Dichtertje - De Uitvreter - Titaantjes
Chapter 9
Boven, aan 't eind van een nauwen donkeren gang stond hij stil. In 't schemerige licht kon ik nog net even 't woord "Monsterkamer" lezen. "Moet ik hier zijn vriend?" vroeg ik en wees naar dat woord. Ik zag dat de vriend mij een rare vond. "Dat staat er nog van vroeger, mijnheer." Hij klopte.
Ik hoorde Bekkers stem die "Ja", riep. De vriend ging naar binnen, de deur ging weer dicht en daar stond ik.
Of ik zoo goed wilde zijn hier even te wachten. Ik werd in een klein achterkantoortje gelaten met een uitzicht op een blinden muur. Aan den zolder hing een zware rol pakpapier aan een spil, een eind papier hing naar beneden boven een groote, leege paktafel. 't Jongmensch ging aan een lessenaartje zitten, dat tegen 't raam stond en begon te tikken op een schrijfmachine met z'n rug naar me toe. Ik zag 't stuk papier hangen, ik zag dat 't schuin was afgescheurd, ik keek op den breeden bollen rug en de bonkige schouders van den kantoorbediende en naar den blinden muur. Een van de baksteenen was kapot en van binnen donkerrood; dat brok steen was 't mooiste dat ik zag.
De bediende tikte maar, God weet wat-i tikte. Als-i even ophield, hoorde ik de stemmen van twee menschen door de gesloten deur, ik herkende 't geluid van Bekker, maar de woorden verstond ik niet. Twintig minuten zat ik daar te sterven. "Per me si va nella città dolente."
Toen ging de deur open en Bekker verscheen. Hij was zenuwachtig en verlegen. Hoe het mij ging. Ik zag er goed uit. Het speet hem vreeselijk. Hij had een klant over uit Bordeaux. Die mijnheer was speciaal overgekomen om met hem te spreken. Hij geloofde niet, dat hij hem voor vanavond laat kwijt zou raken... "Je begrijpt--kerel wat zie je d'r toch goed uit. Kom je nu van Algiers?" Ik begreep 't volkomen. Ja, ik kwam van Algiers. "Waar logeer je, als 't kan, kom ik vanavond om 9 uur bij je." Ik logeerde nergens, mijn geld was op, maar dat kun je toch niet zeggen op een kantoor, waar een vreemde bij is. Ik zei maar dat ik 't nog niet wist, ik kwam nog wel eens aan. "Ik hoop dat je 't dan beter treft." Ik wist dat-i dat zeggen zou. D'r zijn zoo van die gesprekken onder nette lui, waarbij je heelemaal niet hoeft te luisteren.
Hij bracht me tot de straatdeur. Hij vond 't verdomd beroerd. Ik keek naar 't bordje, "P. Bekker, Agentuur en commissiehandel" en toen naar z'n oogen.
En toen zag ik dat ook hij plotseling weer die koe hoorde loeien, die tien jaar geleden geloeid had in de schemering, de koe die je hoorde en niet zag.
Wij gaven elkaar de hand. "Per me si va tra la perduta gente, Koekebakker." Hij hield mijn hand nog vast en legde z'n andere hand op m'n schouder. "Zeg eens, als je geld noodig hebt?"
Ik ging de stoep af, de klant stond voor 't raam met z'n handen in z'n zijden, de beenen van elkaar en keek naar buiten. Rijk en welverzorgd zag hij er uit. Ik nam eerbiedig mijn hoed voor 'm af en hij groette terug, beleefd en minzaam.
XII.
Ik kom nu zoo gaandeweg tot 't einde. Goddank, zal hier of daar iemand zeggen. Och, ik wist vooruit dat 't op niet veel zou uitloopen. Waar loopt tegenwoordig 't leven van een Amsterdammer op uit? In mijn jongenstijd heb ik vaak genoeg gewenscht, dat er nu eindelijk eens iets zou gebeuren. Maar er gebeurde nooit iets. Zelfs verhuisd zijn we nooit. En later....
Alleen Hoyer weet waar de boel op uitloopt. Hij heeft wat geërfd en zit flink in de duiten. Hij is lid van de S. D. A. P. en leest "Het Volk".
's Avonds zit-i op 't Leesmuseum en leest 't Berliner Tageblatt. Schilderen doet-i niet meer. Hij weet ook waarom hij niet meer schildert: wij zijn in een tijd van verval. Een nieuwe kunst is in opkomst. Daar wacht-i zeker op. Hij brengt ondertusschen Kunst aan het Volk, hoe, dat weet ik niet. Een metselaar heeft hem eens gevraagd, "wat-i voor die smoessies kocht." Ook daarvoor had Hoyer een verklaring "Wij sociaal democraten weten maar al te goed----"
Hij zegt een boel dingen, die erg waar zijn en als je denkt, "nou wordt 't interessant", dan gaat-i niet verder. Op een middag in "Polen", sprak-i heel veel over "proletarisch sentiment" en "burgerlijke ideologieën." Ik luisterde maar naar 'm. Eén keer heb ik tegen 'm gezegd: "'t Is toch mooi dat je alles zoo zeker weten kunt."
Hij ging daar direct op in en ik kon in een half uur niet meer aan 't woord komen. En 't is inderdaad heel mooi voor iemand die zijn heele leven lang te doen heeft wat een ander 'm commandeert, zonder dat-i er zelf veel van snapt en voortdurend wordt gesnauwd en altijd margarine moet eten en in de benauwde luchten wonen. Als ik maar een beetje twijfelen mocht, dan zou ik ook wel lid van de S. D. A. P. worden. Eén geluk: de menschen, die altijd in de benauwde luchten verkeeren, hebben me niet noodig. En misschien zou 't zonder Hoyer ook nog wel gaan. 'k Zal toch eens informeeren of 't mag, dat twijfelen.
Met den agentuur en commissiehandel is 't slecht gegaan. Die commissiehandel was heelemaal larie, dat had Bekker er maar bij laten zetten omdat 't goed stond. En iemand die Dante vertaald heeft en gedichtjes gemaakt, al zijn 't er maar dertien, die moet geen agent van binnen- en buitenlandsche huizen worden. Op een regenachtigen Decemberdag, toen de lantaarns op de gracht werden opgestoken, vond ik Bekker scheef aan z'n lessenaar zitten met z'n hand onder z'n hoofd. De kamer was half donker. Hij bewoog niet. Ik stak 't gas op. De prullemand stond achter 'm en daarin lag al z'n post van drie dagen, ongeopend. Met z'n elleboog hat-i de heele rommel erin geschoven, opzettelijk, zonder er naar te kijken. Z'n bediende hat-i maanden geleden gedaan gegeven, de telefoon hadden ze weggenomen. Daar zat-i. Aan de muur hing een lijst met afvaarten van stoombooten, waarvan de laatste al weer lang was binnengekomen en na dien tijd weer uitgevaren, herhaalde malen. En op den schoorsteen stond een dik boek, een prachtuitgave van de Divina Commedia.
Buiten stonden de lantaarns te branden, bleek en vreemd in 't laatste daglicht, als een wonderlijke vergissing, zooals ze zoo dikwijls gestaan hadden. Een wonderlijke vergissing leek alles.
Nu zit Bekker weer ergens op een kantoortje. Hij heeft een goeie baas, die hem respecteert, omdat hij Dante vertaald heeft. Op mooie dagen stuurt-i Bekker 's middags weg, dan mag-i een beetje in 't zonnetje wandelen.
Aan den drank is Bekker niet gegaan. Hij lost schaakproblemen op of slaapt. Een voorstelling van de toekomst heeft-i niet. Hij verlangt zelfs niet naar zes uur. Dat geeft toch niets. Z'n tractement beurt-i met een weemoedig welbehagen, met weemoedig welbehagen koopt-i er dassen en schoenen voor. Z'n kleeren zijn netjes geborsteld. Bij tijden is hij een weinig ingenomen met zichzelf, om dat-i vroeger "een geestelijk leven geleid heeft."
Hij ziet nog weleens een schilderijtje. Onlangs kwam ik hem nog eens tegen. Toen had-i 't over de intocht van de koningin, dat schilderijtje van Eerelman, waar 't woord "Odol" zoo natuurlijk op geschilderd staat. Hij vroeg of 't niet een mooi schilderij was om in een deftige apotheek op te hangen.
Kees loopt nog altijd voor de gasfabriek en verkeert in de benauwde luchten, waar ik 't zoo even ook over gehad heb. Hij weet niet waar 't volgende kind zal moeten slapen. De kinderen zijn nu nog klein, maar over een jaar of wat kibbelen ze 's morgens bij die ééne kraan en dat ééne privaat, zooals dat altijd in district III gegaan is. Hij tobt met wat Hoyer noemt: "'t Chronische tekort in 't huishouden van den werkman," en koopt alleen 's Zaterdagsavonds sigaren. 's Zondags moet-i de kinderen verbieden. Hij moppert dat-i 't zooveel beter had kunnen hebben, als-i eerder naar z'n vader geluisterd had.
Z'n vrouw is goed voor 'm. Midden in de week heeft-i een schoone zakdoek. Maar ze zal de lusten niet opwekken van iemand, die niet aan haar gewend is, zooals Kees. Zes jaar geleden was dat anders.
En op zolder bij z'n vader, waar vroeger z'n hok was, daar hangen nu de onderlijfjes van z'n zusters te droogen.
XIII.
En Bavink?
Bavink heeft 't tegen die "Godverdomde dingen" afgelegd. Die dingen die geschilderd wilden wezen en als je dan dacht: "dan moet 't ook maar gebeuren," dan wilden ze weer niet. Hij begon wat opgang te maken, toen de strijd al op 't eind liep.
Twee maanden na mijn terugkomst kwam-i me heel kalm vertellen, dat-i zijn gezicht op Rhenen in stukken had gesneden. En zoo was 't. De rivier, den berg, den Cuneratoren, de bloeiende appelboomen, de roode daken van Rhenen, de kastanjes met hun witte en roode bloemen, de bruine beuken en 't molentje ergens in de hoogte, 64 gelijke, rechthoekige brokken van 15 bij 12-1/2 centimeter hat-i er van gesneden, met een bot knipmes. Een heel werk was 't geweest.
't Ding had 'm geërgerd. 't Was niks, totaal niks, vodden. Hij wou van mij weten, waarom iemand schilderde. Hij begreep zelf niets meer. Hij stak z'n arm uit en wees in de ruimte. Dààr waren de dingen. Hij sloeg met z'n vuist tegen z'n voorhoofd. En daar waren ze. Er uit wilden ze, maar ze deden 't niet. Stapelgek werd je ervan.
Bijna een jaar daarna vond ik hem aan 't Centraalstation aan de Parijzer trein van 8 uur. Hij bracht een of anderen kennis weg, een haarboer met lange zwarte lokken en heel veel baard, meer haar dan mensch, en een hoog voorhoofd met niets er achter. De ondergaande zon stond te schijnen, groot en rood, aan 't eind van de kap stond-i, er was een rossig schijnsel in de ruiten en 't vernis van de spoorwagens. Bavink was dronken. De trein vertrok, schoof onder de kap vandaan en boog even om naar links. Bij 't ombuigen flikkerde 't licht fel op de wagens.
Wij wandelden naar 't eind van 't perron. Een man met een seinlicht kwamen wij tegen, ik zag, dat hij in 't voorbijloopen naar een conducteur keek, die daar stond bij een anderen trein en een beweging maakte van drinken met de hand aan den mond.
Wij stonden stil buiten de kap en keken naar de zon. "Zie je die zon, Koekebakker?" De zon was bijzonder duidelijk, hij stond recht voor ons uit en dicht bij, zoo groot en zoo rood was-i nog nooit geweest. Hij raakte bijna de rails van den spoorweg, hij maakte geen flikkeringen meer op de dingen, en alleen in de matglazen ruiten van den locomotievenstal, rechts van den spoorweg, was een dof schijnsel.
"Je denkt dat ik dronken ben?" Dat dacht ik inderdaad. "Het maakt geen verschil, Koekebakker, als ik nuchter ben, begrijp ik er toch ook niks van."
"Begrijp jij wat die zon van mij wil? Vier en dertig ondergaande zonnen heb ik tegen de muur staan, achter elkaar, omgekeerd. En toch staat-i daar weer iederen avond."
"Als er geen wolken zijn," zei ik. Maar hij liet zich niet afleiden.
"Koekebakker jij bent altijd mijn beste vrind geweest. Ik ken jou al--hoe lang al?"
"Omtrent dertien jaar Bavink." "Dertien jaar. Dat is lang. Weet je wat jij doen moet? Doe me een lol. Heb je een hoedendoos?"
Ik zweeg.
"Doe 'm in een hoedendoos, Koekebakker. In een hoedendoos. Ik wil met vrede gelaten worden. Doe 'm in een hoedendoos, in een ordinaire hoedendoos. Hij verdient niet beter."
Bavink griende dronkemanstranen. Ik keek hulpeloos rond. Een heer in een uniformjas en met gele biezen om z'n pet kwam op ons af en sprak mij aan.
"Ik geloof mijnheer, dat u beter doet, als u dezen heer naar huis brengt."
Ik salueerde en gaf Bavink een arm. Hij ging gewillig mee. In de huurauto viel-i in slaap. Op de Nieuwe Zijds-Voorburgwal werd-i even wakker toen wij door een kuil reden en wilde weer over die hoedendoos beginnen. Maar meteen viel-i weer in slaap.
Op een morgen zat-i wezenloos te staren voor z'n laatste zonsondergang. Ik kwam op z'n hok met Hoyer. Hij herkende ons niet. Hij keek maar naar die zon, een groote, koude, roode zon, die in wolken onderging.
"Hij kijkt me maar aan, wij begrijpen geen van beiden wat we van elkaar moeten." Verder kwam-i niet.
Hij is nu in een gesticht voor zenuwpatienten. Hij is heel rustig. Hij kijkt maar naar boven, naar de lucht of tuurt naar den horizon of zit in de zon te staren tot z'n oogen pijn doen. Dat mag-i niet, maar ze kunnen niets met 'm beginnen. Aan 't praten kunnen ze 'm niet krijgen. Z'n schilderijen doen tegenwoordig aardige prijzen.
En Koekebakkertje is een wijs en bedaard man geworden. Hij schrijft maar, ontvangt z'n schamel loon en geeft geen ergernis.
Gods troon is nog ongeschokt. Zijn wereld gaat haar gang maar. Af en toe glimlacht God even om de gewichtige heeren, die denken dat ze heel wat beteekenen. Nieuwe Titaantjes zijn al weer bezig kleine rotsblokjes op te stapelen om 'm van z'n verhevenheid te storten en dan de wereld eens naar hun zin in te richten. Hij lacht maar en denkt: "Goed zoo jongens, zoo mal als je bent, ben je me toch liever dan die mooie wijze heeren. 't Spijt me dat je je nek moet breken en dat ik die heeren moet laten gedijen, maar ik ben ook God maar." En zoo gaat alles z'n gangetje en wee hem die vraagt: Waarom?
EEN WOORD NA.
Voor hen die gaarne weten hoe het met de liefde gesteld is, wil ik nog mededeelen, dat Dichtertje's Dora ontstaan is uit de idealisatie van een jong meisje, waarvoor ik uit de verte de genegenheid van een oud man voelde.
Toen zij het manuscript gelezen had, vertelde ik haar dat, en haar antwoord was: "Ik heb toch nooit diabolo gespeeld." Ze zei dit niet uit coquetterie of uit verlegenheid, ze had er niets van begrepen.
NESCIO.
5 Jan. 1918.
End of Project Gutenberg's Dichtertje - De Uitvreter - Titaantjes, by Nescio