Chapter 2
Het _is_ gewoonlijk ook niet vreeselijk om te vluchten, maar het geeft een heerlijk gevoel van macht en zegepraal. Let maar eens op dat hert, hoe prachtig het daar--als een valk zoo licht en vlug--voortsnelt over een terrein waar elk ander dier met zijn pooten zou verward raken en aarzelend gaan. Kijk eens naar dien patrijs, als hij met zoo'n zuiver berekenden boog in de altijd-groene moerasplanten neerduikt om een schuilplaats te zoeken. 't Is of hoef en wiek om 't hardst het gevaar uitlachen dat achter hen dreigt, en genieten van hun kostelijke macht, van hun geoefendheid.
Ik noem dit eenvoudige, op zichzelf zoo heuglijke feit, zoo klaar voor iedereen die met open oog door 't rijk der natuur gaat, slechts bij wijze van uitnoodiging: kom in die boschschool, lezer, en ik verzeker u dat er werkelijk zoo goed als niets te zien zal zijn van al wat u 't hart doet ineenkrimpen in uw eigen droeve wereld; geen treurspelen, geen tooneeleffect van ellende en strijd; integendeel: een opgewekt, gezond leven, dat vroolijk stemt en ons met dieper wijsheid, met hernieuwden moed tot onze eigen leerschool doet terugkeeren.
De schrijver heeft in den laatsten tijd herhaaldelijk brieven gekregen van vriendelijke, gevoelige menschen, die van dieren houden en wien de gedachte aan al het leed dat er juist in de dierenwereld bestaat een marteling is. Sommigen zagen ook de tranen hunner kinderen om het denkbeeldige verdriet, het denkbeeldige leed van beesten; en al die menschen vragen: "Is het zoo? Lijden en treuren de dieren in stilte; komen ze ten slotte droevig om?"
Gedeeltelijk als antwoord aan die verontruste vragers nu, heb ik twee hoofdstukken van meer algemeenen aard aan deze schetsen, die de dieren afzonderlijk behandelen, toegevoegd, in plaats van ze te laten liggen tot er in een lateren bundel opstellen en mededeelingen over de natuur een plaats voor openkwam. Het zijn: "het blijde Leven" en "hoe de Dieren sterven". Ze geven er, heel in 't algemeen, een kort verslag van hoe ik geloof dat het leven en sterven der dieren werkelijk _is_; en tot die overtuiging ben ik langzamerhand, in al dien tijd dat ik de wilde bewoners onzer bosschen en velden heb waargenomen en nagegaan, gekomen.
En heeft mijn inleiding, die wel wat uitvoerig is, den lezer niet verveeld en hebben zijn kinderen niet te lang op een dierenverhaal moeten wachten--dit is nu eindelijk de school en dit zijn sommige van de natuurwezens die er werken en spelen.
WAT EEN JONG HERTJE MOET WETEN.
Tot op dezen dag is 't nog haast niet te begrijpen hoe een menschelijk oog ze ooit heeft kunnen vinden, zóó goed waren ze verstopt. Ik volgde den loop van een beekje, dat mij met zijn geruisch in het hartje van de groote bosschen naar een diepe vallei bracht. Er was een zware boom over mijn pad gevallen, die een brug over den stroom vormde. Nu zijn bruggen er om er over te loopen; dat is zoo duidelijk als iets, zelfs voor den onbeduidendsten boschbewoner. Ik ging dus op een bemosten boomtronk zitten om eens te kijken wie er mijn buren wel zouden zijn, en wat voor pootjes er zoo al langs 's Heeren wegen wandelden.
Hier naast mij staan indrukken van klauwen in de vermolmde schors. Zoo'n diepe, forsche prent kan slechts van een beer zijn--en kijk maar! daar heeft het mos ook al losgelaten, is het afgebrokkeld onder zijn gewicht. Een rusteloos zwerver, die Mooween! Als zijn luie aard hem op zoo'n zomerdag toevallig eens een poosje begeeft, is het op de helling wel veertig mijlen in 't rond na te gaan waar hij bezig is geweest.--Daar, aan den anderen kant, liggen de bronsgroene schubben van een pijnappel--spaanders uit de werkplaats van een eekhoorn. Ze liggen er verspreid, alsof Meeko ze haastig van zijn gele voorschoot had gestreken, toen hij te voorschijn schoot om te gluren naar Mooween die voorbijging. Ginds is 't spoor van een "mink", en 't is zoo klaar als de dag dat Cheokkes daar een poosje heeft gezeten na zijn kikvorschenontbijt. En kijk eens hier, terwijl ik lui met mijn beenen boven de trage beek zit te bengelen, hangt er aan een boomstomp, waar ik met mijn elleboog tegenaan kom, een gekronkeld geel haar. Dit verraadt mij hoe Eleemos, de Leeperd, zooals Simmo hem noemt, er een hekel aan heeft om zijn pooten nat te maken en daarom een omgevallen boom of een steen in de beek als brug gebruikt, net als zijn soortgenooten bij de kolonisten.--Vlak voor mij lag nog een gevallen boom zóó langs het water dat geen dier er over zou loopen, of 't moest een "mink" zijn op roof uit--gevaarlijker beest zou er niet over denken. Onder de wortels die van de beek lagen afgewend was een verborgen en ruim kamertje, waar de uiteinden der neerhangende sparretakken als een gordijn voor de deuropening hingen. "Wat een mooie plaats voor een hol," dacht ik, "want niemand zou je daar ooit vinden"; maar--alsof 't gebeurde om mij tegen te spreken--daar vond me een verdwaalde zonnestraal het plekje en wekte een geglans en geflonker van dansende schaduw en spelend licht onder wortels en stam van den gevallen boom.
"Wat mooi!" riep ik uit, toen het licht op die bruine plek viel en er witte en gouden vlekken tooverde. De zonnestraal glipte weer weg, maar het was of hij zijn glans achterliet, want daar onder de wortels was de goudbruine plek nog en de vlekken van wit en geel. Ik bukte mij om beter te zien, stak mijn hand naar binnen--en de bruine vlek veranderde plotseling in een fluweelzacht vachtje; de witte, de gouden lichtglansen waren de geappelde flanken van twee hertjes, die daar doodstil en angstig bleven liggen op de plaats waar hun moeder hen bij 't weggaan verstopt had.
Ze waren nog maar pas een paar dagen, toen ik ze vond. Ze hadden elk als Jozef een "veelvervig" rokje aan; en mij dunkt dat ze ook een soort van toovermantel omhadden, want ze hoefden maar ergens te gaan liggen, en ze werden onzichtbaar.
Die eigenaardige teekening--net het spelen van licht en schaduw door de bladeren--verborg de beestjes volkomen, zoolang zij zich stilhielden en de zonnestralen over zich heen lieten dansen. Hun mooie kopjes waren een studie voor een kunstenaar, zoo teer, zoo sierlijk, zoo fijn van kleur. En hun groote, zachte oogen hadden een uitdrukking van zoo vragende onschuld, toen ze de mijne ontmoetten, dat het regelrecht naar mijn hart ging en maakte dat ik die mooie wezentjes dadelijk als mijn eigendom beschouwde. In 't heele bosch bestaat er niets dat zoo stormenderhand ons hart verovert als 't snoetje van een jong hertje. Ze waren eerst bang en bleven doodstil liggen; niets bewoog er. Het eerste en krachtigste instinct van elk schepsel dat er op deze wereld geboren wordt is het gehoorzaamheidsinstinct. Dit was de oorzaak dat ze zoo trouw deden wat moeder bevolen had: blijven waar ze waren en stilliggen, tot zij terugkwam. Dus toen het gordijn van sparregroen was weggeschoven, toen mijn oogen naar hen keken en mijn handen ze aanraakten, hielden ze hun kopjes nog stijf tegen den grond gedrukt en deden alsof ze maar een stukje waren van den bruinigen boschgrond, de teekening op hun glanzende velletjes maar vlekken van zomerschen zonneschijn.
Toen besefte ik dat ik een indringer was, dat ik dadelijk heen behoorde te gaan en hen alleen laten; maar het waren zulke mooie beestjes, zooals ze daar in hun mooie, oude hol lagen, angst en verbazing en vragen tintelend in hun zachte oogen, toen zij mij weer aankeken als een schalksch kind dat kiekeboe speelt. Het komt door onzen hoogeren aanleg, dat wij nergens iets moois kunnen zien of wij willen er naar toe om te kijken, om het aan te raken, om het te hebben. En dit was zoo mooi als men maar zelden iets ziet, en al was ik een indringer,--ik kon niet weggaan.
De hand die de kleine boschbewoners aanraakte gaf het gevoel niet dat er gevaar dreigde. Ze zocht achter hun fluweelzachte ooren de plekjes uit waar ze zoo graag gekrieuweld worden; ze gleed met zachte, golvende beweging streelend over hun ruggen; ze legde haar holle palm onder hun vochtige snoetjes en bracht in een wip hun tongen te voorschijn, omdat deze er flauw een ziltigen smaak aan proefden. Plotseling staken ze hun kopjes op. 't Was nu geen spelletje meer, want ze hadden hun eerste les vergeten, vergeten dat zij zich moesten verbergen. Zij wendden hun blik weer naar mij en keken mij open aan met hun groote, onschuldige vraagoogen. Het was zoo heerlijk mooi dat ik geheel verslagen stond. Zoo'n diertje hoeft ons maar eenmaal zoo te hebben aangekeken, en we zouden er, als 't noodig was, ons leven voor overhebben om het te beschermen.
Toen ik ze naar hartelust geliefkoosd had en eindelijk opstond, kwamen zij ook wankel overeind en liepen hun kamertje uit. Hun moeder had ze gezegd er in te blijven, maar dit leek ook een vriendelijk groot beest, dat ze stellig wel konden vertrouwen. "Aanvaard de gaven die de goden u schenken,"--die gedachte ging door hun kopjes, en wat ze proefden, toen ze met het tipje van hun tong mijn hand belikten, was het lekkerste dat ze nog hadden gesmaakt. Toen ik mij afwendde, draafden ze met een klagend geluidje achter mij aan om mij terug te halen. Ik stond stil en ze kwamen nader, nestelden zich dicht tegen mij aan, elk aan een kant, en lichtten hun kopjes op om weer te worden geaaid en gekrieuweld.
Zooals ze daar stonden, een en al gretigheid en verwondering, kon ik prachtig aan hen gadeslaan hoe ze de eerste indrukken van de wereld opnamen. Hun ooren hadden het kunstje van de herten al geleerd, bij 't minste geluid zenuwachtig te trillen en zich luisterend naar voren te steken. Er hoefde slechts een blad te ritselen, een takje te knappen; het ruischen van de beek hoefde maar even aan te zwellen, als een drijvende tak een oogenblik den stroom stremde, en dadelijk waren de hertjes op hun hoede. Oogen, ooren, neus vroegen naar de oorzaak van het verschijnsel; dan ging hun blik langzaam naar boven en keken zij mij aan. "Wat een merkwaardige wereld is dit. Dat groote bosch is hier vol muziek. Wij weten nog niets. Toe, vertel ons er alles eens van,"--dat zeiden die mooie oogen, toen ze weer opblikten, vol onschuld, vol verrukking over het heerlijke leven. De handen, die liefkoozend elk op een zacht halsje rustten, gleden weer streelend naar beneden en namen een vochtig snoetje in hun holte. Oogenblikkelijk verdween het bosch en zijn muziek, vluchtten de vragen uit hun oogen. Begeerig kwamen hun tongetjes voor den dag, en al die onbekende klanken waren vergeten door de nieuwe gewaarwording van te likken aan een menschenhand, waar, ergens onder dat streelende ruwe, zoo'n heerlijke smaak verborgen is. Zij waren nog bezig mijn handen te belikken, dicht tegen mij aan genesteld, toen er ver achter ons, nauwelijks hoorbaar, een takje knapte.
Nu verklapt een krakende tak alles wat er in de wildernis gebeurt want, merkwaardig genoeg, er zijn geen twee dieren die zich op dezelfde manier verraden, zelfs niet als ze op het dunste twijgje trappen. Een beer gaat met zwaar, onverschillig gekraak, behalve wanneer hij zijn prooi besluipt. De hoef van een eland dempt het geluid van den tak dien hij verpletterde, nog eer het hem eigenlijk goed verraden kan. Als een hert een takje breekt, wanneer het door 't bosch snelt, geeft dat een licht, kort, knappend geluid, als 't "_plop_" van een regendroppel in het meer. En het geluid dat wij nu achter ons hoorden kon onmogelijk iets anders zijn: de moeder van mijn onschuldige kleintjes was in aantocht.
Ik wilde haar niet graag verschrikken en de oorzaak zijn dat zij hun dat jeugdige vertrouwen voor goed ontnam. Daarom haastte ik mij naar het hol terug, met de kleintjes naast mij huppelend. Eer ik halverwege was, brak er weer met een korten knap een tak; er schoot een geritsel door het kreupelhout, een hinde sprong tevoorschijn, en blaatte zachtjes, toen ze den stam in 't oog kreeg waar haar leger was. Toen ze mij zag bleef ze als aan den grond genageld staan, trillend over haar heele lichaam, haar ooren als twee beschuldigende vingers naar voren gericht en een vreeselijken angst in haar zachte oogen, als zij haar jongen ontdekte met haar aartsvijand tusschen zich in, die zijn handen op hun onschuldige halsjes hield. Haar lichaam wendde zich om te vluchten, elke spier gespannen tot den sprong, maar 't was of haar pooten in den grond waren vastgeworteld. Langzaam ontspanden de spieren zich en hernam ze haar evenwicht, haar oogen vast in de mijne; zoodra de gevaarlijke geur haar echter in den neus drong, zwenkte haar lichaam weer. Toch bleven de pootjes nog staan; ze _kon_ niet heengaan, _kon_ haar oogen niet gelooven. Maar, terwijl ik rustig stond af te wachten en alles wat ik aan vriendelijkheid voelde in de uitdrukking mijner oogen poogde te leggen, barstte het met scherp keelgeluid _k-a-a-h! k-a-a-h!_--het noodsein der herten--als trompetgeschal door de bosschen en snelde zij 't beschermende kreupelhout weer in.
Bij dat geluid sprongen de kleintjes op alsof ze gestoken waren en doken aan den tegenovergestelden kant in het kreupelhout. Maar die vreemde omgeving maakte hen angstig; de schorre kreet, die maar door de opgeschrikte bosschen snerpte, vervulde hen met een naamlooze ontzetting. Dadelijk waren ze terug, nestelden zich weer tegen mij aan en langzamerhand werden ze weer rustig, doordat mijn handen, zonder beven, kalm hun flanken streelden.
Waanzinnig van angst dwaalde de moeder steeds roepend om ons heen, maar wij konden haar niet zien; nu eens vertoonde zich haar kopje met doodsangst in de oogen,--dan weer stoof ze weg met haar witte staartvlaggetje overeind, om haar kleintjes te wijzen welken weg ze moesten nemen. Maar de hertjes letten niet meer op dat eerste noodsein. Zij voelden de verandering. Hun ooren schokten zenuwachtig; hun oogen, die nog niet scherp genoeg waren om afstanden te berekenen en hun moeder in haar schuilplaats te vinden, stonden ontzet, hadden een uitdrukking van achterdochtigen angst, toen ze vragend in de mijne keken. Onder al hun schrik voelden ze mijn goede gezindheid toch nog,--die de arme moeder nooit had leeren kennen, gejaagd als ze was door honden en belaagd door geweren--en zij bleven waar zij zich veilig wisten, in hun groote wijsheid, die al haar ondervinding te boven ging.
Langzaam leidde ik ze naar hun schuilplaats terug, liet ze voor het laatst aan mijn handen likken en schoof ze zachtjes weer achter 't gordijn van sparregroen. Toen ze er weer uit probeerden te komen, duwde ik ze nog eens terug. "Daar blijven, en naar je moeder luisteren; daar blijven en doen wat je moeder zegt," bleef ik maar fluisteren; en ik geloof altijd nog half en half dat ze het begrepen--niet de woorden, maar den zin die er achter stak--want na een poosje werden ze kalm en gluurden met verbaasde, wijdopen oogen naar buiten. Ik maakte als een haas dat ik uit het gezicht kwam, sprong over den gevallen boomstam heen, om ze van 't spoor af te brengen als ze er soms uitkwamen, stak de beek over en gleed het kreupelhout in, waar ze mij niet konden zien. Eenmaal veilig buiten gehoor, ging ik recht op de open plek af, een paar meter verder, waar de witgezengde stammen op de verbrande helling door het groen van 't groote bosch schemerden, en ik klauterde en keek uit, en veranderde net zoo lang van plaats, totdat ik den omgevallen boom kon zien waar mijn onschuldige kleintjes zich onder de wortels verstopt hadden.
De schorre noodkreet zweeg; rondom in het bosch was 't weer stil geworden. Een beweging in 't kreupelhout--en daar kwam de hinde voorzichtig weer te voorschijn aan den anderen kant der beek, waar ze stond rond te kijken en te luisteren. Zij blaatte zachtjes: het gordijn van sparregroen werd op zij geduwd en de kleintjes vertoonden zich. Zoodra zij hen zag schoot zij vooruit. Elke lijn van haar sierlijke lijfje drukte welsprekend genoeg uit hoe blij ze was, terwijl ze op hen aansnelde, haar kop boog en ze scherp besnuffelde, van de ooren tot den staart, langs hun flanken en weer terug, om toch vooral maar zeker, heel zeker te zijn dat het haar eigen jongen wel waren en dat hun niets scheelde. Al dien tijd nestelden de hertekalfjes zich dicht tegen haar aan, zooals ze nog een oogenblik geleden bij mij hadden gedaan, en beurden hun kopjes op om haar flanken aan te raken met hun neus, en in hun stomme taal te vragen waar al die drukte toch om was en waarom zij was weggesneld.
Maar toen de menschenlucht uit het kreupelhout tot haar doordrong, die nare lucht, ging de gewaarwording plotseling als een golf over haar heen, hoe volstrekt noodzakelijk het was hun die veronachtzaamde tweede les te leeren, eer ze weer voor een gevaar stonden. Met een grooten sprong schoot ze op zij en heesch snerpte het _ka-a-a-h! ka-a-a-h!_ weer door het bosch. Haar staartje had zij weer rechtop gestoken: dit diende als baken, terwijl ze wegsprong. Een oogenblik stonden de hertjes verschrikt achter haar te trillen, opnieuw verbaasd, maar toen gingen hun vlaggetjes ook naar boven en hobbelden ze weg op hun ranke pootjes, door het warrelnet van struiken en de ruigten van het bosch hun leidsvrouw dapper achterna. En ik zat er naar te kijken uit mijn schuilplaats, met een vaag gevoel van spijt dat ze mij nooit meer zouden toehooren, geen enkel oogenblikje meer, en ik zag niets dan de golvende lijnen in het kreupelhout en hier en daar den flits van een wit vaantje. Zoo trokken zij den heuvel op en verdwenen uit het gezicht.
Eerst stilliggen en dan het witte vaantje volgen.--Toen ik ze weer zag, was de noodkreet der moeder niet meer noodig om hen aan die twee dingen te herinneren die elk hertje moet weten, als het groot wil worden in het uitgestrekte bosch.
EEN KREET IN HET DONKER.
Nu komt de rest van de geschiedenis der kleine hertekalfjes, die ik aan de beek onder den bemosten tronk vond--net zooals ik het zag gebeuren. Ge weet nog wel dat er twee waren; en al leken ze op 't eerste gezicht als twee droppels water op elkander, ik ontdekte gauw dat hertekalfjes net zooveel van elkaar verschillen als kleine menschen. Oogen, snuitje, aanleg, aard--dat alles was bij hen zoo verschillend als de maagden in de gelijkenis. Het een was een verstandig en 't ander een dom klein ding. Het een was volgzaam en bevattelijk, nooit vergat het zijn tweede voorschrift; het tweede volgde van 't begin af alleen zijn eigenwijze kopje en pootjes, tot het eindelijk ontdekte dat gehoorzaamheid zijn eenige behoud was--maar toen was het te laat. Voordat de beer hem te pakken kreeg,--ik geloof zeker dat het op zijn manier, dwaas en zwijgend, meende dat gehoorzaamheid slechts voor de zwakken en de dommen dient; en dat al die moeders in de wildernis zooveel te zeggen hebben is eigenlijk misbruik maken van haar macht, om jonge diertjes te beletten hun eigen gang te gaan.
Toen de wijze, oude moeder wist dat ik ze gevonden had, haalde zij hen allebei weg en verstopte ze op een plekje waar het nog eenzamer was, in 't hartje van het groote woud, dichter bij het meer, waar zij haar voedsel haalde en hen dus des te gauwer bereiken kon. Nog dagenlang na die merkwaardige ontdekking ging ik er bij 't krieken van den dag, of laat in den middag, als de hertemoeders gewoonlijk langs de oevers aan 't weiden zijn, op uit om het dal van 't begin tot het einde af te zoeken, in de hoop de kalfjes terug te vinden en hun vertrouwen te winnen. Maar ze waren er niet, en in plaats van verder te zoeken wijdde ik mijn aandacht aan een otterfamilie, die in een hol onder een boomwortel huisde, en aan een grooten uil, die altijd in dienzelfden spar kwam slapen. Op zekeren dag echter lokte een koppel patrijzen mij uit de wilde frambozen naar een oase, koel en groen te midden van het verzengde land rondom, waar ik plotseling voor de hinde met haar kalfjes stond, die daar op dien warmen dag samen onder de kruin van een gevallen boom lagen te dommelen, tot de hitte wat voorbij was.
Mij hadden ze niet gezien, maar ze waren opgevlogen, toen een tak waarop ik stond uit te kijken naar mijn patrijzen onder mijn voeten bezweek, zoodat ik met groot gekraak onder den omgevallen boom terechtkwam. Toen ik daar op den uitkijk stond kon ik ze prachtig waarnemen, terwijl zelfs Kookooskoos _mij_ nauwelijks ontdekt zou hebben; maar bij 't eerste gekraak sprongen ze alle drie overeind, als duiveltjes in een doosje, wanneer 't haakje los wordt gemaakt. De moeder stak haar witte vaantje in de lucht--den sneeuwwitten onderkant van haar nuttige staartje, die bij dag en bij nacht als een baken licht--en sprong weg met een heesch _ka-a-a-a-h!_ tot waarschuwing. Een van de kleintjes volgde dadelijk dapper in het voetspoor van de moeder, terwijl het met zijn eigen witte vaantje wuifde om den weg te wijzen aan al wat achter hem aan mocht komen. Maar het andere hertje ging er op staanden voet van door; stond echter al gauw weer stil om ons aan te staren en te roepen en met zijn teere pootjes te stampen, in een grappige mengeling van nieuwsgierigheid en uitdaging. Tot tweemaal toe moest de moeder in een kring terugkomen, eer hij haar eindelijk onwillig volgde. Elken keer als ze weer aan kwam sluipen kwispelde haar hangend staartje zenuwachtig--
Als ge dat ziet, kunt ge er zeker van zijn dat er een flauwe menschengeur door het bosch drijft, dien het hert in zijn scherpen neus heeft gekregen, zoodat het voor uw tegenwoordigheid gewaarschuwd is.--Maar wanneer ze weer wegsprong, ging het witte vaantje steil overeind, floep!--vlak voor den neus van haar domme kalfje, en beduidde het, zoo goed als elke andere taal, welk sein het maar te volgen had om aan 't gevaar te ontkomen en zijn pootjes niet te breken in het verwarde kreupelhout.
Pas veel later, toen ik de hertjes al verscheiden keer had bespied, besefte ik van hoeveel gewicht die laatste gissing is. Wie een opgeschrikt hert achtervolgt, het met een halsbrekende vaart ziet of hoort wegspringen over losse rotsblokken en afgeknapte boomstronken, over het dooreengestrengelde kreupelhout--nu in snellen sprong zwevend aan dezen kant van een omgewaaiden boom, terwijl hij bij 't dalen pas weet hoe 't aan den anderen kant is, dan als een pijl uit den boog voortschietend over een terrein waar gij als een slak moet volgen om geen voet te verstuiken of een enkel te breken,--vraagt zich te vergeefs in stomme verbazing af hoe een hert een kwart jaar in de wildernis kan leven zonder al zijn pooten te breken. En wie 's nachts een hert hoort wegspringen onder hevig gekraak, misschien wel over een woest terrein, waar de laatste storm links en rechts de boomen geveld heeft, zoodat ge er u bij dag nauwelijks een weg door kunt banen, dien wordt het plotseling duidelijk dat het wonderbaarlijkste van een hertenopvoeding niet uit een scherp gezicht of trompetooren of zijn fijne, geschoolde reukorganen (honderdmaal gevoeliger dan elke barometer) blijkt, maar hieruit dat het niet voortdurend aan zijn pootjes denkt. 't Is haast alsof ze oogen en zenuwen en verstand in hun harde hoeven hebben, in plaats van de gevoellooze stof die er te zien is.