Dichtertje - De Uitvreter - Titaantjes
Chapter 3
Dat was de eenigste keer dat 't dichtertje zijn leven voelde leven in 't hoofd van een ander mensch en toen werti nog verlegener dan 't meisje en bloosde ook en gaf een kwartje aan den man die geld kwam ophalen voor de muziek.
Daarna was noch aan de doode, noch aan de levende dingen meer te merken, dat ze weet hadden van wat 't dichtertje beleefd had in z'n dichterhoofd, datti meedroeg op weg naar z'n roemlooze graf.
't Dichtertje kreeg er genoeg van. Hij had nog iets heel moois liggen:
"Mijn doode hart is zoo zwaar te dragen". Dat gooideni maar in 't keukenfornuis, de haard brandde niet, want 't was zomer.
En toen werti zoo kwaad op alle levende en doode dingen, datti z'n eindelooze erotiek onderbrak en een grimmig boek schreef, dat 'm in eens beroemd maakte. Maar dat was later pas, dat komt straks.
Voorloopig deeti alleen nog maar z'n gave tanden en kiezen op elkaar en daarna zeidi, alleen in z'n kamer, hardop: "Een groot dichter worden en dan vallen, Godverdomme." Z'n schoenen hatti losgemaakt en i schopte er één van z'n voeten datti een slag gaf, waar mevrouw beneden van schrikte.
VIII.
Dat was in den zomer en in 't najaar was 't dichtertje zoo ver datti "onmogelijk" van kantoor weg kon. Z'n tante had reden tot tevredenheid. Haar neef "hattet druk". Drie, vier avonden in de week zat i op kantoor. Hij had een week bij haar zullen logeeren in Velp, waar zij tegenwoordig stil leefde, de zaak had ze verkocht. Maar hij kon niet weg, als een heusche heer.
's Zondags las i thuis de mail, om toch maar vooral niet te denken en als er visite kwam, zei Coba: "Ik geloof uit Shanghai, is 't niet Shanghai, Eduard?" En tante zag in gedachte al een circulaire waarin stond "dat wij onzen langjarigen medewerker, met ingang van 1 Januari,--dat is wat gauw, met ingang van 1 Juli tot mededirecteur hebben benoemd."
Maar 't kwam even anders.
Pa was dood. Pa had altijd buiten willen wonen. Vier jaar lang hatti kippen gehouden en de pauw voer gegeven en vruchtboompjes geplant, die dood waren gegaan. En boekgehouden. Als de eieren in 't dorp zes centen kostten in 't winkeltje, kwamen ze hem op acht. Maar als i de keuken binnenkwam met zes eieren en z'n voeten naveegde op de mat, vontti dat je voor die twaalf centen meer, ook waar kreeg.
En moe had zich geschikt en zoo veel mogelijk meegeleefd en nix laten merken, als een echte goeie ouwerwetsche moe. En 's avonds, alleen onder de lamp, op d'r krant gestaard over haar bril en aan de Linnaeusstraat gedacht. Zij kon niet om negen uur naar bed. Ze zag de trams rijden in den avond over 't pleintje bij de Mauritskade, waar ze op uitkeek van haar bovenwoning, ze zag de lichten schuiven. En de boomen van het Muiderbosch, die bladerloos heen en weer gingen langs de donkere lucht, met de zwarte kraaiennesten. Dan kon je zoo echt naar 's zomers buiten verlangen. En ze dacht aan de winkels op Zaterdagavond en de drukte van 't winkelen en hoe ze zelf door de van Swindenstraat liep met 't boodschappenmandje onder haar schort, in den tijd dat 't hun nog niet zoo goed ging.
Zoo echt gezellig kon je dan nog eens praten. Hè jà, en de Dapperstraat met twee rijen karren, groenten en visch en kaas en kopjes en schoteltjes, met olielampen, die walmden en rustig wit licht in witte ballonnetjes van eigengemaakt gas. En overal herrie en geraas. Toen ze al lang deftig waren geworden, ging ze nog wel 's Zaterdagsavonds gerookte aaltjes koopen aan de kar met al die zwarte stangen rechtop, met van die genoegerige koperen knoppen. Tot een meisje met een groot bont schort en gekapt hoofd, zonder hoed, had gezegd: "Jeisis, de raakdom komt oltjes kaupe." Zoo'n flodder, met bruine schoenen aan.
En dan begon moe te soezen in de suizende stilte en met haar bril in haar rechterhand zat ze te knikkebollen, tot ze wakker werd doordat ze te veel voorover knikte. "Hè, mensche, 'k dacht waarachtig dattik de tram hoorde bellen."
Onderwijl schreef Dora op haar slaapkamer in schoolschriften van een dubbeltje proza over "Hem" en maakte zichzelf wijs dat hij iemand was, dien ze niet kende en die komen moest. En die schriften werden weggestopt in een la, waar niemand in kon, ze bloosde, ofschoon ze alleen was en niemand er van wist.
Em was verloofd, met een boekhouder in Amsterdam en praatte over haar huis, dat nog gezocht moest worden en dacht aan een kindje. Raar, zoo'n vrijer, die "op stuk van zaken" en "eventueel" zei en met een scherpe plooi in z'n zwarte kamgaren broek bij 't kippehok stond. En altijd hatti 't weer met pa over "de Bovenkerken," meneer Bovenkerk, die in steenkolen dee en mevrouw Bovenkerk, die 's zomers in Zandvoort woonde op "Mon Désir", en den jongeheer Bovenkerk, die eindexamen vijfjarige zou doen. En de rest. Em was erg kwaad geworden, omdat Dora eens had gezegd: "Daar heb je Bovenkerk". "Vrij jij met den IJseldijk", had ze gezegd en bijna had ze er bij gezegd: "Ouwe kneut." Dora was een jaar ouder. Maar haar opvoeding was haar gelukkig de baas gebleven. Dora had erg gekleurd en niets teruggezegd. "Zou ze in één van m'n schriften hebben gekeken? Ik laat er toch nooit één zwerven." Jasses wat een zwager. En als i z'n witte vest aan had! En die oogen. Zoo echt een heer, die bij den weg naar nix anders kijkt dan of i ook een kennis tegen komt. En zoo slap. Hoe kon Em tegen zoo'n man aanstaan! Zij leunde nog liever tegen een dennestam. Nee dan was Coba heel wat beter af. Zoo'n man als een zee! En meteen kreeg ze een visioen van wit zand en zon en golven en branding, en roode en blauwe badpakjes en witte jurken en witte en roode parasols. En van duinen met uitgeholde flank, met helmsprieten, gebogen waaiend, er bovenop. En van een golf die haar omsloeg in 't water, ze proefde zout.
Nu was pa dood en zouden ze verhuizen. Moe ging weer in de Linnaeusstraat wonen, over 't Oosterpark. Em zou 't volgend jaar trouwen en Dora moest maar naar kantoor. Zoo'n beetje helpen in 't huishouden en nu eens hier logeeren en dan eens daar en eigenlijk nix doen maakt maar ongedurig. Ze zou nog eerst een paar weken naar een vriendin gaan bij Berg en Dal om wat te bekomen van al de narigheid en dan kon ze meteen naar Amsterdam in 't nieuwe huis trekken.
Ee zou haar wegbrengen. Hij kon wel moeilijk nog een dag van kantoor weg, maar hij zou 't er dan maar afnemen.
Dora keek al eens naar 'm: wat praatte n-i-raar.
In den trein waren ze beleefd en welwillend voor elkaar, maar erg stil. Ze reden over den IJsel en over den Rijn en Dora staarde met groote stille oogen naar de rivieren, rechtop in haar zwarte jurk, de handjes in haar schoot, tot zij ze niet meer zag en ook daarna zat ze en staarde.
En hij keek zoo nu en dan naar haar gezichtje en dan weer naar buiten, om haar vooral niet te hinderen. En dan probeerde 'n-i of hij haar zien kon in z'n verbeelding, eerst telkens een brok, haar voorhoofd, en hoe de haren er boven waren, golvend, en haar oogleden en haar lange donkere wimpers en dan haar zwarte wenkbrauwen daar boven, even gebogen en dan dat alles bij elkaar en haar oogen, haar oogen vooral, die zag hij telkens boven de akkers, en 't neusje dat nauwelijks wipte, zoo fijn en haar kleinen mond, dicht gesloten de roode lippen, en de kleine oortjes, die rose doorschenen, met 't haar er boven en losse haren er voor en haar onderkaak, zoo edel lang, met een spits kinnetje, waar een zoenkuiltje in was. En dan moesti telkens weer kijken naar de twee rechtoppe richeltjes onder haar neusje.
Hij sloot even z'n oogen en zag 't heele gezichtje duidelijk voor zich, de bruine wangen nu ook. En daar was 't ook heel duidelijk buiten, voor de rij populieren, die nog maar weinig blad hadden. Want 't was al October. Hij moest even lachen om de menschen, die hem voor een degelijk heer hielden.
"Zeg is 't waar, dat je tegenwoordig iederen avond op kantoor zit?" Hij knikte. "Moet dat?" Hij haalde z'n schouders op. "Waarom doe je 't dan?" Hij lachte weer. "Om vooruit te komen in de wereld. 't Wordt je niet cadeau gedaan." 't Leek haar nix prettig... "Wat zou jij dan willen?"
"Kijken... en denken... en schrijven," zei ze en bloosde heel even... "ten minste als je dat kunt."
Hij glimlachte akelig wijs. "Nix gedaan, Doortje. Je wordt er nix beter van, 't stomste vee is 't beste af. Geloof je niet dat Bovenkerk een gelukkige kerel is?" Haar groote oogen gingen wijd open in stille ontzetting. "Hè, schrijven wat je denkt is zoo fijn, zoo roef, roef, je weet zelf niet hoe je 't doet. 't Staat er ineens precies zooals 't er staan moet. En als je 't dan naderhand leest, dan leef je in eens weer je eigen leven van toen en toch weet je niet, of je dat nu zelf bent of een ander." Haar oogen schitterden, er waren tranen in. Ze bloosde niet meer over zichzelf. Ze zat stil met haar hoofdje op haar rechterhand, haar elboog op de richel voor 't raampje en staarde naar buiten. En 't dichtertje dacht: "dat is een echte," en dat ze hem nu voor een degelijk heer hielden.
Maar hij bleef grimmig en wijs, "God brengt ons op een hoogte, om ons te laten afdalen. De weg over den top is kort, maar de dalen zijn lang. Die op den top is geweest, slijt zijn dagen in verdriet."
Zij schudde langzaam haar meisjeskopje, zoo lief en toch zoo nadenkelijk: "Ik leef altijd op den top."
Hij wou zeggen: "Goed zoo," maar hij zei niets. Zij staarde in den Waal. "Mooi hè?" En in eens stond ze op, nam haar hoed uit 't rek, stak er vlug de pennen door en met haar beide handen aan haar hoed, de voeten wat van elkaar om stevig te staan, lachte ze in eens overmoedig met al haar tanden, als een kwaaie meid, haar oogen in de zijne: "Aan mijn lijf geen Bovenkerk." Toen leunde ze haar bovenlijf uit 't raampje en keek naar Nijmegen, dat daar lag op de heuvels aan de rivier, zoo on-Hollandsch, zwak romantisch, huizen boven huizen en boomen boven boomen, en zong tegen den wind en 't gerammel van den trein over de brug.
IX.
Een groot dichter zijn en dan vallen. In de volheid der tijden.
't Was wel een dag om eens even de 36" white shirtings en coloured satteens te vergeten.
Zij werden niet afgehaald. De vriendin kon niet van huis, want haar moeder kon niet loopen en ze zaten zonder meid. Een meid is een zuster, niet van u of mij, maar van een letterzetter of een brievenbesteller, die bij u of mij op haar knieën door de kamer kruipt om den grond te vegen en 't vuilnisvat buiten zet en de kopjes breekt.
Dora en 't dichtertje dronken dus koffie in Lent, over 't water, in 't gezicht van de stad en de heuvels. 't Was een stille, zonnige herfstmiddag geworden. De kastanjes waren al kaal, de gele vijfvingerige bladen met hun dikke kleverige stelen lagen op de aarde en dorre en gouden bladen lagen overal. Er was de geur van bladen, die vergaan, die 't dichtertje altijd zoo week maakte onder zijn vest, alsof i dood zou gaan en onsterfelijk wakker worden in net zoo'n stillen blauwen en gouden herfstdag, die niet zou eindigen. En hij streek een herfstdraad van z'n voorhoofd. De lucht was zoo blauw en wolkeloos en zag zichzelf in 't water en de zon scheen gouden.
En uit 't water steeg de stad naar de blauwe lucht, de kade en de huizen en daarboven weer huizen, half of heel uit boven andere, met vele roode daken en ergens een kerk, groot, als een teeken voor God om z'n stad te herkennen en twee spitse torens, die hoog en onmachtig zich rekten naar nog hooger. Zoo reikt een dichtertje uit de rivier zijner dichterlijkheid machtig en onmachtig naar God, die niet te zien komt achter de blauwe lucht. Toen moest 't dichtertje toch weer even lachen om 't wonder dat in zijn oogen was, die daar een monument van heerlijkheid zagen, terwijl er niets was dan veel hokken vol miezerig, nog niet eens Hollandsch, maar Geldersch kleinsteedsch leven.
Zij keken juist recht in een straat, die van de kade steil en recht naar boven liep, er begon wat schaduw in te komen aan den rechterkant. En ergens in de hoogte was een groot plat met een ijzeren hek er om en ergens anders een waschtobbe op een ander plat en iemand zette, meer dan halfweg tusschen de rivier en God, een raam open, dat even de zon fel weerkaatste.
En links van de stad was 't lage walletje der begroeide heuvels, een rechte lijn tot "ins grosse Vaterland".
Een gouden laantje liep langzaam hellend, schuin naar boven. De gouden letters van het Fransche pensionaat "Notre Dame aux anges" blonken in de verte, hoog, aan het hooge huis, dat aan den voet van de heuvels staat, waar de grasvlakte eindigt.
"Notre Dame aux anges", onschuldig naakte engeltjes en onschuldige, geheel gekleede pensionnaires. De God van Nederland heeft wel gelijk, je weet nooit wat je aan die dichters hebt, zijn ze nou netjes of niet netjes?
Toen hervond 't dichtertje ineens de zwakke romantiek in dat heele geval. God bedoelde er heelemaal niets mee. Hij speelde maar wat en had maar eens een heel nieuwe ensceneering bedacht om die Leiden des jungen Werthers op te voeren, als hij daar lust in zou hebben.
En zoo praatten zij en speelden met woorden en gedachten en fantasieën en zagen aan de schittering van elkaars oogen, als een nieuwe inval uit zou flitsen. En daarna stapten ze op en gingen de rivier over. Zij wilde datti een mooi cadeau voor Coba meebracht, als i 's avonds naar huis ging. Dat zouden ze eerst samen koopen. Ze hing aan z'n arm, haar linker door zijn rechter en zoo hielden haar kleine handjes in zwarte glacétjes elkaar vast.
Een zacht-lila, zijden sjaal met geknoopte franje moest i koopen, hè ja, daar zou Coba vast heel blij mee zijn. Toe, dan was i een lief zwagertje. Ze keek in z'n oogen en drukte z'n arm, voor haar zuster. Er was geen valschheid in haar hoofdje, haar bloed joeg, maar in haar hoofdje was geen valschheid. "Kijk eens wat leuk". Ze stonden in de laagte en keken naar boven onder de brug door, die daar in de hoogte naar de Belvédère voert. En de boog van de brug omlijstte een schilderijtje. Een brok verlaten buitengrindweg, ietwat stijgend, aan weerszijden de blauwe band der voetpaden en kleine boompjes met schel oranjegele kruintjes, en de takken, door de bladen heen al goed zichtbaar en een paar lantaarns, ver van elkaar, met melkglas van boven, fel wit, een prentje om "5 October" onder te schrijven.
Er was geen valschheid in haar hoofdje toen ze in eens kalmer werd door de afleiding, die dat prentje aan het gesprek gaf, ofschoon ze 't zelf voelde. Maar ze begreep 't niet, zooals Adam en Eva hun naaktheid niet begrepen en de "Anges" van Notre Dame hun engelenstaat en de pensionnaires hun geheel gekleedheid niet. Mijn God, wat is een vrouw, die zichzelf begrijpt.
Maar hij begreep zichzelf wel, akelig duidelijk en daarom gebeurde er niets. Hij zag haar aan en de dichter in hem aanbad haar en hief haar ten troon naast den God van hemel en aarde en durfde haar niet aanraken.
En te gelijk zat diep in 't dichtertje 't beest gedoken voor den sprong, dat zich zat wilde vreten aan alles wat als een temptatie in onverschilligheid om hem heen had gestaan en langs hem was geloopen en hem niet erkend had. En haar eerst, 't mooie, 't beminde eerst, zoo dat er geen pardon meer zou zijn voor al 't mindere. Haar te verheffen zoo hoog als de sterren in de winternacht en met haar 't ergste te genieten en haar dan te laten vallen in 't zwarte grondelooze. Op haar te wreken in 't genot de tempteerende onverschilligheid. En wat zou een dichteres je ook beter verlangen, dan zóó te vallen?
Dit dachtti terwijl een muschje van een paardevijg op den grindweg in een van de oranje boomen vloog. Maar hij zei: "Weet jij een goeie winkel?"
Ze kochten een heel mooie shawl, fijn en zwierig. Jammer, dat ze in 't zwart was. Zij pastte zelf net zoo'n doek, maar een zwarte, om te zien hoe die viel en deed er haar bovenlijfje een klein beetje bij achterover. Maar die lila, die was prachtig. Coba zou vast een gilletje geven van plezier.
En zoo was ze tegelijk en beurtelings dien dag zuster en vrouw en dichteresje en courtisane en kende haar verdeeldheid niet en begreep er niets van.
Maar wat een dag der dagen.
Luid zong ze op den weg naar Beek, die ook verlaten was en ze liep steigerend, ze kon 't niet laten, ze kon de heuvels vertillen voor een lolletje en de zon met één hand van de lucht halen en over haar hoofd in den Waal gooien, datti siste.
De electrische tram haalde hen in en trok een lange rij dorre en gele bladen warrelend en schuifelend, ritselend achter zich aan, een lolletje Gods, datti zich wel veroorloven kon op zoo'n dag.
Van Beek stegen ze naar Berg en Dal slingerend door de heuvels. En de heuvels waren te laag en niet steil genoeg, hoe kon je daar moe worden? En moe moest ze worden of ze sprong uit elkaar van kracht, in scherven van dichteresje en vrouw en zuster en courtisane. Bovenop keken ze in een dalletje met hellende zwarte en gele en groene rechthoekige veldjes en denneboschjes en eiken hakhout er tusschen op de hellingen. En daaroverheen in de vlakte, uren ver met niets markants er in, alleen een recht brok rivier, dat breed van hen wegliep, tot waar i zich in een bocht verloor. Daaraan, heel klein, de roode afdaken van steenbakkerijen en hun schoorsteenen, hoog en toch verloren in de wijdte.
Daar stonden ze en op eens merkten ze dat ze niets konden dan weer weggaan.
Maar 's avonds in bed kon ze niet slapen, in haar hoofdje wilde de helderheid niet wijken. Ze doorleefde den heelen dag telkens opnieuw en zag alles weer heel duidelijk. En in eens werd 't onder haar schedel als de zon zelf: "Ik houd van hem. Ik kan niet anders. Ik wil. God sta me bij." Ze ging uit bed en dronk haar karaf achter elkaar leeg.
Den volgenden ochtend zat ze in haar pon op den rand van 't ledikant en keek naar haar enkels en prakkizeerde: "'t Zal wel zoo zijn," maar de helderheid was geweken.
Hij wilde niet denken. Als een net en degelijk heer zat i kalmpjes en gereserveerd in lijn twee en reed naar kantoor.
"Môgge, dames en heeren." En grimmig ging i aan z'n lessenaar zitten en schiftte de post.
X.
't Was in 't laatst van Maart toen de tijden vol waren.
Den heelen dag hadden ze drukproeven nagezien, Dora en hij, heel droog en zakelijk. Coba logeerde met Bobi in den Haag bij een rijke nicht uit Indië. Zij hadden beiden eenige dagen vrij genomen van kantoor.
Om vijf uur had ze thuis gegeten en daarna was ze nog even teruggekomen, om 't werk af te maken. Toen de schemering begon waren ze klaar, 't pak lag op tafel, de brief voor den uitgever lag er naast, er moesten alleen nog maar postzegels op.
't Was in de stad op een bovenhuis, maar het was aan den kant, er was een vaart voor 't huis en aan den overkant was 't weiland. Dora zat op een stoel voor den haard, mantel aan en hoed op en keek in 't vuur en dacht aan de volheid der tijden, de volheid voor haar heel ver af. Hij lag plat op de rustbank, tusschen 't venster en den haard, zoo plat dat ze hem nauwelijks zien kon in de donkere kamer, en keek naar 't gele licht van de straatlantaarn op 't plafond en naar 't roode schijnsel van den haard op de vloer.
Achter 't huis was de stad en 't lamplicht in vele vensters, maar dat zagen ze niet, want ze zaten voòr en als Dora opkeek zag ze 't land, waar 't laatste licht de hooge lucht verliet, over de aarde was 't reeds donker.
't Dichtertje had nu van alles genoeg. Z'n boek was af, z'n gedicht zonder eind hatti vermoord, z'n positie in de maatschappij was een farce. Coba en Bobi hadden genoeg om te leven zonder hem, God zou hen troosten, de tijd heelt alle wonden. Dat was een wandtekst van z'n tante in Velp.
't Was lente. Het leek nog winter, maar 't was lente. Het sneeuwde nog wat in die dagen, 't was nog wat koud en 't vroor nu en dan, maar dat was maar een aardigheidje en zoo erg niet gemeend.
De dagen werden lang, om zeven uur deden de menschen de lichten aan. En als om half zeven de gaslantaarns werden aangestoken op de gracht, stonden ze daar zoo bleek en verwonderd. Dan warrelde de sneeuw er wat om heen in kleine voorjaarsvlokjes en smolt voor dat ze op straat viel.
En ze dachten beiden aan de zomerregens, die komen zouden en hun neuzen van niet te rangeeren bohemiens, die zichzelf niet vermoorden konden, rooken 't versche hooi. Hij, grimmig als de titel van z'n boek, "Djengis Kan," en grimmig als 't boek zelf en met de gedachte dattie 't niet meer ruiken zou, datti ook dit koninklijk abandonneerde, zij vol vaag verlangen en zoo bewogen in haar hart. Haar handen vouwde ze op haar rok waar die gespannen stond tusschen haar knieën. Die hield ze van elkaar en zoo zat ze, voorovergebogen, op haar stoel.
De koeien waren al in 't land geweest, op een zonnigen dag hadden zij ze gezien. Het land had de koeien direct herkend en ze stonden er heel vertrouwelijk in en de zon was er blijde om geweest. Naderhand waren de dagen weer kouder geworden en de koeien moesten zoo lang weer binnen. Maar de hagel kon de lente niet tegenhouden.
De berkestammen waren toen zilverwit, maar mooier dan zilver. De taal is armoedig, doodarmoedig. Die de werken des Vaders kent, weet dit.
De weilanden leken minder verzadigd van water, de landen werden gemest, de zon steeg hooger en was trager in 't zinken. En Dora dacht hoe de zon groot, rood en koud had gestaan in December, laag boven de kim, om vier uur en verging in een kouden nevel en verdween, zwak en weerloos. Maar dat was lang geleden. En hoe in den winter de menschen om vier uur hun lichten aandoen en hopen dat 't nog weer eens dag zal worden. Maar nu wist ze al weer zeker dat de zon zou opkomen den volgenden morgen. En dan, wat dan nog?
Ze spraken nog altijd niet.
Hij dacht aan den tijd toen i gewerkt had, wat men noemt "hard gewerkt." En hoe z'n familie gezegd had, datti wijzer begon te worden. En datti eens had geklaagd, datti 't zoo erg druk had en dat allerlei dingen op kantoor tegenliepen en hij er 's nachts van droomde. En dat toen z'n tante had gezegd: "Ja jongen, de ernst des levens." Ze zou vast z'n boek lezen, hopen op een presentexemplaar, wachten of 't in de portefeuille zou komen. En er van willen schrikken, maar dat niet durven als allerlei menschen 't geprezen hadden. Hij zag zichzelf al circuleeren in de portefeuille in Velp, 't was wel de moeite waard.
"En wat dan nog?" dacht Dora. De sneeuw had ze weer zien smelten en de knoppen wat grooter worden. En daarna werden de kruinen van de hooge boomen alom bruin.
Het leek haar alsof ze dit heel lang geleden ook zoo gezien had, met haar handen gevouwen op haar rok, de knieën wijduit, voorovergebogen op haar stoel.
De zon scheen weer, ze zag de huizen in 't licht en de boomen en den gouden schijn in 't water. Den treurwilg zag zij gelen, zijn takken hingen, ze trokken naar 't water, in doodstille gele aanbidding hingen ze er stom boven en zagen 't gele licht in den vijver. De wollige witte wolken zeilden in den vijver, ze schoven voor den blauwen hemel, maar dekten hem niet. Zoo staan de treurwilgen in de stad in de vroege lente, materialisatie Gods tusschen de klompige huizen, die zoo hoog zijn, en ze wekken 't verlangen, dat geluk is en verdriet. Je komt den hoek om, een abjecten goren hoek bij een haringstalletje, dat stinkt naar gemarineerde haring en op eens gaat een slag van je oogen naar je hart, je ziet 't goud neerstorten als een zee en je staat en een klein jongetje veegt z'n neus af met den rug van z'n hand en roept: "Kakmadam." Dat is Amsterdam, de hoofdstad van Nederland, in 't vroege voorjaar.
't Was nu bijna nacht. De kolen in den haard rommelden plotseling, vlammetjes schoten uit en hun licht was in de kamer.