Dichtertje - De Uitvreter - Titaantjes
Chapter 8
't Was heel lollig dien avond. In den trein vielen Kees en Hoyer in slaap. Bavink zat te praten met een Haagsch juffertje en de lucht van heliotroop op te snuiven die haar lieve leden ontsteeg.
Toen begon Bekker weer over de hei te praten. Daar wilde-i stilletjes wonen en maar afwachten wat God met 'm voorhad. Doen kon je niks. Hij was erg weemoedig. Ik had bezwaar tegen die hei: 't is er zoo droog. En ik vroeg Bekker waar-i van leven wilde, dat boeren van kantoorheeren lukt gemeenlijk niet al te best, behalve in Amerika, waar allerlei leugens van geloofd worden. Maar hij maakte zich daarover geen zorg. Hij had niks noodig.
Nu weet hij beter. God alleen heeft niks noodig. En dat is nu juist 't groote verschil tusschen God en ons.
Er is dan ook niks van gekomen van die hei.
VII.
Wij zaten met z'n vieren bij Zandvoort in 't fijne witte zand aan den voet van 't duin en keken naar zee. Kees was er niet bij. 't Was in 't laatst van Juli. Om zeven uur stond de zon nog hoog boven de zee, maakte, alweer, ik kan 't niet helpen, 't is God zelf die steeds in herhalingen vervalt, maakte alweer een lange gouden streep op 't water en scheen op onze gelaten.
Aan den gezichtseinder voer een sleepboot en rees en daalde; als-i daalde zag je enkel de stoompijp.
Bekker zou den volgenden dag naar Duitschland gaan. Door zijn groote talenkennis had-i een betrekking gekregen als correspondent op een fabriek. En Hoyer ging naar Parijs, schilderen.
Bekker vooral was weer erg weemoedig. Hij wou dat-i dat baantje maar niet aangenomen had. Hij begreep niet goed meer waarom-i 't gedaan had. Twee uur was-i in dat ellendige fabrieksstadje geweest om zich voor te stellen. Ziek was-i er geworden, heimwee had-i er gekregen. Zoo gauw mogelijk was-i naar 't station gevlucht. Daar lagen gelukkig de rails nog, onafzienbaar, recht, tot aan den horizon, de weg naar Amsterdam. En zijn biljet had-i voor den dag gehaald. En er had nog duidelijk opgestaan: "nach Amsterdam". En op tijd was de trein gekomen en had 'm over de rails naar huis gereden. En toen-i aan 't Centraal station was afgestapt, toen had-i in de volheid zijns gemoeds een praatje gemaakt met den machinist en hem een sigaar gegeven, een dure, en even de locomotief met z'n hand aangeraakt en gedacht: "aai locomotief". En toch had-i dat baantje aangenomen. 't Gaf een boel meer dan-i hier verdiende. En nu moest-i weg en zou den Ringdijk niet meer zien. En al dien tijd zouden die rails daar liggen, maar hij zou hoogstens daarginds op 't perron kunnen staan en er naar kijken en de treinen zien vertrekken, 's avonds, en 's Zondags den geheelen dag, vele malen.
Nu was de zon lager en rood, de gouden streep was weg. 't Was een warme, stille avond. Het roode water rimpelde wat, de branding rolde langzaam en ruischte maar zacht.
Bekker had een theorie, dat-i zou sparen en terugkomen en op de hei gaan wonen. Maar hij geloofde er zelf niet aan in zijn hart. En wij probeerden 't te gelooven, zelfs Hoyer probeerde 't en wij overtuigden ons zelf dat 't zoo gaan zou, maar wij geloofden 't niet. En 't is ook zoo niet gegaan. Na een jaar is Bekker teruggekomen. Hij had een paar honderd gulden overgehouden en liep weer iederen morgen om half negen in de Linnaeusstraat met z'n brood in een zeiltje. Een mensch heeft veel noodig.
Maar dien avond dachten wij niet aan zeiltjes met brood. Wij deden erg ons best om te gelooven, dat wij er nog heel wat van terecht zouden brengen. Verbazen zouden wij de wereld, zoo kalm en onaanzienlijk als wij daar zaten met opgetrokken beenen en onze acht handen om onze knieën. Hoyer had zich voorgenomen allerlei gemeene dingen te schilderen. In een tijdschrift had-i een artikel gelezen over de sociale taak van den kunstenaar, hij was er nu achter. Hij begon een dispuut met Bekker over de hei. Het was mirakel geleerd. Hij probeerde Bekker te overtuigen, dat 't verkeerd was zich af te zonderen van de wereld en naar die hei te gaan, waar-i toch nooit naar toe zou gaan. Een kunstenaar behoort te staan midden in 't moderne leven.
Van mij wilde Hoyer weten hoe ik er over dacht. Ik zei maar, dat ik er nooit over gedacht had. Ik begreep ook niet wat-i wilde, hij wist 't immers, waarom moest-i nu nog weten hoe ik er over dacht.
Alleen Bavink zei niets, hij zat met z'n kin op z'n knieën en ontving de zon in z'n hart. De zon was nu zoo plat als een suikerboon en dof rood, hij was bijna weg.
Hoyer kon er niet bij blijven zitten. Hij sprong op en nam Bekker mee. Zij wandelden langs 't strand, in de verte hoorde we Hoyer schreeuwen, blijkbaar wond-i zich op. Bavink en ik bleven nog even zitten, toen drentelden wij zachtjes achter hen aan. 't Leek me niets leuk een levensbeschouwing te hebben, Hoyer schreeuwde zoo.
Bavink en ik stonden stil en keken naar de punten van onze schoenen en naar 't aanrollen van de verloopende golven. De zon was weg, de roode schijn op 't water begon te verbleken, in 't zuiden klom een blauwige duisternis. Er was een geur van modder. In de verte, bij 't dorp, gingen plotseling de booglampen aan bij 't strand.
"Begrijp jij dat," vroeg Bavink, "van die sociale taak?"
Ik haalde m'n schouders op. "Wat zou dat voor 'n vent zijn, die dat artikel geschreven heeft? Heb jij verantwoordelijkheidsgevoel, Koekebakker?" Daar had Hoyer 't ook over gehad.
"Hoyer praat machtig mooi," zei Bavink. "Machtig mooi. Ik heb geen verantwoordelijkheidsgevoel. Ik kan me daar niet mee ophouden. Ik moet schilderen. Een lolletje is 't niet. Wat zei-di ook weer?" "Wie?" vroeg ik. "Die vent in dat boek, wat zei-di ook weer dat kunstenaars waren?" "Gebenedijden, Bavink." "Weet je wat ik denk, Koekebakker? Dat 't dezelfde vent is, die de spoorboekjes gemaakt heeft. Daar heb ik ook nooit iets van begrepen, hoe iemand dat kon. Gebenedijden... God is overal? Of niet, Koekebakker? Dat zeggen ze toch?"
Ik knikte. De duisternis begon nu overal uit 't water te klimmen, in 't noordwesten hield de kim nog wat gelige en groenige gloed, boven onze hoofden trok 't laatste licht weg. Wolken waren er niet.
"Dus hij is overal," zei Bavink. "Daar en daar en daar." Met uitgestrekte arm wees hij om ons heen. "En daar achter die zee, in 't land dat wij niet zien. En daar, bij Driehuis, waar de booglampen staan. En in de Kalverstraat. Ga eens met je rug naar 't water staan en luister. Kan jij eruit blijven?"
"Waaruit?"
"Uit die zee?" Ik knikte van ja, dat kon ik best.
"Ik nauwelijks," zei Bavink. "'t Is zoo raar dat weemoedige geluid achter je. 't Is net of zoo'n zee wat van me wil. Daarin is God ook, God roept. 't Is waarachtig geen lolletje, overal is-i. En overal roept-i Bavink. Je wordt mal van je eigen naam, als-i zoo dikwijls geroepen wordt. En dan moet Bavink schilderen. Dan moet God op een brokkie linnen met verf. Dan roept Bavink "God." En zoo blijven ze mekaar roepen. Voor God is 't een spelletje, die is oneindig en overal. Hij roept maar. Maar Bavink heeft maar éen dom hoofd en één domme rechterhand en kan maar aan één schilderijtje te gelijk werken. En als-i denkt dat-i God heeft dan heeft-i linnen en verf. Dan is God overal, behalve waar Bavink 'm hebben wil. En dan komt er een vent en schrijft dat Bavink gebenedijd is. En Hoyer leert dat uit z'n hoofd en loopt er over te zwetsen tegen Bekker. Zeg wel gebenedijd. Weet je wat ik wou? Dat ik spoorwegboekjes kon maken. Zoo'n vent laat God met vrede, die is 'm de moeite niet waard."
Ik presenteerde Bavink een sigaar en stelde voor naar Driehuis te gaan. Ik had trek in koffie. Ik vond het niet mooi van Bavink een verdienstelijk heer zoo te kleineeren. Achter ons aan kwamen Hoyer en Bekker terug en hadden 't nog erg druk.
Om elf uur stonden we dien avond nog weer aan 't strand in de nacht. Er was wat wind komen opzetten, de golven ruischten. Een weinig drank had de weemoed en de somberheid verdreven. Een nieuwe tijd zou aanbreken. Bekker zou in de eenzaamheid van zijn Duitsche kosthuis Dante vertalen, zooals nog nooit iemand 't gedaan had. Bavink had een groot doek in z'n hoofd, een gezicht op Rhenen, hij was daar eens een dag geweest, duidelijk zag hij alles voor zich. En Hoyer ging werken aan z'n sociale taak; ze zouden er van opkijken. En ik probeerde 't allemaal te gelooven.
De koele wind woei om ons heen. De zee ruischte klagend, de zee, die klaagt en weet niet waarom. De zee spoelt verdrietig aan 't land. Mijn gedachten zijn een zee, ze spoelen verdrietig aan hun grenzen.
Een nieuwe tijd zou aanbreken, nog konden wij groote dingen tot stand brengen. Ik deed mijn best 't te gelooven, héél erg mijn best.
VIII.
In Rhenen stond ik in de schemering op de brug over den spoorweg en keek naar 't Noorden. In de diepte lag de spoorlijn tot den gezichtseinder, aan beide zijden er van rees de berg steil op, begroeid met lichtgroen gras en donkergroene brem vol gele bloemen. Ik keek er naar hoe de bergwanden geleidelijk lager werden, tot ze, heel ver, overgingen in de vlakte.
Weer begon de duisternis geheimzinnig naar boven te kruipen uit de aarde, zooals ik dat zoo dikwijls gezien had. Bevreesd en bangelijk lag 't laatste licht van den dag op den berg, de spleet was vol duisternis, een rood licht was opgetrokken aan een paal aan de spoorlijn. De lucht was wat grijs beslagen en keek kleurloos neer op den verslagen dag.
Zes jaar was ik weggeweest en nu stond ik daar, pas in Holland terug, op de plaats waaraan ik zoo vaak had gedacht, waarover ze mij in bijna iederen brief hadden geschreven. (Bavink schreef me ieder jaar zeker wel twee keer en Bekker wat vaker), op den berg waarvan Bavink mij in den loop van den tijd zeven teekeningetjes had gestuurd en waarop Bekker twee heel kleine versjes had gemaakt.
Naar Holland was ik gekomen om armoe te lijden en artikeltjes en verhaaltjes te schrijven in 't buurtje waar ik zoo lang gewoond had. En mijn laatste twee rijksdaalders wilde ik verteren in de stad die in mijn afwezigheid een korte poos de hoofdstad der wereld was geweest.
In 't Noorden verslond de duisternis 't licht mateloos, nu was de berg weldra verzwolgen, 't laatste geleide van den dag vluchtte in 't Noordwesten overhaast en ik stond op 't bruggetje aan 't niet, omspoeld door de oneindigheid.
Ik legde mijn elboog op de leuning en hield m'n kin met m'n hand vast en keek in de duisternis en dacht aan de platte roode zon, die, lang geleden, in de groene golven van den Atlantischen oceaan was ondergegaan, de golven die opliepen met scherpe randen en holle flanken en vielen en opliepen en nu nog oploopen en vallen. En aan de gele lichten in de armelijke buurtwinkeltjes in Amsterdam, die ik nu spoedig weer zou zien en die iederen avond hadden geschenen, terwijl de oceaan golfde.
En de vage verwachtingen van vroeger stegen weer in mij op en het verlangen, zonder te weten waarnaar.
Doch er kwam een gevoel bij, dat ik vroeger niet gekend had. Voorbij waren al die dagen gegaan en voorbij zouden nog vele dagen gaan, en al die dagen zouden mijn verwachtingen onvervuld blijven en mijn verlangens onbevredigd. Jaren had Bavink met tusschenpoozen gewerkt aan zijn gezicht op Rhenen, aan de rivier, den berg, den Cuneratoren, de bloeiende appelboomen, de roode daken van 't stadje, de kastanjes met hun witte en roode bloemen en de bruine beuken tusschen de huizen in de hoogte, en 't molentje ergens op den berg. Jaren had Bekker in 't villaatje op den berg, dat Bavink gehuurd had, iederen Zondag Dante vertaald en gedichtjes geschreven soms, jaren had ik over de wereld gezworven. En wat was er nu nog gebeurd? Wat beteekende dat alles voor de wereld, voor God, voor ons zelf?
Op den toren van Rhenen had ik gestaan en de verten gezien, en mijn hart had naar de verte getrokken en naar de roode luchten in 't westen. Doch al had ik van den toren kunnen vliegen naar de verten, dan zou ik slechts gevonden hebben, dat de verte het nabije was geworden en opnieuw zou mijn hart naar de verte getrokken hebben. En wat baat mij de wijsheid, die mij leert dat 't niet anders kan en zoo blijven zal in eeuwigheid?
Iederen dag hadden wij verlangd zonder te weten waarnaar. En eentonig was 't geworden. Eentonig werd 't opgaan van de zon en 't ondergaan en 't schijnen van de zon in 't water en 't schuiven der witte wolken. En ook de donkere luchten werden eentonig, en 't bruin en geel worden van de bladen, en de bladerlooze kruinen en de armoedige drassige weilanden in den winter, al die dingen die ik zoo vaak gezien had en waaraan ik zoo vaak had gedacht in mijn afwezigheid en die ik zoo vaak weer zou zien, als ik niet stierf. Wie kan z'n leven doorbrengen met te kijken naar al deze dingen, die zich steeds herhalen, wie kan blijven verlangen naar niets? Hopen op een God die er niet is?
En nu bloeiden weer de brem en de seringen en de appelboomen en de kastanjes en de zon had al weer fel gebrand. En vol ontroering had ik dit alles weergezien.
En terwijl ik daaraan dacht, weken de vage verwachtingen en verlangens.
God leeft in mijn hoofd. Zijn velden zijn er onmetelijk, zijn tuinen staan er vol schoone bloemen, die niet sterven en statige vrouwen wandelen er naakt, vele duizenden. En de zon gaat er op en onder en schijnt laag en hoog en weer laag en 't eindelooze gebied is eindeloos 't zelfde en geen oogenblik gelijk. En breede rivieren stroomen er door met vele bochten en de zon schijnt er in en ze voeren 't licht naar de zee.
En aan de rivieren mijner gedachten zit ik stilletjes en genoeglijk en rook een steenen pijpje en voel de zon op mijn lijf schijnen en zie 't water stroomen, voortdurend stroomen naar 't onbekende.
En 't onbekende deert mij niet. En ik knik maar eens tegen de schoone vrouwen, die de bloemen plukken in mijn tuinen en hoor de wind ruischen door de hooge dennen, door de wouden der zekerheid, dat dit alles bestaat, omdat ik 't zoo verkies te denken. En ik ben dankbaar dat mij dit gegeven is. En in ootmoed pijp ik nog eens aan en voel mij God, de oneindigheid zelf.
Doelloos zit ik, Gods doel is de doelloosheid.
Maar voor geen mensch is het weggelegd dit bij voortduring te beseffen.
IX.
Toen ik den volgenden ochtend tegen negenen in Amsterdam aankwam en op 't plein voor 't Centraalstation stond, zag ik allerlei electrische trammen die ik daar nog nooit gezien had en huurauto's en agenten van politie met petten op inplaats van helmen. Maar 't Damrak hadden ze nog niet gedempt, ik zag de achterkanten van de huizen van de Warmoesstraat weer vlak aan 't water staan en den toren van de Oudekerk aan 't eind er boven uit. Dat was dus nog in orde.
En daar liepen ook weer diezelfde nette heeren, wier haar altijd even netjes zit, die nooit een kreukel in hun jas of een spatje modder op hun schoenen hebben. En ze zagen er weer uit als of ze 't nog altijd enorm goed wisten, en vonden dat ze vrijwel geslaagd waren in 't leven. En vriendelijk en beleefd waren ze weer tegen elkaar. Hun kleeding was een kleinigheid anders dan een jaar of wat geleden, maar nog even degelijk. En je kon zien dat zij nog altijd met alles in 't reine waren. Een jas was nog altijd een jas en een vest een vest, en een fatsoenlijke vrouw een fatsoenlijke vrouw en een meid een meid. Het kwam allemaal nog precies uit. Ook wisten ze nog precies wie en wat beneden hun stand was; ik twijfelde er niet aan. En ook 't Rokin zou wel gedempt komen als ze er aan toe waren.
Met lijn twee reed ik over de Nieuwezijds Voorburgwal. Het was maar goed dat ze die gedempt hadden lang geleden, anders had de tram daar allicht niet kunnen rijden en je kon nu ook overal makkelijk van den eenen kant naar den anderen oversteken.
Met lijn twee, de lijn bij uitnemendheid der nette en gewichtige heeren. Een paar vreeselijk gewichtige heeren waren in de tram, niets was ik daarbij. Vroolijk scheen het zonnetje op den Voorburgwal, 't groen der boompjes was nog wat licht en ik zag dat de schaduw van de Nieuwe kerk den overkant der straat niet raakte, lang niet. En ik herinnerde me, dat ik jaren geleden, ook in 't laatst van Mei dezelfde schaduw precies zoo gezien had. En dat ik op een zonnigen winterdag, toen over de Voorburgwal nog geen tram reed, door de schaduw van die kerk geloopen had, die toen de heele breedte van de straat bedekte. Nu raakte hij de rails niet, de tram reed in de zon voorbij de kerk. En over enkele maanden zou dezelfde wagen (hij was nog heel nieuw) op dezelfde plaats door die schaduw rijden. En toen ik weer naar die twee vreeselijk gewichtige heeren keek vond ik, dat al dien tijd dat Rhenen de hoofdstad der wereld geweest was, er eigenlijk al heel weinig in die wereld veranderd was.
En ik dacht, wanneer die twee heeren dood zouden gaan en naakt zouden aankomen voor de rechtbank des Heeren, en hier vergeten zouden zijn. En dat er vreeselijk gewichtige heeren na hen zouden komen. En of ze hun stomme aplomb zouden bewaren, als ze daar boven zouden aankomen zonder hun gepoetste schoenen? En hoe 't gaan zou met die nette scheidingen in hun haar? En of ze dan zouden uitkomen met hun stupide vertoon van meerderheid, of er niet een kleinigheid op die gezichten te lezen zou zijn, als ze daar die andere, nog gewichtiger heeren zouden ontmoeten, die ze zooveel jaren hadden hooggeacht, ook naakt?
En hoeveel idealistische jongelingen in dien tijd opstellen geschreven en gedichtjes en schilderijtjes gemaakt en zich opgewonden en gedweept zouden hebben. En gezoend. En daarna ook gewichtig zouden zijn geworden misschien, en ook vergeten.
Toen kwam er een meisje met een viool in de tram en keek met haar zwarte oogjes naar de puntjes van haar schoentjes, en ik keek naar de ronding van haar zomermanteltje en vergat die nette heeren.
X.
Hoyer vond ik thuis. Hij woonde heel netjes in een straatje van den tweeden rang, achter 't Concertgebouw. Hij ontving me in een zitkamer, waar ik niet durfde loopen, er lag zoo'n duur kleed. Zijn gordijnen waren van pluche, z'n stoelen bekleed met geel moquette, op den schoorsteen stond een zwarte pendule met candelabres en ik meen dat ik ook nog ergens een bronzen paard heb gezien, allemaal dingen uit dure bazars. Goed zitten durfde ik ook niet, ik zat al dien tijd op de punt van een stoei, maar ik geloof niet, dat Hoyer daar iets van gesnapt heeft.
Hoyer had kolossaal geboft. Ze hadden de ouwe stomme streek uitgehaald een naaktfiguur van hem te weigeren. De Wellust had hij de dame genoemd en ze was inderdaad, laat ik maar zeggen, omdat ik voor een fatsoenlijk tijdschrift schrijf "heel lief." En nu woonde Hoyer heel duur op gemeubileerde kamers, bij een nette weduwe met drie namen, waar ook een vrouwelijke advocaat in huis was en een assistent-resident met verlof, met vrouw en kind. En hij at buitenshuis, want de weduwe was veel te net om voor eten te zorgen. Schoenen poetsen was extra.
En ik zat al dien tijd op de punt van mijn stoel en keek naar de gedraaide poot van de tafel en naar de vergulde lijst van den spiegel. Het was erg vervelend. Ik moest natuurlijk vertellen van mijn reis, maar ik wist niet wat, ik hoorde mezelf praten en luisterde als een daas naar mijn eigen geluid. Er was een naargeestig licht in de kamer, ik denk dat de weduwe bang was voor inkijken. Ik wou dat ik maar weg was en keek langs de drie muren, die ik zien kon zonder al te veel te draaien, maar ze weken niet en ik kon er niet doorheen zien. Ik keek naar de deur, ik kon er mijn oogen niet van afhouden, hulpeloos zat ik daar te staren. De deur trok. Vage visioenen had ik van de Cunera, van den hoek van den Grebbeberg met de rivier en van 't zonnige plein voor 't Centraalstation en de blinkende wijzerplaat van de Oudekerk en daar doorheen zag ik de geschilderde vlammen van 't nagemaakte eikenhout van die deur. En onderwijl ging iemand door met praten, o ja, dat was Hoyer. En nu antwoordde ik zelf, of eigenlijk ik zelf niet, maar mijn tong bewoog toch en er kwam geluid uit m'n mond, ik hoorde 't duidelijk.
Niets merkte Hoyer. Z'n atelier was boven. Of hij me maar even voor mocht gaan. Wezenloos liep ik achter 'm aan "Dit is zeker 't privaat?" Ik dacht dat 't hoorde zoo iets te zeggen, als een heer je z'n huis liet zien. Niets merkte Hoyer: "Nee, dat is een kast" zeide-i. En ik dacht, waarom zegt-i niet: "Pardon, dat is een kast." Dat zoud-i zeker later zeggen, over een jaar of zoo.
De gangetjes waren nauw, de loopertjes smal, de trapjes naar rato, met dunne spijltjes, een beetje gedraaid, maar alles was netjes, keurig netjes, dat moest ik zeggen. Nog merkte Hoyer niets.
Daar boven knapte ik wat op, daar was ten minste licht, 't bekende licht van 't atelier. De ezel was leeg. Er stond een dure stoel, een clubstoel waar ik in wegzakte, nog nooit had ik in zoo'n stoel gezeten. Hoyer schilderde tegenwoordig portretten, dames en heeren, allemaal netjes aangekleed. Hij liet me ook een pas begonnen portret van de vrouwelijke advocaat zien. Zij was nu op reis. Eerst had Hoyer z'n atelier buitenshuis gehad, maar de advocate had "mevrouw" overgehaald toe te staan, dat een deel van de zolder voor atelier werd vertimmerd. Dat overhalen had eenige moeite gekost en was pas gelukt, toen de weduwe had gehoord, dat Hoyer het portret zou schilderen van een juffrouw van den Willemsparkweg met winterhoed, boa en mof. En de rest van haar kleeren natuurlijk. En dat hij voorgedragen was als lid van "Arti".
Of Bavink wel eens hier kwam? Nooit, hij was er nog niet geweest. En of hij nog wel eens iets van Kees had gehoord? Ja, Bavink had hem een tijdje geleden op straat gesproken. Drie of vier betrekkingen had Kees in een paar jaar versleten en daar tusschendoor was hij lange tijden werkeloos geweest. Z'n vader had eindelijk een betrekkinkje voor 'm gevonden bij de gasfabriek.
"Hij loopt nu met een uniformpet op met drie kruisjes en G. G. boven z'n voorhoofd en een boekje onder z'n arm. En een vent bij 'm met een zwarte zak." Bavink had 't een heel gezicht gevonden. Hij moet de halve stuivers uit de muntmeters halen en de andere vent moet die dragen in dien zak. En als ze de halve stuivers uit de meter hebben gehaald, dan moet Kees vragen of de juffrouw die halve stuivers weer in wil wisselen. Hij klaagde dat-i zoo weinig verdiende. Bavink was een eindje met 'm mee gegaan, hij had nog nooit naast zoo iemand geloopen. Maar 't had hem gauw verveeld. Hij deed 't nooit weer.
Ik tuurde naar 't Bokharakleedje, dat voor den clubstoel lag en zag heel duidelijk de verlaten keien van de Linnaeusstraat en den hardsteenen trottoirband en de voeg, waar twee stukken daarvan tegen elkaar gezet waren en de klinkertjes van 't trottoir. En ik zag ons daar zitten in de zomernacht. Bavink en Bekker en Kees en Hoyer en mijzelf. Ik zag dat de keien en 't stof nat waren, de sproeiwagen was er over heen gegaan, ergens lag een nat stuk krant. En ik hoorde Hoyer zeggen, dat-i opstond, want dat die blauwe steen zoo optrok. En nu hoorde ik weer diezelfde stem, maar wat beschaafder, met wat meer modulatie: "Je zult me excuseeren, Koekebakker, om elf uur heb ik een conferentie."
Buiten scheen de lentezon in de troostelooze straat. Mijn God, hoe kon zoo'n straat bestaan. 't Meisje in de tram had ik vast niet mogen zoenen, maar zoo'n straat mocht bestaan. Dat mocht.
XI.
Op een van de grachten was 't. Ik stond op de stoep en las: "P. Bekker, Agentuur en Commissiehandel." Ik schelde en wachtte. 't Duurde nog al lang. Toen ging de bovenste helft van de deur open en ik zag een jongmensch met een vierkant hoofd. "Is m'nheer Bekker op kantoor?" Raar klonk dat. En terwijl 't jonge mensch met eenige moeite de onderdeur open maakte, herinnerde ik me hoe vroeger de straatdeur werd opengetrokken zonder dat je iemand zag en dat ik dan riep "Hallo Bekker!" "Is mijnheer op kantoor?" Er was iemand bij mijnheer.
In den marmeren gang stond een groote rol loopergoed. "Wie kan ik zeggen dat er is?" "Koekebakker." "Wilt u mij maar volgen?" 't Jonge mensch ging mij voor, een smalle trap op, die ettelijke malen draaide.