Dichtertje - De Uitvreter - Titaantjes

Chapter 7

Chapter 74,377 wordsPublic domain

Wat kon i doen? Wat bereikten ze met hun allen? Te sappel hatti zich gemaakt, gloeiende speechen, woeste artikelen hatti gefantaseerd, terwijl i op kantoor zat en werkte voor den handel van zijn baas, hard werkte en iedereen zich verwonderde over de massa's werk, die i verstouwde. De wereld was blijven draaien, draaide precies zooals altijd, zou wel blijven draaien zonder hem. Te sappel had i zich gemaakt. Hij was nu wijzer. Hij trok er zijn handen van af. Er waren kooplui genoeg en schrijvers en praters en lui die zich te sappel maakten, meer dan genoeg.

En altijd zaten ze in angst ergens voor en hadden verdriet ergens over. Altijd waren ze bang ergens te laat te komen of van iemand een standje te krijgen, of zij kwamen niet uit met hun tractement, of hun plee was verstopt, of ze hadden een zweertje, of hun Zondagsche pak begon te slijten, of de huur moest betaald worden; dit konden ze niet doen hierom en dát moesten ze laten daarom. In zijn jongen tijd was i nog zoo dom niet geweest. Een sigaartje rooken, een beetje kletsen, wat rondkoekeloeren, je verheugen in het zonnetje als 't er was en in den regen als 't er niet was, en niet denken aan den dag van morgen, niets willen worden, niets te verlangen dan af en toe wat mooi weer.

Je kon 't niet volhouden. Dat wist i wel. Het kon nu eenmaal niet bestaan of je moest een bom duiten hebben. En die hatti niet. Wat zijn ouwe hem kon nalaten was de moeite niet waard. En hij, Japi, vond het nu welletjes ook. Hij was nu bezig zijn tijd te verstaren. Bereiken kon je toch niets. Hij scharrelde nog wat rond op de plaatsen waar i zich vroeger geamuseerd had. Speciaal hield i zich bezig met in rivieren te staren. In Dordrecht had i enkele weken starende versleten. In Veere had i dagen lang boven op 't Hospitaal gekampeerd. September had i in Nijmegen doorgebracht.

En toen met eenige variatie herhaalde i zijn oude rêverie over 't water. Van 't water dat maar altijd naar 't westen stroomde, dat iederen avond naar de zon stroomde. In Nijmegen liep een ouwe dokter rond, die drie-en-vijftig jaar lang 's morgens op 't zelfde uur dezelfde wandeling had gemaakt. Over 't Valkhof en aan de Noordzijde naar beneden en de Waalkade af tot aan de brug. Dat is meer dan 19300 maal. En altijd stroomde 't water naar het westen. En dat beteekende nog niets. Het heeft zeker honderd maal drie en vijftig jaar naar dien kant gestroomd. En langer. Nu ligt de brug er over. Nog maar kort, nog maar wat jaren. En toch heel lang. Ieder jaar is 365 dagen, tien jaar is 3650 zonnen. Iedere dag is 24 uur, en ieder uur gaat er meer door de hoofden van al die tobbende menschen dan je in duizende boeken zou kunnen opschrijven. Duizende tobbers die de brug gezien hebben, zijn nu dood. En toch ligt i er nog maar kort. Veel, veel langer stroomde het water daar. En er was een tijd toen dat water er niet stroomde. Die tijd is nog veel langer geweest. Dood zijn de tobbers gegaan bij honderde en honderde millioenen. Wie kent ze nog? En hoeveel zullen er sterven na dezen? Ze tobben maar, tot God ze wegraapt. En je zou denken: God zou ze een lol doen als i ze plotseling te grazen nam. Maar God weet beter dan jij of ik. Tobben willen ze, blijven voorttobben. En onderwijl gaat de zon op en onder, de rivier daar stroomt naar 't Westen en blijft stroomen tot daar ook een eind aan komt.

Neen plannen hatti niet meer, en te sappel maken zou i zich niet meer. Daarvoor zou Japi wel oppassen. Een diner accepteerde i dien avond nog wel. Zelfs zong i een komiek liedje en stak een malle speech af, staande op een stoel.

Eenige maanden heeft Japi nog verstaard. Met zijn gezondheid ging het niet al te best en de toelage van zijn kantoor hield op. Den winter bracht i in Amsterdam door, waar ze druk bezig geweest waren, mooie huizen af te breken en er leelijke voor in de plaats te zetten, al tobbende.

In Mei trok i naar Nijmegen.

Daar schreef i me op een briefkaartje, dat Jeanne aan haar borstkwaal gestorven was. Daar hatti op gewacht, schreef i.

Op een zomermorgen om half vijf, toen de zon prachtig opkwam, is hij van de Waalbrug gestapt. De wachter kreeg hem te laat in de gaten. "Maak je niet druk, ouwe jongen," had Japi gezegd, en toen was i er afgestapt met zijn gezicht naar het Noord-Oosten.

Springen kon je het niet noemen, had de man gezegd, hij was er afgestapt.

Op zijn kamer vonden ze een stok die van Bavink had gehoord en aan de muur zes briefjes met G.v.d. er op en één met "Ziezoo".

De rivier is sedert naar het Westen blijven stroomen en de menschen zijn blijven voorttobben. Ook de zon komt nog op en iederen avond krijgen Japi zijn oude lui het Nieuws van den Dag nog.

Zijn reis naar Friesland is altijd onopgehelderd gebleven.

TITAANTJES.

I.

Jongens waren we--maar aardige jongens. Al zeg ik 't zelf. We zijn nu veel wijzer, stakkerig wijs zijn we, behalve Bavink, die mal geworden is. Wat hebben we al niet willen opknappen. We zouden hun wel eens laten zien hoe 't moest. We, dat waren wij, met z'n vijven. Alle andere menschen waren "ze". "Ze", die niets snapten en niets zagen. "Wat?" zei Bavink, "God? je praat over God? Hun warme eten is hun God." Op enkele "goeie kerels" na werd iedereen door ons veracht. Heel stilletjes zeg ik daar nu bij: "En niet ten onrechte," maar dat mag niemand hooren. Ik ben nu geen held meer. Je weet niet hoe je de menschen nog eens noodig kunt hebben. En Hoyer vindt ook dat je geen aanstoot moet geven. Van Bekker zie of hoor je niks meer. En Kees Ploeger praat van die rare kerels die 'm op den slechten weg brachten. Maar toen waren we in de dagen onzer dwaasheid, de uitverkorenen Gods, ja God zelf. Verstandig zijn we nu, alweer behalve Bavink en we kijken mekaar aan en glimlachen en ik zeg tegen Hoyer: "we zijn er niet op vooruit gegaan." Maar Hoyer is al te ver heen, hij begint bij de bonzen van de S. D. A. P. te hooren, en maakt een gebaar van twijfel met z'n handen en z'n schouders.

Wat we eigenlijk doen zouden is ons nooit duidelijk geweest. Iets zouden we doen. Bekker had een vaag besef dat-i alle kantoren wilde afbreken, Ploeger wilde zijn baas z'n eigen klokken laten inpakken en er bij gaan staan met een sigaar in z'n hoofd en vloeken op die kerels die nooit iets goed konden doen. Eéns waren we 't, dat we "eruit" moesten. Waaruit, en hoe? Eigenlijk deden we niets anders dan praten, rooken, drinken en boeken lezen. Bavink vrijde bovendien nog met Lien. Achteraf bedenk ik, dat we een prachtig stel kerels geweest waren om rijk te zijn, maar "centen hebben" vonden we verachtelijk; alleen Hoyer begon daar vrij gauw anders over te denken. Bavink begreep niet, waarom die kerels zoo maar in rijtuigen mochten rijden en dure jassen aanhebben en andere lui commandeeren, die niet stommer waren dan zij. Automobielen zag je toen zoo nog niet.

Heele zomernachten stonden we tegen 't hek van 't Oosterpark te leunen en honderd uit te boomen. Een heel kamerameublement zou je daaraan hebben kunnen verdienen, als je dat allemaal had kunnen onthouden. Er wordt toch zooveel geschreven tegenwoordig.

Dikwijls waren we ook minder spraakzaam. Aan den rand van 't trottoir zaten we tot lang na twaalven, zoo maar op de straatsteenen en waren weemoedig en tuurden naar de klinkers, en van de klinkers naar de sterren. En dan zei Bekker, dat-i eigenlijk medelijden met z'n baas had en ik probeerde een gedicht te maken, en Hoyer zei, dat-i opstond want dat die blauwe steen zoo optrok. En als in die korte, zoele nachten het zwart recht boven onze hoofden wat verschoot, dan zat Bavink met z'n hoofd in z'n handen, over de zon te praten, bij 't sentimenteele af. En we vonden dat 't zonde was naar bed te gaan, dat een mensch eigenlijk altijd op moest kunnen blijven. Ook dat zouden we veranderen. Kees zat te slapen.

En dan gingen we de zon op zien komen aan de Zuiderzee, behalve Kees, die naar huis ging. Hoyer klaagde over de kou, maar Bavink en Bekker wisten nergens van. Die zaten op de steenen onder aan den zeedijk met de oogen half dicht en keken tusschen hun oogharen door naar de dansende gouden pijltjes die de zon in 't water maakte. Stapelmal werd Bavink er van. Naar de zon loopen wilde-i over de lange, lange schitterende streep. Maar aan den kant van 't water bleef-i toch maar staan. Ik herinner me, dat we, Bavink en ik, eens op een keer aan zee kwamen, toen de halve zon groot, koud en rood aan de kim stond. Bavink sloeg met z'n vuist tegen z'n voorhoofd en vloekte: "God, God, dat schilder ik nooit. Dat kan ik nooit." Nu zit-i in een gesticht. Als we teruggingen, konden we een heelen tijd niets zien dan gele vlekken en voor onze bazen waren zulke tochten heel slecht. Want ik was er op kantoor nog slaperig van en Bekker, die er beter tegen kon, zat den geheelen dag over de zon te suffen en meer dan ooit naar de verlichte boomtoppen aan de overzij van de tuinen te staren en erger dan ooit naar zes uur te verlangen.

Waar we ook heel sterk in waren, dat waren, na kantoor, tochten naar den Ringdijk. Daar zaten we in 't gras tusschen de boterbloemetjes beneden aan den dijk en dan kwamen de nieuwsgierige koeien met hun groote oogen en keken naar ons en wij keken naar de koeien. En dan kon je ervan opaan, dat Bavink over Lien begon. Op de een of andere manier moeten die koeienoogen daar iets mee uit te staan gehad hebben. En dan begon 't te schemeren, de kikkers gingen kwaken, één ging er vreeselijk te keer, vlak bij mijn schoen, m'n eene voet lag bijna in de sloot. Andere hoorde je zachtjes, ver, heel ver weg. Een koe, die je nauwelijks meer kon zien in de halve duisternis, hoorde je 't gras afschuren. In de verte begon er een klagelijk te loeien. Een paard holde heen en weer, je hoorde 't maar zag 't niet. De koe bij ons blies en werd onrustig. Bekker zei: "'t Is hier goeie. Zoo moest 't maar blijven." Bavink stond overeind en breidde z'n armen uit en luisterde, en ging daarna weer zitten en zei dat we der ook nooit iets van zouden snappen, hij zelf ook niet, en dat we eigenlijk niet veel beter waren dan al die andere lui, en ik geloof, dat-i daar heel na aan de waarheid was.

Neen, we deden eigenlijk niets. Ons werk op kantoor deden we niet al te best, en onze bazen verachtten we, behalve Bavink en Hoyer, die geen bazen hadden en niet begrepen, waarom we iederen dag weer naar die bazen toegingen.

We wachtten maar. Waarop? Dat hebben we nooit geweten. Bekker zei: "Op 't koninkrijk Gods." Dat wil zeggen, dat heeft-i een keer gezegd zonder zich nader te verklaren. Bavink had 't altijd over "het einde, dat meteen 't begin zou wezen." Wij vonden dat allemaal volkomen duidelijk en weidden er niet verder over uit.

II.

Op den zolder van Kees kwamen we dien zomer bijna iederen avond bij elkaar. Kees had ook een "hok" moeten hebben. Zijn hok was 't grootste en voor allen makkelijk te bereiken. De buren vonden 't niks leuk iederen avond dat geloop op de trap. Kees z'n vader begreep er niks van. Tegenwoordig groet-i me heel beleefd en noemt me "mijnheer Koekebakker", omdat-i m'n naam in 't Handelsblad heeft gezien.

Bekker had Kees gezegd, hoe-i 't doen moest. Ze hadden goedkoop bloemetjesbehangsel van 3 centen de rol gekocht en dat achterstevoren tegen den muur geplakt, de effe groene achterkant buiten. Bekker had een spreuk geschreven met sier-letters en die aan den muur geplakt naast de deur. "J'ai attendu le Seigneur avec une grande patience, enfin il s'est abaissé jusqu'à moi."

Ik weet niet meer waar-i dat vandaan had gehaald. Kees kon 't niet lezen. Maar Kees had óók iets gedaan. Hij had een spa gemaakt en Bekker had die diagonaalsgewijs aan den muur geprakkizeerd in 't aangezicht van de spreuk. Het was eerst niet duidelijk, wat dat moest beteekenen, maar naderhand bleek, dat Bekker zich in zijn hoofd had gehaald, dat-i metdertijd op de hei zou gaan wonen en daar een brokje land bewerken, dan hoefde-i niet meer naar kantoor. Bavink vond dat een mooi idee, maar-i was bang dat Lien er geen zin in zou hebben en Hoyer zat liever in de kroeg.

Daar zaten we dan en lieten niets heel. Tenminste niet veel. Ik herinner me, dat Zola en Jaap Maris tamelijk ongeschonden bleven en misschien nog wel de een of ander. Bekker las uit Dante voor, de Prediker en 't Hooglied en 't boek Job kende-i uit z'n hoofd. 't Was heel indrukwekkend. Van de buitenwereld merkte je niet veel op dat hok. Het eenige raam was bijna schouderhoogte van den grond; als je aan tafel zat, zag je niet veel meer dan een stuk lucht, waar langzamerhand de kleur uitweek, en wat sterren, als 't donker was.

Schilderen? Wie kon er nog schilderen, als je Bavink hoorde? Alles lieten de lui zich voorzetten, letterlijk alles. Ik moest maar eens een schilderij maken. Dat was ik zelf, Koekebakker. Hij zou me zeggen wat ik doen moest. "Je schildert twee horizontale banen, onder elkaar, even breed, een blauwe en een goudgele en in 't midden van die blauwe baan maak je een ronde goudgele vlek. En dan zetten we in den catalogus: No. 666 De Gedachte, schilderij. En dan zenden we 't in op mijn naam: Johannes Bavink, 2de Jan Steenstraat, nummer zooveel en we prijzen 't voor f 800. Je zult eens zien wat ze er in ontdekken. Van alles, waar je zelf nooit een flauw benul van gehad hebt."

Bavink was toen nog erg jong.--Naderhand kwam Lien daar ook en zette thee. Eén keer heeft ze den grond geboend en alles afgestoft; maar dat was heel ongezellig. Kees kwam er door in verlegenheid, want tegen die juffrouw had de ouwe heer bepaald bezwaar. En Bavink was niet zooals we hem graag zagen, wanneer Lien er bij was en had een neiging om haar voortdurend te knijpen. Dat was hinderlijk.

Gelukkig liet hij haar al heel gauw weer thuis, omdat-i dacht, dat Lien mij oogjes gaf. Bekker zei: "Meiden, dat is niks" en rookte met bizonder welbehagen z'n steenen pijpje toen ze er voor 't eerst weer niet bij was. Het was dien avond ook heel genoegelijk. Uren lang zaten we in donker. De lamp was gaan zakken en daarna uitgegaan. We bleven maar zitten en rookten, uren lang. Af en toe zei iemand eens wat. Bavink vond schilderen 't stomste dat iemand doen kon. Kees begreep er weer niks van. "Je moest zoo maar stilletjes blijven zitten," zei Bavink en keek naar de lucht. Een groote groenachtige ster stond daar te donkeren. "Je moest zoo maar stilletjes blijven zitten te verlangen zonder te weten waarnaar." En hij stopte een versche pijp.

III.

Het was een wonderlijke tijd. Als ik er even over nadenk, dan moet die tijd nog voortduren, die duurt zoolang er jongens van negentien, twintig jaar rondloopen. Maar voor ons is hij lang voorbij.

Wij waren boven de wereld en de wereld was boven ons en drukte zwaar op ons. Heel in de diepte zagen wij de wereld vol bedrijvigheid en verachtten de menschen, de gewichtige heeren vooral, de heeren, die 't druk hebben en die denken dat zij 't aardig ver in de wereld hebben gebracht.

Maar wij waren arm. Bekker en ik moesten 't grootste deel van onzen tijd op kantoor doorbrengen en doen wat die heeren zeiden en hun domme opinies aanhooren, als ze met elkaar spraken en verdragen, dat zij zichzelf veel flinker en knapper vonden dan ons. En als zij vonden, dat 't koud was, dan moesten alle ramen dicht en 's winters moest 't licht veel te vroeg op en de gordijnen moesten neer, zoodat wij de roode lucht niet zagen en 't schemeren in de straat niet, en wij hadden niets te vertellen.

En wij moesten in straten wonen, heel bekrompen, met uitzicht op de lancaster gordijnen van den overkant en de balletjesfranje en de aspedistra in een pot met een onbestaanbare bloem er op.

O, wij namen wraak, wij leerden talen, waarvan zij de namen nooit gehoord hadden en wij lazen boeken waar zij niets van konden begrijpen, wij doorleefden gevoelens waarvan zij het bestaan niet vermoedden. 's Zondags liepen wij uren en uren ver over wegen, waar zij nooit kwamen en op kantoor dachten wij aan de slootjes en de weilanden, die wij gezien hadden en terwijl de heeren ons bevalen dingen te doen, waarvan wij 't nut niet begrepen, dachten wij eraan, hoe Zondagavond de zon was ondergegaan achter Abcoû. En hoe wij woordeloos 't heelal doordacht hadden, hoe God ons hoofd, ons hart en ons ruggemerg gevuld had en hoe mal zij zouden kijken, als wij hun dat zouden zeggen. En hoe zij met al hun geld en hun reizen naar Zwitserland en Italië en Godweetwaarheen en met al hun knapheid en bedrijvigheid dat nooit zouden kunnen beleven.

Maar met dat al hadden ze ons toch in hun macht, ze legden beslag op 't grootste deel van onzen tijd, zij hielden ons uit de zon en van de weilanden en den waterkant vandaan. Ze dwongen ons voortdurend onze gedachten bezig te houden met hun onbegrijpelijke zaken. Maar dat ging zoo ver als 't voeten had. En zij gaven ons standjes; niks waren wij op kantoor. "O, Bekker" zeiden ze tegen elkaar. Welopgevoed waren de heeren; de juffrouw van tweehoog zei: "die halvegare", daar waren de heeren te welopgevoed voor. En ze waren knap, veel knapper dan de juffrouw van tweehoog, wier man lantaarnopsteker was, een leuk vak, waar weinig geleerdheid voor noodig is. M'n baas vroeg me of ik misschien gedichten maakte. Bekker vond dat zoo'n man dat woord eigenlijk niet mocht uitspreken, dat moest niet mogen. "Wat zei je tegen hem?" Ik had niks gezegd, ik had maar naar z'n gezicht gekeken en gevonden dat-i zoo'n dikken kop had en gedacht: "hij weet niet wien hij voor heeft, daar is hij te dom voor." En ze betaalden ons slecht de heeren.

IV.

En verliefd waren we. Bekker liep maanden lang iederen morgen over de Sarphatistraat waar hij niets te maken had. Hij hield van een schoolmeisje van een jaar of zeventien en liep vijftig pas achter haar of aan de overzij van de straat en keek naar haar. Hij heeft nooit geweten hoe zij heette, nooit een woord met haar gesproken. In de Kerstvacantie was-i ongelukkig. In Februari nam hij een middag vrij om haar op te wachten, als de school uitging. Daar stond-i op 't stille grachtje in de sneeuw en een vent reed voorbij op een wit paard, met een blauwe kiel aan en een stroohoed op. Wat raar dat je juist op zoo'n middag zoo iets geks moet zien. Maar om vijf minuten voor vieren ging Bekker weg, hij dorst niet te blijven staan. Langzaam slenterde-i weg en op de Weteringschans haalde ze hem in. Ze lachte luid tegen een vriendin. Ik geloof niet dat zij ooit geweten heeft dat Bekker bestond,

Van mij wilde Bekker weten waar dat op uit moest loopen, dat kon toch zoo niet doorgaan. En 't ging ook zoo niet door, want na de zomervacantie kwam ze niet meer terug.

"Meiden," zei Bekker, "dat is niks gedaan... Ze veerde als ze liep." Hij draaide de lamp wat op en sloeg een blad om van 't boek waar-i in las. "Waar zou ze nu zijn?" "Zou ze zoenen?" Een stukje vuur uit zijn pijp viel op 't boek. Hij doofde 't met een lucifersdoosje. "Verdomme, een gat, dat heb ik stom gedaan." "'t Is beter zoo, meiden is niks gedaan, je schiet er niet mee op, ze leiden je maar af. Op een afstand zijn ze aardig, om gedichten op te maken."

Hij las. Na een poosje keek hij weer op... "Weet je wat een raar ding is? Toen ze me dien middag inhaalde ging ze rakelings langs me heen. Er was zoo te zeggen niks tusschen ons, een beetje kleeren van haar en zoo goed als geen kleeren van mij." (Bekker liep zomer en winter met z'n overhemd op z'n bloote lijf). "Dat is niet veel, vind je wel?" Ik vond dat niet veel; tusschen den toren van Naarden en de kamer van Bekker b.v. was veel meer. "Tusschen den toren van Naarden en deze snor," zei Bekker, "is veel minder, veel minder dan er toen was tusschen haar schouder en de mijne. 't Haalt er niet bij Koekebakker." Hij sloeg weer een blad om, keek in 't licht, en zei: "zoo is 't" en ging door met lezen.

V.

Zoo was 't: God liet zijn aangezicht zien en verhulde 't beurtelings. Je schoot er niet mee op, ook al bewonderde je de meisjes alleen maar uit de verte en al liet je hun bekjes zoenen door anderen, door die gewichtige heeren, waar ze over 't algemeen meer mee op hadden dan met ons. Die waren zooveel netter en praatten zoo aardig. En wij waren armoedzaaiers.

Van God was niets te hopen, die gaat zijn eigen weg en geeft geen rekenschap. Als we wat wilden moesten we 't zelf doen. Maar wij vonden, dat Bavink en Hoyer makkelijk praten hadden, die konden wat, die konden laten zien hoe 't moest, maar wij, Bekker en Kees en ik, wij konden hoogstens "socialen" worden en dat leek toch wel wat erg armoedig, nadat je aan Gods tafel had gezeten, adressen te gaan schrijven voor drukwerk of lid te worden van de "vrije groep Kastanjeplein en omstreken." En van dat wonen op de hei zou ook wel niets komen, want als Bekker een paar centen bij elkaar had, dan moesten zijn schoenen gelapt worden. In de kolonie van Van Eeden hadden we misschien kunnen gaan, maar toen we op een Zondag er heen waren geloopen, vier uur gaans, toen liep daar een heer, in een boerenkiel, met dure gele schoenen, kolombijntjes te eten uit een papieren zak, blootshoofds, in innige aanraking met de natuur, zooals dat toen genoemd werd, en z'n baard vol kruimels. Toen dorsten we niet verder en liepen maar weer naar Amsterdam terug en liepen achter elkaar langs de Naarder trekvaart en zongen, en een boerenmeid zei tegen een boerenjongen: "D'r het niks van in de krant 'estaan jong, hoe vin je dat nou? wist jai d'r van?"

VI.

Dus deden we maar niks. Ja toch, in dien tijd maakte Bekker z'n eerste gedicht.

'k Weet 't nog heel goed, 't was op een Zondag, natuurlijk. Als er iets gebeurde, dan was 't op Zondag. Want de zes andere dagen van de week droegen drie van ons onze ketenen van negen tot zes.

Ik was uit solliciteeren geweest in Hillegom bij een bollenhandelaar met dikke roode gladgeschoren wangetjes. En de anderen hadden er meteen een uitgangsdag van gemaakt. Bavink, Hoyer en Bekker hadden alle drie al zoo vaak naar 't oudheidkundig museum in Leiden gewild en nu zou 't er dan van komen. En Kees moest mee, die deed wat de anderen deden. In Leiden zou ik hen vinden.

't Was in December. Ik stond achter op de tram, heelemaal achter op. De tram reed maar door 't land en stond stil en reed weer, uren duurde 't, de landen lagen eindeloos. En de lucht werd hoe langer hoe blauwer en de zon scheen alsof er bloemen moesten groeien uit de boerenkinkels. En de roode daken in de dorpen en de zwarte boomen en de akkers, veel met riet gedekt, hadden het lekker warm, en de duinen stonden in de zon met hun bloote hoofd. En de straatweg lag daar wit en pijnlijk in 't licht en kon de zon niet verdragen en de ruiten van de dorpslantaarns flikkerden, ook zij verdroegen met moeite 't felle licht.

Maar ik werd hoe langer hoe kouder. En zoo lang als de zon scheen, reed de tram. 't Is een lange rit van Hillegom naar Leiden en de dag is kort in December. En op 't laatst stond er een lijk op de tram te staren in die malle groote koude zon, die vlamde als of de revolutie moest beginnen, alsof ze in Amsterdam bezig waren de kantoren af te breken, en die geen vonkje leven in m'n koude voeten en dooie beenen kon brengen. En de zon werd steeds grooter en kouder en ik werd steeds kouder en bleef even groot. En de blauwe lucht keek vreeselijk ernstig: "Wat moest ik toch op die tram?"

Dien middag maakte Bekker z'n eerste gedicht. En toen ik met 't aansteken van de gaslantarens in Leiden aankwam en de onsterfelijken naast elkaar op een lange bank vond zitten in de derde klas wachtkamer van 't station, bij de kachel, toen moest ik mee 't gedicht ondergaan. 't Was heel mooi. Of 't geen naam had? Bekker schudde van nee. Maar Bavink en Hoyer schreeuwden, dat ze gezien hadden, dat er iets boven stond. Een burgerheer zei: "Opscheppers" tegen den man, die aan de deur z'n kaartje knipte. Bavink had 't papier te pakken, Wat stond er boven? Natuurlijk? "Aan haar." Dat had ik zóo wel geweten.

Bavink vond dat er een schepje op de kachel moest, maar kon de kolenschep niet vinden. Ze nemen in die wachtkamers altijd den kolenschep mee, anders stookt 't publiek te hard.

Toen gooide Bavink de steenkolen met z'n handen in de kachel en kreeg mot met een kerel met een witte kiel aan.