De Zwervers van het Groote Leger: Historisch verhaal uit het tijdperk 1810-1813
Part 9
Omstreeks twee uur in den morgen, vernam de Keizer eensklaps, dat er brand was uitgebroken. De handelsbeurs, in het rijkste kwartier der stad, stond in lichter laaie. Oogenblikkelijk gaf Napoleon zijn orders tot blusschen en toen de dag aanbrak, begaf hij zelf zich er heen, uitvarend tegen de jonge garde en Mortier, wijl hij meent, dat de brand door onvoorzichtigheid der soldaten is veroorzaakt. Mortier toont hem echter, dat de huizen nog altoos gesloten zijn en er geen enkel soldaat binnen geweest is.
De Keizer rijdt daarop naar het Kremlin, het oude paleis der Czaren. Een gevoel van hoogmoed en trots bevangt hem, als hij dat eerwaardige gebouw binnentreedt.
»Eindelijk dan te Moscou," zegt hij. »Eindelijk dan toch in het Kremlin!"
Door Mortier's zorg was de brand in den loop van dien dag gebluscht en nu werd de stad onder de verschillende legercorpsen ter bezetting verdeeld. Aan de officieren van het elfde regiment huzaren was een prachtig paleis toegewezen, dat zij nog dienzelfden dag betrokken. Moeder Jane, die een der vertrekken tot gebruik bekomen had, zou voor tafel en keuken zorgen.
Blijkbaar hadden de bewoners in allerijl het huis verlaten; de zalen en vertrekken zagen er uit, alsof ze gisteren nog bewoond waren. Kristallen spiegels, rijk gesneden mahoniehouten meubelen, kostbare divans waarop de vermoeide officieren zich behagelijk neervleiden, de breede marmeren gangen en met zachte loopers belegde trappen, alles bewees dat de aanzienlijke bewoners van het gebouw niet den tijd of de gelegenheid hadden gehad, de meubelen te vervoeren of hun overige bezittingen mee te nemen.
Slechts levensmiddelen bleken schaarsch aanwezig, doch voorloopig werd er toch een voldoende hoeveelheid gevonden, om een behoorlijken maaltijd aan te richten.
Toen de officieren van tafel gingen was het reeds avond geworden en de marketentster stak een lamp op, om in de keuken nog het een en ander te beredderen.
Tot haar verbazing vond ze het haardvuur geheel uit elkander geworpen en sterk verminderd; asch en stukken half verkoold vuur lagen tot midden op den steenen vloer. Zóó had zij de keuken niet verlaten...
Daar ziet ze een koperen tabaksdoos op de tafel liggen... Geen twijfel meer, er moest hier iemand geweest zijn!...
Een hevige ontroering bevangt haar, nu zij de doos opneemt. Want zij herkent die aan het inschrift:
»Voor Willem Stargardt, op zijn 18den verjaardag."
»Hemel, hoe komt die doos hier, in het hartje van Rusland? Willem, als hij nog leefde, moest nu immers in Engeland zijn?"
»Stom voorwerp," prevelde zij, »kon je nu maar praten! Kon je nu maar antwoord geven!" Zij keek en keek naar dat zwijgende, koperen ding, draaide het in haar vingers rond, opende doelloos het deksel...
Dáár zag zij een met potlood beschreven briefje liggen! Willems naam stond er onder! En zenuwachtig doorvloog zij den inhoud.
»Lieve moeder," las ze, »ik schrijf dit in groote haast. Hoe ik hier in Rusland gekomen ben kan ik u dus niet uitleggen, daarvoor zou veel meer tijd noodig zijn. Maar ik heb u beiden heimelijk kunnen zien, u en Jakob, en ik moet u dringend waarschuwen, dit gebouw onmiddellijk te verlaten, want binnen korten tijd zal het in brand staan en in de lucht vliegen.
Uw liefhebbende zoon
Willem."
Als in een droom bevangen, bleef de ontstelde marketentster op die enkele regels staren, zoo schrikwekkend en duidelijk van _inhoud_, zoo raadselachtig wat hun hèrkomst betrof. Dan begrijpt ze, onmiddellijk Jakob met haar vondst in kennis te moeten stellen. Zij vindt hem echter niet. Van zijn oppasser verneemt ze, dat hij wegens dienstzaken de stad is ingegaan. Zij laat nu den ouden Ros het briefje lezen. Maar de veteraan schudt glimlachend het hoofd:
»Ze hebben je bang willen maken, moeder Jane. Een misselijke laffe streek, da's zeker! Maar--maak je nou heusch toch niet zoo ongerust. Dit huis is immers onbewoond; wie zou het dan in de lucht laten vliegen, als we het zèlf niet deden?... Nou ja, misschien lijkt het schrift een beetje op dat van je zoon..."
»Dat weet ik niet--want hij was bij ons thuis en schrijven kwam dus zoo niet voor..."
»Wel, kijk nou 'ereis aan! Dus enkel om dat de een of andere miserabele vent wat bangmakerij op zoo'n vodje neerkrabbelt, zou je dwaas genoeg zijn, je zoo van streek te laten brengen?"
»Maar--die dóós, hoe komt die doos daar dan?" vroeg zij gejaagd en zij haalde de tabaksdoos uit haar zak, vertellend dat die van haar Willem was.
De oudgediende begon de zaak nu toch wat ernstiger in te zien.
»Te deksel! Dat is een vreemde historie!" gromde hij, bedenkelijk aan zijn knevel trekkend.
»En kom dan eens mee naar de keuken!" drong de marketentster opgewonden, »dan zal ik je nog vreemder dingen laten zien!"
De oude Ros ging begrijpen, dat hij mogelijk wijs zou doen, een onderzoek in te stellen om te kunnen beoordeelen, of allicht de aanwezige officieren moesten gewaarschuwd worden.
Onderweg kwamen zij nog twee andere oppassers tegen.
»Jongens, ga eens even mee!" zei Ros. »Moeder Jane schijnt onraad ontdekt te hebben!"
Met hun vieren kwamen zij in de keuken. Daar toonde de marketentster aan de soldaten het verspreide haardvuur, hun vertellend hoe zij het geheel anders verlaten had. Ook wees zij de asch en stukken houtskool op den vloer.
»Da's verdacht!" zei Ros.--Met aandacht volgde hij het spoor, dat de gemorste asch met vrij groote duidelijkheid afteekende. Het liep tot aan een der wanden. Hij bekeek dien met aandacht, klopte er tegen, tuurde nog eens onderzoekend langs het eikenhouten beschot en trok vervolgens zijn sabel.
»Hier vind ik wat!" zei hij zacht. Toen stak hij de punt van het staal wrikkend in een naad van den wand en peuterde, na eenig tobben, een door niemand verwachte deur open.
Allen drongen haastig naderbij! Een kille kelderlucht kwam hun tegen; maar het was volslagen donker in die ruimte, daar voor hen. Alleen de bovenste treden van een steenen trap waren zichtbaar.
De marketentster stak een kaars aan.
»Heb jullie wapens?" vroeg Ros aan zijn makkers.
De een greep zijn pistool, de ander trok zijn sabel.
Ros, met de brandende kaars in zijn linker, en zijn zwaard in de rechterhand, daalde behoedzaam de trap af. De kameraden volgden hem.
»Hm, wat een scherpe, prikkelende lucht!" gromde Ros. »Ruik jullie niets?"
»Nou, òf ik!" kuchte zijn eerste volger. »Me dunkt, daar smeult hier het een of ander!"
De trap kwam op een breede dwarsgang uit. Ook dáár was het donker; maar ze vernamen een zacht gepraat dat zich meer en meer verwijderde. Dra hoorden zij niets meer.
»Daar dienen we meer van te weten!" fluisterde Ros. »Die schelmen voerden hier stellig niet veel goeds uit..."
Nauwelijks echter waren zij een tiental schreden gevorderd, of een dichte, zwavelachtige damp sloeg hun tegen. De kaarsvlam gloeide op eenmaal blauwachtig-rood.
»We moeten teruggaan!" waarschuwde de achterste.
»Ja, 't wordt hier onsecuur!" meende de ander.
»Kom, kom," zei Ros, »de terugweg blijft toch immers nog altoos vrij!"
Weer gingen zij eenige schreden verder; de zwaveldamp werd dichter en dichter; het ademhalen ging moeilijker bij iederen stap. Plotseling woei hun een koelte tegemoet, of opeens de wind ergens een vrijen doortocht gekregen had. Op 't zelfde oogenblik was de kaars uit.
Terwijl zij besluiteloos in 't donker stonden, dreunde een doffe knal, die het gansche gebouw deed sidderen...
»Dat was een mijn!" riep een der soldaten. »We moeten onmiddellijk terug!"
Ook Ros begreep, dat verder voortgaan dolzinnig zou wezen.
Zij keerden dus om, tastend langs den muur van het gewelf, om de trap weer te vinden. Het gelukte. Maar zij voelden zich steeds dichter omwolkt van een verstikkenden walm en een verzengenden gloed. Met beklemden adem repten zij zich de trap op en stormden de keuken binnen. Maar ook dáár vonden zij reeds alles met rook en smook vervuld. Ros stiet met zijn sabel eenige ruiten stuk; kletterend rinkelden zij op straat... Nu kregen zij lucht en konden weer onbelemmerd ademhalen.
»Brand! Brand!" klonk het opeens van buiten. Bijna te zelfder tijd roffelden de trommen en schetterden de trompetten op het bivak, onder de vensters... Officieren, soldaten, alles vloog langs de breede marmertrappen naar beneden, om op de straat veiligheid te zoeken.
Bij de poort kwam Jakob in volle vaart op hen toesnellen.
»Goddank dat u gered bent!" riep hij zijn moeder toe. »Ik was al bang, dat ik te laat mocht wezen... Maar we moeten ons haasten om buiten te komen... De vlammen slaan al overal door de vensters en boven het dak uit!..."
Op straat pas konden zij het gevaar overzien in al zijn omvang. Een reusachtig wolkgevaarte van zwarten, dichten rook lag over het paleis, waar roodflakkerende vuurtongen aanhoudend doorheen flitsten. Rook wervelde tegelijkertijd uit alle vensters, spiraalde uit de benedenverdiepingen naar boven, steeg in zware kolommen uit de dakgoten op. Niemand kon twijfelen, of de brand was moedwillig aangelegd. Licht-ontvlambare stoffen moesten door het gansche gebouw verspreid geweest zijn en door een plotswerkend middel overal tegelijk zijn aangestoken, om zulk een brand te kunnen geven.
Met moeite wist men de paarden, die op het binnenplein stonden vastgebonden, benevens eenigen voorraad te redden.
Maar déze brand was de eenige niet. In verschillende wijken der stad stegen er vlammen omhoog; in verscheidene huizen werden eveneens ontploffingen vernomen. Dan week men naar de nog overeind staande stadsgedeelten uit, om een nieuw onderkomen te vinden. Maar op het punt om die geheel gesloten en onbewoonde huizen te betreden, hoorden zij een zwakke ontploffing; er steeg een lichte rook uit op, zich onmiddellijk verdichtend en verdonkerend; die zwarte rook kreeg schielijk een rosbruinen gloed; dat rosbruin nam even spoedig een vuurkleur aan; en welhaast verdween het gebouw in een maalstroom van vlammen.
Velen hadden mannen van een afschuwelijk voorkomen, met lompen bedekt, en verwoede vrouwen nabij die vlammen zien ronddwalen. Door den wijn en door het goed gevolg hunner brandstichtingen bedwelmd, deden die ellendelingen niet eens meer de moeite, zich verborgen te houden; zij liepen in dollen triomf door de brandende straten; men verraste hen, met brandende toortsen en verwoed voortgaande om de vlammen te verspreiden; men moest hen met de sabel over de handen slaan om hen te doen ophouden. 't Was het uitvaagsel des volks, uit de gevangenissen losgelaten om, onder aanvoering van enkele lijfeigenen en politiedienaars, Moscou te verbranden tot verderf van de Fransche armee.
Terstond werd bevel gegeven, om de brandstichters die men ontdekte zonder omslag dood te schieten. Maar wat de Franschen toen nog niet wisten was, dat het Kremlin een kruitmagazijn inhield; daarenboven hadden de in slaap gevallen en onachtzaam uitgezette wachtposten dienzelfden nacht een geheel artilleriepark laten binnenrukken en zich onder de vensters van Napoleon plaatsen. Eén enkele vonk op een der kruitkisten gevallen en de Keizer en de keur van het leger waren verloren geweest.
De Russen, die wél wisten dat het kruitmagazijn er zich bevond, hadden juist ~die~ huizen aangestoken, welke gevaarlijk voor het Kremlin konden worden. Driemalen veranderde de vrij hevige wind dien nacht en telkens barstten nieuwe vlammen uit van den kant waar hij op dat oogenblik vandaan kwam.
't Was een vreeselijke nacht! De helle vlammen verlichtten alles met een rooden schijn en op sommige plaatsen vreesde men te stikken van den zwaren rook. En--nergens bluschmiddelen, nergens water zelfs: want de vijand had alle brandspuiten meegenomen, de waterleidingen afgesneden, de wellen en putten der stad ontoegankelijk gemaakt.
Het geheele leger was op de been. Geheel de oude garde, die een gedeelte van het Kremlin betrokken had, was onder de wapenen. De bagage stond gepakt, paarden en wagens waren klaar, om, als de brand hen uit Moscou verjoeg, buiten de poorten te gaan bivakkeeren.
Terwijl de soldaten schier wanhopig tegen de vlammen worstelden en aan het vuur zijn prooi betwistten, was Napoleon, wiens slaap men gedurende den nacht niet had durven storen, bij de dubbele helderheid van daglicht en vlammen ontwaakt. Zijn eerste gemoedsbeweging was gramschap, en terstond gaf hij bevel, den brand te blusschen, maar men overtuigt hem, dat dit onmogelijk is. Verwonderd van in een rijk, dat hij in het hart getroffen had, een andere gewaarwording te vinden dan vrees en onderwerping, gevoelt hij zich overwonnen en in doortastendheid overtroffen.
Die verovering, waarvoor hij alles had opgeofferd, thans bleek zij als het ware een schaduw, welke hij had vervolgd en meenen te grijpen, maar die hij op dit oogenblik, te midden van rook en vlammen, in de lucht zag verzwinden.
Een groote gejaagdheid maakt zich nu van hem meester. Elk oogenblik staat hij op, loopt met snelle schreden door zijn vertrekken, en gaat eensklaps weer zitten. Zijn korte en driftige gebaren duiden een hevige onrust aan; hij verlaat een dringend werk, neemt het vervolgens weer op, en laat het opnieuw liggen om naar zijn vensters te ijlen, en den brand te beschouwen. Driftige en korte uitroepen ontsnappen zijn beklemde borst: »Welk een afgrijselijk schouwspel! En zèlf hebben zij den brand gesticht! Hoe is 't mogelijk! Al die prachtige paleizen! Welk een besluit! Wat menschen toch!"
Tusschen den brand en zijn verblijf lag een groote uitgestrektheid woeste bouwgrond, tot aan de Moskowa met haar beide kaden; en toch waren de glazen van het vensterraam, waartegen hij leunde, reeds heet, en de rustelooze arbeid der vegers, op de ijzeren daken van het paleis geplaatst, was onvoldoende om er de talrijke vuursprankels af te houden.
Op dit oogenblik verspreidt zich het gerucht, dat het Kremlin ondermijnd is; Russen zeiden het en gevonden geschriften schenen het te bevestigen. Eenige bedienden worden zinneloos van schrik; de soldaten wachten gevoelloos af, wat het bevel des Keizers en hun noodlot zullen beslissen... En--de Keizer beantwoordt deze ontsteltenis slechts met een glimlach van ongeloof.
Toch loopt hij nog altijd rusteloos heen en weer, houdt bij elk venster stil, en ziet het overwinnend verschrikkingselement zijn schitterende verovering met woede vernielen; zich van al de bruggen, van al de doortochten zijner vesting meester maken; elk oogenblik de omringende huizen overweldigen, om hem ten slotte binnen de muren van het Kremlin als op te sluiten.
Reeds ademde men daar schier louter in rook en asch. Orde en krijgstucht bestonden niet meer; de soldaten, begeerig om aan de vlammen hun roof te betwisten, drongen de nog gespaarde paleizen en magazijnen binnen, plunderend wat van hun gading was. De nacht naderde, en zou door zijn duisternis de gevaren voor Napoleon en zijn omgeving nog vermeerderen; de wind, die de Russen behulpzaam was, werd heviger nog dan den nacht te voren. Toen zag men den koning van Napels en prins Eugenius toesnellen: zij voegden zich bij Berthier, drongen tot den Keizer door en op hun knieën smeekten zij hem, die gevaarlijke plaats toch te verlaten.
Het was vergeefs.
Eindelijk meester van het paleis der Czaren, blijft Napoleon halsstarrig weigeren die verovering af te staan, zelfs niet aan den brand, tot eensklaps de kreet weerklinkt: »Het Kremlin staat in vlammen!"
De Keizer gaat naar buiten om het gevaar te beoordeelen. Tweemaal bleek de brand reeds uitgebroken en ook weer gebluscht in het gebouw waarin hij zich bevond; maar de toren van het tuighuis brandt nog. Men had er een politiesoldaat gevonden. Men voert hem mee, en Napoleon laat hem in zijn tegenwoordigheid ondervragen. Die Rus blijkt de brandstichter. Hij verklaart, te hebben gehandeld op hoog bevel. Alles, tot zelfs het oude geheiligde Kremlin, was dus ter vernieling gewijd.
De Keizer maakte een gebaar van afkeer en gramschap; daarop bracht men den brandstichter naar het eerste voorplein, waar de woedende grenadiers hem met hun bajonetten afmaakten.
Dit voorval had echter Napoleons onverzettelijkheid om te blijven, doen zwichten. Hij beval dat men hem naar het keizerlijk kasteel Petrowsky geleiden zou, een mijl buiten de stad.
Van de zijnen vergezeld, wilde de Keizer zich nu naar de Dorogomilowsche poort begeven. Maar men zag zich reeds door een heir van vlammen belegerd; zij omsingelden al de poorten der vesting en weerden de eerste uittochtpogingen met verwoedheid af. Na eenigen tijd nauwlettend rondgezocht te hebben, ontdekte men een poortje, dat op de Moskowa uitkwam. Door dezen nauwen uitweg gelukte het Napoleon, met zijn staf en zijn garde uit het Kremlin te ontsnappen.
Maar het scheen, dat men daarmee eigenlijk nog niets gewonnen had: Terwijl zij zich dichter bij den brand bevonden, konden zij noch terugkeeren, noch staan blijven; en hoe kon men vooruit gaan, hoe zou men door de golven van die onstuimige vuurzee heenkomen? Zelfs zij, die reeds de stad doorkruist hadden, waren het spoor volslagen bijster; de asch had hen schier blind gemaakt en de straten waren in den rook en onder de puinen verdwenen.
Toch drong het gevaar tot spoed. Elk oogenblik vermeerderde rondom hen het knappend en loeiend vlammengedruisch...
Een nauwe, kromme en geheel brandende straat deed zich eerder als de intrede dan als de uitgang van die hel op... De Keizer snelde te voet, en zonder aarzelen, dien gevaarlijken doortocht in. Onder het geknetter van die geweldige vuren, onder het geraas van krakende gewelven, het neerploffen van brandende balken, het donderend ineenstorten van gloeiende ijzeren daken, schreed de Keizer voort... Boven hem vormden de vlammen, door den wind gekromd en neergebogen, een gloeiend verwulf...
Men liep op een grond van vuur, onder een hemel van vuur, tusschen twee muren van vuur! Schroeihitte pijnde stekend hun oogen, die zij nochtans open en op het gevaar moesten houden. Een verstikkende rook folterde hun keel en longen; de gloeiende lucht en verzengende asch verhitten steeds meer en meer hun korte, droge, hijgende ademhaling. Hun handen brandden, als zij hun gelaat tegen de onverdragelijke hitte poogden te beschermen en de vonken afsloegen, die elk oogenblik hun kleeren bedekten en invraten.
Eensklaps staat de gids stil. Hij weet geen weg meer! Napoleon en de zijnen achten zich reddeloos verloren. Doch eenige plunderaars van het eerste corps hebben, in het midden van die vlammen, hun Keizer herkend; zij snellen toe en geleiden hem langs de rookende puinen van een des morgens reeds verbrande wijk.
Daar ontmoet men maarschalk Davoust, die, in den slag bij Borodino gekwetst en nog niet hersteld, zich door de vlammen had laten dragen om er zijn Keizer uit te bevrijden of er met hem in om te komen. Ontroerd werpt hij zich in Napoleons armen; deze ontvangt hem hartelijk, maar met die bedaardheid, welke hem in het gevaar nooit begeeft.
Alvorens hij echter geheel aan de rampzalige stad ontsnapt is, moet hij nog een convooi buskruit voorbij, dat te midden dier vuurzee wordt weggevoerd. Dit is niet zijn minste gevaar, maar het laatste en men komt met den nacht behouden te Petrowsky aan.
Elfde Hoofdstuk.
Eindelijk gewroken.
Eenige dagen achtereen bleef de brand voortwoeden. Toen verminderde hij, uit gebrek aan voedsel. Den 20sten trok Napoleon naar het Kremlin terug, dat een bataljon zijner garde had weten te behouden.
De bivakken, welke de Keizer op zijn weg naar Moscou doorreed, leverden een zonderling gezicht op. Te midden van een dikke, koude modder vlamden groote vuren, gevoed door mahoniehouten meubels, vergulde deuren en vensters. Daar omheen zag men, naast van vochtig stroo gemaakte bedden, slechts armelijk beschut door enkele planken, de soldaten en hun officieren, geheel met slijk bedekt en zwart geworden door den rook, doch zittend in kostbare leuningstoelen of liggend op met zijde bekleede divans. Aan hun voeten lagen, uitgespreid of opeengehoopt, de fijnste cachemiren sjaals, rijke Perzische weefsels, de zeldzaamste pelzen van Siberië. Hun eten gebruikten zij uit zilveren schotels en borden, maar het bestond slechts uit een zwart baksel, onder de asch bereid, en een lap half geroosterd, bloederig paardevleesch; 't was overal de zonderlingste vereeniging van overvloed en gebrek, van rijkdom en morsigheid, van weelde en ellende!
Tusschen die bivakken en de stad ontmoette men groote scharen van soldaten, die zwoegend hun buit voortsleepten, of hun roof door ongelukkige Russen lieten torsen, die zij als lastdieren voor zich uitdreven; want de brand deed bijna twintig duizend inwoners voor den dag komen, welke tot dien tijd in de onmetelijke stad onopgemerkt waren gebleven.
Toen de Keizer de stad zelf binnen kwam, vond hij van het groote Moscou slechts weinige verspreide huizen over, en de brandlucht overal was ondragelijk. De loop der straten bleek alleen nog maar kenbaar aan groote hoopen asch en puin en, van afstand tot afstand, half omvergestorte stukken muur of pilaren. Schier heel het leger was roovend en plunderend door de stad verspreid. Napoleon vond zich herhaaldelijk in zijn voortgang belemmerd door een lange reeks van stroopers, uittrekkend op buit of er mee terugkeerend; door oproerige benden van soldaten, zich opeenhoopend voor de keldergaten en voor de deuren der paleizen, om die open te breken, eer de vlammen ze bereikten.
Overal ook was de weg versperd door kostbare meubelen, welke men uit de ramen geworpen had om ze aan den brand te onttrekken en die men nochtans, ter wille van een anderen buit, daar onverschillig had laten liggen. Pleinen en legerplaatsen bleken in markten herschapen, waar een ieder het overbodige tegen het noodzakelijke kwam verruilen. Daar werden de zeldzaamste voorwerpen, door hun bezitters niet gewaardeerd, voor een spotprijs verkocht; andere, die een bedriegelijk voorkomen hadden, daarentegen ver boven de waarde overgenomen. Overal zag men soldaten, die op balen met koopwaren zaten, in het midden der uitgezochtste wijnen en likeuren, welke zij tegen een stuk brood zouden willen verruilen. Door afmatting en dronkenschap overmeesterd vielen er verscheidene dicht bij de vlammen neer, door welke zij bereikt en verbrand werden.
Onder zulke omstandigheden kwam Napoleon Moscou weer binnen. Hij liet de stad aan de plundering over, hopend dat zijn over de puinen verspreid leger deze niet vruchteloos doorzoeken zou. Toen hij echter vernam, dat zelfs de oude garde ook al aan het plunderen was geslagen, dat de Russische boeren, die men den voorraad welken zij aanbrachten ruim betaalde om er meer te lokken, door zijn soldaten beroofd werden; toen hij hoorde, dat de verschillende corpsen elkander de overblijfselen van Moscou met geweld begonnen te betwisten; dat eindelijk al de nog overgebleven hulpbronnen door de onregelmatige plundering verloren gingen; gaf hij gestrenge orders. Maar het was te laat; de boeren kwamen niet terug en vele levensmiddelen waren nutteloos verspild.
Na zijn terugkomst in het Kremlin was Napoleon's eerste werk, er een vast bestuur op te richten; hij benoemde een gouverneur en stedelijke overheidspersonen en gaf bevel, om er zich van leeftocht voor den winter te voorzien. Reusachtige voorraden wijn en levensmiddelen van allerlei aard, meel en pekelvleesch werden door de zorg der korpscommandanten in het Kremlin of in magazijnen bijeengebracht. Ook in het onderhoud der troepen werd behoorlijk voorzien, terwijl door een krachtig optreden orde en krijgstucht weer spoedig bijkans volkomen waren teruggekeerd. Om aan Europa den indruk te geven, dat in Rusland alles naar wensch ging, schonk de Keizer aan een te Moscou achter gebleven troep Fransche comedianten zelfs verlof, voorstellingen te geven en voor de costumes gebruik te maken van de gevonden goederen. De troep maakte goede zaken; die voorstellingen werden door de soldaten druk bezocht.