De Zwervers van het Groote Leger: Historisch verhaal uit het tijdperk 1810-1813
Part 16
Op de Botermarkt[6] zagen zij een dichte volkshoop voor de hoofdwacht der Nationale garden saamgestroomd, die reeds vrij rumoerig bleek. Kolonel Van Brienen, die er het bevel voerde, sprak de menigte echter met warmte en waardigheid toe en vermaande haar, zich van baldadigheid te onthouden.
[6] Het Rembrandtsplein.
»Leve Kolonel van Brienen!" was het honderdvoudig antwoord en dansend en springend ging het volk heen, onder het zingen van het lied:
Nu zijn de Franschen van den vloer, Hoezee! Prins Willem komt nu aan het roer, Hoezee! Nu dansen wij weer hand aan hand Voor 't oude, lieve vaderland. 't Is Oranje, 't blijft Oranje, toch Oranje boven!
't Bleek allerwege vroolijkheid; op de pleinen, op de sluizen, overal waar maar plaats was, zag men dansende troepjes en wie er aankwam, werd juichend in den kring getrokken en moest meedansen. Bert en Bruno hadden het zeker wel vijftig maal gedaan en nóg waren zij de pret niet moe.
Tegen den avond bevonden zij zich op het Droogbak, waar groote volkshoopen, joelend en schreeuwend, en met stokken gewapend, zich op dat oogenblik te zamen dromden.
»Zouden we nu toch niet eens naar huis gaan?" vroeg Bruno.
»Ja," zei Bert, »moeder mocht ongerust worden, als we nog langer bleven."
Maar juist toen ze heen zouden gaan gebeurde er iets, dat hen tot blijven noopte. Bij het volk, door de Fransche tolbeambten en commiesen zoo vaak gekneveld en uitgebuit, ging eindelijk de behoefte aan wraak zich in daden uiten.
»Daar hèb je zoo'n afzetterskrot!" zei de ballastschipper »Kees draai me een loer," en hij schopte verachtelijk tegen de houten barak der douanen, die daar stond.
Een sleeper spuwde er tegen.
»Laten we de keet omver halen!" schreeuwde een knuistige varensgast.
»Neen, in brand steken!" riep een sjouwerman.
Dat vond gretig bijval; verscheidene mannen, schippers en sjouwerlui, beijverden zich om lichtbrandbare stoffen bijeen te sleepen.
»Vuur, hier heb jullie vuur, menschen!" krijschte van verre een schrale oude-vrouwenstem. Bedrijvig kwam een schonkerig, kromgegroeid bestje met een glimmende kool in een stooftest aangejacht.
De tongpunt stak tusschen haar verwelkte paarse lippen en de geslonken borst hijgde piepend onder de inspanning waarmee het krom geraamte-lijfje zich voorwaarts repte.
»Hier, menschen, hier; ik zal je helpen!" gorgelde het niettemin uit haar dorre keel in schrale, kort-uitgehijgde snerp-geluidjes.
»Hoezee!" brulden de kerels en »Kees draai me een loer," de test aannemend, klopte het menschje op den rechter schouderschonk en zei: »Bedankt, ouwe! Nou mag je zoo meteen je eens lekker warmen, voor je moeite!"
De lichtontbrandbare stoffen vatten dadelijk vuur en een oogenblik later sloegen de vlammen het houten gebouwtje reeds uit. Een luid triomfgeschreeuw ging uit de menigte op en afschuwelijk schril klonk de lach der oude, die het vuur geleverd had; het magere, kromme lijfje schokte; en haar krukje stampte zij op en neer, onder die weerzinwekkende uitbarsting van haar wraakgenot.
De zucht tot brandstichten werd aanstekelijk; kerels en wijven zochten halfverbrande stukken hout te bemachtigen en snelden er mee weg, om een volgend octrooihuisje aan te steken. Er stonden er meer dan twintig, daar aan den Buitenkant. En binnen het uur stegen, op een lengte van ongeveer een Hollandsche mijl, uit al die verblijven der gehate douanen de vlammen ten hemel, zoodat men in Waterland en aan de Zaan meende, dat half Amsterdam in brand stond.
Drie personen, die pas met de Harlinger beurtschuit aangekomen waren, stonden met ernstige verbazing het woeste schouwspel aan te zien.
Nauwelijks echter had Bert het drietal bespeurd of hij gaf zijn broer een bof in den rug van blijde verrassing en riep: »O, Bruno!--Daar heb je Reinier!"
»En Jakob Stargardt met zijn moeder!" schreeuwde Bruno verrukt. Want in 't zelfde oogenblik had ook hij het drietal in 't oog. Als dol draafden de jongens nu hun broer en de beide Stargardts te gemoet, niet achtend de stompen en verwenschingen die hun deel werden, waar zij, zich door de menigte spoedend, er een op de teenen trapten of tegen het lijf boften.
»En waar zijn vader en moeder?" vroeg Reinier, onmiddellijk na de allerhartelijkste begroeting. Want hij kon natuurlijk niet denken, dat de knapen, geheel alleen, zoo laat nog aan den Buitenkant zouden zijn.
Bert en Bruno bekenden met schaamte, dat zij eigenlijk lang reeds thuis behoorden te wezen, maar zich, door het willen bijwonen van de verbranding der douanenhuisjes, zoo schandelijk verlaat hadden.
»Allo, dan met spoed mee naar huis!" zei Reinier, »want vader en moeder zullen doodelijk ongerust over jullie zijn!"
Maar van dien spoed kwam vooreerst niet veel, want opeens riep Bert: »Daar komt de patrouille van de garde-te-paard! Nu zal 't er spannen! Wisten we maar een goed heenkomen!"
»Hm! ze rijden nog al zacht," zei Jakob Stargardt. »Het beste zal wezen, dat we maar met den stroom mee gaan."
Inderdaad, de patrouille, allen Hollandsche lotelingen--waaruit trouwens de geheele garde was samengesteld--reed langzaam met ontbloote sabels, door de menigte. Geen paard lieten zij springen, geen sabel werd tot slaan gebruikt; statig reden zij voort. Hier en daar moesten zij ophouden. »Hei mannen!" riep het volk, »jullie bent net zoo goed Hollandsche jongens als wij! Zou je dan niet ereis op de gezondheid van den prins willen drinken!" en dan werden hun glazen bij glazen toegereikt en spelde men hun groote oranjestrikken op de witte mantels, terwijl de meesten van hen mooi dronken in de kazerne terugkeerden.
»Hé, Vermaat!" riep een man, Reinier herkennend, »ben je waarachtig de ellende ontkomen?" 't Was een vroegere klant van zijn vader, die menig pondje tabak uit den winkel gehaald had.--»Nou, wat zeg je er van?" ging hij voort: »Een prachtig vuurwerk, hè?"
»Dom genoeg," zei Reinier. »Als meneer De Celles het morgen naar Utrecht seint, wat hier aan de hand is, dan kan generaal Molitor met zijn volk weer gauw genoeg in Amsterdam terug wezen. En dan..."
»Waarachtig! hij heeft gelijk!" riep »Kees draai me een loer." En toen tot het volk: »Komt jongens! We moeten naar de Weesperpoort, om de telegraaf te vernielen! Anders brengt die stille verklikker het naar Molitor of misschien wel naar Parijs over, dat we hier van avond een pretje hebben!"
»Ja, ja! Naar de telegraaf!" schreeuwde de menigte en een dichte drom bewoog zich nu in de richting van het Weesperplein. Heel dien nacht bleef het volk op de been en terwijl het bij gansche troepen, zingend en joelend, zich door de straten bewoog en overal de Fransche wapenborden afrukte en vernielde, zaten mijnheer Vermaat en zijn vrouw met betraande oogen te luisteren naar het lijdensverhaal der drie zwervelingen.--O, hoe ànders bleek die ontzettende terugtocht te zijn geweest, dan de bluffende bulletins en de leugenachtige dagbladen verteld hadden!--En eindelijk, toen reeds alles geleden scheen, wat vreeselijke dagen toen nog, daar in dat hospitaal te Koningsbergen! Maanden lang hadden zij er gelegen in worsteling met den dood, maar hun sterk gestel had toch ten slotte gezegevierd. Doch toen zij het ten laatste verlieten, waren het Duitsche in plaats van Fransche dokters, die hen hersteld verklaarden. Want heel Pruisen, enkele vestingen uitgezonderd, bleek van Franschen te zijn bevrijd. Reinier en Jakob behoefden dus niet bang te zijn, opnieuw bij het Fransche leger te worden ingelijfd, tenzij ze dat zelf gewenscht hadden. Zij besloten toen, de kans af te wachten, weer veilig naar het Vaderland terug te kunnen keeren en zoo waren zij dan nu eindelijk weer in Amsterdam.
Aanvankelijk meenden moeder Jane en haar zoon, voorloopig in een herberg hun intrek te nemen, doch de Vermaats wisten te bewerken, dat zij net zoo lang van hun gastvrijheid zouden gebruik maken, tot zij een geschikte woning hadden gehuurd.
Zestiende Hoofdstuk.
Oranje boven!
Den volgenden dag mochten Bert en Bruno, tot straf voor hun laat thuis komen, de deur niet uit. Reinier en Jakob gingen echter de stad in, benieuwd naar het verder beloop der gebeurtenissen.
Op straat bleek het veel rumoeriger nog dan daags te voren. Al dadelijk ontmoetten zij een bende woestelingen, aangevoerd door kerels met knuppels, terwijl de hoofdman een knuppel droeg, geheel met oranjelinten versierd. Daarachter kwamen een aantal jonge kerels van het gemeenste rapalje, met witpapieren strooken om hun hoeden, waarop in plompe cijfers het nummer stond, dat hun in de loting voor de conscriptie was te beurt gevallen.--»Hier heb jelui nog verzwegen conscrits! Hier bennen jongens, die derlui verzwegen hebben!" gilde en brulde, met gloeiende koppen en puilende oogen, de woeste troep.
»Nou naar de Doelenstraat!" schreeuwde de aanvoerder.
»Ja, naar de Doelenstraat!" tierde de bende. »Dan zullen wij dien schelm van een De Celles uit zijn huis halen!"
»En hem ophangen in de post van zijn deur!" voegde de hoofdman er aan toe.
»Ik ga mee!" riep een smidsgezel, die 't hoorde, terwijl hij haastig een hamer en een grooten spijker greep. Een slager hield triomfantelijk een stuk touw omhoog en sloot zich insgelijks aan bij de moordlustige bende.
»Maar De Celles is al weg," zei er een, die tot nog toe vergeefs gepoogd had, zich verstaanbaar te maken. »Hij is van morgen met meneer Le Brun naar Utrecht afgetrokken."
»Hij is niet weg!" verzekerde de aanvoerder. »Hij lijdt aan 't pootje. Ik weet secuur, dat de schelm nog niet weg is! En hij zal er aan gelooven, de hond!"
»Drommels, dat loopt verkeerd," zegt Reinier. »Als het volk zóó gaat beginnen, waar zal dan het einde zijn!"
Maar Jakob antwoordde niet. Hij dacht aan alles, wat hij en zijn familie reeds door dien man geleden hadden en hij smaakte een oogenblik een wreedaardig genoegen bij het vooruitzicht, dat ~nú~ het uur der vergelding bleek aangebroken, dat ~nu~ het einde van den onmenschelijken prefect nabij was.
Maar opeens bedacht hij, hoe het een eeuwige schande voor zijn vaderstad zou blijven, zoo het volk werkelijk volvoerde, wat het vóór had. En dan--Reinier had gelijk--als het Janhagel eenmaal begòn te moorden, dan was er alle kans, dat het daarmee niet zoo dadelijk weer zou eindigen. Maar--wat er aan te doen?
Plots kreeg de dolzinnige troep, op zijn weg naar De Celles' huis, een paar wapenborden met den Franschen adelaar in 't oog! Die moesten er eerst afgerukt en tot een vreugdevuurtje verstookt worden!
»Kom mee," zei Jakob, »door dit oponthoud kunnen wij den moord misschien nog voorkomen!"
Zij snelden nu de uitgelaten bende vooruit, naar De Celles' woning. Den huisknecht, die hen keeren wilde, smeten ze op zij en doorliepen vervolgens eenige leege vertrekken. Onhoorbaar waren hun stappen op de zachte tapijten. Eindelijk vonden zij den door pijnen gefolterden prefect, schier radeloos van angst, terwijl hij vloekend en klagend zijn papieren en kostbaarheden ter verzending deed inpakken.
»Dit huis is _mijn_ huis!" riep de man wanhopig, toen hij het tweetal zag binnenkomen; tegelijkertijd greep hij naar een pistool, dat naast hem op de tafel lag.
»Schiet niet!" riep Jakob, »want dat is juist uw ondergang!"
»Wij behooren niet tot de opstandelingen," zei Reinier. »Wij komen u redden... Het oproerige volk is al op weg naar hier... Het zal u vermoorden, zoo u zich niet in alles door ons raden laat!"
Jakob wist nu den wanhopigen prefect te bewegen, zich in een afgelegen donker vertrekje te laten opsluiten en hem zijn keldersleutel toe te vertrouwen. Daarop liet hij de knechts eenige ankers wijn op de stoep zetten; vervolgens ging hij zelf voor de geopende huisdeur staan en wachtte zoo het volk af. Reinier was inmiddels reeds heen gesneld om de hoofdmacht der gardes te waarschuwen.
Daar kwamen zij aan, de woest tierende belhamels, vlammend op het leven van den man, die hen zoo lang getergd en onderdrukt had.--»Nou is het onze beurt!" schreeuwde de smidsgezel, den grooten spijker als gereedhoudend, om dien in de deurpost te hameren.--De varkensslachter strekte zijn touw langs de wijdgespreide armen uit: »Wat dunkt je, menschen, zou het lang genoeg zijn?" vroeg hij met een boosaardigen lach.--»Er schiet nog best een eindje voor Devilliers-Duterrage over!" spotte een half dronken schippersgast.--Een daverend vreugdgebrul klonk als goedkeurend antwoord.
Inmiddels was de troep het huis genaderd; Jakob Stargardt wenkte met de hand;--»Wel jongens!" riep hij met zijn krachtige stem: »Een beetje te laat is véél te laat; de vogel is al gevlogen! Maar hier heb ik zijn sleutels. Deksels nog toe, de schelm heeft zoo 'n goeden wijnkelder! 'k Heb alvast den heelen voorraad naar buiten gesjouwd, om met jullie op de gezondheid van den Prins van Oranje te drinken!"
In woeste graaizucht viel de bende nu op de meer dan honderd flesschen aan, met hun tanden rukten zij de kurken af, gulzig zwelgend den kostelijken wijn, die hun als bloed langs mond en kleeren droop.--»Nou bennen we groote heeren, nou maggen we ook 'ereis volop wijn zuipen!" schreeuwde de aanvoerder van het plebs. Opnieuw nam hij een geweldigen slok; maar hij verslikte zich, waardoor schier de gansche rest van het vocht hem bij den hals in gulpte.--»Vervloekt," riep de woesteling, »ik heb genoeg van dat kleverige tuig!" Kletterend wierp hij de flesch, waarvan de inhoud hem eigenlijk in het geheel niet gesmaakt had, tegen de straatsteenen aan scherven.--»Vooruit, jongens!" schreeuwde hij toen. »Naar de Oude Turfmarkt!"
»Ja, ja, naar de Oude Turfmarkt!" herhaalden verscheidene stemmen. En joelend en tierend trok de losbandige troep weer voort: Het leven van den prefect bleef verschoond. 's Avonds werd hij, met zijn secretaris Dubois, in een overdekte schuit gebracht, die bij zijn huis lag, en wist veilig uit de stad te komen.
Op de Oude Turfmarkt, waar de plaats-commandant woonde en de Fransche politie haar hoofdbureaux gevestigd had, ging de menigte, door den wijn nog doller geworden, veel ontstuimiger te werk. Voor deze bureaux--twee aanzienlijke huizen--lag een drijvend vlot, waarop een houten gebouw, het schoutshuisje, stond, met een vertrek voor de directie, een tweede voor de agenten en een derde ter bewaring der arrestanten die naar de politie waren overgebracht. Berucht als holen van willekeur en tirannie, waren zij thans ter bewaking toevertrouwd aan een kleine afdeeling van Nationale gardes, die echter geen oogenblik aarzelde, om zich tegen de beraamde vernieling te verzetten. Doch wat vermocht het geringe aantal tegen de aandringende, opeengepakte menigte, die nog voortdurend grooter werd? Nadat de officier en een der manschappen zware wonden hadden bekomen, werd de post overweldigd, het schoutshuisje in brand gestoken en de bureaux aan de plundenaars prijs gelaten. Van boven tot beneden zijn in weinige oogenblikken al de vensterramen dier hooge huizen verbrijzeld, kostbare spiegels, commodes, tafels, stoelen, pendules, lampen, porselein, alles wordt met duivelsche vernielzucht de ramen uitgesmeten, de bedden worden opengesneden en het dons, evenals de losgescheurde bladen der registers en schrifturen, in de gracht geworpen. Duizenden menschen aanschouwen dit tooneel van schandelijken moedwil en vernielzucht.
Eensklaps rijst, onder 't gewoel, gejuich, gedruisch en gekraak, een kreet van ontzetting op!... Dertig of veertig Fransche gendarmes komen rennend van de Doelenbrug met uitgetrokken sabels en werpen zich te midden der dichte drommen! De toeschouwers stuiven uit elkaar! Maar het gemeen blijft stand houden.----»Niet wijken, niet wijken!" riepen de opstandelingen. »Smijt de honden in het water!... Weg met dat Fransche canaille!..."--De gendarmes, niet in staat met hun sabels ruim baan te maken, branden hun karabijnen los, die dood en verderf onder de menigte brengen. Maar het gezicht der gevallenen verdubbelt de woede der opstandelingen; ze werpen zich tandeknarsend op de kavaleristen, halen den aanvoerder van zijn paard, smijten er eenigen in het water en drijven de anderen op de vlucht. Ook de plaats-kommandant is nog in tijds ontkomen.
De plunderaars zouden echter niet lang meester blijven van het slagveld. Welhaast rukken Nationale garden in dichte drommen aan, vuren hun geweren af, en, met kracht voortdringende, doen zij de plunderaars verstuiven, die verscheidene gewonden en zelfs dooden achterlieten.
Jakob, die de plundering van de politiebureaux tot aan de komst der gendarmes had bijgewoond, had daarop spoedig Reinier weer ontmoet, die hem dadelijk zijn wedervaren vertelde.
»Toen ik aan het gebouw van de hoofdwacht kwam," zei Reinier, »liet kolonel Van Brienen daar juist parade houden. Met verbazing zag ik, hoe hij daarbij verscheen als Hollandsch bevelhebber, zonder adelaar op den chako. Denkelijk deed hij dit, om zijn vertrouwen op de burgerij te toonen en haar te bemoedigen.--Nu, zijn manschappen bleven niet achter, dat begrijp je! Onmiddellijk rukten ook zij de teekenen der dwingelandij van hun chako's, vertrapten ze en, onder het presenteeren en kletteren der geweren, zwoeren zij hun bevelhebber trouw! De Fransche jagers, die óók op de Botermarkt stonden, zagen dit tooneel met groote oogen aan en zochten, na den post aan kapitein Falck overgegeven te hebben, als de wind een goed heenkomen!"
Jakob vertelde nu op zijn beurt, hoe het bij De Celles was afgeloopen. Inmiddels waren zij, aan de overzijde van het Rokin, tot bij de Olieslagerssteeg gekomen, toen zij ook dáár een bende opstandelingen aan den gang zagen. Het bureau en de woning van den gehaten politie-commissaris Veyl bleken het te moeten ontgelden. Het bureau op den wal, tegenover de woning, is welhaast aan de vlammen prijs gegeven, en nu volgt de plundering van het huis. Alles wordt er vernield, stuk geslagen en naar buiten geworpen. Hoewel de garden van den prefect in 't hoekhuis aan de steeg waren gehuisvest, kwamen zij niet tegen dien euvelmoed in verzet. Zélf slachtoffers van dwang en willekeur, huiverden zij, om zich aan de volkswraak bloot te stellen.
De beide vrienden zwierven nog eenigen tijd de stad door, om te zien hoe het elders gesteld was.
Zij vernamen, dat het volk reeds vroeg in den morgen naar het Werkhuis was getrokken en er Emanuel van Praag en Barth Meyer, benevens nog enkele andere gevangenen met geweld bevrijd had.
Van het Werkhuis was de menigte naar het Spinhuis getogen, waar andere slachtoffers der vroegere, mislukte opstanden waren gekerkerd. Ook deze gevangenen had men verlost en in zegepraal rondgevoerd. Ten slotte had het volk de onschuldig gevangenen in het Verbeterhuis de vrijheid hergeven.
Hadden zij zelf den moord op De Celles weten te keeren, ook door anderen werden buitensporigheden voorkomen. Zoo wisten Kapitein Falck en de Kattenburgers, naar zij hoorden, een machtige bende opstandelingen tegen te houden, die het uitzinnige plan hadden gevormd om de magazijnen, de pakhuizen der douanen en de gebouwen der Keizerlijke tabaksfabriek op de eilanden Kattenburg, Wittenburg en Oostenburg te vernielen; en de bewoners van Droogbak voorkwamen het in de lucht springen van 't bedreigde kommandantsjacht--een vaartuig van den chef der douanen, dat veel buskruit aan boord had--door, alvorens de aanrukkende benden naderden, dit schip te bemachtigen, het kruit over boord te werpen en de Hollandsche vlag in top te hijschen.
Maar lang niet overal kon de dolle moedwil van het gepeupel worden voorkomen. Zoo zagen Reinier en Jakob een andere bende van woestelingen bij het huis van den politie-commissaris Chandon en dat van den ontvanger der belastingen Jonas, hun domme, schandelijke vernielzucht uitvieren. Chandon lag ziek te bed. Zijn dienstmeisjes riepen dit het volk toe, smeekend, haar meester toch te sparen.
»Laat hem zijn eigen dood sterven!" schreeuwden de dolzinnigen. »Onze handen zijn veel te goed, om zoo'n Franschen hond te vermoorden! Maar de boeken moeten we hebben!"
In doodsangst werden zij afgestaan. Daarop stak het rapalje het houten kantoortje aan den waterkant in brand en wierp de registers en schrifturen in het vuur.
Minder goed kwam Jonas er af. Ook bij hem verbrandde het losbandige grauw het houten kantoortje aan den wal en, om het eens ferm te laten lieren, haalde het eenige vaten boter uit 's mans kelder en wierp die op den vlammenden hoop. Daarop begon de menigte het huis te plunderen en hierbij waren Jakob en Reinier bijna het slachtoffer geworden hunner pogingen, om de benden tot bedaren te brengen. Nauwelijks toch hadden zij, na een ernstige vermaning, de stoep verlaten, of een zware geldkist kwam door een der bovenramen getuimeld en sloeg barsten en gaten in zerksteen en metselwerk.
Een afdeeling Nationale gardes kwam aangerukt, om de orde te herstellen, maar om den hoek van de Vijzelstraat konden zij niet verder door de onafzienbare menigte van volk. Genoodzaakt tot schieten troffen hun kogels drie opgeschoten jongens, waarop de plunderende bende in wilden angst op de vlucht sloeg.
In andere wijken ging het niet beter toe en ten hoogste bekommerd om alles wat zij gehoord en gezien hadden, keerden de beide vrienden ten leste naar huis.
»Welnu, wat nieuws?" vroegen moeder Jane en juffrouw Vermaat om strijd.
»'t Is treurig met Amsterdam gesteld," was Reinier's weinig bemoedigend antwoord. »Het hoofdbestuur heeft de stad verlaten, we zijn op 't oogenblik volslagen regeeringloos!"
»Ja," zei Jakob, »een bandeloos gemeen, dat van kwaad tot erger dreigt te gaan, speelt feitelijk de baas; ieder uur kunnen bovendien de Franschen terug komen; het ziet er voor ons arme Amsterdam dus bedenkelijk uit!"
Daarop vertelden zij, wat ze zoo al hadden bijgewoond.
»'t Is toch hard voor die gardes," zuchtte juffrouw Vermaat, »om op hun eigen medeburgers te moeten schieten."
»Dat is het ook," zei Jakob, »maar die medeburgers waren op dat oogenblik geen menschen meer, maar woeste, losgebroken tijgers."
Gelukkig kwam mijnheer Vermaat tegen den avond met hoopvoller berichten thuis: Voornamelijk door toedoen van kapitein Falck,--zoo had hij op het kantoor vernomen,--was door de gezamenlijke officieren der gardes een commissie uit hun midden benoemd, met opdracht, een aantal geachte, aanzienlijke ingezeten op te roepen en deze te bewegen, aan de regeeringloosheid een einde te maken, door zelf het bestuur in handen te nemen. Deze commissie had onmiddellijk vergaderd en het resultaat harer bemoeiingen was, dat, zoo aanstonds reeds, de genoodigden in de vroedschapskamer zouden bijeenkomen.
Reinier en Jakob begaven zich nu terstond naar het stadhuis, om toch maar zoo spoedig mogelijk den uitslag dier bijeenkomst te kunnen vernemen.
Inderdaad kwamen weldra twintig van de vier-en-twintig genoodigden in de raadzaal bijeen. Zoodra allen plaats genomen hadden nam Falck, op verzoek van Kolonel van Brienen het woord.
»Het is noodeloos," sprak hij, »den toestand der stad voor u open te leggen. Verlaten door de Hoofden van het Fransch Bestuur,--God geve dat zij er nimmer wederkeeren!--zijn alle banden van gezag losgemaakt. Het wilde gedruisch daarbuiten, de vlammen die ten hemel stijgen, toonen--luider dan _ik_ het vermag--den algemeenen nood. Nog kunnen wij de woeste menigte beteugelen; maar straks zal zij haar krachten kennen, en het gevaar niet meer tellen. Dan wordt de dag, die de eerste van ons geluk moest wezen, het begin van nieuwe ellende. Het gemeen kan door kogels en bajonetten worden uiteen gejaagd; maar voor anderen dan voor medeburgers moeten onze kogels en bajonetten zijn; en het volk, al is het uitééngejaagd, is daarmee nog niet tot bedáren gebracht. Het gezag alleen kan het onderwerpen, de rust herstellen, en bloed dat ons dierbaar is, sparen. Zoo lang dit volk nog meent geregeerd te zijn door Franschen, zoo lang zal de wanorde duren, grooter, ijselijker worden, ja ten laatste zich van alles meester maken.