De Zwervers van het Groote Leger: Historisch verhaal uit het tijdperk 1810-1813

Part 7

Chapter 73,653 wordsPublic domain

»Franschen!" antwoorden zij hem.

»Frànschen?!" vraagt de Officier. »Maar wat komt ge dan in Rùsland doen?"

Een der sappeurs zegt hem op barschen toon:

»U beoorlogen! Wilna innemen! Polen bevrijden!"

Zonder eenig antwoord te geven wendt de kozakkenofficier zijn paard en rent met de zijnen het bosch in, waarop drie sappeurs, in overdreven ijver, hun geweren lossen.

Zoo werd het zwak gerucht van drie schoten, welke onbeantwoord bleven, het sein, dat er een nieuwe veldtocht geopend en een groote vijandelijke inval begonnen was.

Een compagnie soldaten kreeg terstond bevel de rivier over te varen, om de plaatsing der bruggen te beschermen.

Weldra kwamen al de Fransche colonnes uit de bosschen en van achter de heuvelen te voorschijn. Zij trokken, begunstigd door een dichte duisternis, stilzwijgend tot bij de rivier. Geen wachtvuren mochten ontstoken, geen vonken zelfs gezien worden. De groene en door een zwaren dauw bevochte rogge strekte de menschen tot bed, de paarden tot voedsel.

't Was de eerste keer dat Jakob Stargardt, evenals zoo menig ander jong soldaat, in de open lucht, en dat zonder bivakvuur, zou vernachten.

Hij bleef aarzelend nog wat staan.

»Leg je hoofd maar gerust op je ransel neer, kameraad!" zei Ros, »je bent jong en sterk, het zal-je geen kwaad doen."

Jakob deed het, en onderwijl was het hem aangenaam te bedenken, dat ten minste zijn moeder in haar wagen een vrij wat beter nachtverblijf had.

Maar och, wat zou zoo'n enkele slechte nacht, meende hij, als over weinige uren de zon toch al weer opging.

Zoodra de dag aanbrak, richtte hij zich op en tuurde de rivier over, naar het Russische grondgebied. Hij zag niets dan somber-donkere wouden en kaal, dor zand. Op een driehonderd schreden van de rivier ontdekte hij de tent van den Keizer, die men in den nacht op den hoogsten heuvel geplaatst had. Daaromheen zag hij alle heuvelhellingen en dalen bedekt met menschen en paarden, die plotseling in beweging kwamen nu de reveille klonk.

Moeder Jane stond met tal van anderen--kooplieden, marketentsters en zoetelaars,--alle tot den nasleep van het leger behoorend, op een heuveltop naar de eerste bewegingen van de groote armée te kijken.

Zij zag een luisterrijken stoet van maarschalken en generaals Napoleons tent omstuwen... Daar trad de Keizer zelf naar buiten... Hij groette en besteeg zijn Arabischen schimmel...

Dan weerklonk het sein... Opeens was het of de gansche landstreek woelde en golfde... En boven die bewegende donkere massa's flikkerden en wemelden de wapens in de gloeiende morgenzon als flitsende stralen en spattende zilvervonken...

Arm Rusland! dacht moeder Jane bij den aanblik van die ontzettende strijdkrachten.--In drie breede stroomen zag zij den zwarten vloed over de gele zandvlakte naar de drie bruggen voortrollen... Zij zag ze kronkelend naar den oever afdalen, de bruggen naderen, zich uitstrekken en inéénkrimpen om die over te gaan en eindelijk den vreemden grond bereiken, dien zij gingen verwoesten en verderven.

Napoleon haastte zich, om den voet op vijandelijken bodem te zetten. Zonder aarzelen deed hij dien eersten stap tot zijn verderf. In het begin hield hij zich dicht bij de bruggen op, de soldaten met zijn tegenwoordigheid aanmoedigend, die hem, als steeds, begroetten met hun: »Leve de Keizer!"

Eindelijk werd hij ongeduldig en rende het bosch in, maar schoon hij er meer dan een mijl ver in dóórdrong--tot zijn verwondering zag hij geen vijand.

Langzaam trokken de legermassa's langs den stroom voort; met een zekere beklemdheid spraken de soldaten over het zonderlinge feit, dat hun die voortgang in 't minst niet door den vijand betwist werd.

»Daar hoor ik in de verte toch kanonschoten," zei Jakob tegen Ros, die naast hem reed.

De oude krijgsman luisterde...

Opnieuw klonk een dof gedreun...

Ros schudde het hoofd: »Dat zijn geen kanonnen," zei hij, »maar een opkomend onweer."

Inderdaad werd de lucht met ieder oogenblik duisterder. Donder en bliksem volgden weldra elkander rusteloos op, tot ontsteltenis van vele soldaten, die van »een slecht voorteeken" begonnen te mompelen.

Het duurde niet lang, of de zwaarbetrokken lucht ontlastte zich in een geweldigen plasregen. Wegen en velden werden overstroomd en de ondraaglijke hitte werd eensklaps vervangen door een onaangename koude. De Keizer zocht een schuilplaats in een naburig klooster. Maar de arme soldaten waren zonder eenige beschutting aan het vreeselijke weer blootgesteld. Tienduizend paarden en vele menschen kwamen bij de daarop volgende marschen om, tal van voertuigen bleven in het zand zitten. Trouwens, door zijn vervaarlijke menigte reeds, was het Groote Leger verderfelijk voor zichzelf. Verscheidene behoeften vonden geen bevrediging. Al bij het bezetten der eerste stad, Kowno, heerschte gebrek aan levensbenoodigdheden en toen Napoleon de veste binnentrok, vond hij er de grootste wanorde.

Dit gebrek en die wanorde vermeerderden, naarmate de Keizer dieper doordrong. Hij ondervond, dat het Russische volk, wild en woest als Rusland zelf, den oorlog beschouwde als een heilige zaak, waarvoor het alles moest opofferen om zijn tegenpartij te verdelgen. Overal ontmoette hij asch en puinhoopen, in plaats van kwartieren om uit te rusten; overal honger en ziekten, in plaats van den buit en den roem, dien hij verdeelen wilde.

Zich alleen tot verdediging hunner strijdkrachten beperkend, trokken de Russische veldheeren Barclay de Tolly en Bagration van de eene stelling naar de andere. Nergens vonden de Franschen levensmiddelen! allen voorraad had de vijand zorgvuldig vernield, onderwijl hij aanhoudend achterwaarts trok.

Daar was voor het Fransche leger iets onheilspellends in, dat ze in het vijandelijke land nergens een vijand vonden. Napoleon had gehoopt, dat de Russen hem ten minste Wilna zouden betwist hebben; maar hij vond de stad open en onverdedigd.

In Pruisen had de Keizer zijn leger slechts voor twintig dagen levensmiddelen doen meenemen. Dat was genoeg om Wilna met één veldslag te winnen; maar Wilna behóefde niet veroverd te worden. En--voorwaarts ging het weer, met snelle marschen den vijand achterna, zoodat de onafzienbare toevoer van levensmiddelen onmogelijk kon volgen. Uitgehongerd kwamen de soldaten aan kasteelen en woningen, waar ze geen voedsel vonden en die ze uit wraak verwoestten en uitplunderden. Ja er waren er reeds, die door zelfmoord een eind aan hun leven maakten. En toch moest het leger maar immer voort...

Als wilden de Russen Napoleon's verlangen om tot een beslissenden strijd te komen prikkelen, hem dieper naar het hart van Moskovië lokken, streelden ze hem soms met de hoop op een veldslag, doch wanneer Napoleon den volgenden morgen den vijand zocht, was hij in de duisternis van den nacht weer verder getrokken.

Niet dan te Smolensk hielden de Russen stand, waar zij de versterkte stad bezetten. Den 17den Augustus werd zij krachtig door de Franschen aangegrepen. Hevige aanvallen volgden en werden besloten met een vernielend bombardement, hetwelk tot in den nacht aanhield.

Napoleon zat voor zijn tent.

Plots zag hij op verscheidene punten dikke en zwarte rookwolken opstijgen... Zij werden, bij tusschenpoozen, door flauwe schijnsels en daarna door vonken verlicht... Eindelijk stegen er hooge vuurkolommen van alle kanten op... Het was als een menigte van verschillende groote branden... De Keizer zag dit afgrijzelijk schouwspel met somber stilzwijgen aan... Dat kon onmogelijk de uitwerking der granaten zijn... Langzamerhand vereenigden zich die onderscheidene branden tot één groote vlam, die zich kronkelend ten hemel hief en heel Smolensk als in zich opnam: Er was geen twijfel meer aan of de Russen zelf hadden Smolensk, de Heilige stad, in brand gestoken.

Omstreeks drie uur in den morgen sloop een onderofficier van Davoust tot aan den muur en waagde het, dien voorzichtig te beklimmen. Aangemoedigd door de stilte die er rondom hem heerschte, drong hij dieper de stad in. Zij bleek ledig en door de Russen verlaten.

Nadat de Keizer hiervan kennis gekregen had rukte het leger op zijn gewone wijze de poorten binnen: met krijgsmuziek en oorlogspraal trok het over de rookende en bloedige ruïnen voort; zegevierende over die verlaten puinhoopen en slechts zichzelf tot getuige hebbend van zijn roem. Schouwspel zonder aanschouwers, overwinning bijna zonder winst, bloedige roem, waarvan de rook die het Fransche leger omringde, het treffendste zinnebeeld was.

Weer bleek dus de beslissende veldslag, dien Napoleon zoo vurig begeerde, hem als een schaduw ontglipt.

Barclay, die in den nacht den weg naar Moscou was ingeslagen, werd echter door maarschalk Ney achterhaald. De Russen begrepen, wilden zij een veiligen aftocht hebben, dat hun achterhoede diende stand te houden, daar anders de Franschen hun den pas zouden afsnijden.

Bij Walutina had daarop een treffen plaats. Napoleon hield het er voor, dat het niet meer dan een schermutseling worden zou. Hij zond den maarschalk dus enkel generaal Gudin ter hulp, terwijl hij zelf binnen Smolensk bleef. Maar de schermutseling werd een kleine veldslag. Achtereenvolgens werden er van weerskanten dertig duizend man in betrokken. Vreeselijk was de verwoedheid, waarmee men aan beide zijden vocht en waaraan zelfs de invallende duisternis geen eind maakte. Eindelijk meester van de bergvlakte en uitgeput van bloedverlies, gaf Ney, die zich door dooden en stervenden omringd zag, bevel om met schieten op te houden. De Russen maakten van de duisternis van den nacht gebruik, om hun aftocht te bewerkstelligen. Zij oogstten evenveel roem met dien aftocht in, als de Franschen met hun zegepraal: want geen enkelen gewonde, geen enkel stuk geschut lieten zij achter.

Gudin werd zwaar gekwetst binnen Smolensk gebracht, waar hij, ondanks de zorgen des Keizers, weldra aan zijn wonden stierf. De overwinning bij Walutina was duur gekocht.

Den volgenden dag verscheen Napoleon zelf op het slagveld. Hij vond er de soldaten van Ney en die van de afdeeling Gudin, geschaard bij de lijken hunner makkers en die der Russen, omringd door half afgebroken boomen, op een door de strijders platgetreden en door kanonkogels geploegden grond, overdekt met overblijfsels van wapens, verscheurde kleederen, militaire gereedschappen, omvergeworpen wagens en verspreide ledematen. Want dit zijn de zegeteekenen van den oorlog! dit is de schoonheid van het veld der overwinning!

De bataljons van Gudin schenen niet veel meer dan pelotons te zijn; zij toonden zich echter te hoogmoediger naar zij te meer verminderd waren; bij hen ademde men de lucht nog in der afgeschoten patronen en van het kruit, waarvan de grond doordrenkt, waarvan hun kleeren doortrokken en hun gezichten nog geheel zwart waren. De keizer kon hun gelederen niet langs gaan, zonder lijken te vermijden, of over te stappen; door de hevigheid van den schok bij den aanval, waren verscheidene bajonetten gekromd.

Maar al deze afgrijselijkheden bedekte hij met roem. Zijn erkentenis herschiep dit veld des doods in een veld van zegepraal, waar, gedurende eenige uren, slechts aan roem en voldane eerzucht werd gedacht.

Hij gevoelde, dat het tijd was om zijn soldaten met zijn woorden en belooningen op te monteren. Nooit waren dan ook zijn blikken vriendelijker geweest; in zijn toespraak noemde hij dit gevecht het schoonste wapenfeit uit Frankrijks militaire geschiedenis; de soldaten, die hem aanhoorden, waren mannen, met wie men de wereld kon veroveren; de gesneuvelden heetten oorlogshelden, die een onsterfelijken dood gestorven waren. Aldus sprak hij, wel wetend dat, in het midden van die verwoesting, woorden over onsterfelijkheid indruk zouden maken.

Glansrijk waren de belooningen, welke hij daarop uitdeelde. Zeven-en-tachtig bevorderingen en eereteekenen ontvingen de troepen van Gudin; het 127ste regiment dat nog geen standaard had, omdat men zijn vaandels op het slagveld moest verdienen, kreeg er een; eigenhandig reikte de Keizer het over. Ook het corps van Ney werd bedacht.

Jakob Stargardt, wiens regiment tot dit legercorps behoorde en die te Wilna reeds korporaal geworden was, ontving den graad van wachtmeester. Thans stond hij met Reinier Vermaat dus gelijk in rang; thans zou zijn beleediger, wanneer hij dezen nog eens ontmoeten mocht, het recht niet langer hebben hem zijn eisch te ontzeggen.

Maar op 't oogenblik dacht Jakob Stargardt daar slechts vluchtig aan: Ondanks zichzelf was de jonge Hollander door de eerzucht-prikkelende toespraak des Keizers, diens erkentelijkheid jegens zijn dapperen, den vorm vooral waarin zij werd geopenbaard, geheel onder de betoovering van Napoleons machtige persoonlijkheid gekomen.

De Keizer toch wist aan zijn belooningen, op zichzelf reeds groot, nog een hoogere waarde te geven, door de wijze waarop hij ze verleende: Hij liet zich achtereenvolgens van ieder regiment omringen als van een familie. Dan sprak hij met luider stem de officieren, onderofficieren en soldaten aan, hun naar de dappersten uit al die dapperen vragend om die terstond te kunnen beloonen. De officieren wezen aan, de soldaten bevestigden, de Keizer keurde goed: aldus werden de verkiezingen oogenblikkelijk gedaan en met toejuichingen door de troepen bevestigd.

Deze vaderlijke manieren, ze verrukten Jakob. Bovendien, nooit leverde een veld van overwinning een schouwspel op, dat meer geschikt was om in geestdrift te brengen: het geschenk van dien zoo wèl verdienden standaard, de praal van die bevorderingen, de vreugdekreten, de roem van die oorlogshelden, welke op de plaats zelf, waar hij behaald was, werd beloond, dat alles te zamen bracht Jakob Stargardt in een wondere geestvervoering.

Maar die bedwelming hield spoedig op, toen de troepen van Ney weer naar Smolensk terug keerden. De weg toch werd hun bemoeilijkt door de tallooze overblijfselen van het gevecht; telkens ondervonden zij vertraging door de lange reeksen van gewonden, die zich voortsleepten of stadwaarts werden gedragen; en in Smolensk zelf ontmoetten zij karren vol afgezette ledenmaten, welke men ergens buiten de stad ging wegwerpen.

Al die afgrijselijkheden van den oorlog ontnuchterden, bedroefden, ja verbitterden hem. Smolensk was slechts een reusachtig hospitaal en het hevig gekreun dat er uit opsteeg was sterker dan de jubelkreten om den behaalden roem, die in de velden van Walutina waren opgegaan.

Door zijn moeder, die een half verwoest huis tot cantine had ingericht, werd hij met ontstuimige blijdschap ontvangen. Zij had reeds gehoord, dat er den vorigen dag bloedig gevochten was en ieder oogenblik gevreesd, het bericht van zijn dood te vernemen.

't Was er druk, in de cantine van moeder Jane, maar de kortstondige opwinding over de zegepraal bij Walutina was reeds voorbij en schier over niets werd gesproken dan over de ellende van het leger.

»Mijn compliment, moeder Jane," zei de oude Ros: »dat is andere brandewijn dan het bocht, dat ze hier te lande stoken."

»Geen wonder," zei een grenadier, »ze stoken het uit graan, met verdoovende planten vermengd. 'k Heb jonge soldaten gezien, totaal òp van honger en vermoeienis, die dachten dat dit goedje hen weer wat zou opmonteren. Maar wat wàs het? Krek de laatste fut ging er nog uit en slap, als verlamd, vielen zij neer."

»Dat waren dan misschien nog de matigsten,--of de zwaksten!"--zei Ros. »Ik heb er ten minste gezien wie dat ontuig nog vrij wat slechter bekwam. Ze kregen oogenblikkelijk duizelingen, of raakten zóó verdoofd, dat ze niet meer stáán konden zelfs! In greppels en aan den wegkant gingen zij zitten, totaal versuft... En dan zàg je als 't ware de dood over ze komen... zoo in ééns maar, zonder gekreun, zonder een zucht.... ffúút!!.... 't was gebeurd!..."

Toen kwam het gesprek op het groot aantal gekwetsten.

»Eén ding helpt," zei de grenadier: »er is hier ten minste geen gebrek aan hospitalen, zooals in Wilna."

»Neen," bevestigde moeder Jane, »vijftien steenen gebouwen, die niet verbrand waren, hebben ze daarvoor ingericht; zelfs Fransche brandewijn, wijn en geneesmiddelen zijn er gevonden..."

»Nu ja, dat mag zoo wezen," meende een lansier, »maar toch is er van niets genoeg! Zóóveel geblesseerden, daar is dan ook geen helpen aan! De wondheelers werken dag en nacht door, maar verbeeld je, met den tweeden nacht al was er niets meer over om de gekwetsten te verbinden! In plaats van linnen gebruikten ze toen maar de perkamenten uit de archieven tot spalken en verbanden; en als pluksel namen zij uitgeplozen touw."

»En dan moet je nog weten," zei een korporaal die juist binnen gekomen was, »dat ze een geheel hospitaal drie dagen lang vergeten hadden! Toevallig heb ik het van morgen ontdekt, doordat ik van 't eene hospitaal in het andere naar een vermisten vriend liep te zoeken. Eindelijk vond ik hem dáár, half uitgehongerd, te midden van stervenden en dooden, in een afschuwelijken stank. Aan maarschalk Rapp, dien ik toevallig tegenkwam, heb ik dadelijk mijn ontdekking verteld en toen is er onmiddellijk verpleging gekomen. De Keizer stuurde zelfs zijn eigen wijn, om onder die ongelukkige stakkers uit te deelen, voor zoover ze ten minste nog niet bezweken waren."

»'t Is de ellendigste oorlog dien ik ooit meegemaakt heb," zuchtte Ros: »Lijken en gewonden bij duizenden en toch geen enkele groote veldslag!"

»Neen," gromde een andere oudgediende, »we hebben nog niets veroverd dan verbrande en leeggeplunderde steden en dorpen. Van buit is geen sprake! We bezitten op 't oogenblik niets dan wat we zelf hebben meegebracht!"

»Maar als we dan tòch alles uit Frankrijk naar Rusland moesten sleepen," zei de grenadier, »waarom ons dan maar niet liever in Frankrijk gelaten?"

»Acht honderd mijlen hebben ze ons nu al af laten leggen," verklaarde de korporaal; »en dat waarvóór? Om ten leste niets anders te vinden dan modderig water, hongersnood en bivakken op asch en puin!"

In dien geest werd niet enkel in de cantine van moeder Jane, maar schier overal onder de soldaten geprutteld.

Doch ook verscheidene generaals waren reeds ontevreden.

»Wat geeft het," morden zij, »dat de Keizer ons rijk gemaakt heeft, als we er tòch geen genot van kunnen hebben; dat hij ons uitgehuwd heeft, als we verwijderd van onze vrouwen moeten leven; dat hij ons paleizen heeft geschonken, als we toch ver van ons land, op den blooten grond moeten huizen en vernachten? Welhaast zal Europa niet meer voldoende zijn voor zijn heerschzucht en zal hij ons naar Azië laten trekken!"

Napoleon zelf was al evenmin goed gestemd.

Op het slagveld scheen de vervoering zijner soldaten hem te hebben meegesleept. Doch van Walutina weer naar Smolensk terugkeerend onder een steeds drukkender hitte, terwijl zijn rijtuig door het schrikwekkend aantal gewonden slechts langzaam voort kon gaan, was spoedig de ontgoocheling gevolgd. Toen hem daarop weldra bleek, dat het Russische volk, door zijn overheden en priesters misleid, den brand van Smolensk aan hèm toeschreef en overal met het wijkende leger meevluchtte, begon de Keizer te weifelen in zijn besluit, om den veldtocht voort te zetten.

Doch de hoop, door de verovering van Moscou Keizer Alexander tot den vrede te dwingen, dreef Napoleon, na een verblijf van zeven dagen, ook weer uit Smolensk, verder en verder, zijn verderf te gemoet.

Moeilijk bleek de weg, geweldig de hitte, zeer onvoldoende de verpleging in die zoo goed als waterlooze, onafzienbare vlakten, welke het Fransche leger thans door moest. Ontzettend was dan ook de ellende, geleden door mensch en dier. En dan de steden die werden gepasseerd! Ze bleken alle grootendeels door de inwoners verlaten, half verbrand en in puinhoopen veranderd.

Toch werd de marsch onafgebroken voortgezet, en tegen den 5den September naderde de dagelijks zwakker wordende hoofdmacht het dorp Borodino, aan den grooten weg naar Moscou.

Alles wees er op, dat het hier eindelijk tot een grooten slag zou komen.

Bij het Russische volk had de oorlog, zooals Alexander's veldheeren dien voerden, een algemeene ontevredenheid verwekt. Het welberekend terugtrekken kwam de menigte voor als een smadelijke, doemwaardige vlucht, inzonderheid omdat daardoor de heilige stad Moscou van dag tot dag grooter gevaar liep, den vijand in handen te vallen. Om het volk tot nog grootere opofferingen bereid te maken, snelde Keizer Alexander zelf naar de Czarenstad en sprak van het Kremlin zijn verzamelde onderdanen toe, die, door zijn treffende woorden ontvlamd, de duurste eeden zwoeren, dat zij alles geven, alles verlaten, alles ten offer brengen zouden om »den tiran der volken en van den godsdienst" te vernietigen. Tegelijkertijd werd de oude veldmaarschalk en lieveling des volks, de sluwe en vaderlandslievende Kutusof met het legercommando belast, daar Barclay de Tolly het algemeen vertrouwen had verloren. Kutusof gehoorzaamde de stem der natie en van zijn Keizer en besloot, ten einde Moscou te behouden, een veldslag te wagen. Bij Borodino zouden alzoo de Russen, met den moed der vertwijfelde vaderlandsliefde, den toegang tot hun hoofdstad verdedigen. Langs de steile hellingen van het riviertje dat zich door het landschap kronkelde, tegen de heuvelranden, tusschen de boomgroepen en in de vlakte, overal wierpen zij hun verschansingen op en maakten zich tot verdediging tegen den aanval der Fransche armee gereed.

De veldslag die hier den 7den September plaats had, was dan ook een der bloedigste in de gansche wereldgeschiedenis.

Negende Hoofdstuk.

Afgunst en wrok.

Napoleon had de overwinning behaald. Maar welk een overwinning! Te duur gekocht, om zoo onvolledig te zijn. In de naaste omgeving des Keizers betreurde ieder den dood van een vriend, een bloedverwant, een broeder: want de aanzienlijksten waren gevallen. Drie-en-veertig generaals waren gesneuveld of gekwetst. Meer dan zeventigduizend man van beide kanten, dood of gewond, bedekten het slagveld. Op de veroverde schansen lagen meer dooden dan er levenden stonden. Allen die de Keizer bij zich had laten roepen, hoorden hem over de overwinning spreken--en zwegen. Maar hun houding, hun naar den grond gerichte oogen, hun stilzwijgen waren niet sprakeloos.

De Russen bleken in den nacht te zijn afgetrokken. Kutusof was tot de inzichten van Barclay overgegaan en had de verdediging van Moscou opgegeven, overtuigd dat de oude Czarenstad het graf van het Fransche leger worden zou en dat hij heel wat bloed zou gespaard hebben, wanneer hij van den aanvang af Barclay's raad gevolgd had.

Den volgenden morgen bezocht Napoleon het slagveld. Nooit wellicht was er een, dat afgrijselijker gezicht opleverde. Alles liep te zamen: een donkere lucht, een koude regen, een hevige wind, de omliggende woningen in asch, een verwoeste vlakte bedekt met overblijfselen en puin, aan den gezichteinder het sombere groen der denneboomen, overal soldaten die tusschen de lijken dwaalden en eenig voedsel zochten, tot zelfs in de ransels hunner gesneuvelde metgezellen; doodsche bivakken; geen gezang meer, geen verhalen; een treurige stilzwijgendheid.

Bij de monstering zijner troepen zag de Keizer het overschot der officieren en onderofficieren en eenige soldaten rondom de standaarden, nauwelijks genoeg om het vaandel te beschermen. Hun kleeren waren met bloed bevlekt, verscheurd door de verwoedheid van den strijd en zwart van den kruitdamp. Een enkele maal hoorde men het oude »Leve de Keizer!"--; echter zeer zeldzaam en zonder gloed.