zonder aarzeling bezit van nemen, alsof ze op de een of andere wijze een schikking getroffen hadden met den eigenaar, die nooit meer terugkwam.
Al jarenlang woonden mijn vischarenden op dien ouden spar aan de helling. Zooals 't gewoonlijk gaat, had de boom zich aan zijn meesters, de vogels, opgeofferd. Het vet van hun vele smulpartijen was door den bast gesijpeld, al meer en meer naar beneden getrokken, zoodat de sappen, verhinderd op te stijgen, ten langen leste ontmoedigd werden en niet meer naar boven kwamen. Toen stierf de boom en stond zijn takken een voor een af, om het nest daarboven te herstellen. Overal was het aan de scherpe, puntige uitsteeksels te zien, hoe ze waren afgebroken als de arend ze noodig had.
Die afgeknapte takken wijzen op een merkwaardig staaltje van bouwkunst, dat ge elk jaar zelf kunt leeren kennen door de vogels gade te slaan onder het bouwen. Voor den bodem van het nest zijn dikke takken noodig, waar de grond mee bezaaid ligt. Maar Ismaques komt nooit op den grond, als hij het even vermijden kan. Wanneer hij boven de boomen in zijn vlucht een buitengewoon zwaren visch laat vallen, gaat hij er zelfs nooit heen, maar kijkt hem spijtig achterna. Het kan wel wezen dat hij honger heeft, maar hij zal nooit met zijn reusachtige klauwen op den grond komen, want loopen kan hij niet; hij is er volslagen machteloos. Dan verdwijnt hij dus maar weer en gaat nog eens urenlang geduldig aan 't visschen om zich schadeloos te stellen voor zijn verloren buit. Wanneer hij takken voor zijn nest noodig heeft, zoekt hij een boom uit en breekt door zijn gewicht het doode af. Wil de tak niet, dan stijgt hij de lucht in, schiet als een kanonskogel naar beneden, grijpt hem met zijn klauwen beet, en door de kracht waarmee hij neerkomt knapt hij hem meteen af. Tweemaal vond ik den weg naar de plaats waar Ismaques en zijn wijfje bouwmateriaal verzamelden, door een geknal alsof er pistoolschoten in het bosch weerklonken, elken keer dat de groote vogels zich op de doode takken lieten neervallen en ze afknapten. Eens, toen er een te hard neerkwam, zag ik hem bijna op den grond vallen en wild met zijn wieken klappen, eer hij weer op streek geraakte en zegevierend met zijn vier voet langen tak wegvloog.
Ik heb hier zekeren najaarsdag nog eens zoo'n merkwaardige vogelgewoonte ontdekt, toen ik veel later dan gewoonlijk over het meer terugkeerde. Wanneer Ismaques voor zoo'n heelen winter naar het Zuiden trekt, levert hij zijn woning maar niet zoo op genade of ongenade aan de winterstormen over zonder haar eerst te hebben hersteld. Nieuwe, dikke takken worden stevig in het dak van het nest gedreven; oude, verdachte er uitgetrokken en zorgvuldig door andere vervangen; het geheele gebouw kant en klaar gemaakt voor stormweer. Dit zorgvuldig herstellen, gevoegd bij het feit dat het nest steeds in vet gedrenkt is, wat het voor waterschade bewaart, bespaart Ismaques heel wat moeite. Hij bouwt voor zijn heele leven, en wanneer hij in den herfst weggaat, weet hij dat--behoudens onvoorziene omstandigheden--zijn woning daar bij zijn terugkeer in het voorjaar zoo rustig, vriendelijk op hem staat te wachten; dat hij welkom is in de oude omgeving. Of dit een gewoonte is van alle vischarenden, of alleen van die twee aan het Groote Squatuk-meer--die ook in andere opzichten merkwaardig verstandig waren--weet ik niet te vertellen.
Wat er van de jongen wordt is mij ook nog een geheim. Er bestaat een sterke familieband, en de jongen blijven veel langer bij de oude dan bij andere vogels gewoonlijk het geval is; maar wanneer het lente wordt, zult ge alleen vader en moeder bij 't oude nest aantreffen. Ik geloof wel dat de jongen in de vroegere omgeving mee terugkomen, maar als het meer klein is, bouwen ze nooit aan hetzelfde water--indringen doen ze zich niet. Elk paar schijnt er--even als de ijsvogels--zijn eigen meer, of gedeelte van een meer, op na te houden; maar aan welke waterwet zij hun recht ontleenen, waarop zij hun aanspraken gronden, staat nog te ontdekken.
Toen ik dat nest voor den eersten keer vond, waren er twee jongen in; en ik nam ze gewoonlijk waar in die tusschenpoozen dat niets zich bewoog in het kreupelhout bij mijn schuilplaats. Het waren voorspoedige, twetterende beestjes, goed doorvoed en voldaan over de wereld. Ze konden soms urenlang op den nestrand, over de boomtoppen langs de helling, naar het meer staan kijken; en naar hun houding en hun getierelier te oordeelen, vonden ze die groote, ruischende, groene wereld, de vogels die voorbijtrokken, de lichtflitsen op het sparkelende water, het wazige blauw van de bergen in de verte, buitengewoon merkwaardig--totdat er een paar breede wieken in 't zicht zwenkten, en zij hun vleugels wijd opensloegen en losbarstten in een gretig gesjilp: _piep, piep, tsj'wie? tsj'wie-ie-ie?_ "Heb je hem gevangen? Is 't een groote, moeder?" En dan richtten zij zich voorzichtig op langs den rand van het groote nest en rekten begeerig hun halsjes uit om vast een glimp van den buit op te vangen.
Soms trok er maar een van de vogels op uit om te visschen, terwijl de andere op het nest paste; als de vangst echter dunnetjes was, togen ze alle twee naar het meer. Bij zoo'n gelegenheid vischte de moeder, die grooter en sterker is dan het mannetje, langs de kust, waar ze haar jongen hooren kon en een oogje op ze houden; terwijl het mannetje het meer over zeilde naar de forellenkolken in de monding der beek, waar de zwartvisch zat, om er een beter vischwater te zoeken. Wanneer hij met zijn visch terugkwam en er stond een stevige bries, dan was er een merkwaardig staaltje van zeemanschap te zien. Nooit zou hij pal tegen den wind in vliegen, maar steeds laveert hij, alsof hij dat kunstje had afgekeken van de visschers aan de kust, wanneer deze met tegenwind naar land terugzeilen. En wie hem door zijn kijker gadesloeg zou zien dat hij zijn visch altijd overlangs droeg, met den kop vooruit, om zoo weinig mogelijk weerstand aan den wind te bieden.
Wie de jongen zag voeren en merkte hoe netjes Ismaques ze opvoedde, kreeg stellig nog meer eerbied voor hem. Was het een groote visch, dan werd hij aan flarden gescheurd en bij stukken en brokken aan de jongen gegeven, die met voorbeeldig geduld elk hun beurt afwachtten; geen gedrang, geen geduw om den eersten, grootsten hap, zooals we dat in een roodborstjesnest zien. Was het een kleine visch, dan kreeg een van de jongen hem in zijn geheel, die hem dan zoo goed en zoo kwaad als 't ging naar beneden werkte, terwijl de moeder weer naar het meer schoot om er nog een te halen. Het tweede jong stond onderwijl op den rand van het nest, piepte haar een goede vangst na en wachtte, tot het zijn beurt zou wezen, zonder er blijkbaar ook maar een oogenblik aan te denken van zijn broertje naast hem wat af te grijpen.
Vlak beneden de arenden, tusschen de takken van hun woning, hadden een paar blauwe gaaien hun nest gebouwd en hun jongen grootgebracht met de kruimels, die er overvloedig van "den disch des rijken" vielen. Het was buitengewoon merkwaardig de verandering gade te slaan, die er door deze ongewone vriendschap in den aard van de gaai scheen plaats te grijpen. Deedeeaskh, de gaai, telt geen enkelen vriend onder de boschbewoners. Ze weten alle dat zij een dievegge en een bemoeial is, en jagen haar onverbiddelijk weg, als ze haar bij hun nest aantreffen. Maar de groote vischarenden hebben haar vriendelijk en zonder erg ontvangen; en zij heeft dit ongewone blijk van vertrouwen edelmoedig beantwoord.
Nooit heeft zij getracht den jongen iets af te stelen, zelfs niet als de moeder weg was, maar zich steeds vergenoegd met de kliekjes die ze hadden overgelaten. En haar schuld aan Ismaques heeft zij ruimschoots voldaan door de trouwe wijze waarop zij de wacht hield over het nest en eigenlijk over de geheele berghelling. Er gebeurt niets in het bosch zonder dat de gaai het weet; en hier leek zij ook net een waakzame fox, die wist dat hij maar hoefde te blaffen om machtige vleugels en klauwen te doen verschijnen, in staat elk gevaar af te weren. Als er dieren den berg af kwamen sluipen om aan den voet van den boom aan de koppen en graten te smullen, die daar verspreid lagen, liet Deedeeaskh zich tusschen hen in vallen, en scharrelde daar rond, roepend, vragend--want nooit is haar nieuwsgierigheid bevredigd. Zoolang ze alleen namen wat hun toekwam, maakte zij er geen herrie over, maar zij was er om de wacht te houden en zij peperde ze geducht hun vergissing in, als ze lieten blijken dat ze wat kwaads in den zin hadden tegen 't nest daarboven.
Terwijl ik eens in mijn kano langs den oever gleed, hoorde ik de gaaien alarm slaan; ik kon mij onmogelijk vergissen. De vischarenden wiekten in groote kringen boven het meer, terwijl ze loerden naar het geglinster van visch aan de oppervlakte, toen de kreet tot hen doordrong en ze vlug als de wind op het nest afschoten. Ik zette van den kant af en zag hoe ze in snelle kringen boven de boomtoppen wielden met korte, doordringende kreten van woede. Daarna begonnen ze heftig op het een of andere beest te stooten, dat beneden bezig was in den boom te klimmen--waarschijnlijk een vischmarter. Ik naderde voorzichtig om te zien wat het was, maar voordat ik de plaats bereikte, hadden ze den indringer al verjaagd. Een heel eind het bosch in hoorde ik een van de gaaien, die tierend achter den roover aantrok, om den vischarenden te wijzen waar hij was. De andere gaai zat, door de groote, donkere vleugels boven in de lucht beschaduwd, ineengedoken bij haar eigen jongen. Weldra kwam Deedeeaskh terug, schetterend van opwinding, om hun op zijn manier aan het verstand te brengen dat hij dien schelm heelemaal tot zijn hol achterna was gegaan en dat hij in 't vervolg goed op hem zou letten.
Wanneer er een groote havik in de buurt kwam, of als er op een donkeren namiddag een jonge uil in de naaste omgeving uit jagen ging, sloegen de gaaien alarm en kwamen de vischarenden oogenblikkelijk van het meer aansuizen. Of Deedeeaskhs bezorgdheid over zijn eigen jongen grooter was dan over de kleine vischarenden zou ik niet kunnen zeggen. De visscher toonde bij zoo'n gelegenheid in zijn gedrag een eigenaardige mengeling van angst en uitdaging. De moeder zat op het nest, terwijl Ismaques er boven kringde en beide een schellen, gierenden uitdagingskreet lieten hooren. Maar de gevederde roovers vielen ze nooit zoo aan, als ze den vischmarter gedaan hadden, en voor zoover ik het beoordeelen kan hoefde dit ook niet. Al waren Kookooskoos, de uil, en Hawahak, de havik, ook nog zoo hongerig, ze togen naar een ander jachtgebied, wanneer ze die breede wieken boven het nest zagen kringen en de schelle uitdaging hun in de ooren klonk. Slechts één vijand bestond er die den vischarenden werkelijk last veroorzaakte, en deze deed het dan nog zoo netjes als het onder zulke omstandigheden mogelijk was. Cheplahgan, de adelaar, was het. Wanneer hij honger had en zelf niets had kunnen vinden, en zijn twee jongen daar heel ginder in hun nest op den berg eens een hapje visch noodig hadden als een kleine afwisseling in hun eten, zette hij zijn vleugels schrap om tegen wind in te vliegen en steeg de lucht in, totdat hij de twee vischarenden die aan het visschen waren in het oog kreeg. Daar bleef hij dan urenlang in groote kringen rondzeilen, turend en turend, totdat hij Ismaques een dikken visch zag vangen, om dan snel als de bliksem naar beneden te schieten en hem op de hielen te blijven, naar echte struikrooversmanier. Een poging tot ontvluchten diende nergens toe. Soms probeerde Ismaques het, maar dan flapten de groote, donkere vlerken om hem heen en was er iets in 't geluid van den vleugelslag dat ontegenzeglijk een waarschuwing beteekende. Het eindigde altijd op dezelfde manier: Ismaques, die verstandig was, liet zijn visch vallen, de adelaar schoot er achteraan en greep dien, nog dikwijls voor hij in het water viel. Maar de vischarenden deed hij nooit kwaad en het nest verstoorde hij ook niet, zoodat ze best met elkaar overweg konden. Cheplahgan bezorgde zich op zijn manier zoo nu en dan eens een hapje visch, en de brave Ismaques, die nooit lang hongerig hoefde te blijven, schikte zich zoo goed en kwaad als het ging in zijn toestand. Dit is een bewijs dat het visschen hem ook geduld en een verstandige levensopvatting heeft geleerd.
De blauwe gaaien bemoeiden zich niet met dit geharrewar. Soms lieten ze wel een doordringenden waarschuwingskreet hooren, als Cheplahgan boven Ismaques uit de blauwe lucht kwam neerduikelen, maar ze schenen best te begrijpen hoe die ongelijke strijd moest eindigen, en ze hadden er met elkaar heel wat over te snateren; ik heb echter nooit kunnen ontdekken _wat_ ze eigenlijk precies vertelden.