De Zwervers van het Groote Leger: Historisch verhaal uit het tijdperk 1810-1813

Part 8

Chapter 83,777 wordsPublic domain

In en bij de schansen lagen de dooden op hoopen! Men begon de gekwetsten op te nemen en ze te vervoeren naar het groote klooster van Kolotskoï. Er waren er twintig duizend. Men vond ze vooral in de diepten der droge stroombeddingen, in welke de meeste der Franschen waren neergestort en waar verscheidene zich naar toe gesleept hadden om meer beveiligd te zijn voor den vijand en voor de stormvlagen. Sommigen spraken kermend den naam van hun vaderland uit of van hun moeder; dit waren de jongsten. De oudsten wachtten den dood met een gevoelloos of stuiptrekkend gelaat, zonder te klagen of om hulp te roepen; anderen verzochten, dat men hen oogenblikkelijk doodde; maar men ging die ongelukkigen haastig voorbij, terwijl men noch het nuttelooze medelijden had hun bijstand te bieden, noch het wreede mededoogen hen af te maken.

De opperste heelmeester, dokter Larray, had uit alle regimenten helpers betrokken. De veldhospitalen waren aangekomen, maar alles was ontoereikend. Daarbij had hij hoegenaamd geen troepen om de hoogstnoodzakelijke dingen uit de omliggende dorpen te gaan halen.

Zóó verwoed was er aan beide zijden gevochten, dat men niet meer dan achthonderd gevangenen had gemaakt.

Het Hollandsche regiment huzaren waar Jakob Stargardt toe behoorde, op een onverantwoordelijke wijze zonder ondersteuning aangevoerd tegen de batterijen der Russische achterhoede en door drie regimenten vijandelijke ruiterij omsingeld, was versmolten tot zes-en-veertig weerbare manschappen. Een paar dagen later werd het weer wat aangevuld door een gedeelte der versterkingstroepen van den linkervleugel, welke, na den overtocht van den Niemen, tot de Duna was voortgedrongen.

Jakob Stargardt had, bij deze reorganisatie, zijn aanstelling tot ritmeester ontvangen.

Na aan zijn escadron voorgesteld te zijn trad hij op den pas gearriveerden wachtmeester toe, teneinde nader kennis te maken.

Eensklaps deed hij een stap achteruit. Ook de ander deed een stap achterwaarts. Het bleek Reinier Vermaat, die met een gezichtsuitdrukking vol haat en afgunst tegenover hem stond.--Een oogenblik staarden beiden elkander diep in de oogen; toen ging ritmeester Stargardt met een lichte buiging voorbij.

Nog dienzelfden morgen kwamen beiden opnieuw met elkander in aanraking.

»Ik had niet gedacht, dat het noodlot ons zoo spoedig en op deze manier bij elkaar zou brengen, mijnheer," begon de ritmeester.

»De _surprise_ is stellig voor u aangenamer dan voor mij, ritmeester," antwoordde Reinier stug.

»U vergist u, mijnheer!--de _surprise_ is mij volstrèkt niet aangenaam: de veete die tusschen ons bestaat, maakt _mijn_ positie onaangenamer dan de uwe."

De ander haalde de schouders op.

»Luister! mijnheer Vermaat," zei Jakob Stargardt. »Wanneer u even aan ons laatste onderhoud te Koningsbergen terug wilt denken dan zult u weten, dat u mij bij die gelegenheid allergrievendst beleedigd heeft en het nog erger maakte, door spottend mijn uitdaging van de hand te wijzen. Ik zwoer toen, nietwaar?--mij te zullen wreken en het was mijn vaste voornemen, eenmaal met u gelijk te worden en dan een bloedige voldoening van u te eischen. Ik heb mijn doel al voorbij gestreefd: het lot heeft mij op een zonderlinge manier begunstigd. De rollen zijn nu omgekeerd,--maar de enkele maanden van dezen rampzaligen veldtocht, al de jammer en ellende die ik van Wilna tot Borodino om mij heen heb gezien, hebben mij tot andere en betere gedachten gebracht.----De haat en de wraakzucht zijn verdwenen. Wel zwoer ik mij te zullen wreken,--maar het _schènden_ van zoo'n eed is, geloof ik, beter en christelijker dan dien nà te komen. Daarom, laat ons trachten het gebeurde te vergeten,--laat ons weer vrienden zijn."

De ritmeester maakte een beweging om den ander de hand te reiken, maar deze verried niet de minste gezindheid om dat verzoeningsblijk te beantwoorden. Hij bleef met strakken blik zijn chef aanstaren en trok zoo mogelijk zijn stuursch gelaat in nog stuurscher plooi.

»Het schijnt," zei de ritmeester, terwijl zijn gezicht opeens vuurrood werd,--»het schijnt dat _ik_ de beleediger was en dat _u_ het recht hebt voldoening te eischen."

»Ritmeester, u heeft me indertijd bedreigd, en dien blaam mag ik niet op mij laten rusten. Wat zouden mijn kameraden van mij denken als zij morgen hoorden, wat er vroeger tusschen ons is voorgevallen,--wat u toen tegen mij gezegd hebt--en hoe wij nu die zaak bijgelegd hebben? Neen, ik ben u voldoening verschuldigd, dus zal ik u die geven..."

»Genoeg, mijnheer,--ik begrijp u volkomen. Ik zal u daarom een pijnlijke bekentenis sparen en u ronduit zeggen wat er in u omgaat: 't Is enkel _wangunst_ dat u zoo kunt spreken! _Ik_, uw vroegere ondergeschikte, ben thans uw ritmeester, en dàt, nietwaar mijnheer, dat stéékt u! _U_ had ritmeester moeten zijn, of hóóger liefst! Het spijt me voor u--maar, het _is_ nu eenmaal niet anders."

»Niet onmogelijk, dat u de waarheid spreekt," antwoordde Vermaat,--»de Keizer schijnt nu eenmaal meer op te hebben met zoons van marketentsters en zoetelaars dan met jonge mannen uit den koopmansstand..."

»Foei, mijnheer Vermaat," zei Jakob Stargardt, »schaam u! Ik dacht dat een braaf en fatsoenlijk Amsterdammer zich nooit zóó ver door wangunst kon laten meesleepen! Maar omdat het dienen onder den _zoon van een marketentster_, in wien u tevens uw vijand ziet, u stellig bijzonder zwaar moet vallen, raad ik u ernstig aan, om overplaatsing naar een ander escadron te vragen;--ik zal uw verzoek ondersteunen."

»Men zou kunnen denken dat ik u vrees," antwoordde de onhandelbare Reinier,--»dáárom wilde ik liever blijven,--hoewel ik om de eer blijf solliciteeren, die u mij hebt toegezegd toen ik nog uw wachtmeester was:--U herinnert u?..."

»Zeer goed!" zei de ritmeester koel.--»Maar die eer kan ik u op 't oogenblik niet bewijzen. We staan tegenwoordig aanhoudend tegenover den vijand: wij kunnen er nu niet aan denken, personeele veeten te vereffenen. Na den veldtocht ben ik tot uw dienst."

»Dus zal ik eerst nog de eer genieten, gedurende de campagne door u gekommandeerd te worden? Dat zal een voordeelige campagne voor mij zijn!"

»Ei zoo, mijnheer!--Gelooft u, dat ik mij wreken zou door u onrecht te doen?"

»Zoo'n gemakkelijke gelegenheid om u te wreken zou u voorbij laten gaan?" zei Reinier met een medelijdend lachje.

»Naar welken maatstaf beoordeelt u zoons van marketentsters, mijnheer Vermaat?" vroeg de ritmeester, hem strak in de oogen ziend. »Niet naar u zelf, is 't wel? Want de familie Vermaat bleek mij altoos veel te nobel om lafhartig wraak te kunnen uitoefenen."

Reinier beet zich op de lippen. Hij wist niets te antwoorden en maakte zich gereed om heen te gaan.

»Ik twijfel niet, mijnheer," zei de ritmeester ten slotte,--»of u zult u in den dienst niet over mij te beklagen hebben. En evenzeer staat het bij mij buiten twijfel, of _ik_ zal ten opzichte van _u_ even tevreden zijn."

Hij boog, en Reinier vertrok.

Niet lang daarna kreeg de koning van Napels, Napoleons zwager, Murat, eindelijk verlof om met de cavalerie den terugtrekkenden vijand na te zetten.

Tot bij Mohaisk werd de Russische achterhoede vervolgd. Toen Murat Mohaisk zag, waande hij zich er meester van en zond zijn adjudant naar den Keizer, om hem te zeggen, dat hij er kon overnachten. Maar de Russische achterhoede had stand genomen voor de muren van die stad, waarachter men het geheele overschot van het vijandelijke leger op een hoogte bespeurde. Een schermutseling kostte den Franschen weer eenig volk; ook een hunner generaals werd gekwetst. Men durfde, om de nabijheid van het Russische leger, niet verder te gaan en Murat was genoodzaakt, vóór de stad te overnachten.

Hij had zijn volk kunnen sparen, want den volgenden morgen vond hij de poorten open en de Russische achterhoede, die de stad verlaten had, op de hoogten. Hij trok Mohaisk binnen, maar vond er inwoners noch levensmiddelen; wèl dooden, die men uit de vensters wierp, om er zelf te kunnen verblijven, en gekwetsten, die men op één plaats bij elkander bracht. Terwille van die gekwetsten hadden de Russen de houten stad niet durven verbranden, maar nauwelijks trokken de Franschen binnen, of ze werden door den vijand met eenige granaten ontvangen, die een gedeelte der huizen, met de ongelukkigen die er in waren achter gelaten, vernielden.

Reeds den anderen morgen werd de vervolging van den vijand weer voortgezet en te Krimkoïé viel Murat verwoed op het leger van Kutusof aan, waarbij hij echter, geheel noodeloos, twee duizend man verloor.

Ook bij Zelkowo had het maar weinig gescheeld of het Fransche leger zou opnieuw een gevoelig verlies geleden hebben. Hier echter redde het elfde regiment huzaren, door zijn moedig stand houden onder het moorddadig vuur des vijands, de brigade waartoe het behoorde, toen deze plotseling volkomen door het Russische leger omsingeld bleek geraakt.

't Was op een der volgende dagen, even na zonsondergang, dat een groepje van vier personen zich gezellig bij elkander had gevoegd onder een afdak van stroo, opgezet in de luwte van enkele zware boomen. Een hunner haalde van onder een strooleger een kleine mand te voorschijn, waarvan hij den inhoud op den grond uitstalde.

»Te deksel!"--zei een oude wachtmeester met het eerelegioen,--»zouden we den Keizer niet te dineeren vragen!--'t Is een waar feestmaal, dat Vermaat voor ons aanricht. Hoe ter wereld kom je aan al die heerlijke zaken: ham, brood, worst?--En die flesschen zien er zoo eerwaardig uit als hadden ze hun honderdsten verjaardag gevierd... Zeg Vermaat, wie is je leverancier?"

»Dat is de bewaarder van het halfverwoeste kasteel daarginds;--maar de goeie man is mijn leverancier geweest tegen wil en dank, natuurlijk. Maar oneindig veel meer heeft hij aan den Keizer moeten afstaan."

»Dan behoeven we Zijne Majesteit niet te inviteeren," zei een jonge korporaal,--»maar we konden toch wel iemand anders noodigen--bijvoorbeeld den ritmeester."

»Ja, dat moesten we doen!" riepen de anderen, behalve Vermaat.

»Wat zegt de gastheer ervan?" vroeg de oude wachtmeester.

»Ik ben er tegen," antwoordde Vermaat.

»Je bent de eenige van het geheele escadron, die niet met onzen chef is ingenomen,--wat heb je toch tegen hem?" vroeg een fourier, de vierde van het clubje.

»Vraag dat maar eens aan de anderen;--ik heb het hun verteld," antwoordde Vermaat, terwijl hij een flesch open trok.

»Och, oude nesterijen!" zei de grijze wachtmeester schouder-ophalend. »Maar de ritmeester handelt verstandiger dan jij, Vermaat;--hij toont, dat hij 't geen vroeger tusschen jullie is voorgevallen, vergeten en vergeven heeft."

»Wie zègt je, dat hij vergeten heeft?" vroeg Reinier.

»Hij is toch immers altijd even beleefd tegen je."

»Dat bewijst niemendal! Ik heb de overtuiging, dat die beleefdheid maar een masker is. 'k Wou de rapporten wel eens zien, die hij over mij uitbrengt."

»Hij kan niet anders dan goeds van je zeggen."

»Weet jij, wat een ander achter je rug van je zegt?" vroeg Reinier eenigszins bits.

»De ritmeester is de man niet om u iets na te geven, dat hij u niet in 't gezicht durft zeggen," bracht de jonge korporaal, die bij ondervinding sprak, in het midden.

»Nieuwe bezems vegen schoon," zei Reinier met een medelijdend schouder-ophalen.--»Wij zullen zien, mijneheeren."

Reinier wilde juist zijn glas aan de lippen brengen, toen Ros, die Stargardts oppasser geworden was, aankwam en zich, salueerend, tot den gastheer richtte met de boodschap:

»Commandant, de ritmeester wou u graag even spreken."

»Verduiveld!..." riep Reinier, niet in staat een opwelling van drift te bedwingen.--»'t Is goed!" zei hij tegen den huzaar, die daarop rechtsom-keert maakte en aftrok.

»Mijneheeren,--gaat uw gang!--Ringsma,"--dit gold den korporaal, »wil jij de _honneurs_ voor mij waarnemen? Ik kom zoo spoedig mogelijk terug."

Na verloop van een klein half uur kwam Reinier weer bij het drietal en ging, zonder een woord te spreken, zijn plaats weer innemen.

»Te deksel--wat zie ik?" riep eensklaps de oude wachtmeester.

De anderen keken op en deden gelijktijdig een uitroep van verrassing.

Vermaat zat ernstig en bleek voor zich te staren: op zijn borst prijkte het vijf-armig kruis van het eere-legioen.

Allen reikten den nieuwen legionaris de hand, om hem geluk te wenschen; maar Reinier Vermaat bleef ernstig, zelfs somber, voor zich zitten staren.

»Het schijnt, amice, dat je niet bijzonder opgewonden bent," sprak de fourier, wiens grootste illusie het was, gedecoreerd te worden.

»Dat ik het aan hèm te danken heb--dat hindert me," zei Vermaat en schonk zijn glas vol, dat hij vervolgens in één teug ledigde.

»Je ziet nu, dat je den man ten onrechte verdacht hebt," sprak de oude wachtmeester.--»Hij heeft op een ridderlijke manier jullie wederzijdsche rekening vereffend."

Reinier schonk zich opnieuw in, dronk wéér zijn glas in één teug leeg en schoof toen de flesch verder.

»De gezondheid van den nieuwen legionaris!" riep de wachtmeester, zijn glas opheffend.

Gedurende een half uur werd er nu niet veel anders gedaan dan gegeten en gedronken; vervolgens werden de pijpen opgestoken, terwijl de flesch bleef rondgaan.

»En vertel ons nu eens, Vermaat, hoe de ritmeester je het kruis heeft overhandigd;--heeft hij niets gesproken?" vroeg de fourier.

»Dat wil ik jullie in een paar woorden wel even zeggen. Toen ik binnenkwam wees hij me met een vrij stuursch gezicht een stoel en ging tegenover mij zitten. »Mijnheer," zei hij,--»ik heb een aangename tijding voor u."

Ik boog; maar ik was al dadelijk hoogstverwonderd.

»De Keizer heeft u benoemd tot ridder van het legioen van eer. Mag ik u geluk wenschen en u meteen de insigniën der orde overhandigen. De omstandigheden laten niet toe, dit op 't oogenblik met de gebruikelijke ceremoniën te doen: u had de decoratie moeten ontvangen te gelijk met de anderen, maar een verzuim aan het hoofdkwartier is de reden, dat het achteraan komt."

»Is het mij vergund u te vragen, aan wien ik die onderscheiding verschuldigd ben?" zei ik.

»Aan u zelf, mijnheer," was zijn antwoord.

»Maar ù hebt me toch zeker voorgedragen, ritmeester."

»Natuurlijk--wie anders?"

»Maar ik dacht dat we vijanden waren?"

»Ik weet ook niet beter, maar wat doet dit tot uw voordracht af?"

»Zóóveel," antwoordde ik, »dat ik zeer verwonderd ben; ik had mij iets heel anders voorgesteld."

»U schijnt teleurgesteld," zei hij.

»Ik ben thans uw schuldenaar,--en dat hindert me."

»U vergist u,--u bent mijn schuldenaar volstrekt niet, ik ben in zeker opzicht de uwe, daar u het mij zoo gemakkelijk gemaakt heeft u te toonen, dat ik jegens u de billijkheid niet uit het oog zou verliezen.""

»Nobele kerel!" riep de fourier enthousiast.

»Maar, mijneheeren--wat moet ik nu doen?" riep Reinier, die tamelijk veel had gedronken en op wien de wijn nimmer een vervroolijkenden invloed uitoefende.--»Wat moet ik doen? Want ronduit gezegd,--nu voel ik pas, dat ik den man, die mij in mijn eigen oogen vernederd heeft, meer haat dan ik ooit gedaan heb."

»Kom, kom!" zei de oude wachtmeester afkeurend.

»Je weet niet wat het is," riep Vermaat driftig,--»op die manier te worden getergd en geprikkeld; ik was veel liever met arrest gestraft--dan had ik ten minste mij kunnen beklagen, terwijl hij mij nu den mond gestopt heeft..."

»St! St!" klonk het afkeurend van de anderen.

»Wat!" riep de legionaris, zich al meer opwindend, »wat!--die decoratie!--ze heeft voor mij geen waarde...!"

Allen sprongen overeind, en tegelijk verscheen aan den ingang van de hut--ritmeester Stargardt.

Een poos stonden de vier krijgslieden zwijgend bij elkaar. De maan scheen helder aan den met sterren bezaaiden hemel, zoodat zij elkanders gelaatstrekken even duidelijk konden waarnemen als was het helder dag. De ritmeester zag ernstig en nadenkend. Vermaat, zoo meteen nog rood en opgezet, van drift niet minder dan van den wijn, was nu bleek en er lag iets zorgelijks in zijn trekken. Had zijn vijand zijn uitroep gehoord?--Dan was zijn loopbaan misschien voor altijd bedorven: de Keizer vergaf zoo iets nooit.

»Goeden avond, heeren!" groette de ritmeester. »Neem me niet kwalijk, dat ik u een oogenblik stoor. Maar, wachtmeester Vermaat, zou ik u nog éven mogen spreken?"

Reinier volgde zijn chef, die zich enkele schreden buiten het afdak met hem verwijderde.

»U bent onvoorzichtig geweest," fluisterde hij toen zacht. »U spreekt te hard, en er zijn daar geen muren waarbinnen het geluid blijft opgesloten. U weet heel goed, dat uw ondoordachte woorden u groote onaangenaamheden zouden kunnen bezorgen;--maar wij zijn vijanden--daarom moet ik in dit geval doen, als had ik _niets_ gehoord."

Hij groette en vervolgde zijn wandeling.

»Dat is nu zeker, wat ze, geloof ik, een »edelmoedig vijand" gelieven te noemen," mompelde Vermaat woedend. »Bah, wat een onverdrágelijk ras!"

Tiende Hoofdstuk.

In de oude hoofdstad der Czaren.

Den 14den September was Napoleon met de voorhoede van zijn leger tot op weinige mijlen het groote Moscou genaderd.

Hij reed langzaam en met omzichtigheid voort. Alle bosschen en ravijnen voor zich uit liet hij onderzoeken, de toppen van alle heuvels deed hij bestijgen, of men het vijandelijke leger ook ontdekken mocht. Hij verwachtte een veldslag: de grond was er geschikt voor; er bleken zelfs verschansingen op afgeteekend, maar alles was blijven liggen en men ondervond niet den geringsten tegenstand.

Eindelijk kwam men aan de laatste hoogte. Het was de Berg der Begroeting, aan Moscou grenzend en zoo genoemd, omdat de inwoners, van zijn kruin hun heilige stad ziende, zich knielend nederbogen en een kruis maakten.

Spoedig waren de scherpschutters op den top en daar zagen zij Moscou aan hun voeten; Moscou, de stad der gulden koepeldaken, onmetelijke verzameling van tweehonderd vijf-en-negentig kerken en vijftien honderd kasteelen, met hun tuinen en bijgebouwen, zonderling vermengd met houten huizen en hutten zelfs, alles over een oneffen grond verspreid. Zij vormden een groep rondom een hooge citadel van een halve mijl in omtrek, die zelf weer verscheidene paleizen, verscheidene kerken en onbebouwde tusschenruimten in zich besloot, met daar omheen een onmetelijke bazaar, stad van kooplieden, waarin de vereenigde rijkdommen van vier werelddeelen schitterden. Die gebouwen, die paleizen, ja die winkels, waren alle met gepolijst en gekleurd ijzer bedekt en de kerken hadden platte daken en onderscheidene torens, uitloopend in vergulde bollen, al hetwelk aan de stad een Oostersch voorkomen gaf.

Het was twee uur in den middag; de zonnestralen deden de oude Czarenstad glanzen en schitteren van duizenden kleuren.

»Moscou! Moscou!" jubelden de soldaten, en verrukt bleven zij staan, want het was hun, of daar een Koningsstad uit een sprookje aan hun voeten lag, of een der wonderen uit de »Duizend en één Nacht," die zij in hun kindsheid gelezen hadden, plotseling voor hun verbaasde oogen tot werkelijkheid was geworden.

Toen verhaastte een ieder zijn marsch, ijlde in wanorde aan en juichend herhaalde heel het leger: »Moscou! Moscou!" zooals voor eeuwen de Kruisvaarders onder Godfried van Bouillon »Jeruzalem! Jeruzalem!" hadden uitgeroepen.

Ook Napoleon zelf was toegesneld, ook hem trof dat gezicht.

»Ziedaar dan eindelijk die vermaarde stad!" riep hij verheugd. Maar onmiddellijk liet hij er op volgen: »Het werd tijd!"

Doch heerlijk mochten de vergulde koepeldaken in het zonlicht flonkeren, verrukt mocht de Keizer dit panorama der uitgestrekte, half Oostersche hoofdstad overzien, tevergeefs wachtte hij op het openen der poorten, op de komst van afgevaardigden, die de bevolking, den senaat, den adel met hun schatten aan zijn voeten zou voeren.

Een zekere ongerustheid begint hem te kwellen. Reeds ziet hij, op zijn linker- en rechtervleugel, prins Eugenius en Poniatowsky ongedeerd de vijandelijke stad omtrekken. Murat bereikt reeds haar poorten en nòg geen ambassade; slechts een Russisch luitenant, die hem op hoogen toon dreigt, dat zijn generaal de stad in brand zal steken, wanneer men aan de achterhoede den tijd niet laat, om haar te ontruimen.

Napoleon staat alles toe.

De voorhoede van het Fransche leger en de achterhoede van het leger der Russen ontmoeten elkander zonder het lossen van ook maar een enkel schot. Ondertusschen loopt de dag ten einde en Moscou blijft somber, stilzwijgend en als levenloos; in de vlakte vóór de poort van Dorogomilow vereenigt zich een groot gedeelte van het Fransche leger; een bivakvuur wordt voor den Keizer aangelegd en men ziet hem wel twee uur lang onrustig heen en weer loopen. Hij wacht nog steeds het gezantschap dat hem de sleutels zal komen aanbieden.

Eenige officieren zijn tot in het binnenste der stad door gedrongen. Zij brengen den Keizer de boodschap: »Moscou is ledig!"

Napoleon gelooft het niet, wordt zelfs boos bij dat bericht--en wacht.

Daar brengt Murat dezelfde tijding, hem aansporend, de stad maar in te trekken.

Nòg kan hij het niet aannemen. »Ga er weer heen," beveelt hij, »en zorg voor de strengste orde!" Hij hoopt nog.--»Misschien," zegt hij, »weten de inwoners niet hoe zij zich moeten overgeven; want hier is alles nieuw, zij voor ons, en wij voor hen."

Maar weldra volgt het eene bericht het andere; en alle komen overeen. Eenige Franschen, inwoners van Moscou, hebben het gewaagd uit de schuilplaats te komen, die hen, sedert eenige dagen, voor de volkswoede verborg. Zij bevestigen de noodlottige tijding.

De Keizer laat Daru, den kwartiermeester-generaal bij zich komen en zegt: »ze vertellen, dat Moscou ledig is! welk een onwaarschijnlijke gebeurtenis! Ga er heen en breng mij de raadsheeren hier."

Hij denkt dat die menschen, òf uit hoogmoed, of van schrik, in hun woningen blijven. Het schijnt hem nu eenmaal onmogelijk dat men die prachtige paleizen, die schitterende kerken, die rijke magazijnen zou verlaten hebben, evenals die eenvoudige hutten, welke hij was voorbijgetrokken.

Ondertusschen is Daru's poging mislukt. Er vertoont zich hoegenaamd geen Moscoviet; er verheft zich hoegenaamd geen rook uit eenig huis; men hoort niet het minste gerucht uit die reusachtige en volkrijke stad komen; haar driemaal honderdduizend inwoners schijnen als met verlamming en stomheid geslagen; het is de stilte eener woestijn!

Maar nog is Napoleon ongeloovig, nòg blijft hij wachten.

Eindelijk begeeft zich een officier in de stad, laat vijf of zes landloopers oppakken en drijft ze voor zijn paard uit, naar den Keizer, als was dat een gezantschap. Bij het eerste antwoord reeds dat die mannen hem geven bemerkt Napoleon, dat hij slechts ongelukkige daglooners voor zich heeft.

Nu kan hij wel niet langer aan de volslagen ontruiming van Moscou twijfelen. Hij trekt de schouders op en zegt met die minachtende beweging waarmee hij alles bejegent wat zijn wenschen tegenstaat: »O, de Russen weten nog niet welk gevolg het innemen van hun hoofdstad voor hen zal hebben!"

Het was een treurige intocht dien Murat met zijn lange, ineengedrongene colonne ruiterij in de groote stad deed. Het was, of zij in de stad der dooden reden. Met huivering hoorden de krijgslieden alleen de stappen hunner paarden tusschen die verlaten paleizen weergalmen. Somber en zwijgend reden zij voort, als gingen zij over een met lijken bezaaid slagveld of over een reusachtig kerkhof...

Na aldus eenige uren de stad verkend te hebben gingen de troepen voorloopig op de straten en pleinen bivakkeeren.

Eerst in den nacht kwam Napoleon zelf Moscou binnen, waar hij een der eerste huizen in de voorstad Dorogomilow betrok. Hier stelde hij maarschalk Mortier tot bevelhebber der stad aan, met de bijvoeging: »Met uw hoofd blijft ge mij borg, dat er niet geplunderd wordt! Verdedig Moscou tegen allen!"