Dichtertje - De Uitvreter - Titaantjes

Chapter 4

Chapter 44,407 wordsPublic domain

"Dora," zei hij in eens, "hoe vind je Penning?" Penning was ook een vrind uit z'n jeugd. Jaren lang hatti 'm niet gezien, hij wist alleen datti ingenieur was geworden. En nu voor veertien dagen hatti 'm ontmoet en hij was een paar maal komen oploopen, terwijl ze bezig waren met de drukproeven en had dan telkens een uurtje zitten praten. Hij was een groote, frissche jongen, aardig op weg om carrière te maken en toch buiten z'n werk nog heelemaal een jongen. Hij had verteld datti over enkele maanden voor een jaar of wat naar Zuid-Amerika zou vertrekken om ergens iets uit te baggeren of een pier te leggen of iets dergelijks. 't Dichtertje hattem ook een keer meegenomen naar z'n schoonmoeder, die dadelijk erg met 'm ingenomen was. Em hield niet vannem.

"Hoe vind je Penning?" "Gaat nogal," zei Dora absent. Stilte. In 't schijnsel van de straatlantaarn op 't plafond zag je de schaduwen van de sneeuwvlokjes die nu wat grooter vielen.

"Komende maand trouwt Em." Ze keek op. Wat praatte-n-i weer raar, hij leek wel Bovenkerk met Em. Ze gaf geen antwoord.

Als een lang vergeten ding zag ze in eens een breede rivier voor zich, die naar zee stuwde. Zijn golven stuwden 't zonlicht naar zee, maar het water en het licht waren zonder einde. Op een blauwe en gouden baan trok een klein sleepbootje een langen sleep. Nietig was 't bootje, zijn pijp stak heel klein de lucht in, de rook was gering, z'n schor geroep ging verloren in de ruimte. Uren en uren ging dit door het water, tusschen de velden onder de ontzaggelijke lucht.

En ze zag een langen weg vol stof en zon en verlatenheid. En weer wat anders: een weide, eindeloos, en een laan van hooge boomen, er in de zon, van terzij, al wat lager en alles vol van levend goud en blauwe lucht. En toen: een rivier, wat in de diepte, donker al in 't Oosten, in 't Westen stierf de dag, geel eerst, vol droevig, bleek groen er boven, de dag die niet sterven wilde, de duisternis die machtig steeg, van de landen in het Oosten steeg in de lucht en machtig trok naar 't Westen, daar was de rivier rood en schreide en wilde 't licht houden, 't licht dat blijven wilde. Zoo vloeide de rivier, met 't licht naar de zee, die ze niet zag.

Toen zei hij "Penning komt om jou". Ze schrok, 't Duurde even voor dat ze begreep wat ze had hooren zeggen.

"Luister goed Dora, neem hem. Hij zal je vragen, ik weet 't. Neem hem, trouw met 'm. Verval niet aan de kunst of iets dat er op lijkt."

Ze zat zoo als ze gezeten had. Alleen haar hoofdje hield ze wat hooger, ze keek naar 't venster, dat donker glansde, met ergens enkele gele stipjes er in, van 't licht van den straatlantaarn. Een van de spaarzame groote sneeuwvlokken raakte 't glas en smolt. Ze begreep niet.

Hij legde zijn hand om haar gevouwen handen, z'n vingers raakten de hare in hun geheele lengte. Toen steeg zoo een wild verlangen uit haar lijf naar haar hoofdje met haar bloed, dat al haar kleeren haar onverdragelijk waren, één oogenblik. Maar ze stond kalm op, één hand hield ze op de leuning van den stoel. "Ik trouw niet". Ze zei 't alsof ze vertelde dat de boekhouder z'n ontslag had genomen. Alsof hij niets gezegd had, kwam hij van de bank af. "Hier" zeidi, "wil je dien sleutel meenemen? Die is van de straatdeur. Bonger zou tegen tienen bij jelui komen om 'm te halen. Hij zou vannacht hier slapen. Hij moest vandaag van z'n kast af en kan pas morgen op de de nieuwe. 'k Had 'm gezegd dat ik niet zeker wist of ik thuis zou zijn."

"Ga je dan nog uit?" Ze was nu volkomen rustig, voelde op tafel naar de lucifers en stak 't gas aan. Hè, ze konden nix zien. "Ga je dan nog uit?" Hij haalde z'n schouders op. "Misschien." Ze keek 'm strak aan, maar aan z'n gezicht was nix byzonders te merken, zóó had hij de laatste dagen dikwijls gekeken, als i een goede plaats oplas uit "Djengis Kan" en ze even opzag van 't nakijken.

Hij bracht haar tot de trap.

"Dag Ee, tot morgenavond bij moe". Hij drukte haar hand. "Dag Dora, au revoir camarade." Even hoorde ze iets in z'n toon, dat er altijd was als i vertelde wat z'n tante had gezegd. Gek was dat. "Nou dag". "Dag hoor," riep i haar na, alsof i een meisje van zestien jaar nadee. Toen sloeg de deur dicht.

XI.

Ze stapte hard door, moest telkens uitwijken voor de plassen. Het sneeuwen had bijna opgehouden, de natte vlokken die nog vielen warrelden langzaam naar beneden, een enkele viel op haar gezicht, dat deed haar goed. In 't licht van een lantaarn zag ze de dikke knoppen aan een van de kleine kastanjeboompjes op de gracht, met glinsterlichtjes waar ze 't dikst waren.

Een gele, rechte streep licht was op den stam van boven naar beneden.

Wat was er eigenlijk gebeurd? Alweer een plas, wat leek die diep met de weerspiegeling van de lucht er in, de weerschijn van een ster pinkte in een opening tusschen de wolken. Duizelig zou je er van worden van aldoor zoo in die plassen te kijken, loopende. Ze kende een sentimenteel Duitsch liedje van 't geluk dat "Jenseits der Sterne" was. Of misschien diep in zoo'n plas, heelemaal onderaan. Malligheid, der stond mogelijk geen centimeter water. Haar dag zou ook komen. Ze wou. Wat wilde ze? Kon zij iets willen?

Fijn, zoo alleen te loopen in den avond en je gedachten te laten komen en gaan en weer komen. En daar ze een dichteresje was citeerde ze Perk, terwijl ze op zij stapte voor weer een plas en haast in een andere trapte: "Voelt zich aan zich door zich alleen verbonden."

De natte, zoele wind sloeg om haar heen, ze haalde diep adem. "Makkelijk praten". Waarachtig, daar liep ze bijna tegen een stel aan, dat onder een lantaarn stond te zoenen. En in eens voelde ze zich dame: "Wat een vulgair stel". "Der minnen vruchten ic u mildelijck gaf, Maer een ewich zuchten houde ic daer af". Weg was de dame, toch bloosde ze in haar eentje onder de donkere lucht om die "vruchten", die ze gegeven zou hebben. En in eens herinnerde ze zich dat gevoel, dat ze zooeven gehad had, God, nog geen tien minuten geleden, dat al haar kleeren haar onverdraaglijk waren. Ze voelde haar wangen branden. "'t Zal niet zijn." Meteen stond ze op haar stoep. Half acht.

"Dag moe, ik kom direct beneden".

Maar toen ze op haar kamer was en hoed en mantel had afgegooid, toen werd haar duidelijk wat er zooeven gebeurd was. Een groot gevoel van verlatenheid en dat 't leven de moeite niet waard was kwam in haar hoofd. Ze begreep zichzelf niet.

Waarom had ze niet z'n hand gepakt en gezegd: "Ik houd van jou". Waarom wilde ze niet, wat ze zoo erg wilde? Wat kon haar gebeuren, erger dan deze dood levend om te dragen? Waarom was ze? Waarom moest ze ongezoend dood gaan? Niet zoo maar 's gezoend, maar heel erg. Ze gloeide overal, haar hart werd groot. Ze maakte haar goed open voor den spiegel en bekeek haar borsten, zoo wit in haar zwarte japon en hield ze op haar beide handen.

Rein en onaangeraakt was zij. Ook een lolletje. En in haar groote verwarring bad ze, dat God haar onteeren zou. "Zou ik gek worden?"

Haar manteltje gleed van 't bed met een slag. Dat was de sleutel. Een gedachte schoot door haar hoofd als een vlam: "hij had afscheid van haar genomen, er was iets niet in orde, ze moest terug." Kalm waschte ze haar gezicht wat en kleedde zich weer aan. "Ik heb iets vergeten, over een half uurtje ben ik weer terug."

Om acht uur stond ze weer voor zijn deur en schelde. Geen gehoor. Ze schelde nog eens en maakte toen resoluut de deur met den sleutel open. Nergens licht. Ze griezelde van 't leege, donkere, stille huis, haar hart klopte hevig, maar moedig ging ze naar boven. De deur van de voorkamer stond open, 't licht van de straatlantaarn scheen op 't plafond, 't roode licht van den haard was in de kamer. "Ee, waar ben je"? Wat klonk dat akelig. Ze liep door de kamers, bang en moedig. Toen ging ze de tweede trap op. Door een kier van de slaapkamerdeur kwam licht. Haastig gooide ze de deur open, bang dat ze zich omdraaien en vluchten zou.

"Ee, wat doe je?" Hij zat heel stil op den rand van 't bed tusschen zijn knieën door naar 't kleed te staren. Hij stond op: "Dora". In dat eene woord was alles en ze hoorde 't.

Toen vielen ze samen peilloos diep door 't licht en ze voelden hun lijven als zingende zonnen.

Maar in z'n achterhoofd was een plek ijskoud en daar dacht hij: "Dit is de wraak, zij boet voor een wereld"...

De Duivel zat in "de Kroon," in 't midden, bij een pilaar. Hij legde z'n dunne gouden horloge voor zich op 't tafeltje. De twee knobbels op z'n voorhoofd waren grooter dan ooit.

"Kwart over achten. Consummatum est."

Iemand tikte op z'n schouder.

De God van hemel en aarde stond achter hem: "Consummatum est, ga mee en zie."

XII.

Om half elf vonden hem Bonger en Graafland. Bonger had den sleutel bij z'n schoonmoeder gehaald.

Geheel naakt stond hij in 't midden van de kamer. Z'n linkerarm hing langs z'n lijf, de vuist was gebald, de rechterarm was geheven en wees met den wijsvinger naar boven. Er was een zwakke geur van lelietjes van dalen, op den grond lag een blauwe haarspeld. 't Bed lag in wanorde.

"Eduard" riepen ze beiden tegelijk.

"Ik ben God", zeidi. "Ik ben meer dan God. Ik ben de onwrikbare, de onbarmhartige. Ik ken geen goed of kwaad. Ik doe wat ik moet. Wat ik doe is goed."

Bonger nam een laken van 't bed en trad op hem toe.

"Ga weg", zeidi en deed een stap achteruit.

Bonger bleef staan.

"Zei ik, dat ik God was? Ik ben 't eeuwige leven. Ik ben de vruchtbaarheid. God heeft me gezonden. Bedek me niet".

Weer stapte hij achteruit.

"Bedek me niet. Ik ben de vruchtbaarheid. Breng alle vrouwen hier, alle jonge vrouwen. Alle zeg ik. Ik ken je wel. Jij bent Bonger, die andere is Graafland. Ik ken jelui wel. Leg dat laken op bed. Zij moet er op liggen. Leg haar er op, de eerste, heelemaal naakt. De anderen hoeven niet weg te gaan. Ze moeten zien. Je kunt gaan Bonger, en jij ook, Graafland".

Bonger legde z'n hand op z'n schouder. "Sta stil, doe je arm omlaag".

De arm zakte en Bonger sloeg 't laken om hem heen. "Ga op dien stoel zitten". Hij ging zitten. Graafland zocht z'n kleeren bij elkaar, van 't bed, van de stoelen, van den grond.

"Kleed je aan".

Toen trok hij gedwee en langzaam al z'n kleeren aan.

't Dichtertje is nu dood. Die lui daar in Delft of Oldenzaal hebben schitterend gelijk gekregen. Hij was vast nooit goed bij z'n hoofd geweest.

Z'n boek is driemaal herdrukt, z'n verzamelde gedichten zijn uitgegeven met een inleiding, van meneer Scharten of een ander. 't Fretje, dat 't gebracht heeft tot financieel redacteur van de Provinciale Arnhemsche en Geldersche Courant vertelt overal, dat i met 'm op school geweest is. En alsi in Amsterdam komt, wat nog al eens gebeurt, dan schiet i Bonger aan en begint telkens weer een gesprek over 't dichtertje en z'n werk en doet erg zwaar op de hand en vertelt datti naast 'm heeft gezeten op school.

Coba is zachtzinnig en vergevingsgezind en natuurlijk, zooals ze altijd geweest was. Ze is godsdienstig geworden zonder wandtext en gaat iederen Zondag naar de Nederlandsch Hervormde kerk aan den Boezemsingel, want ze woont in Rotterdam, als straf omdat ze wel eens met een ander heeft gecoquetteerd toen ze getrouwd was. Zachtzinnig en vergevingsgezind denkt ze er aan, hoe zij ook langs den rand van den afgrond is gegaan.

Dora is een "ongehuwde moeder". Zij is op kantoor in Rotterdam, haar baas kent haar geschiedenis en veracht haar niet, integendeel. Wat iets heel bizonders is voor een Rotterdammer.

En ik denk dat om dezen éénen man deze wanstaltige stad mogelijk nog gespaard zal blijven op den grooten dag. Wat weer een nadeel is.

Ze woont met haar kindje bij Coba en Bobi en gaat rechtop en trotsch en zwijgend door haar leven. Ze wil staatsexamen doen en dan in de rechten gaan studeeren van 't geld van haar pa, die dood is. Vooral niet in de letteren. Werken wil ze en niet denken. Maar ik geloof niet, dat zij zich zelf zal kunnen vermoorden. Zij die God werkelijk lief heeft boven allen, moeten de last daarvan dragen tot het einde.

Juni-Juli 1917.

DE UITVRETER.

I.

Behalve den man, die de Sarphatistraat de mooiste plek van Europa vond, heb ik nooit een wonderlijker kerel gekend dan den uitvreter.

Den uitvreter, dien je in je bed vond liggen met zijn vuile schoenen, als je 's avonds laat thuis kwam. Den uitvreter, die je sigaren oprookte, en van je tabak stopte en je steenkolen verstookte en je kasten nakeek en geld van je leende en je schoenen op-droeg en een jas van je aantrok als-i in den regen naar huis moest. Den uitvreter, die altijd wat liet halen op den naam van een ander; die als een vorst jenever zat te drinken op 't terras van "Hollandais" voor de centen van de lui; die parapluies leende en nooit terugbracht; die een barst stookte in de tweede hands kachel van Bavink; die dubbele boorden droeg van zijn broer en de boeken uitleende van Appi, en buitenlandsche reizen maakte als-i z'n ouwe heer weer had afgezet, en pakken droeg, die hij nooit betaalde.

Z'n naam was Japi. Z'n achternaam heb ik nooit geweten. Bavink kwam met hem aanzetten toen-i uit Veere terugkwam.

Een heelen zomer had Bavink in Zeeland geschilderd. In Veere had-i Japi voor 't eerst gezien. Japi zat daar maar. Bavink had al enkele malen gedacht: wat is dat toch voor een kerel? Niemand wist 't, altijd vond je hem ergens aan den waterkant. Daar zat hij maar, uren achtereen, onbewegelijk. Om twaalf uur en om zes uur ging i voor een uurtje naar binnen om te eten; de rest van den dag zat i. Dat duurde een week of drie; toen zag Bavink hem niet meer.

Een paar dagen daarna kwam Bavink van Rotterdam. Af en toe had hij behoefte om veel menschen om zich heen te zien. Hij had enkele dagen in Rotterdam langs de havens gesjouwd en had er meer dan genoeg van. Aan boord van de boot tusschen Numansdorp en de Zijpe, daar zat i weer. Het woei nog al, dien ochtend; er stond een flink koudje wind en het water liep met witte koppen. Af en toe spatte 't op 't voorschip over de verschansing. De glazen tochtdeuren op 't voordek waren dicht; op 't voorschip zat niemand. Alleen Japi zat daar, tuurde over de verschansing en werd deerlijk nat. "Kijk," dacht Bavink, "daar heb je waarachtig diezelfde kerel." Hij ging bij hem staan. De boot rolde en steigerde. Japi zat op z'n bankje, hield z'n pet vast en liet zich nat worden. Het duurde nog al wat, voordat i merkte, dat er iemand bij hem stond. "Lekker weertje, meester", zei Bavink. Japi keek 'm aan met z'n groote blauwe oogen en hield aldoor z'n pet vast. Meteen kwam er een plons water over boord, de droppels stonden op z'n gezicht.

"Nogal", zei Japi. Met een plof kwam 't voorschip op 't water neer en stootte. Een heer trachtte tevergeefs de deur van den glazen salon open te maken, waar de wind op stond. "We zijn mooi op tijd", zei Bavink, om wat te zeggen. "Zoo?" zei Japi, "ik weet van geen tijd."

't Gesprek hokte wat. Japi keek in de golven. Bavink keek naar de grijze pet van Japi en dacht wat dat toch voor een kerel zou zijn. In eens zei Japi: "kijk eens, een regenboog in 't water." Je kon in 't water een eindje regenboog zien, aan de lucht stond niets. Nog eens keek Japi Bavink met z'n groote blauwe oogen aan en werd plotseling spraakzaam.

"Ik vind 't hier verdomd leuk", zei-i, "'t is jammer, dat 't zoo niet altijd blijft." "Over een uurtje zijn we aan", zei Bavink.

"Moet u naar Zierikzee?" vroeg Japi.

"Dat wil zeggen", zei Bavink, "ik ga vanavond door naar Veere." "Zoo", zei Japi, "is u daar gelogeerd?"

"Ja, daar ben ik gelogeerd en is u niet die heer uit Amsterdam, die altijd maar aan den waterkant zit?" Toen moest Japi lachen en zei: "Ik zit nog al eens aan den waterkant, altijd is een beetje sterk. 's Nachts lig ik op m'n bed, ik heb een uur noodig om me aan te kleeden en te ontbijten, een half uur zit ik aan mijn lunch en om zes uur moet ik weer eten. Maar ik zit nog al eens aan den waterkant. Daarvoor kom ik naar Zeeland. Ik maak me nog veel te druk. Van de week ben ik naar Amsterdam geweest. Ik moest wel, m'n centen waren op."

"Is u Amsterdammer?" vroeg Bavink. "Ja, Goddank", zei Japi. "Ik ook", zei Bavink. "U schildert niet?" vroeg Bavink. Het was een rare burgermansvraag, maar Bavink dacht aldoor maar: wat zou dat toch voor een kerel wezen? "Nee Goddank", zei Japi, "en ik dicht ook niet en ik ben geen natuurvriend en geen anarchist. Ik ben Goddank heelemaal niks."

Dat kon Bavink wel bekoren.

Het schip steigerde, kwakte, rolde en slingerde; het water spatte en plenste over de verschansing; niemand anders was aan dek te bekennen. Vóóruit was het water onafzienbaar, vol witte koppen, de schaduw van een groote wolk was een drijvend eiland; heel in de verte voer stampend een zwarte vrachtboot voor hen uit. "Kijk", zei Japi, "de ""Stad Gent."" Je zag in de verte het water aan weerszijden van de boeg hoog opvliegen; om de schroef zag je het woelen en bruisen en schuimen. Hol liepen de golven met scherpe kammen, groen en blauw en geel en grijs en wit, al naar de diepte en de weerspiegeling van de wolken, nergens en geen oogenblik 't zelfde. Een klein sleepbootje sleepte een aak en twee tjalken.

"Nee", zei Japi, "ik ben niks en ik doe niks. Eigenlijk doe ik nog veel te veel. Ik ben bezig te versterven. Het beste is, dat ik maar stil zit, bewegen en denken is goed voor domme menschen. Ik denk ook niet. 't Is jammer dat ik eten en slapen moet. Liefst zou ik dag en nacht blijven doorzitten."

Bavink begon 't geval interessant te vinden. Hij knikte maar. Nog altijd hield Japi z'n pet vast met z'n rechterhand, z'n rechterarm steunde op de verschansing. 't Woei zoo hard, dat Bavink z'n hand opzij van z'n neus moest houden om adem te halen. Japi zat daar maar, alsof hij thuis was. Toen vertelde Japi dat i van plan was, nog enkele weken in Veere te zitten, tot zijn geld op was.

Schilderen leek 'm wel aardig, als je 't goed kon. Hij kon niks, en daarom deed i maar niks. Je kon toch de dingen niet zoo weergeven als je ze onderging. Hij had maar één wensch: te versterven, onaandoenlijk te worden voor honger en slaap, voor kou en nat. Dat waren je groote vijanden. Eeuwig en altijd moest je weer eten en slapen, moest je weg van de kou, werd je nat en beroerd of moe. Zoo'n waterplas heeft 't maar goed, die golft maar en weerspiegelt de wolken, is aldoor anders en blijft toch gelijk. Heeft nergens last van.

Al dien tijd stond Bavink schrap in den wind op z'n stok geleund en knikte Japi maar toe. Dat is zoo mal nog niet, dacht i. En droogjes weg vroeg i, of Japi ook door ging naar Veere. En zoo kwam 't gesprek op Zierikzee, op Middelburg, op Arnemuiden en al die oorden, waar ze allebei uit en te na hadden rondgeloopen en gestaan en gezeten. Want Japi had van z'n leven toch ook nog wel iets anders gedaan dan in Veere aan den waterkant gezeten. En toen merkte Bavink al gauw dat Japi niet alleen loopen en staan en zitten kon, maar kijken ook. En boomen honderd uit. En toen ze samen aan de Zijpe aan wal stapten, toen wees Japi naar 't Zuidwesten, naar den dikken toren van Zierikzee die heel flauwtjes aan den horizon zichtbaar was en zei: "Dikke Jan, die oue geduldige dikke Jan, hij staat er nog. Ik dacht 't wel. Ja hoor, hij staat er nog." En toen vroeg Bavink of i altijd zoo'n lol had en toen zei Japi: "Ja", meer niks. En toen ze in Zierikzee arriveerden en uit de tram waren gestapt toen liet Japi zijn zoolen klepperen op de heete keien van een of ander schaduwloos straatje dat maar bakte en bakte in de zon en rekte zich uit en zei dat 't leven toch verduiveld lollig was. En toen dreigde i de zon met z'n wandelstok en zei: "Zoo'n zon toch, hij schijnt maar, maar i daalt, hij rijst niet meer, 't is over twaalven, hij moet onder; van avond is 't weer koel. De lui zouden raar kijken als i niet daalde. Lekker warm hé, mijn goed plakt aan mijn lijf. De zeelucht stoomt mijn boordje uit."

En toen bleek dat je dat versterven niet zoo letterlijk moest nemen.

Aan tafel was Japi meer dan spraakzaam. Hij praatte voor drie, at voor zes. "Die zeelucht graaft", zeggen ze in Veere. Hij dronk voor zes anderen en zong 't heele liedje van de Nancy Brig. Kortom hij was zeer bedrijvig en luidruchtig, en Bavink dacht dat zoo'n kerel goud waard was.

En dat was i. 's Middags nam i Bavink mee naar de singels en liet 'm driemaal Zierikzee rond loopen. Z'n mond stond niet stil en z'n wandelstok wees maar en als de Zierikzeeënaars bleven staan en keken, dan ging i op ze af en sprak ze aan met "jongeheer" en vroeg of ze wel gezond waren en klopte ze op den schouder, dat Bavink zijn zijen hield van 't lachen. Dat kon Japi goed: met 't welwillende beschaafde Hollandsche publiek afrekenen, dat niemand duldt die er niet minstens even dom en smakeloos uitziet als zij, en hoont en hardop over je praat alsof niet zelfs op 't kleinste dorp sedert eeuwen dominees en pastoors bezig zijn 't volk op te voeden. Japi was een kerel als een karrepaard en sloeg er op in als 't moest met een kracht en een bedrevenheid waartegen de plompste kinkel 't moest afleggen. Zoover kwam 't in Zierikzee niet. De Zeeuwen zijn de beroerdsten niet. Japi placht te zeggen: "'t Eenigste wat me spijt is dat je op Walcheren niet eens af en toe een relletje hebt."

II.

Twee dagen sjouwden Bavink en Japi in Veere rond en toen jijden en jouwden ze elkaar al. Urenlang zaten ze samen op 't dak van 't Hospitaal en keken over Walcheren, over de Kreek en 't Veergat en den ingang van de Oosterschelde en de duinen van Schouwen. En daar had je dikke Jan ook weer, den toren van Zierikzee, nu in 't Noorden. En daar had je Goes en Lange Jan, den toren van Middelburg, de spil van Walcheren, het hart dier wereld. En 't tij kwam in en 't tij ging uit; 't water rees en viel. En iederen avond kwam de manke havenmeester en maakte eerst 't groene lichtje aan op 't Noorderhoofd, de palenwering; en dan kwam i daar af, dan moest i om 't heele haventje heen en dan zag je 'm weer bij den toren en dan maakte i het houten hek open en klom de houten trap op en stak ook 't licht aan den toren aan. En dan zei Japi: "alweer een dag, meester", en dan zei de manke havenmeester: "Ja mijnheer, al weer een." En als je dan naar den kant van Schouwen keek dan zag je 't draaiende licht aan en uitgaan. En een uur weg naar zee lag de lichtboei en scheen en doofde. En 't water klotste en rees en daalde, en door de nacht schoof de zon die je niet zag door 't Noorden. En 't laatste licht van den dag schoof mee door 't Noorden en werd 't eerste licht van den nieuwen morgen. Zoo raakte de eene dag aan den anderen, zooals dat in Juni altijd is.

Voor de aarde was de zaak eenvoudig genoeg. Die draaide maar om z'n as en vervolgde z'n baan om de zon en had er geen weet van. Maar de menschen erop tobden met moeite en zorg en veel verdriet door de dagen, alsof 't zonder die moeite, die zorg en dat verdriet geen avond zou worden.

Japi wist wel beter. De zon kwam van zelf wel weer bij de Walchersche duinen in zee terecht. Maar Bavink had 't bij tijden leelijk te pakken.

Bavink was een kerel, die gemeenlijk hard werkte. De menschen dachten dat i nog al wat kon. Hij lachte er om. Als i niet moest verkocht i niets; zijn beste werk zette i weg, keek er niet meer naar om, altijd ontevreden. Zoolang i werkte ging het goed, als i klaar was hatti er pijn van; bij tijden was i dood op. Als de menschen wisten hoe i de dingen zag, hoe ze hem aanpakten, ze zouden lachen om zijn prutswerk, om zijn akelige knoeierige reproductie dier heerlijkheid. Bavink had heele tijden dat i niets deed, zich maar liet gaan, lekkertjes de dingen aankeek en er doorheen sukkelde, 't prettig vond dat de boel zoo "verdomd mooi was", zooals i dat zei. Dat i pijn in zijn schedel voelde als i dacht aan al zijn vergeefsche pogingen, aan zijn "verdienstelijke werk." Verdienstelijke werk! Spuwen moest i als i er aan dacht. "Verdienstelijke werk", zeiden ze. Ze wisten er wat van. Je kon wel merken dat de dingen hen niet te grazen hadden genomen en door elkaar geschud zooals hem.