De Zwervers van het Groote Leger: Historisch verhaal uit het tijdperk 1810-1813
Part 11
Maar den volgenden morgen veranderde opeens de lucht; het azuur verdween in een sluier van koude dampen. Deze dampen werden al dichter en vormden zich weldra tot een ontzaggelijke wolk, die in groote sneeuwvlokken op de voorttrekkende legerbenden neerdaalde. Het scheen alsof de hemel nederviel en zich vereenigde met den vijandelijken grond en zijn bewoners, om hun verderf volkomen te maken. Alles werd verward en onkenbaar; de dingen veranderden van gedaante; men trok voort zonder te weten waar men was, zonder zijn doel te bespeuren, alles werd verhindering.
Terwijl de soldaat zijn pogingen in het werk stelde om zich, te midden van ijzige wervelwinden een doortocht te verschaffen, hoopten zich de sneeuwvlokken, door den wind voortgedreven, opéén, en bleven in elke holte liggen. Zoo verborg haar oppervlakte aanhoudend onbekende diepten, welke zich trouweloos onder de voeten openden. De krijgsman zonk er in weg, en de zwaksten werden er in bedolven. Zij, die achter hen kwamen, maakten dan een omweg, maar de storm joeg de sneeuw des hemels en die welke hij van de aarde opjoeg hun grimmig in het gezicht en verblindde hun oogen; verwoed scheen hij zich tegen hun marsch te willen verzetten.
Onder deze nieuwe gedaante viel de Russische winter hun van alle kanten aan: hij drong snijdend door hun dun gewaad en opengescheurd schoeisel heen. Hun natte kleeren bevroren op hun lichamen; het ijs hechtte zich op hun vel en verstijfde al hun leden. De scherpe en hevige wind deed hun de lippen op elkander klemmen, maakte zich meester van hun adem, als zij dien uitbliezen en herschiep hem in ijskegels, welke langs hun baard om hun mond hingen.
Klappertandend sleepten de ongelukkigen zich voort, totdat de sneeuw, die zich aan hun voeten klompte, een tak, een verloren wapen, of het lichaam van een hunner kameraden hen deed struikelen en vallen. Onmachtig de handen te roeren, was hun kermen te vergeefs; zij werden spoedig door de sneeuw bedekt: een kleine verhevenheid slechts deed hen dan nog onderkennen: dáár was hun graf!...
De weg was vòl van zulke verhevenheden; de onverschilligsten, de onverschrokkensten werden er door geroerd; met de oogen er van afgekeerd, gingen zij er voorbij.
Maar vóór hen, achter hen, overal was de sneeuw; hun gezicht verloor zich in die onoverzienbare en treurige gelijkvormigheid; het was als een onmetelijk doodskleed, waarmee de natuur het leger omhangen had. De eenige voorwerpen, die er zich van losrukten, waren de donkere mastboomen, boomen des grafs, met hun ontzettende somberheid en de reusachtige onbewogenheid van hun zwarte stammen, waardoor zij dit ijselijk schouwspel van een stervend wereldleger, te midden eener doode natuur, slechts volmaakten.
Het geweer werd voor de verstijfde armen der nog levenden een ondragelijk gewicht. Zij wierpen het niet weg, maar in hun menigvuldig vallen ontschoot het aan hun handen, het brak in stukken, of ging verloren in de sneeuw. Van vele anderen vroren de vingers aan het geweer dat zij nog vasthielden en dat hun de beweging ontnam, vereischt om er een overschot van leven en warmte in te behouden.
Welhaast ontmoette men een menigte menschen van allerlei corpsen, nu eens afgezonderd, dan weer bij troepen. Zij waren niet laf van hun standaards weggeloopen, het was de koude, de afmatting, die hen van hun colonnes had gescheiden. En nu dwaalden zij rond, ongewapend, overwonnen, zonder verdediging, zonder opperhoofden, slechts gehoorzamend aan den drang tot zelfbehoud.
Velen, door het zien van eenige zijdelingsche paden verlokt, verspreidden zich in de velden met de hoop, er brood en een schuilplaats voor den naderenden nacht te zullen vinden; maar alles bleek over een breedte tusschen de zeven en acht mijlen verwoest; zij ontmoetten slechts kozakken of gewapende boeren, die hen omringden, mishandelden, uitplunderden en hen, onder een woest gelach, naakt op de sneeuw lieten omkomen.
Spoedig naderde de nacht, een nacht van zestien uren. Maar in die sneeuw, welke alles bedekte, wist men niet wáár stil te houden en zich neer te zetten om te rusten, of waar droog hout te vinden om de vuren te ontsteken.
Toch dwongen vermoeidheid en duisternis om stand te houden. Maar de storm die nog altijd woedde, verspreidde de eerste toebereidselen der bivakken; de denneboomen, geheel met sneeuw beladen, weigerden gewoonlijk halsstarrig vuur te vatten en al vlamden zij soms een oogenblik op,--de sneeuw die door de warmte smolt, doofde die opflikkerende vlam en daarmee tevens den moed en de hoop op redding.
»Neen, jongens, zóó gaat het niet!" zei moeder Jane, toen eenigen van haar troepje met het bijeengebrachte dennenhout reeds een vuur wilden maken: »We moeten eerst de sneeuw wegvegen!"
»Dat is gemakkelijk genoeg gezegd," meende een der soldaten, »maar, waarmee?"
»Wel, met bezems natuurlijk!"
»Die we niet hebben!" gromde een ander.
»Maar die we best kunnen maken!" viel de marketentster in. »Dit bosch heeft takken genoeg! Een bundeltje daarvan bij elkander gebonden, een dikken tak tot steel, en--de bezem is klaar!"
»Warempel, je hebt gelijk!" zei Ros. »Komt, mannen, dan maar dadelijk aan 't werk!"
Met hun drieën gingen zij nu aan het hakken en snijden; Jakob Stargardt, Reinier en moeder Jane bonden de takken met eenige dunne twijgen bijeen, terwijl de overigen met deze bezems het terrein schoon veegden.
De plaats voor het bivak gaf blijk van een verstandige keuze. Een hoogte beschutte tegen den fellen wind; als het hun dus gelukken mocht om vuur aan te maken, dan zou dit ten minste niet verwaaid worden. Maar het versch gekapte hout wilde slecht branden. Schier een half uur tobbens was reeds voorbijgegaan, zonder noemenswaardig resultaat, toen Ros en Jakob, na veel zoekens, ieder met een arm vol dood hout kwamen aandragen.
Nu laaide de vlam in een oogenblik hoog op, zoodat ook het andere hout bruikbaar werd en waarvan men een genoegzame hoeveelheid bijeen had gebracht om het vuur den ganschen nacht te kunnen onderhouden.
Zij roosterden nu hun paardevleesch en het weinigje roggemeel dat ieder nog bezat kneedde hij met sneeuwwater tot deeg, om dit vervolgens in de heete asch te laten bakken.
Dat was hun avondmaal.
Niet lang bleven zij echter alleen. Tal van ongelukkigen, aangelokt door het flikkerende vuur, hadden zich al spoedig bij hen gevoegd en slechts met moeite konden zij hun plaats behouden. Er werd afgesproken, dat telkens twee hunner bij beurten het vuur zouden bewaken en voeden, terwijl de overigen mochten slapen. Zoo ging men den nacht in.
Toen zij den volgenden morgen, ondanks het goed onderhouden vuur, verkleumd en huiverend van het bivak opstonden om den vreeselijken tocht weer voort te zetten, moesten zij over een dubbelen kring van lijken stappen: soldaten, die, uit plaatsgebrek, buiten de warmtesfeer van het vuur gebleven, in den fellen vriesnacht waren doodgevroren. Overal elders zagen zij de bivakken door dergelijke gruwbare kringen afgeteekend, en verder bleek de grond bedekt met honderden doode paarden.
Sedert dien dag zonderden zich bij elk bivak, bij elken slechten overtocht, voortdurend een gedeelte der nog georganiseerde troepen af, om zich bij den ordeloozen nasleep te voegen.
Alleen bij de Keizerlijke garde bleef nog altoos de krijgstucht bestaan. Maar men had zich genoodzaakt gezien, den buit van Moscou in een meer te werpen: Kanonnen, Gotische wapenrustingen, uit het Kremlin meegenomen om als zegeteekenen naar Parijs te worden gevoerd, zelfs het reusachtige gouden kruis van den heiligen Iwan, alles verzonk in de diepte. Op dezen ontzettenden terugtocht wierp het leger, evenals een groot schip dat door den verschrikkelijksten storm geteisterd wordt, zonder aarzelen alles wat zijn voortgang kon bemoeilijken of vertragen, in die zee van sneeuw en ijs. Het was niet meer te doen om zijn leven áángenaam te maken, maar om het te redden!
Eindelijk zag het leger Smolensk weer, waar men het eind van al zijn rampen dacht te vinden. Reeds van verre wezen de soldaten het elkander aan. Dáár was het beloofde land, waar hun hongersnood den begeerden overvloed, hun vermoeidheid de rust zou erlangen; waar de bivakken van negentien graden koude in wèl verwarmde huizen zouden vergeten worden. Dààr zouden zij een herstellenden slaap genieten; hun havelooze plunje kunnen oplappen; dáár zouden hun nieuwe schoenen en voor het klimaat geschikte kleeren worden uitgedeeld!
Alleen de garde en eenige andere uitgelezen korpsen bleven in hun gelederen, de overigen liepen weg en snelden naar de lang verbeide stad. Duizenden van menschen, meest zonder wapenen, bedekten de twee steile oevers van den Dnieper; zij verdrongen zich voor de hooge muren en poorten der stad; maar hun onordelijke menigte, hun vervuilde gezichten, zwart geworden door aarde en rook, hun gescheurde monteeringen, de zonderlinge kleeding waarmee zij zich behielpen, heel hun vreemd, afzichtelijk voorkomen en hun vervaarlijke drift, schrikten af. Uit vrees dat die van honger razende menigte, wanneer men haar binnen liet, alles zou uitplunderen, sloot men de poorten. Men hoopte door deze gestrengheid tevens te bewerken, dat die verstrooiden zich weer zouden vereenigen.
Toen ontstond er onder het overschot van het rampzalige leger een verschrikkelijke strijd tusschen de orde en de wanorde. Het was te vergeefs, dat sommigen baden, weenden, smeekten, dat zij dreigden en trachtten de poorten open te breken, dat zij stervende neervielen voor de voeten van hun metgezellen, die belast waren hen terug te drijven.
Daar kwamen de oude en de jonge garde aan. Zij waren met den Keizer meegekomen, die hen voor het vuur der Russen gespaard had, en niet de minste wanorde was in hun gelederen voorgekomen, want voor hun voeding was wel gezorgd. Eerst nà hen konden de ongelukkigen die voor de poorten stonden binnentrekken, voor zoover ze niet dood of stervende aan de steile oevers der rivier nederlagen; zij snelden naar de magazijnen, maar men dreef hen er uit terug, omdat zij hun korps verlaten hadden en niet in het bezit van volgbriefjes waren, waarmee de magazijnmeesters zich verantwoorden konden en die door daartoe gemachtigde officieren moesten worden ingeleverd. Zij hàdden geen officieren meer, ze wisten niet eens waar hun regimenten waren. In dezen toestand bevond zich tweederde van het leger.
Toen verspreidden zich die rampzaligen door de straten, geen hoop meer hebbend dan in de plundering. Maar overal kondigden tot op de beenderen toe ontlede paarden hun den hongersnood aan: overal waren de vernielde en losgerukte deuren en ramen gebruikt om de bivakvuren te onderhouden der doortrekkende troepen. Er waren geen winterkwartieren voorbereid, men vond er geen hout; de zieken, de gekwetsten bleven in de straten, op de wagens, die hen hadden vervoerd. Het was en bleef steeds de noodlottige groote weg, dwars door een ijdelen naam heenloopende; het was een nieuw bivak te midden van bedriegelijke puinen, die nog kouder waren dan de bosschen, welke zij hadden verlaten. Kortom, datzelfde Smolensk, door het leger als de grens van zijn lijden beschouwd, scheen er slechts het eigenlijke begin van te worden. Honderden bij honderden stierven ook hier van koude en gebrek; en toen het bleek, dat de magazijnen slechts zeer onvoldoende werden bewaakt, kwamen de uitgehongerde benden ze eensklaps plunderen, waarbij nog heel wat voedsel nutteloos verloren ging.
Moeder Jane, Jakob, Reinier en Ros waren de eenigen van hun troepje, die zich te midden van al die wanorde bij elkander hadden gehouden. Maar juist door hun gering aantal was het hun des te gemakkelijker gelukt, een vrij dragelijk verblijf te bekomen.
Reeds van Wiasme af droegen zij hun pelzen, in Moscou gekocht, op het bloote lichaam, waardoor de koude hun weinig nadeel toebracht. Steeds waren zij matig geweest, wanneer er onderweg nog eens voedsel gevonden werd, en ook van het paardevleesch, soms overvloedig voorhanden, hadden zij altoos maar weinig gebruikt. Daarenboven bezaten zij alle vier een gezond en sterk gestel. In vergelijking van duizenden hunner metgezellen waren zij er dus nog zoo slecht niet aan toe, maar wijl zij uit de magazijnen niets hadden ontvangen, hadden zij thans volslagen gebrek aan voedsel.
Gelukkig echter werden te Smolensk de achterstallige soldijen uitbetaald, met een voorschot van twee maanden, waardoor hun beurzen opeenmaal goed gevuld raakten.
Zij kochten nu zooveel mogelijk van de geroofde eetwaren der anderen, wel wetend, dat nog tweehonderd uren gaans moesten afgelegd worden, alvorens zij de Weichsel zouden bereikt hebben. Want dat men te Smolensk niet overwinteren kon, was voor ieder nu wel duidelijk.
Onderweg had Jakob geducht met zijn laarzen gesukkeld: zijn pelslaarzen, te Moscou opgedaan, waren wel warm geweest te paard, maar niet geschikt om te loopen. Na eenige dagen marcheeren waren zij dan ook reeds zonder zolen. Voor tachtig francs had hij toen een paar oude laarzen van een rijdend artillerist gekocht, maar deze bleken hem te nauw, zoodat hij ze hier en daar had moeten opensnijden. In Smolensk kocht hij thans voor twintig francs een paar nieuwe soldatenschoenen.
Napoleon had er op gerekend, dat er voor vijftien dagen levensmiddelen en fourage aanwezig zouden zijn voor een leger van honderd duizend man; hij vond nog niet de helft dezer hoeveelheden aan meel, rijst en brandewijn. Vleesch was er niet.
Onder die omstandigheden moest het verbazing wekken, dat de Keizer niettemin zijn verblijf onnoodig te rekken scheen.
»We zijn hier nu al vier dagen," zei Jakob, »en onze aangekochte eetwaren zijn al zoo goed als op. Wat heeft Napoleon in dit afgebrande, verwoeste Smolensk anders te doen dan van de aanwezige levensmiddelen gebruik te maken en zoo gauw mogelijk verder te gaan?"
»Misschien meent de Keizer," vond Reinier, »wanneer hij gedurende verscheidene dagen zijn brieven uit Smolensk dateert, dat hij zijn vlucht zal laten voorkomen als een langzame, roemrijke terugtocht. Hij heeft ten minste bevel gegeven, de torens op de wallen te vernielen, omdat hij niet meer door die muren wil opgehouden worden, zooals hij zegt."
»Jawel," zei Ros, »alsof de mogelijkheid bestaat dat hij er weer terug zal keeren, terwijl het nog niet eens zeker is, of hij er wel uit zal kunnen komen."
»Licht wacht hij hier wel zoo lang, om de artilleristen gelegenheid te geven, hun paarden op scherp te zetten," giste moeder Jane.
»Alsof er arbeid te verwachten is van werklui die uitgeput zijn van honger en van de langdurige marschen!" zei Jakob. »De dag is voor de meesten nog niet toereikend om de noodige levensmiddelen te vinden en ze gereed te maken."
»En dan," zei Ros, »de smidswagens zijn achter gelaten of vernield en alle materiaal ontbreekt voor zoo'n omvangrijk werk. Dàt kan het dus óók niet zijn."
Evenwel, den volgenden dag, den 14den November, verliet Napoleon eindelijk Smolensk toch weer. Prins Eugenius had bevel gekregen, om de stad op den 15den, Davoust om ze op den 16den te ontruimen. Ney daarentegen moest eerst den 17den vertrekken. Hem was opgedragen, de assen der affuiten van de kanonnen die hij moest achterlaten, te laten doorzagen; die kanonnen zelf te begraven, de munitie onbruikbaar te maken, alle achterblijvers voor zich uit te drijven en de torens op de wallen te laten springen.
Tegen vijf uur in den morgen vertrok de Keizerlijke colonne. Zij marcheerde nog ordelijk, doch de houding der manschappen was somber en zwijgend. De nachtelijke stilte werd slechts afgebroken door het geluid der slagen waarmee de arme paarden voortdurend aangezet werden, alsook door de driftige verwenschingen bij het doortrekken van een ravijn, wanneer er op de gladde hellingen, in de duisternis, paarden voor de kanonnen neerstortten en de geheele bespanning in een verwarden hoop naar beneden tuimelde.
Op dezen eersten dag werden vijf mijlen afgelegd. De artillerie van de garde had er twee en twintig uur voor noodig gehad.
Dertiende Hoofdstuk.
Van Smolensk naar Orcha.
Toen de Keizer vertrokken was trachtte Prins Eugenius in Smolensk zijn verspreide troepen weder te vereenigen; met moeite onttrok hij hen aan de plundering der magazijnen en eerst den 15den gelukte het hem, acht duizend man bij elkaar te brengen, waarmee hij zich weer op weg begaf. Ook Jakob Stargardt en zijn moeder, benevens hun beide vrienden, sloten zich daar bij aan.
Het was omstreeks drie uur in den namiddag toen dit viertal het waagde, den grooten weg te verlaten, in de hoop eenig voedsel te vinden. Weldra stonden zij voor de ruïne van een huis. Het was een steenen gebouw geweest, waarvan het dak en het gansche binnenwerk bleek verdwenen. De sporen van groote bivakvuren in de omgeving bewezen duidelijk genoeg, waartoe dat binnenwerk had moeten dienen; slechts de muren waren blijven staan.
Schoon die bouwval dus weinig hopen deed, ving niettemin terstond een scherp onderzoek aan; een ieder deed zijn best om nog iets uit de ruïne op te schommelen, dat in een of ander opzicht bruikbaar wezen mocht.
Aanvankelijk bleef alle onderzoek vruchteloos.
»Ik geef het op!" zei Ros al tegen Reinier. »Maar kijk eens!--wat heeft moeder Jane daar gevonden? Daar is vast iets bijzonders, want haar zoon staat er bij met een gezicht als rook bij ossengebraad."
Reinier keek in de aangeduide richting en zag de marketentster zich bukken tot een poging, om een zwaar stuk puin weg te wentelen.
Jakob, zonder recht te begrijpen wat zijn moeder eigenlijk voor had, sloeg nu dadelijk zijn handen aan den steenbrok en rolde dien, schoon niet zonder krachtsinspanning, op zij.
»Neem nu dàt stuk óók nog weg," zei de marketentster, nog hijgend van haar vergeefsche poging.
Jakob deed het, zonder te vragen waarom en nam daarop een afwachtende houding aan.
»Als we nu die kleine brokken ook nog wegruimen--dan zal het misschien gaan," zei de marketentster.
»Wàt zal gaan?" vroeg Reinier, die inmiddels met Ros naderbij gekomen was.
»Wel, kijk eens in dit gat hier," verzocht moeder Jane.
Reinier bukte en zag, tusschen de kleinere steenbrokken door, een losse trap, slechts eenige treden diep, en onder die trap, een deur.
»Dat is een kelder!" riep hij, met een uitdrukking in zijn oogen, die dadelijk aan een menigte »goede zaken" deed denken, welke een flink voorziene kelder zoo al bevatten kan.
Volijverig zetten hij en Ros zich nu mede aan den arbeid, en in een oogenblik was de trap geheel vrij. Maar de deur, of juister het luik, dat zoo zeer de algemeene verwachting gespannen hield, was goed gesloten en bood weerstand aan de krachtigste pogingen om het open te breken.
De arme zwervers waren echter sedert hun vertrek uit Moscou te zeer gewoon geraakt aan de aanwending van allerlei middelen van geweld, om lang verlegen te staan. Er werden eenige halfverkoolde stukken hout bij elkaar gezocht en tegen het luik gelegd, vervolgens werd vuur gemaakt en daarna het houtstapeltje aangestoken. Toen gingen zij blazen en de lucht in beweging brengen om het vuur goed te doen vlammen, en binnen een kwartier was het luik zoo ver verbrand, dat het verder met gemak kon worden verbrijzeld.
Jakob kroop vervolgens door de opening heen... Toen hij een oogenblik beneden geweest was stak hij het hoofd weer buiten het verbrijzelde luik en zei verheugd: »Roep nou maar, zoo luid je kunt, hoezee!--Maar, drommels, neen! laten wij ons liever dood stil houden, er mochten kapers op de kust komen!"
Toen hij dit gezegd had, wierp hij achtereenvolgens twee Westfaalsche hammen op den besneeuwden grond, en verdween weer in de diepte.
Een oogenblik later kwamen er gerookte worsten te voorschijn en Jakob verklaarde, dat er nog meer lekkernijen in den kelder waren; ja, hij geloofde, dat er ook nog wat anders in was, want er stond een groote ijzeren kist, die hij met geen mogelijkheid alleen kon optillen.
Reinier reikte Jakob nu een brandend stuk hout aan, om hem tot fakkel te dienen; maar het bleek dat de kelder, op de ijzeren kist na, niets meer bevatte dan een paar flesschen wijn. Maar de totale voorraad was toch meer dan voldoende om het viertal gedurende eenige dagen tot onderhoud te kunnen strekken.
»Wij zullen verstandig doen," zei Jakob, zich weer bij de overigen voegend, »met die ijzeren kist maar ongemoeid te laten; het ding is zoo zwaar, dat het wel geen twijfel lijdt of het houdt geld en voorwerpen van waarde in. Wij zijn geen roovers,--laat de eigenaar zijn schat dus ongedeerd terugvinden."
»En dan," zei Reinier, »waarvoor zou de ballast ons dienen? Morgen zouden wij dien misschien toch moeten wegwerpen. Neen, laten wij liever eens een proefje van onze kostelijke provisie nemen; want ik moet eerlijk bekennen, dat het gezicht van al die heerlijkheden mij doet watertanden."
Nadat alle vier zich met een teug wijn verkwikt en een paar flinke sneden ham benevens een stuk worst genuttigd hadden, besloten zij, binnen den bouwval hun bivak gereed te maken. Zij togen dus naar het nabij gelegen bosch, om een voldoende hoeveelheid hout te verzamelen.
Nauwelijks echter waren zij daar mee bezig, of zij werden door een sterke bende Russische boeren overvallen. Tegenover die groote overmacht zou alle weerstand nutteloos zijn geweest, te meer, wijl zij hun wapenen in den bouwval hadden achter gelaten. De boeren namen het viertal in hun midden en voerden hun gevangenen met zich mee het bosch in. Na een kwartier ongeveer hielden zij stil op een plaats, waar reeds verscheidene der hunnen op hen wachtten; van tijd tot tijd kwamen andere troepen den weg van Smolensk af en sommige hadden eenige Franschen als gevangenen bij zich. De Russen schenen eindelijk voltallig te zijn. Zij dreven de gevangenen te hoop, namen ze daarop in hun midden en trokken verder het woud in.
Na een half uur bereikten ze een open plaats, die echter rondom door het bosch was ingesloten. Hier brandden hooge wachtvuren, waar talrijke groepen gewapende landlieden omheen lagen.
Met verwondering zagen de gevangenen ook vele vrouwen, die de algemeene haat tegen den vijand van haar vreedzame werkzaamheden afgerukt en midden in het krijgsgewoel der mannen gevoerd had. Eenige maakten het eten klaar, andere poetsten wapenen, enkele zagen zij een gewonde verbinden.
Door de nabijheid van het Fransche leger hadden de Russen, die de vier Hollanders waren overvallen, zich geen tijd gegund, hun gevangenen te berooven. Thans schenen zij daartoe echter te willen overgaan. Een baardige Rus trad op moeder Jane toe en wilde haar de pelsmuts van het hoofd rukken. Onwillekeurig trad zij een stap achteruit, terwijl Jakob toesprong en den boer met de hand afweerde. Woedend hief deze nu zijn knuppel tot een geweldigen slag omhoog. Doch opeens klonk de kreet van een vrouwenstem; in 't zelfde oogenblik drong een Russin door de rijen en hield den opgeheven arm van den boer tegen. Driftig keerde deze zich om, doch toen hij zag wie hem tegenhield, veranderde zijn toorn opeens in onderdanigheid en trad hij zwijgend terug.
Jakob drukte dankbaar de hand van zijn redster in wie hij thans de vrouw herkende, die hij in Moscou tegen de roofzucht van den Duitschen soldaat verdedigd had. Met gebaren beval hij nu ook zijn drie lotgenooten in haar bescherming aan.
Zij knikte, als bewijs dat zij hem begrepen had.
Op dit oogenblik naderde de aanvoerder, die blijkbaar haar echtgenoot was. Hij scheen inlichtingen te vragen, maar aan de vier Hollanders ontging het niet, dat hij onder het uitvoerig relaas der vrouw af en toe de wenkbrauwen samen trok en herhaaldelijk het hoofd schudde.
Even later liet hij allen verzamelen en men zette zich in beweging, terwijl de vier Hollandsche gevangenen door eenige landlieden met pieken bewaakt werden.
Eindelijk bereikte men een dorp, waar de bende zich in verscheidene groepjes splitste om een onderkomen te zoeken.
De aanvoerder trok met een kleine afdeeling nog wat verder, tot zij aan een halfverwoest landhuis kwamen. Hier werden de Hollanders in een klein vertrek opgesloten, waar zij al spoedig van vermoeidheid in slaap vielen.