Dichtertje - De Uitvreter - Titaantjes
Chapter 1
Produced by Mark C. Orton and the Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
Nescio
Dichtertje
De Uitvreter
Titaantjes
J. H. de Bois - Haarlem.
"Dichtertje" is hier voor het eerst gepubliceerd. "De Uitvreter" verscheen in "De Gids" van Januari 1911. "Titaantjes" in "Groot-Nederland" van Juni 1915.
DICHTERTJE.
In 't derde oorlogsjaar. Bellum transit, amor manet.
I.
Tweemaal schudde de God van Nederland zijn eerbiedwaardig hoofd en tweemaal schoven z'n eerbiedwaardige grauwe bakkebaarden heen en weer over z'n vest.
't Klopte niet. Ergens moest een fout zijn. Een dichter met nergens haar, dat was heel vreemd. Sedert dertig jaar hield de God van Nederland niet van dichters. Je wist niet meer, wat je er aan had. Fatsoenlijk of onfatsoenlijk, je kon er niet uit wijs. En nu dit.
"Hij heeft gezegd, dat hij vol van mij is. Vroeger kon je daar op aan."
God zuchtte. Hij zou er morgen eens met Potgieter over spreken. Je had tegenwoordig niets dan narigheid aan je hoofd.
Daar beneden in de Leidsche straat liep een meisje. Met vaderlijk welgevallen zag God op haar neer. Het meisje was als honderde andere meisjes dien zomer, heelemaal in 't wit, zijden blouse, korte frotté rok, witte kousen, fijne enkeltjes en lage witte schoentjes en had lieve oogen als honderde andere meisjes in Amsterdam. Oogen die kijken alsof ze iets heel bijzonders weten. Dat vonden ze ook weer niet goed. Nooit had ons Lieve Heer daar vroeger iets bij gedacht. En nu hatti kwestie. 't Was begonnen met versjes over "wetende oogen." Toen zei er één, dat 't allemaal bedrog was, een vroom bedrog van God. Dat ze niets wisten en alleen maar keken alsof, zonder dat ze 't konden helpen. Nooit had God er over nagedacht.
Tegenwoordig brachten ze hem over alles aan 't denken. En 't was toch zoo noodig, dat de hoofden bij de zaken werden gehouden. De keizer had 't nog onlangs weer gezegd: "Der Tüchtigkeit ist die Welt".
Maar als je eenmaal over iets aan 't prakkizeeren raakte kwam je er zoo makkelijk niet weer af. Nu i er eenmaal op lette, zag i honderde, duizende van die meisjes, telkens weer anderen en telkens weer dezelfden. Zoodat i soms niet meer wist of i er tienduizend had gezien of één, tienduizendmaal. "Heer in den hemel had hij al die meisjes geschapen? Of was 't een grapje van den duivel, al die wetende oogen?"
Kijk, daar gaat 't dichtertje. Toch wel een knap, jong ventje, zoo slank, zoo'n aardig gladgeschoren jongensgezicht, alleen een paar stutten voor de ooren, en zoo verbrand door de zon. Hij groet iemand. Z'n strooien hoedje lichtten-i even op van zijn kort geknipte haren.
Raar toch, zoo kaal, maar 't was toch vast wel een dichtertje, want God begreep niets van 'm en Potgieter ook niet. En professor Volmer verachttenem.
En hij leed ijselijk van die wetende oogen, zooals geen rechtschapen mensch. De duivel hattem leelijk te pakken. Hij was een zwak dichtertje, kindsch werti er van. Hij bleef fatsoenlijk van zwakte. Dat was weer zoo iets raars, waar God vroeger nooit over gedacht had, fatsoenlijk was fatsoenlijk en daarmee uit. 't Dichtertje wist niet op wie hij verliefd moest worden. Als hij in twee wetende oogen had gekeken, zag hij er dadelijk weer twee. Hij was zoo zwak, zoo lekker zwak. Maar als i 't vijfentwintigste meisje zag, voeldeni zoo iets raars in z'n hersens. Hij had al eens in 't voorbijloopen op 't terras van een café een stoeltje omgeschopt van kwaadaardigheid. Want hij wist wel, dat ze niets wisten, dat ze dom giggelden, alleen al als i z'n hoed voor hen af nam, of strak keken, omdat ze stonken van burgerjuffrouwen-ingebeeldheid. En toch kon i 't niet laten. En dan moest i vluchten naar ergens, waar geen vrouwen waren en dan maakteni zich kwaad op God en den duivel tegelijk en zei datti idioot werd en datti nog eens met open mond jaren lang kwijlen zou, een leeren slabbetje voor, zonder datti 't zelf wist. Maar den volgenden dag keeki weer en dacht daarbij: "Mon âme prend son élan vers l'infini."
Potgieter zei dat de vent gek was en dat in den tijd van Piet Hein........
Dichtend vervolgde 't dichtertje z'n tocht door de woestenijen van Amsterdam. Zoover 't oog reikte, niets dan Nederlandsche menschen. Weer groette-n-i iemand, een heer met hoogen hoed en gekleede jas, uit een stuk van Verkade. Nu spraken ze elkaar aan. Daar stonden ze, op 't plein voor 't Centraalstation.
Op den beganen grond liep God nu met z'n gelen strooien deukhoed, z'n wandelstok met zilveren greep, z'n jas hing slobberig en breed en ondefinieerbaar bruinig over z'n rug, op z'n kraag lag roos, z'n broekspijpen waren te wijd en te lang en lagen met plooien op z'n schoenen. Z'n bakkebaarden kon je van achteren zien en toen i bezadiglijk de twee treden opstapte om in 't station te gaan, glom de lage avondzon in Gods gepoetsten linkerschoen.
"Wie was die meneer?" vroeg 't dichtertje. "God" zei de duivel en de knobbels op z'n voorhoofd werden grooter. 't Dichtertje sprak niet. "Jouw God, de God van je baas en van je schoonvader en van je baas z'n boekhouder en van den gérant van de "Nieuwe Karseboom". De God van je tante, die zei, dat je moest groeten als je langs 't huis van je baas kwam in Delft of Oldenzaal, waar was 't ook weer, ook al zag je niemand, je kon nooit weten wie 't zag. Van je tante, die je zuster altijd liet breien. "Een vrouw mag niet stilzitten." De God van al die menschen, die zullen zeggen: "Dat had ik van jou niet gedacht," als je nog eens probeert te leven en die zullen zeggen: "Dat had ik altijd wel gedacht, dat kon niet goed gaan," als je later in 't werkhuis moet. De God, die niet hebben kan, dat je 's Zaterdagsmiddags vrij bent, de God van meneer Volmer, hoogleeraar in 't boekhouden en de bedrijfsleer, die vindt, dat je veel te veel naar de lucht kijkt. De God van allen die geen andere keus hebben dan werken of vervelen. De God van Nederland, van heel Nederland, van Surhuisterveen en Spekholzerheide, donateur van den Bond van hoofden van groote gezinnen en van de Vereeniging tot opheffing van gevallen vrouwen. Dat noemen ze vallen. Ik ben ook gevallen."
"De beeldspraak is inderdaad gebrekkig", zei 't dichtertje, absent.
Hij had al dien tijd gekeken naar een dame, die daar stond te wachten. Naar de aardige scherpe achterkantjes van haar beenen, vlak boven de lage witte schoentjes. Natuurlijk had ze lage witte schoentjes aan met korte rokken en erg open geweven kousen, waar haar beenen wit doorheen schemerden. "Nu vallen", dacht 't dichtertje.
"Mon âme prend son élan vers l'infini," zei de Duivel en glimlachte ironisch, zooals hij een eeuwigheid lang geglimlacht had.
Toen zag 't dichtertje 't stationsplein weer en den duivel en hoorde wat die gezegd had.
"Duivel" zei-di, "mij belazer je niet."
De duivel haalde even z'n schouders op en keek naar de stationsklok. Tien minuten over zevenen. Hij gaapte achter z'n hand. De eeuwigheid schoot niet op. En eigenlijk hatti ook al zooveel dichtertjes gekend. Waarom sprak i nog zooveel?
't Dichtertje liep naar huis en keek in de hoogte naar 't gevleugelde wiel, dat midden op de leuning van de hooge spoorbrug over de westelijke doorvaart op een kleine ijzeren zuil staat en vliegen wil en nooit van z'n plaats komt en gezien wordt uit vertetjes waar 't nooit komt, wel heel van de Torensluis, 't Singel af. De blauwe lucht was er nog zoo hopeloos ver boven. Zelfs de palen met de booglampen, aan 't begin en 't eind van de brug, staken hoog boven 't wieltje uit. 't Geeft niet veel of je op een spoorbrug staat op een ijzeren zuiltje. Je kunt er hoogstens van aan 't denken raken en dat deugt heelemaal niet. En 't dichtertje dacht, dat je beter zoo'n wiel kunt wezen dan een dichtertje. Zoo'n wiel is van ijzer, maar een dichtertje niet.
Onderwijl zat God alleen in een coupé eerste klas in den trein naar Delft en staarde uit 't raampje, maar zag niets. Uitkijken deed hij nooit. In z'n hand hielti een rapport. Naast 'm lagen dossiers.
De God van Nederland dacht. Het was een rare tijd. Weer las God:
"Het lot van den mensch is verdriet te hebben, wanneer hij z'n doel niet bereikt en wanneer hij z'n doel bereikt heeft.
"Er is geen troost in de deugd en er is geen troost in de zonde.
"Daarom laat blijmoediglijk af van alle verwachting. Stel uw hoop op de eeuwigheid: uit dezen droom is geen ontwaken."
Het was wel een rare tijd. Zoo kon 't niet goed gaan. En nou hatti nog wel gezegd, dat een nieuw tijdvak was aangebroken. De tijd van het "ironisch dilettantisme" was voorbij, een nieuwe tijd van "baanbrekend optimisme" en "frissche daadkracht" was begonnen. Dat hatti zoo maar 's gezegd. En weer zuchtend begon God toen 't manuscript te lezen van een dik boek over 't Taylor systeem.
II.
't Dichtertje was nooit gevallen.
Een groot dichter te zijn en dan te vallen. Als 't dichtertje er over dacht, wat hij eigenlijk 't liefst zou willen, dan was 't dat. De wereld ééns te verbazen en ééns een liaisonnetje te hebben met een dichteres. Jarenlang had hij dit telkens weer gedacht, naïvelijk.
't Dichtertje was fatsoenlijk getrouwd met een lief, jong, levendig, natuurlijk vrouwtje. Natuurlijk was hij onmiddellijk verliefd geworden, toen hij de wereld begon te zien. 's Morgens zag hij haar als hij naar kantoor ging en zij naar school, en 's middags om kwart over eenen "in 't beursuur", als hij op straat mocht en zij uit de melkinrichting kwam, waar zij haar boterhammen met een glas melk at en soms een roomhorentje of een taartje met slagroom, haar boterhammen.
En ze was wat kwaad op 'm, omdat i daar altijd zoo stond, gewoon bespottelijk. De andere meisjes noemden 'm "'t Ideaaltje", omdat i een keep droeg en zulk mooi zwart haar had, (toen liet-i 't nog niet kortknippen). En ze keken naar 'm, als ze met hun drieën gearmd langs hem heen liepen, heel even keken ze en giggelden tegen elkaar, de beide buitensten de hoofden gebogen naar de binnenste, die ook giggelde en naar den grond keek. Maar zij liep statig voorbij en zag hem niet en zei tegen Mien Bus datti om haar kwam en dan lachten ze allemaal, want ze wist wel beter. Op den grond stampte ze met haar schoolmeisjesvoetje van zeventien jaar. "Om mij? die engert?" en hield haar hoofd achterover.
En hij was ongelukkig en telde de uren. 's Avonds om elf uur keek i naar de lucht, de helft was om tusschen 's middags half twee en 's morgens half negen. En hij dichtte.
Hij maakte gedichten naar Heine, Hollandsche en Duitsche, en naar Héléne Swarth en naar Kloos en van Eeden. "De Uren":
"Hoe gaan de uren zoo zwaar met loggen tred".
"Die Kreuzfahrer":
"Dort unten lag die heilge Stadt in ihrer Glorie".
Dat was zij. Maar de poorten waren dicht. En hij vroeg zich af waarom hij verder leefde. En hij werd opstandig tegen God.
"Mijn God, zal dan mijn kwelling nimmer einden?"
En de lui op kantoor kon i niet zien en hooren, als i om kwart over negenen op kantoor kwam hatti er wel een willen slaan, zoo maar. En van somber werti extatisch. En dichtte weer. "Mijn heilig lief". "Nu is de wereld een groot zomerland".
"God gooide de poorten des hemels open, Mijn zoete lief zat op een gouden troon".
Dat duurde zoo elf maanden. Daar kwamen nog drie maanden bij datti buiten was, een klein betrekkingkje had in een stadje, waar ze nu nog praten over dien mallen kerel.
Toen kreeg i haar. Negentien jaar was i. Hij schreef haar een briefje datti twee dagen in Amsterdam was en datti haar graag wilde spreken. Ze kenden elkaars namen, Amsterdam is ten slotte ook maar een dorp. Ze hattem die honderd dagen erg gemist en ze kwam. Haar moe vond 't goed, "als 't een nette burgerjongen was en ze hield van 'm....., maar geen scharrelpartij." Ze kwam, 's avonds bij de Muiderpoort en hij zei dat ze zeker wel begreep, watti haar vragen wou. 't Was zoo raar, zoo gewoon, hij kon heelemaal niet dichten. En ze zei natuurlijk dat ze 't niet begreep, maar toch liepen ze samen maar de Sarphatistraat op. 't Gesprek liep wat moeilijk, wat moest je mekaar vertellen, je kende mekaar nog zoo heelemaal niet. Hij had gedacht, dat i wonder wat zeggen zou, dat de woorden zóó maar zouden komen met geweld, zooals de breede Waal jaagt langs de schuitjes van den ponton-steiger bij Nijmegen.
En nu spraken ze over z'n betrekking in dat stadje en over hun ouders. En voor haar huis namen ze afscheid en hij gaf haar een zoen, heel links, op haar voorhoofd. En ze was wat in haar schik, ze had een vrijer en zoo'n knappe, wat zou Loe wel zeggen. Jammer datti buiten woonde. Zoo vervelend, vooral 's Zondagsmiddags als i dan niet over kwam, dan moest je thuis blijven.
Den tweeden avond mochti boven komen, 't moest gauw gaan, want hij had maar twee dagen vrij.
Z'n pa was bij haar vader op bezoek geweest en nu mochti bovenkomen. Daar zaten haar vader en de zijne en haar moeder en een grootmoeder en een tante. Haar twee kleine zusjes waren vroeg naar bed gestuurd. En toen kreeg i haar en de tante zei later "wat een nette jongen".
's Zondagsmiddags natuurlijk zij op visite bij hem thuis en daar was toevallig een nicht met scheeve schouders in een scheeve groene hobbezak en een lorgnet op, die bier dronk en Coba was allerliefst voor haar aanstaande schoonmoeder en die was allerliefst voor Coba.
"Wat heb je daar een snoezig taschje." "Uit 't City-magazijn?" "Nee, van Liberty". "Je ziet tegenwoordig heel veel van die taschjes met een klein taschje buitenop." "Nee, die vind ik om de waarheid te zeggen niet zoo aardig." "Och, ieder z'n smaak. Onze Riek heeft zoo één en die vind ik ook heel aardig". En hij zat er bij en begreep er niets van. Had hij 's nachts op straat geloopen en gezegd, dat God de poorten des hemels open gooide? Wat raar.
Maar ze was heel lief, jong, levendig en natuurlijk en zoende 'm niet op z'n voorhoofd, maar flink op z'n lippen en op zij in z'n nek, in den gang, voor ze de kamer binnen gingen. Daar moest ze voor op haar teenen gaan staan en z'n schouders beetpakken. En ze ging heel veel van 'm houden en hij hield ook veel van haar en drukte haar tegen zich aan.
Maar de zaak bleef 'm duister en dichten deedi niet meer tot i getrouwd was.
En nu waren ze zes jaar getrouwd en hadden een kindje, een meisje van vijf jaar, een snoes die door alle tantes geknuffeld werd. Zij had een beetje geld en hij had een beetje geld en hij had in Amsterdam een baantje gevonden, datti niet al te slecht waarnam en ze waren ten naaste bij gelukkig.
Maar daar i een echt dichtertje was, moest hem iets ontbreken. Wat is voor een dichtertje iets dat hij heeft? Datti zoo maar heeft, dag in, dag uit. Al die dagen. En altijd getrouwd is zoo erg lang. En een heel lief, jong, levendig en natuurlijk vrouwtje, dat veel van haar man houdt en zijn manuscripten in 't net schrijft, maar tweeduizend nachten naast 'm heeft geslapen en weet datti niet tegen tocht kan en 's morgens niet uit zijn bed kan komen en niet van de jam af kan blijven, al is i een dichter, dat is nu echt iets voor den Duivel.
III.
Een groot dichter zijn en dan te vallen. Maar er kwam nooit wat van, want als je een dichtertje bent, dan loopen de mooiste meisjes altijd aan den overkant van de gracht. En zoo werd z'n heele leven één gedicht, wat ook vervelend wordt.
In de tram zat hij en dichtte zoo stilletjes voor zich heen, met z'n twee handen op den knop van z'n wandelstok zatti te staren en onderwijl te denken, datti zulke mooie blanke, fijne en slanke handen had, zooals dichtertjes dat doen. 't Was Zondagavond in November tegen zessen, de straten waren donker en verlaten. Een dame van een jaar of zes en twintig kwam de tram binnen, statiglijk, rijzig in haar bruine mantelpak, de opstaande kraag, manchetten en onderkant van mantel en rok afgezet met zwart bont, de handen in een groote, afhangende mof van 't zelfde bruine laken met 't zelfde bont bezet, klein bruin hoedje met zwart bont op 't fijne gezichtje. Alles echt lijn 2, Museumkwartier.
't Dichtertje keek even op, recht in haar oogen, maar zij zag alleen 't leege plaatsje in den hoek en ging hem voorbij, statiglijk. Achter haar kwam haar man, gladgeschoren, in 't zwart, met een hoogen hoed op z'n grijzend, kort geknipt haar.
Toen ze zat kon 't dichtertje haar niet zien, want hij zat op de zelfde bank vooraan en er waren vier menschen tusschen.
Meneer zat correct rechtop tegenover haar, keek op z'n horloge en zei iets, hoe laat 't was natuurlijk. Daarna spraken ze niet meer. Ze waren ongetwijfeld getrouwd.
't Dichtertje dacht, dat ze op bezoek waren geweest en naar huis gingen om te eten. En of ze een kindje zou hebben of kindertjes. En of haar man zich correct zou gedragen in de slaapkamer. God liet 't gebeuren, dat hij hem duidelijk voor zich zag, daar in die tram, in z'n enkele hemd en sokken, een jaegerhemd, ja natuurlijk jaeger, grijs, niet mooi wit, hij was zeker in de veertig en met wat malle, uitstekende haartjes op z'n bloote beenen, en z'n hooge dop op. Jammer dat i niet brilde. En hij hoorde hem vragen met z'n correcte Museumkwartier geluid: "Zal ik 't licht aan laten, Clara?" Want ze heette natuurlijk Clara, de schitterende. En 't dichtertje dacht datti "pardon" tegen haar zou zeggen op een gegeven oogenblik. Ja, God laat de gedachten van een mensch raar dolen en er komen vreemde passages voor in zoo'n gedicht zonder eind.
Toen keek 't dichtertje op door 't ruit van de tram tegenover hem. De huizen waren alle donker en de dames die dit lezen weten wel, dat je dan alle passagiers heel duidelijk weerspiegeld ziet, buiten.
En de peinzende oogen van 't dichtertje zagen toen recht in de peinzende oogen van Clara, de schitterende, die keken alsof ze iets heel bijzonders wisten, wat bedrog is. Even werden de vier peinzende oogen grooter en schitterden, toen dorst 't dichtertje niet meer, want hij was een welopgevoed mannetje, al hatti rare kronkels in z'n eindelooze gedicht en hij keek naar 't bruine laken en 't zwarte bont en naar den vagen vorm van haar beenen in den rok en toen keek hij met geweld naar een onderhuis, waar een melkboer woonde, 't gordijn was neer om den Zondag. Als je wilt kun je door die weerspiegeling heen kijken en de P. C. Hooftstraat is erg achteruitgegaan, jaren geleden had je daar geen melkboer, nu is er zelfs een aardappelen en groentenwinkel.
Maar toeni daarna weer keek hoe een van haar haren los was gegaan en voor haar linkerslaap hing, zoo lief, zoo gegolfd, toen ontmoetten hun oogen elkaar weer, even. "Ik vind jou mooi, vind jij mij mooi?" "Ik wil je hebben als ik durf, wil jij mij hebben als je durft?" "Even wil ik een levend mensch zijn, even vrij, een Godin, geen dame van 't Museumkwartier, geen dochter van die, zuster van die, vrouw van die, moeder van die, vriendin van Mevr. die. Even, in mijn gedachten. Mijn gedachten gaan naar jou door mijn oogen, mijn gedachten kunnen wijd en zijd gaan, vooruit en achteruit in den tijd, door alle bedeksels gaan mijn gedachten. Niemand kan hen vatten of deeren, naar jou gaan mijn gedachten door mijn oogen."
En zoo gingen zijn gedachten naar haar, door zijn oogen in de hare in deze luttele seconden. En niemand wist er van.
En een hooge toren verrees uit zijn geest en een hooge toren uit den hare. En ze zagen wijd en zijd over alles heen en alleen elkaar zagen ze.
Zoo dichtte 't dichtertje z'n eindelooze gedicht verder en de domste vrouw kan dat meedichten.
Maar bij elkaar komen konden ze niet en dat was misschien juist 't mooie.
Bij de Hobbemastraat keek haar man even naar den conducteur en direct ging die z'n hand naar de schel. En ze stond op en liep achter haar man door de tram, correct en statig en zag niemand.
Maar terwijl meneer afstapte en zij wachten moest op 't balcon voor den ingang, haar linkerschouder naar 't dichtertje, en toen 't bijna gedaan was, toen overwon ze nog even één ondeelbaar oogenblik 't Museumkwartier en keek.
"Ik vind je mooi en jij vindt mij ook mooi. Mijn hart zingt in mijn lijf en m'n hersens zingen onder m'n haren. Mooi haar, hé?"
En 't dichtertje dichtte z'n gedicht voort, eindeloos. Maar 't werd een somber gedicht, zoolang 't duurde, en Amsterdam was donker en ledig.
Als een echt belachelijk dichtertje heeft i daarna nog een paar maal 's middags in 't Museumkwartier gedwaald, waar i zich altijd erg arm voelde en nooit zeker was of z'n das wel goed zat en z'n boordje wel schoon was en of i er heelemaal wel beschaafd genoeg uitzag. Maar hij zag haar natuurlijk niet meer, mogelijk woonde ze heelemaal niet eens in Amsterdam. Er was een huis op een hoek met een klein tuintje er om en daar groeide een klimstruik tegen den muur. Die bloeide in 't zachte Novemberweer zonder blad, met kleine gele sterbloemetjes. En hij maakte voor zich zelf uit, dat ze daar woonde en de bloeiende struik noemde hij "Clara".
Toch hield i wel van z'n vrouwtje en z'n vrouwtje hield veel van hem en ze lieten 't mekaar aan niets ontbreken.
Waarom heeft God ook een mensch tot dichtertje gemaakt?
IV.
De duivel heeft altijd schik in lieve, jonge, natuurlijke vrouwtjes, die veel van hun wettigen man houden. Als ze een jaar of wat getrouwd zijn krijgen ze een vreemd heimwee naar een land, dat ze kennen. Maar ze zijn er toch nooit geweest. Hoe kunnen ze verlangen naar iets dat ze niet kennen? Hoe kun je iets kennen dat je toch niet kent? Vreemd, wat missen ze? En zingende zetten ze in den voorjaarsmorgen de balkondeuren open en ineens zijn ze weer vaag droevig. Waarom toch? C'est là, c'est là qu'il faut être. La? Waar? "'k Ben mal". En ze drukken hun kindje tegen zich aan en zoenen 't erg.
Coba zit op 't terras van de "Beursbengel", op 't Damrak, aan zoo'n tafeltje met zwaar rond marmeren blad, met een koperen band om den kant. Haar kindje zit tegenover haar, de bloote beentjes van het kindje met witte halve kousjes bengelen voor haar stoeltje. Het krijgt een taartje met een glas melk. 't Eet met haar kleine vingertjes, haar lekkere oogen zijn zoo groot en kijken zoo overal heen. 't Kindje is onder den indruk van zoo iets heerlijks en al die menschen, maar 't is erg blij. Moedertje kijkt of 't kleintje niet morst en helpt haar zachtjes, maar zegt niet veel.
In den hoek zit de duivel en draait z'n snor op. Eens heb ik een vrouw hooren zeggen, een hoogstaande vrouw: "Zoo'n vent, wat verbeeldt zich die wel? Een man die denkt dat ik verliefd zal worden, omdat i zich zelf aan een brok haar trekt, bah." Vertrouw die vrouw niet te veel. Nu ligt ze 's nachts wakker en bijt in haar natte kussen.