Dichtertje - De Uitvreter - Titaantjes
Chapter 2
Coba trekt haar manteltje uit, legt 't over haar knieën, 't is te warm voor een blauw cheviotten mantelpakje. Een wit bloesje heeft ze aan, haar armen schijnen er door, zoo rose-bruin en 't allerbovenste van haar rug en borst. Je ziet waar haar hemd eindigt en dat 't met kanten strooken van haar schoudertjes hangt. Nu trekt ze haar bovenlip even naar binnen en maakt haar onderkaak langer en strijkt met de rechterhand haar haar glad, ze draait even met haar hoofd en 't puntje van haar tong komt te zien en strijkt langs haar bovenlip en verdwijnt schielijk. De duivel draait aan z'n snor. Nu praat ze lief met haar kindje, ze lacht, al haar tanden laat ze zien; ze heeft een sterk gebit, alle tanden staan aangesloten en ze zijn schitterend wit, om haar zoo je hand voor te houden, dat ze er in bijten kan, aan den buitenkant tusschen pink en pols. Het is in 't begin van Mei. Voor 't eerst van 't jaar heeft ze een bloese aan die driehoekig is uitgesneden en ook haar borst is wit, zoo erg wit, dat de duivel moet denken aan het licht uit den hemel. En de hoeken van haar sleutelbeenderen bij 't kuiltje van haar hals staan zoo pittig. Met haar slanke vingers strijkt ze langs den rand van haar bloese. Nu veegt ze de handjes van haar kindje af en haar toetje, met haar zakdoekje, dat een opengewerkten rand heeft. En ze neemt 't handje van 't kind in haar twee handen en drukt 't en geeft haar een zoentje op haar groote oogjes en 't kindje vraagt: "Maatje, waarom doet u dat?" En ze kleurt en vraagt: "Wat, Bobi?" "Waarom zoent u me ineens?" "Maar kindje, maatje zoent je toch wel meer ineens? Wil Bobi nog een taartje? Maar dan moet je je niet zoo vuil maken, hoor. Zal mammi 't zelf gaan uitzoeken voor kindje? Zoet blijven zitten hoor!" En maatje gaat naar binnen, haar heupen draaien heel even en haar blauw cheviotten rok gaat heen en weer. En dan komt ze terug met 't taartje op een schaaltje en uit de deur lacht ze tegen haar kindje en ze gaat weer zitten. De duivel draait aan z'n snor. En dan in eens wordt ze bang. Als i haar eens aansprak? Wat moest ze doen? "Kom Bobi, maak voort, wacht, zal ik je helpen?" En op de punt van 't vorkje steekt ze haar 't halve taartje in 't mondje, 't is of de dikke dame naast haar draait. 't Kindje heeft 't toetje vol slagroom. "Bah, wat een vies kindje." "Mammi, dat doe je zelf." Daar is Pa. Hij groet en neemt z'n hoed af voor den duivel en de duivel neemt z'n hoed af voor Pa. Maatje kleurt weer, nu tot 't kuiltje van haar hals. Maar 't dichtertje ziet dat niet, hij is te lang getrouwd.
Ze staat op en helpt 't kindje van haar stoel. "Wil je meteen weg?" "Ik moet nog wol koopen om mijn manteltje af te breien. Ik kan nergens de kleur krijgen. 'k Ben in wel vier winkels geweest en toen dacht ik, ik zal maar eerst hier naar toe gaan, want 't werd zoo laat." De oogen van 't kindje worden heel groot en kijken naar boven naar maatje. "Nou vooruit dan maar, heb je betaald? aanneme!" Dichtertje dopt, de duivel dopt, maatje knikt stijf. Bobi wuift met haar handje en zegt met een hoog stemmetje: "Dag meneer." De duivel knikt en lacht en knijpt een oog dicht. "Maatje, die meneer heeft al dien tijd naar u gekeken."
Gelukkig, 't dichtertje hoort niets, zijn gedicht zonder eind is weer in een stadium datti er stapel zot van wordt. Hij ziet op dat terras al die vrouwen zitten en er gaan er voorbij op straat. "O God," denkt i, "als er nu eens een wonder gebeurde, als nu eens in eens van al die vrouwen al de kleeren afvielen?" Een dichtertje dat den waanzin nabij is denkt rare dingen. U en ik lezer denken nooit zoo iets. En mijn lezeressen..... heilige onschuld, ik moet er niet aan denken.
V.
Zes jaar waren ze getrouwd. En terwijl zij iederen morgen brood sneed en boterhammen smeerde en thee schonk voor hem, voor kleine Bobi, voor 't dienstmeisje en soms voor de werkster.... Snijd eens één keer brood en smeer eens boterhammen voor vier kinderen, als je 't niet gewend bent, wat de ongelukkige schrijver van deze geschiedenis eens gedaan heeft, volslagen uitzinnig word je d'r van. Op d'n duur zal 't wel wennen, maar o lieve Heer, op den duur moet 't toch ook afgrijselijk vervelend wezen, als je 't ongeluk hebt er over na te denken.
Nu dan, terwijl zij voortdurend dit alles weer deed, behaagde 't God, den echten God van hemel en aarde, Dora, haar zusje, te doen opgroeien en vrouw worden, zoo mooi als een renpaardje. Zij was een van die twee zusjes, die in bed waren gestopt, toen i voor 't eerst boven mocht komen.
Het duurde lang voor hij haar zag. Maar zij had hem allang gezien. Vijftien jaar was ze toen. Hij was pas getrouwd, iets meer dan een jaar en kwam van een reis terug, heelemaal verbrand. Een licht grijs pak had hij aan en bruine schoenen en een wit hoedje met heelemaal neergeslagen rand. Toendertijd gooiden ze je in de Reinwardtstraat nog met steenen als je den rand van je hoed heelemaal neergeslagen had, nu mag 't. Zijn schoonouders woonden toen op 't land, ergens bij den IJsel in een wit huisje met een serre, en een weranda langs de bovenverdieping. Ze was nog nauwelijks meer dan een kind, haar rokje kwam maar halverwege tusschen knie en enkel. Nu loopen de volwassen vrouwen zoo. Ze had een jurkje aan met banden over de schouders, met dikke roode strepen verticaal, daartusschen smalle witte strepen. De schouderbanden waren enkel rood. In dit hooge jurkje dat over de borsten reikte, droeg ze een wit bloesje met stijven opstaanden kraag. Ook haar gezichtje was gebruind. 't Donkere haar droeg ze met een scheiding en van achteren loshangend in een zwarten strik. Ze was blootshoofds en speelde op 't gras voor 't huis als een kind diabolo, voor 't laatst, maar dat wist ze niet.
't Was in 't begin van Juni, de hooge boomen achter en op zij van 't huis waren een groene berg, massief. Hier en daar stond er een bruine beuk tusschen. De roode meidoorn was uitgebloeid, de roode bloemen van de kastanjes waren afgevallen, de ijle kaarsjes, die er van waren overgebleven, stonden rechtop. De accaciá's bloeiden en de jasmijn. De serre en alle drie de deuren aan de weranda stonden wijd open. Er was een klein rond vijvertje voor 't huis met bladen en witte bloemen van de waterlelie er in en riet en gele irissen aan den kant. Voor den tuin liep de grindweg en aan den overkant van den weg en ook aan deze zij er van, links en rechts van den tuin, stond alom de groene rog manshoog.
Met de geheven armen wijduit ving ze de diabolo op 't touw, maar hij viel en toen ze zich bukken wilde zag ze den man van haar zuster.
"Dag Dora, ken je me niet meer?"
Hij zag een kind en 't grasveld, en 't vijvertje en 't witte huis en de hooge boomen en de accacia's en jasmijn in bloei, op zij. Hij was pas getrouwd en nog niet begonnen aan z'n gedicht zonder einde. Maar zij zag hem, haar oogen werden groot, 't bloed gutste in haar lijf naar boven. Waarom vloog ze haar zwagertje niet om z'n hals en zoende 'm? Dat had ze altijd gedaan, want hij was een lief zwagertje, die bonbons en brochjes meebracht en rumboonen, de rumboonen stilletjes.
"Dag Ee," zei ze en gaf 'm een hand.
"Dora, wat zie je d'r lief uit, is m'n schoonmama thuis en m'n schoonvader?" Hij wilde in haar wang knijpen, zooals hij dat "de kinderen" altijd gedaan had, maar ze liep hard weg en viel 't huis binnen. "Daar is Ee."
De diabolo lag op 't pad en de stokjes met 't touw op 't grasveld. Hij raapte ze op en zoende z'n schoonmoeder en schudde den ouden heer de hand met geweld. "Hier zusje, daar heb je je speelgoed! Is Em nog op de kostschool?" En schoonmama, die graag zag zoenen in eer en deugd, vroeg: "Hebben jelui mekaar al behoorlijk goeien dag gezegd?" Maar zij ging haastig de kamer uit met 't speelgoed en liep naar boven en stond op haar kamertje voor 't open raam. Gek, ze hijgde anders nooit, nu haalde ze diep adem. En ze voelde met haar handen dat haar borsten groot werden. En 't grasveld voor 't huis en 't vijvertje met de bladen en de witte bloemen, met 't riet, dat zachtjes heen en weer ging en de gele lissen en links aan den kant van den tuin de bloeiende accacia's en de jasmijn bij het rhododendronboschje, dat uitgebloeid was en de rogge over den weg, die golvend glansde, al die dingen leken zoo nieuw en zoo mooi. De leeuwerikken zongen overal, een reiger vloog, de lucht was zoo hoog en de boomen ruischten om 't huis en 't licht--kun je 't licht pakken en aan je drukken en in je? Ze deed haar handen samen om haar achterhoofd en voelde haar borsten optrekken. Toen rekte ze zich heelemaal uit. De armen wijduit omhoog, als bij 't diabolospel. En ze voelde de lucht doordringen tot onder in haar longen.
Kalm kwam ze de trap af en zong 't koor uit de Maccabeeën: "Dag vol licht en hemelgloed," wat ze vaak had gezongen, zonder er veel bij te denken. Toen ging ze de kamer binnen en zei: "Dag Ee", en ging op haar teenen staan en rekte zich uit en zoende 'm op z'n mond, als vroeger, zusterlijk. En hij, die een gesprek had met z'n schoonvader over lijnolie, pas van de reis terug, wat moet een dichtertje al niet doen, hij zei enkel:
"Kind, wat wor je groot, ik hoef je waarachtig niet eens meer op te tillen."
En toen hield ze al zooveel van 'm, dat ze niet eens kwaad was omdat ie dat zei. "Haar borsten werden immers al groot, wacht maar."
"Dora, de melk kookt over, Maartje is naar 't dorp." En Dora vlug naar de keuken om 't stel uit te draaien.
VI.
Voor ik verder ga wil ik even vertellen dat ook mijn manuscripten door m'n vrouw worden overgeschreven en dat ze de poëzie in dit verhaal niet begrijpt. Dat Coba coquetteerde vindt ze niet zoo erg, dat kwam doordat 't dichtertje haar verwaarloosde. Die dame in de tram had een klap op haar gezicht moeten hebben en 't dichtertje ook. Gek, in andere verhalen vindt ze zulke dingen niet zoo erg. 'k Denk dat 't komt doordat ik dit geschreven heb. Ze moet toch den auteur weten te onderscheiden van meneer Nescio, maar dat gaat haar te hoog. De situatie is voor mij pijnlijk, mijn huiselijk geluk is ietwat gestoord, toch ga ik door.
Daar wandelt de God van Nederland weer op 't Damrak over 't gloeiende asfalt. Weer heeft hij 't zelfde bruinige pak aan en denzelfden hoed op en schilfertjes op z'n kraag. Nu heeft hij een zakdoek om z'n boordje gelegd, voor 't zweten. Z'n wandelstok zetti een heel eind van z'n lichaam neer. Z'n grauwige bakkebaarden wandelen mee.
God van hemel en aarde, van land en zee, neem deze benauwenis van mij weg, schep 'm op uw ééne hand van 't Damrak en leg 'm zoetjes neer op een belt, bij blauwe pannen zonder bodems en vertrapte blikjes en verroeste hoepels van vaten en asch en garnalendoppen, ergens waar ik nooit kom.
Nu kan mijn geest mijn verdomde zelf verlaten en recht naar boven gaan als blauwe rook in een stillen zomeravond, als een verre koe klagelijk loeit.
En nu is alles weg dat geweest is en ik ben Dora en in een nieuwe wereld, die dezelfde is als de oude, maar gezien van de voeten des Vaders, van waar ik ook neerzie op Dora, die ikzelf ben, een vrouw nu, een meisje, zoolang de genade duurt.
En zooals de wereld thans nieuw is voor mij, zoo lag ze nieuw en maagdelijk en goedertieren uitgespreid voor Dora na dien dag. O, ze aanvaardde 't wonder, maar ze begreep 't niet en ze begreep zich zelven niet, zooals de aarde zich zelve niet begrijpt, waaruit 't koren groeit, dat groen is en geel wordt en wordt gemaaid en de hooge garven staan op de gele stoppels en de aarde weet er niet van.
En haar borsten werden grooter, ze bewogen bij 't loopen. Toch was ze een tenger meisje met een duidelijk kuiltje in haar hals, met duidelijke peesjes en 't begin van haar sleutelbeenderen duidelijk afgeteekend, net als haar zuster. En als ze 't hoofd op zij deed, zag je een diep kuiltje op haar schouder als ze haar losse kiel aan had, die vierkant was uitgesneden. In haar bruine gezichtje waren haar oogen zoo wit en zoo donker blauw. Het wit was zooals ik eens de bevroren Zuiderzee gezien heb. Maar uit 't blauw scheen al de warmte van haar lijfje, dat toch niet koeler werd. En als ze dan met haar handjes op haar rug stond, stevig op de beenen, de voeten een eindje van elkaar, dan zag je de punten van haar schouderbladen en een holte daartusschen, als een gedicht, die de gedachten trok naar verten, als een rivier, die gestrekt ligt, ver, en zich dan wendt en waarvan je 't eind niet ziet. En als ze haar hals boog, ze droeg 't haar nu opgenomen, dan keek de God van hemel en aarde even op van z'n eeuwige contemplatie der eeuwige landen en zeeën en leunde z'n hoofd op z'n rechterhand, die steunde op z'n dij, de duim onder den kin en de wijsvinger langs zijn wang en aanschouwde het bruine knobbeltje boven de holte, die een gedicht was en de kleine haartjes die glinsterden in de zon en glimlachte. Daarna keek hij weer ernstig langs z'n voeten en zag zijn Rijn wenden tusschen zijn bergen en peinsde: "Hoe was hij er ook weer toe gekomen, 't Duitsche rijk te laten stichten? Die Pruisen....."
En z'n edel, hareloos gelaat versomberde, er kwamen twee diepe plooien boven z'n rechten sterken neus.
Maar zij dacht aan geen Pruisen. Zij dacht hoe een lieven man haar zuster had en dat 't goed was van haar zwager te houden. Hij was toch haar broer. En een dichter. Dat had Coba haar verteld. En een dichter dat was een van hen, die God lief had. Dat had ze in een boek gelezen.
Ze was nu zoo oud, dat ze verheven boeken las met een mondje vol chocola en de rest van de reep op 't tafeltje.
Als zij ook eens dichten kon of--schrijven. Een boek over jonge liefde. Jonge liefde, daar las je toen veel van. En als ze 's avonds aan den IJseldijk lag, de fiets naast haar plat in 't gras, met een grasje in haar mond, dat ze om en om draaide en over 't water keek, waar 't zeil van een tjalk met geraas zakte langs den mast en slap viel, dan probeerde ze het. Maar er kwam niet veel. Ze werd wel heel week van binnen, haar hartje en haar longetjes werden zoo groot en zoo weemoedig vol. Ze voelde 't avondlandschap in haar ruggestreng van boven tot onder. De koeien, die in 't water stonden en dronken en zichzelf zagen, 't rammelen van de ankerketting, 't licht dat opgetrokken werd aan den mast van de tjalk, ze brachten tranen in haar groote oogen. Maar er kwam niets. 't Grasje in haar mond spleet ze in de lengte met haar twee nageltjes, maar er kwam niets.
Ze stond op. Aan de bleeke lucht schenen de sterren, 't water rimpelde en warrelde en draaide en stroomde alsof er geen Dora stond in den kleureloozen zomeravond. Een zware wagen kraakte moeizaam over den grindweg in de verte. Weemoed steeg op uit 't duisterende land, 't water hield nog wat licht.
Toen strekte ze de handen uit, maar er was niemand die antwoordde. Toen wist ze niet of ze sterven wilde of leven en reed langzaam op haar fiets naar huis terug, waar moeder zat te gapen met 't Nieuws van den Dag onder de petroleumlamp en haar bril op de punt van haar neus. Zoo keek ze Dora strak aan. Daarna zette ze haar bril af, vouwde 'm op, voelde op de krant naar 't huisje er van en bukte omdat 't andere stuk wel onder tafel zou liggen. "Hier moe." Toen stond moe op, vouwde gapend de krant dubbel, keek op 't wekkertje dat op den schoorsteen stond en zei geeuwend: "Kwart-over tienen."
Op haar kamertje kleedde Dora zich uit en rook de geur van haar eigen warme schoone lichaampje. En een groot verlangen vulde haar opnieuw, zooals 't avondlijke land haar met een groot verlangen had vervuld, en ook de donkere rivier, die uitliep in een punt, die even lichtte waar i zich wendde en verdween. Maar wat 't was, wist ze niet.
En in eens zag ze alles weer voor zich in 't donker van de kamer, 't water met de tjalk die geankerd lag met z'n licht in de mast, de koeien aan 't water aan den overkant, dichterbij. Ze zag dat de avond niet viel, maar opkroop uit 't land, voor 't eerst gaf ze zich daarvan rekenschap. En ze zag vooral 't end van de rivier, de bocht, die in een punt uitliep, waar een groenige lichte plek in 't water was, daar waar de oever rondboog. En ze hoorde 't verre kraken van den zwaren wagen over den grindweg.
"God, als 't eens waar was, dat U mij lief heeft," zei ze kinderlijk.
En ze droomde dien nacht, dat Ee wandelde met Coba op een wei, zij in een wit linnen mantelpakje en hij heelemaal in wit flanel, met een omgeslagen rand aan zijn broek en een platten stroohoed op en bruine schoenen. En dat ze tegen elkaar lachten en hij haar zoende op haar mond, vier zoenen achter elkaar en dat ze zich lachend losmaakte. En dat zij, Dora, op haar zuster toeliep en haar armen om haar hals sloeg en haar hoofd tegen haar schouder legde en zei: "Coba wat ben je toch lief." En toen stond daar in eens haar moeder, nu met haar bril boven op haar voorhoofd en zei, "dertien minuten over half twee."
VII.
Intusschen liep 't beminde dichtertje kalmpjes als een net burgerheertje zijn wegje af naar z'n graf en op 't Damrak en op 't Rokin en in heel Amsterdam en overal ging 't verkeer z'n gang, alsof er aan 't dichtertje niets gelegen was.
Hij maakte wat promotie in z'n betrekking en erfde een kleinigheid, veranderde gaandeweg van kleermaker en schoenenwinkel, kocht toen ook dat witte flanellen pak, rookte geregeld sigaren van vier cent inplaats van tweeëneenhalf, had ten slotte zelfs een kistje in huis, droeg fijne overhemden en niet meer van die dikke wollen sokken, waschte z'n handen voor en na 't eten, en gaf iedere week enkele guldens uit in cafés, alleen en met z'n vrouw. Hij verheugde zich in den beleefden groet van z'n sigarenwinkelier en in de eerbiedige familiariteit van den conducteur op lijn twee. Op kantoor werti door de jaren wat ijveriger, begon wat van z'n werk te maken en het gebeurde zelfs datti 's avonds terugkwam, ofschoon z'n baas de lui daar nooit om vroeg. De concierge respecteerde hem steeds meer, hield 'm voor een heele geleerde. Zelfs zijn tante uit Delft of Oldenzaal begon tegen 'm op te zien en knikte goedkeurend als Coba haar verhaalde hoe haar neef vooruitging. Hij zelf sprak er nooit over. Hij was nu geabonneerd op 't Volk, 't Handelsblad en de Groene, lid van de Partij en den Algemeenen Nederlandschen Bond van Handels en Kantoorbedienden. Op vergaderingen kwam i niet, maar als ze bij hem kwamen met een steunlijst voor een werkstaking of om een uur loon voor de Partijkas, dan gaf hij hun een sigaar en Coba schonk een kopje thee en dan praatte-n-i heelemaal niet uit de hoogte met ze en teekende voor een riks of vijf gulden en bracht ze tot de trap en trok de deur voor hen open. Hij was toch zelf ook maar in loondienst en had als jongen ook zoolbeslag en hoefijzers onder z'n schoenen gehad en heel vroeger in een huis gewoond waar de buren altijd de trapdeur open lieten staan en aan tafel gezeten met een pan rijst, voor dat z'n vader dat werk had gehad waar i zoo aardig aan had verdiend.
En toen i weer opslag had gekregen aten ze voortaan iederen dag soep vooraf en Coba kocht drie zilveren servetringen, voor Bobi ook één, en wilde voortaan geen brood meer meenemen als ze 's Zondags de stad uitgingen, wat ze nog heel lang gedaan hadden.
Ook z'n vrinden waren vooruitgekomen in de wereld. Bonger, de dokter en Graafland, die hoofdcommies was bij de post en 't boekenschrijven had opgegeven en van der Meer, die in automobielen dee en 't dichten verachtte. Die niet vooruitgekomen waren zag je heelemaal niet meer. Daar had je Kool, die altijd z'n brood met z'n twee handen at en die zoo lang had geprakkizeerd om de wereld te hervormen, datti koloniaal was geworden. God weet waar die nu zat, eerst hadden ze mekaar geschreven, maar toen had dat opgehouden, je wist niet meer wat je schrijven moest. Hein hatti een tijdje geleden nog eens ontmoet. Die moest en die zou schilderen. De ziel der dingen schilderdeni, maar 't bracht nix op en toen z'n vader was gestorven hatti heelemaal nix. In jaren had 't dichtertje hem niet gezien.
Op een dag loopti door de Pietervlamingstraat en daar ziet i 'm, als kraai verkleed. Hein, die één maal geexposeerd had: "Portrait d'un jeune homme poitrinaire et syphilitique," theosofisch "opgevat." Er moest een groenteboer begraven worden. De kraaien stonden op de kleine steentjes te wachten, ze hadden parapluies bij zich, Hein ook. 't Was druilerig weer. Scheef op z'n kop stond een rouwhoogehoed, die 'm te klein was. Z'n gekleede rouwjas met tressen hatti dicht geknoopt. 't Ding was veel te nauw en barstte haast open en zat vol malle plooien om z'n ribbekast. "Jonge," zegt Hein, "wat ben jij een fijne man geworden." Meteen dragen ze, Goddank, den dooien groenteboer z'n deur uit. 't Is niet zoo makkelijk iets te wezen in de wereld, ook al ben je een dichtertje en heb je jezelf wel zoo wat in de gaten. Hij liep toch al niet zoo graag meer in die straten, na dien tijd kwam i er liever heelemaal niet meer. En dan moet je mee uit eten genomen worden en een spijskaart voor je krijgen waar geen regel op staat die je begrijpt. En dan neem je den eersten keer overal te veel van omdat je niet precies weet wat er komt en nooit weet hoe ver je bent. En de volgende maal zal je 't beter doen en dan krijg je lang niet genoeg en moet een groote zware sigaar rooken met een leege maag. Dan wensch je dat je vader je maar bij de stadsreiniging had gedaan indertijd, om met een blauwe kiel en een ratel en een glimmende leeren pet met een koperen nummer op een stil, zonnig grachtje te loopen ratelen in de vroegte, zonder er wat bij te denken, op schoenklompen met dubbele zoolen.
En achtentwintig jaar voor hem uit, op 't wegje naar z'n graf zag i 't grijze hoofd van z'n vader loopen, dien 't ook altijd goed was gegaan en die ook nooit iets bijzonders had bereikt. Hij zag zichzelf al loopen over 28 jaar, met net zoo'n hoofd en kreeg 't gevoel of i z'n eigen vader was. En drieentwintig jaar achter 'm liep z'n dochter, nu nog z'n dochtertje. Z'n Bobi van nu zou over drieentwintig jaar nergens wezen en toch zou ze den weg afloopen dan, dezelfde en toch een ander. En 't dichtertje vond 't een zinnelooze optocht, die 'm droefgeestig maakte.
Maar in dit nette, onschadelijke, jonge burgerheertje leefde nog iets, dat geen heertje was, maar een mensch, die niet zoo maar dood wou gaan, die zichzelf een toren wou oprichten tot de blauwe lucht, om te staan in eeuwigheid. En een beest dat zich zat wilde vreten aan al 't onverschillige levende en doode, dat maar dee of hij er niet was en zich wederom zat wilde vreten tot 't alles opgevreten had en alleen over was met 't niet.
Maar daar hij niet wist hoe i beginnen moest, kwam er nooit iets van. Hij bracht 't niet verder dan dat nu en dan één van z'n gedichten in een tijdschrift werd opgenomen en dat 't Handelsblad 'm prees, maar dat prijst zooveel, en dat meneer Scharten hem, Goddank "veelbelovend" noemde. En z'n vrienden, die ernstige mannen waren geworden, zeiden een enkel waardeerend woord er over, als ze 'm bij gelegenheid eens zagen, die dweepten niet meer. En de afleveringen der tijdschriften begonnen langzaam te vergaan, zooals 't leven van 't dichtertje en overigens gebeurde er niets. De lui op kantoor lazen geen tijdschriften en hij schreef trouwens toch onder een anderen naam.
Eens op de Zaandammerboot zat een verloofd stel naar 't water te kijken, hij had zijn rechterarm om haar schouder en hield haar rechterpols vast en zij legde weer haar linkerhand op zijn rechter en zoo zaten ze dicht tegen elkaar aan. 't Dichtertje keek naar hen, zoo'n net verloofd stel is zoo aardig om te zien. Dat die kinderen onrustig zijn omdat ze meer willen en zich warm maken om wat ze niet kunnen en niet durven en nooit weten waar ze zullen ophouden, dat zie je niet en daar denk je niet over. 't Was heel aardig en misschien waren ze nog maar pas verloofd en tevreden met elkaar vast te houden en te dwepen. Toen keken ze elkaar lachend aan en hij zei:
"Ik kijk van terzij in je groote oogen. En zie een blauw' en een gouden vonk"
en zoende haar op haar mond. Zij bloosde: "Die meneer keek net."