Dichtertje - De Uitvreter - Titaantjes

Chapter 5

Chapter 54,427 wordsPublic domain

Hij wou dat i 't schilderen maar laten kon, maar dat gaat ook maar zoo niet; als 't er in zit wil 't er uit. En dan begon de marteling weer, werken, werken dag en nacht, daags schilderen, 's nachts er over piekeren, er bij blijven, doorwerken, zorgen dat je de dingen nu goed vasthield. Dan sliep en at i nauwelijks; in 't begin rookte i dan enorm veel sigaren achter elkaar maar na den eersten dag hield dat ook op. Dan had i oogenblikken van 't hoogste geluk zooals zelfs het loome wegzinken in al dat "lekkere mooi" hem niet geven kon. En dan kwam die kijken, en die, en dan stonden ze met hun tweeën, met hun drieën, met hun vieren achter hem en keken en knikten en wezen. En dan ineens was 't uit. Dan zei i: "Verdomme", en ging op zijn brits liggen en liet een klein spatje jenever halen, en deed niets meer. Dan werd na een paar dagen het doek bij de rest gezet. De dagen die daarop volgden was i ellendig, moe, miserabel, onvatbaar, ziek, en ging i weer "sloffen" zooals i dat noemde: niets doen, luieren, rond loopen. Als i centen noodig had dan haalde i 't een of ander uit de "vullis", dan zocht i een "doekje" uit waarvoor "ze wel 't een of ander zouden geven", en dat verkocht i dan. Niemand kon 'm van die manieren afbrengen. Hij was nu eenmaal zoo. Z'n kracht en zijn zwakte hoorden onverbrekelijk bij elkaar. En als i wat had verkocht dan stopte i de centen los in zijn zak, dan rammelde i met de guldens en riksdaalders, dan liep i in de Kalverstraat een liedje te fluiten. Dan groette i joviaal met zijn hand boven zijn hoofd als je 'm tegen kwam.

Dan kwam i vertrouwelijk bij je staan, liet je geheimzinnig de "spieën" zien, lachte hardop en zei: "De stakkers toch hè?" Papier nam i nooit aan: daar kon je niet mee rammelen. Goud moest i hebben en zilver, en als 't 'm te veel werd "kwam i de rest later wel eens halen."

Dat was Bavink; en je begrijpt dat een heer die zich oefende in 't versterven hem degelijk interesseerde. Daar kon i wat van leeren. Zoo'n kerel die 't prettig vond om zich te laten uitwaaien, zijn kleeren en zijn lijf te laten doortrekken van den natten zouten wind, die zijn lippen proefde met zijn tong omdat i dien zeesmaak zoo "verdomde lekker" vond; die 's avonds aan zijn handen zat te snuffelen om de zee op te snuiven. Zoo'n kerel die tevreden was omdat i bestond en gezond was en genoegerig zich bewoog tusschen Gods hemel en Gods aarde, en 't dwaas vond dat de menschen zich zooveel moeite gaven, en hardop om ze lachte en die eeuwig met een besten glimlach zich stilletjes zat te verheugen in 't water en de lucht en de wolken en 't veld en zich doornat liet regenen zonder 't te merken en dan zei: "ik geloof dat ik nat ben", en lachte. Een kerel die smakelijk duur kon dineeren en smakelijk dure jenever wist te drinken als de eerste in Nederland, en op andere tijden op marsch (want i zat niet altijd, hij was af en toe dagen op de been) dag in dag uit droge fijntjes at en tot tranen toe bewogen was omdat in 't veld "zoo'n brokkie brood zoo lekker smaken kon."

En als Bavink werkte dan zat Japi er bij in 't gras of binnen, omgekeerd op een stoel en rookte. En als ze binnen waren dan had Japi een tweede stoel erbij slaan met een borreltje er op, waar i af en toe de hand naar uitstak. En hij hield Bavink aan den gang. Tegen niemand anders had Bavink ooit een woord gezegd als i werkte; met Japi sprak i.

"Wat duvel", zei Japi, "'t dondert toch niet of 't goed is, je doet wat je kunt, je bent nu eenmaal een stakker. Je moet schilderen. Je kunt 't toch niet laten. 't Hindert immers aan de dingen niet of jij ze nou niet heelemaal zoo krijgen kunt als ze zijn. En de lui, die snappen er toch niets van. Van de dingen niet en van je werk niet en van jou niet. Ik kon mijn tijd toch ook een boel beter besteden dan hier te zitten zuipen en naar die verfboel te koekeloeren. Word ik er minder van?" "Neen, dat deugt niet", zei i dan, "veel te blauw; je weet toch wat we gisteren afgesproken hebben? Veel te blauw, kerel. Denk je dat 't je zoo zou aangepakt hebben als 't die rare blauwe kleur had?"

Japi was goud waard voor Bavink. Bavink sleepte 'm overal mee. Bavink heeft Japi gemaakt tot wat i was, toen Bavink in Amsterdam met hem kwam aanzetten.

Japi was al heel gauw erger dan schraal bij kas. Voor geen geld ter wereld had Bavink hem laten gaan. Japi moest maar zelf in de "vullis" gaan zoeken. En dat vak verstond Japi gauw. Nooit had "de belt" zoo gerendeerd. En sedert betaalde Bavink alles of bijna alles. Af en toe kreeg Japi een klein beetje geld van huis gestuurd. Maar dat was de moeite niet, want bij tijden leefden de heeren als kapitalisten; als ze een bui kregen gingen ze voor een paar dagen naar Amsterdam, naar Brussel, naar Parijs, naar Luxemburg; veertien dagen zaten ze in Normandië. Japi sleepte geregeld een klein beltje mee: een "jonki van den grooten belt", zooals hij dat noemde. In Frankrijk en België klampte i de menschen op straat aan, schelde aan de huizen. Van niemand anders zou Bavink 't geringste van dien aard hebben geduld. Maar niemand anders verstond de kunst Bavink in 't leven te houden, zooals Bavink zei. Z'n conversatie was onuitputtelijk. En een geheugen hatti voor landschap dat aan 't wonderbaarlijke grensde. Langs de spoorlijn van Middelburg naar Amsterdam kende i alles, elk veld, elke sloot, elk huis, elke laan, elke boomgroep, elk riggeltje hei in Brabant, elken wissel van 't spoor. Als je uren in donker had gereden en Japi had al dien tijd geslapen languit op de bank en je maakte 'm wakker en je vroeg: "Japi waar zijn we?" dan moest je even wachten tot i goed wakker was en dan lag i even te luisteren naar den klank van 't rijden en dan zei i: "Ik denk dat we bij Etten-Leur zijn." En dan kwam 't uit ook. Hij kon je precies vertellen hoe op dien en dien dag de schaduw van die en die boomen bij Zalt-Bommel op die en die laan viel en welke schepen toen en toen langs Kuilenburg vaarden in de Lek, toen je met Japi over de spoorbrug reed. En dan zat i maar bij 't raampje in afwachting: "nu komt dit, nu komt dat". Uren lang. En als i iets zag dat i bijzonder goed kende dan knikte i en lachte. Of hij zei: "Kijk, die boom is weg"; of: "Hé, nu zitten er appeltjes aan, die heb ik den vorigen keer nog niet gezien." Of: "Voor veertien dagen stond de zon net achter de kruin van dien boom, nu staat i een eindje links er van en wat lager, dat komt omdat we veertien dagen verder zijn en we zijn ook 10 minuten te laat."

III.

En zoo kwamen ze met den winter naar Amsterdam en zat Japi op een avond op mijn kamer en rookte de eene sigaar na de andere, die voor 't wegnemen op mijn tafel lagen, mijn sigaren.

Ik had dien avond juist den langen Hoyer op bezoek, die weer eens van Parijs was komen aanwaaien en nu zat op te hakken over z'n werk en over de meiden, met een stroohoed op, in November, en een zalmkleurige jas aan. Hij was bezig aan een onbegrijpelijk verhaal van een jonge dame en een huurkoetsier en een mandje met paling, toen we op de trap gestommel hoorden. 't Was in een volksbuurt, je kon gewoonlijk zoo maar naar boven loopen, de straatdeur stond meestal open.

Bavink kwam 't eerst binnen en zei: "Hoe maak je 't kerel? ja ik ben 't zelf. Ha, ha, Hoyertje. Hoe gaat 't, Hoyertje, nog altijd een ophakker? Nogmaals hartelijk gefeliciteerd hoor. En jij ook, Koekebakker, dat je er lang getuige van mag wezen." In de deur stond Japi. Een lucht van zoutwater en gras brachten ze mee. "Kom binnen, kerel, kom binnen!" inviteerde Bavink, op mijn zolder.

"Och mijnheer", zei Hoyer, "wees zoo goed de deur achter je dicht te maken." "Koekebakker", zei Bavink, "dit is Japi, een kerel waar je plezier van kunt beleven. Hoyer is nog even welgemanierd als altijd, hoor ik". "Ga zitten Japi", inviteerde Bavink en liet zich met een plof vallen op de eenige stoel die vrij was; "neem dat kistje maar." Er stond een schavotkleurige matrozenkist, daar had ik een schoon hemd in en de brieven van mijn zuster. "Wacht ik zal u helpen", zei ik. Toen schoven wij de kist bij tafel, Japi en ik, en toen zag Japi een leeg stijfselkistje staan van Hoffmann met een kat er op, daar had ik aard ingehad, maar er had niets in willen groeien. "Zie zoo", zei Japi "anders zit ik zoo laag." "Ik zal er maar eentje nemen", zei Bavink en stak een van mijn sigaren op. "Ga je gang maar Japi". En Japi beviel dat wel. "Wat heb je daar?" zei Bavink. Op mijn tafel lag "Le Lys dans la Vallée" van Balzac. "Aha, Balzac. Geen kwajongen, die oue heer. Dood hè? Al lang dood. Natuurlijk. Waar kom je vandaan, Hoyer? Wat heb je daar een mooie jas aan. Ga eens staan. Te kort, kerel, veel te kort". Bavink was genoegerig. "Dat weet ik potdome ook", zei Hoyer. "Vertel liever eens waar jij gezeten hebt. En wie is die heer?"

En toen kwam het verhaal, met begeleiding van Japi met knikken en grijnzen. En af en toe ging die hand naar mijn tafel en ook Hoyer werkte als een fabriek en ik rookte maar niet meer. "Wacht", zei Bavink, "dat is waar ook." "Goeie hoor. Kamper Middelburgers, van Bessem en Hoogenkamp van de Lange Delft." "Bekend", zei ik.

"'s Jonge", zei Japi, en zat m'n hok rond te kijken; "'s jonge, "'t ziet er hier gezellig uit. Waarachtig, 't is hier gezellig". Hij stond op en liep naar den muur. "Aha, Breitner. Heel goed. En wat hebben we daar? 't Is hier een beetje donker. Zoo, mijn vriend Mauve. En daar heb je waarachtig ons stadhuis ook." 't Was een schetsje van 't raadhuis in Veere. "Bavink", zei Japi, "'k geloof, dat je daar kennis aan hebt; ik zoek zoo een baantje, als dat niet een dingetje van jou is."

"Daar kom je goed af", zei Bavink. "Dat dacht ik wel", zei Japi en ging weer zitten. "Nee maar, ik kom hier vast terug. Ik zit hier goed."

Op dat oogenblik begon de gramophoon van den diamantslijper aan den overkant ter werken. "Klappen", zei Japi. En wij aan 't applaudisseeren. Met z'n vieren stonden we bij 't open raam en applaudisseerden honderd uit. Overal hoorde je op de waranda's deuren opengaan, de menschen kwamen buiten. Sommigen applaudisseerden mee; een kind begon te huilen; een hond jankte alsof binnen een maand 't heele blok zou komen uit te sterven. De diamantslijper hield prachtig vol. Een juffrouw aan den overkant riep: "Halve garen!" Een klein meisje schreeuwde enkele malen. "Papus", "Zeppelin!" Een jongetje ging op een mondharmonica spelen. "We moesten de straat maar opgaan", zei Hoyer.

En zoo stommelden wij de trappen af. Drie- en tweehoog werd binnen druk gepraat. "Over ons", zei Japi. Eenhoog was niemand thuis. "Zeg Japi" zei Bavink op straat, "nu moest jij eens een rondje geven." "O ja", zei Japi, "vooruit dan maar". En zoo leerde ik Japi dienzelfden avond nog in zijn kwaliteit kennen. Hoyer had een theorie dat bier nooit kwaad kon. Wij dronken er dus zeer aanzienlijke hoeveelheden van. Japi had geen cent; Hoyer verdomde 't; Bavink was zat, zat wezenloos te staren en te beweren dat "deze heer een verdomd goeie kerel was en dat hij een rondje gaf (dat was Japi), en dat de kelner ook een verdomd goeie kerel was." Ik kwam op negentien cent; Hoyer was uitgeknepen. Ik besloot "'t geval" maar schuldig te blijven; de kelner kende me; en om één uur liepen we met z'n drieën op 't Frederiksplein vreedzaam te jodelen. Die centen kreeg ik later van Bavink terug; hij wilde met geweld hebben dat ik ze aanpakte. Japi vond 't geval kostelik, zat drie dagen later op den rand van mijn ledekant en liet zijn beenen bengelen; zei dat 't stom van Bavink was geweest om zich te bezatten, maar "die zaak kwam in orde." Toen hij wegging had hij "Le Lys dans la Vallée" te pakken.

IV.

Het was een maand later. Een veertien dagen had het wat gevroren, maar in 't begin van die week was 't weer plotseling omgeslagen. En nu was 't avond en 't stortregende. Den heelen dag had het bijna zonder ophouden gestortregend. Het water liep bij stralen langs mijn ruiten. Ik voelde me behagelijk. Ik mocht dat wel. Ik had geen kachel en m'n demi stond nog bij Oome Jan. Een winterjas heb ik nooit bezeten. Die vorst had me gehinderd: van armoede moest je naar bed. Anders kon ik in dergelijke omstandigheden nog wel eens bij Bavink terecht. Maar juist nu had die heer de aardigheid gehad om over dag te slapen en 's nachts bij den weg te loopen. Een heele nacht had ik moederziel alleen bij zijn kachel gezeten; hij had dat zoo willen hebben maar lollig was 't niet geweest. En nu zat ik te luisteren naar 't kletteren van den regen op 't dak en was blij dat 't dooide, hard dooide. Op tafel lag mijn brood, twee dikke pillen; mijn laatste bordje was den avond tevoren gebroken. En daarnaast lagen de centen: vier blauwe papiertjes, twee rijksdaalders, drie guldens en enkele centen. En in den hoek op den grond stond mijn éénvlams stelletje en in 't kleine keteltje begon 't water te razen. Daarnaast stond m'n theepot, zonder deksel, te wachten tot 't water zou koken; de thee was er al in. En ik zat met mijn beenen onder tafel uitgestrekt, met bloote voeten, in mijn hemd, mijn handen in m'n broekzakken en keek naar m'n boterhammen, naar m'n lieve geldje, naar de vlam van mijn olielamp, naar 't licht van mijn stelletje, en luisterde naar de regen en was tevreden.

't Was acht uur. 'k Legde m'n klokje op tafel naast m'n centen, 't klokje dat nu niet naar Oome Jan hoefde en zei: "Jij blijft voorloopig bij Oome Koekebakker, klokje", en stak m'n hand weer in mijn zak. Dat converseeren met m'n dingetjes was ik zoo gewoon, omdat je met de meeste menschen zoo weinig praten kunt.

Voorloopig was ik uit den brand, 't Lieve najaar had me niet bedrogen. Het vallen van de bladeren, de Zuidwestenwind die de boomen aan den Veerschenweg nog meer had doen krommen naar het Noordoosten, die 't klokkenspel van Lange Jan in flarden had gewaaid, die den toren had doen zwiepen en trillen, bang onder de zwarte wolken, ik had ze dan eindelijk in bank en zilver omgezet en daar zat ik en keek er naar, naar mijn eigen geld, 't geld daar je op aan kunt, dat je nooit bedriegt en nooit in de steek laat. Doornat was ik een uur geleden thuisgekomen, met een brood, een half pond boter, twee ons boterhammenworst, een half pond suiker, een ons thee en een kistje sigaren, 25 sigaren van 4 cent, een rijkdom die ik sedert mijn verjaardag niet gekend had, en dat was maanden geleden. De boterhammenworst had ik weggezet, die was voor morgen. Ze hadden een kastje voor me getimmerd, naast 't raam en daar lag op den bodem alles op een rijtje: de boter, de thee, de suiker, de worst, al die dingetjes die zoo lekker kunnen wezen, als je er een tijdje af bent geweest. En 't aangesneden brood lag er boven, op 't plankje.

En op den zolder van drie hoog hingen mijn kleeren te drogen: jas, vest, broek, onderbroek, overhemd en sokken. 't Water begon te koken, 't deksel van 't keteltje ging rammelend op en neer. Ik keek naar den stoom en begon plannen te maken om morgen m'n demi uit den lommerd te halen en voor een keer niet in 't koschere restaurant te dineeren: biefstuk met appies 30 cent, erwtensoep met vleesch 35 cent. En ik bedacht juist dat ik er wel aan had kunnen denken om een druppeltje drank in huis te halen, toen ik in mijn gepeinzen gestoord werd door een zwaren stap buiten de deur. Er rommelde iemand aan mijn deur. Kloppen ging niet, want mijn deur was van behangselpapier op een paar latten geplakt, en als je klopte ging je er door. Dat wisten de lui. "Zeker Hoyer", dacht ik, "die kan nooit den haak vinden." De haak zat van binnen maar de deur sloot niet; je kon net je vinger door de reet steken en zoo van buiten de deur openmaken. "Kom binnen", riep ik, te lui om op te staan. "Makkelijk praten", hoorde ik zeggen, "hoe zit dat?" "Die stem ken ik niet", dacht ik, "wie kan dat zijn?" Ik stond op en deed open, meteen liep een straal water over mijn hand. "Japi", zei de man. "Kom binnen", zei ik weer. Daar stond i; 't water liep van alle kanten uit zijn kleeren en van z'n hoed.

"'t Regent nog al", zei Japi, "mag ik even mijn jas uitdoen? Wacht, dan zullen we dit eerst neerzetten." Onder z'n jas vandaan haalde i een pak in een Handelsblad: boeken, dat kon je direct zien, en zette 't op tafel. "Ziezoo, kan dit ergens uitgehangen worden?" zei i en gaf me z'n jas. Z'n hoed zette i overeind tegen m'n stelletje.

"Een oogenblik, ouwe heer", zei ik en nam z'n jas en hoed mee, hing de jas bij m'n eigen natte kleeren, sloeg den hoed uit en legde die toen plat op den grond in den hoek.

Japi zat al, wrong de knieën van z'n broek uit en keek rond. "Wat verschaft me het genoegen?" "Zeg maar Japi", zei i, maakte 't pakje los en legde "Le Lys dans la Vallée" op tafel. "Zie hier, burger". "Mooi zoo", zei ik, "en wat hebben we daar?" "O", zei Japi, "boeken van Appi."--"Leest Appi tegenwoordig 't Handelsblad?" "Neen," zei Japi, "die krant is van mijn ouwe heer, daar stond een advertentie in."--"Een advertentie?"--"Een advertentie; zie hier, daar even van den ouwen heer gekregen."

""Assistent correspondent gevraagd op druk exportkantoor", let wel, druk exportkantoor--"grondig bekend met de moderne talen, stenografie en machineschrijven. Zij die reeds in den export werkzaam waren (let op dat waren!) genieten de voorkeur. (Genieten de voorkeur, dat genieten kan me wel bekoren). Salaris f 3 à 400 per jaar. Brieven onder No. 1296 bureau Alg. Handelsblad"--1296, slag op 't vlotje. Floris de stijve springt over de Overtoom. Nooit van gehoord? En waarom hebben ze dan de Overtoom gedempt? 't Was geen gezicht om dien stijven kerel er over te zien springen, dat wilden ze niet meer hebben. Die f 300 à 400 bevallen me wel, de rest trekt me minder aan"

"Wilt u daarop schrijven?" vroeg ik--"Jij, als 't ublieft," zei Japi. "Willen? Ik moet van de ouwe heer. Hij zegt: 't kan zoo niet blijven doorgaan. Ik zie niet in, wat niet. Heeft hij last van me? In vijf weken heb ik maar twee maal thuis geslapen. Geen cent zie ik van hem. Kijk eens hier." Hij stak z'n been uit. Ik zag een splinternieuwen, gelen schoen. "Wat bliksem, dien schoen ken ik."--Waar zie je zulke gele schoenen?--"Ze zijn nu wat donker van 't water", zei Japi, en zette den anderen voet bij den eenen. "Van Appi! En hoe komt dat? Ik ben m'n ouwen heer niet tot last. Ik loop rond met mijn schoenen tot ze zoo lek zijn als een mand. Appi is een fideele kerel. Schilderen kan i niet, zal i nooit leeren, dat zie ik wel, maar hij is een fideele kerel. Sokken hat i niet over de hand, ik zit met m'n bloote voeten in z'n schoenen", zei Japi, en liet heel gemoedelijk een stuk van z'n bloote been zien. "En boeken heeft i, in geen jaar kom ik er doorheen, al lees ik dag en nacht."

Appi z'n vader had een goed beklante slagerij en kon 't doen. Dat Appi nooit schilderen zou leeren heeft Japi goed gezien; z'n vader heeft hem later in een huis-, reclame- en decoratieschilderswerkplaats gezet.

Ik zette thee. Gehurkt bij mijn stelletje, goot ik 't water op en zette 't theepotje op 't waterketeltje. Japi snoof.

"Goeie bullen", zei i, draaide zich heelemaal om en verschoof z'n stoel tot hij met z'n neus boven de theepot zat. "Ik heb mot gehad met Bavink". zei i. "Is 't waarachtig?" zei ik. Van Hoyer had ik al gehoord dat ze bij dag en bij nacht samen rondscharrelden, dat ze in één bed sliepen, Japi onder 't laken en Bavink er boven, dat ze om beurten jenever hadden gedronken uit 't ééne bierglas dat Bavink nog had. "Ik heb z'n kacheltje kaduuk gestookt, Zondagavond."

In één avond hatti 't kapot gestookt. Hij had maar zitten opladen en zitten poken, en naar den gloeienden pot zitten kijken en z'n pijp gerookt, de kachel zoo te zeggen tusschen z'n knieën. En niks gezegd hatti, tot Bavink plotseling gezien had dat er een groote scheur in den pot was en vreeselijk had opgespeeld. Japi had 'm laten uitrazen, hij was opgestaan en had z'n stoel weggenomen, en Bavink had met de pook 't schuifdeurtje open gemaakt en een gat gebrand in den grond met 't uitscheppen van de gloeiende kolen. En toen Bavink was blijven razen had Japie gezegd: "Verrek met je kachel", en was kalmpjes weggegaan naar 't huis van z'n ouwe heer en had een schoone boord omgedaan van z'n broer, en van z'n moeder een stuk taart gekregen dat van 't dessert was overgebleven. En had een nacht thuis geslapen en den volgenden middag was i op straat Loef tegengekomen dien i ook al kende. Loef die later met zwemmen verdronken is, juist toen i er zoon beetje begon te komen; en die had hem weer meegenomen naar Bavink en gezegd: "Bavink ik breng je kaduukstoker mee." En Bavink had om 't geval gelachen, En Japi was dadelijk naar 't plankje geloopen en had, op 't bekende plaatsje "naast Dante", een nieuw kruikje Bols gevonden. En met z'n drieën hadden ze 't een heel eind soldaat gemaakt en toen had Japi dikke boterhammen gesneden van Bavink z'n brood en toen waren ze met hun drieën naar 't Amstelveld gegaan en hadden voor 70 cent een nieuw kacheltje gekocht ('t was Maandag), een kachel van een voorwereldlijk model; en met z' drieën hadden ze die op een handkar naar huis gekruid.

Ik presenteerde Japi een kop thee. Hij dronk uit een spoelkom, een kopje had ik niet voor 'm, steunde behagelijk en zette de kom hard neer. "Nu wou ik wel een stukje brood hebben", zei i; "neem me niet kwalijk, ik geloof dat ik den weg al weet." Hij had m'n kast al in de gaten gehad "Kerel", zei i, "weet je dat je worst in huis hebt?" Of ik 't wist. Hij kwam er al mee aanzetten. "Boterhammenworst, een ordinair volksvoedsel." Mijn worst, mijn rijkdom, zoo even nog het onderwerp van mijn mijmeringen over mijn weelde, de worst die ik voor morgen wilde bewaren. Japi wist er raad mee. En ik moet zeggen hij vergat mij niet, hij gaf me twee plakken op elke boterham. Er was toch genoeg. Japi at. Wat kon die kerel eten! Het brood lag naast 'm op tafel en hij sneed maar. Ik begon er schik in te krijgen. "Geneer je niet Japi, centen genoeg." Japi had ze nog niet gezien. "Goddome", zei i, "vetpot!" "Ze hebben zeker weer wat van je geplaatst". Ik knikte. "Zoo moet je maar doen", zei i, "die kerels zijn toch nergens anders goed voor dan om ons de kost te geven. Ik heb van m'n leven ook nog eens iets geschreven." Hij propte z'n mond vol brood en worst en veegde z'n handen af met 't Handelsblad, dat i daarna in elkaar frommelde. "Ik zal er maar niet op schrijven, ik deug daar toch niet voor."

En toen kwam uit een binnenzak een oud vermolmd onwelriekend krantje, op de vouwen doorgesleten: "De Vlachtwedder Grensbode." Hij liet me een artikeltje zien: "Brieven uit Amsterdam" stond er boven. Zes hatti er geschreven, zei i, de vijf andere had z'n broer zoek gemaakt. Japi nam nog een sneedje brood. "Moet je niet meer?" vroeg hij. Ik bedankte en Japi nam 't laatste van m'n twee ons worst, "'t Ordinaire volksvoedsel" ging er goed in. "'s Nachts gemaakt" zei Japi met z'n mond vol en wees met 't mes naar 't krantje. "Na kantoortijd, 's Avonds moest ik altijd op kantoor terugkomen. Af en toe moest ik m'n hoofd onder de kraan houden om wakker te blijven. Ik zou je nu danken. Wat heb ik er aan? Niks, moe word je er van. 'k Loop liever bij den weg en kijk naar de menschen en de wagens en de huizen. Speciaal kijk ik naar de lieve jonge meisjes en de pas getrouwde vrouwtjes. Die pas getrouwde vrouwtjes pik je er zoo uit, die herken je dadelijk. En dan denk ik aan 't plezier dat ik van al die lieve diertjes niet heb. Dat doe ik liever dan dat ik er over schrijf. Wat gaat 't die kaffers aan, wat ik zie. Zelf loopen ze bij de straat te sloffen en naar den grond te kijken en trekken vervelende gezichten omdat 't zoo ver is, en 't leven zoo moeilijk, dat je er akelig van wordt. Doen zij iets voor mij? Die paar centen kunnen ze houden."

't Artikeltje was wel aardig, maar Hoyer zei later dat i vast niet geloofde dat 't van hem was.

"Nu zou ik wel een potje bier lusten", zei Japi en leunde achterover. "'t Spijt me kerel", zei ik, "ik heb niets in huis, geen bier en geen jenever en geen kleeren om over straat te gaan, maar steek een sigaar op."