De Zwarte Kost

Chapter 5

Chapter 51,888 wordsPublic domain

Daarop verliep nogmaals een maand zonder enige tijding van hem. Dan weer, op een morgen, drie brieven: een voor zijn moeder en Fietje; een voor Eulalie en een voor meester De Vreught. En nog eens geen enkel woord, geen de minste zinspeling meer over het onderwerp waarmee hij maanden lang zo uitsluitend bezig was geweest. Hij sprak breedvoerig over zijn betrekking en werkzaamheden als onderintendant; over de steeds brandend-heter wordende dagen en de bijna koude nachten, over een nieuwe koortsaanval, die hem drie dagen lang bedlegerig gehouden had. Hij vertelde ook dat hij in de bossen rondom zijn factorij heerlijke reuzenbloemen ontdekt had, waarvan hij 't zaad zou trachten op te doen; en dat hij vlinders had gevangen die zo groot waren als vogels, met gouden en azuren wieken, die hij aan meester De Vreught zou opzenden om er zijn collectie mee te verrijken. En slechts op het einde van zijn brieven kwam nog iets als een duistere herinnering aan wat hem vroeger zo halsstarrig obsedeerde, namelijk dat men in Congoland steeds zo bijzonder op zijn gezondheid letten moest, en dat de kleinste buitensporigheid, van welke aard ook, er de Europeaan zo verschrikkelijk duur werd betaald gezet. Een van de blanken, die hem op de tocht vergezelden, was, na een ontdekkingsreis in 't binnenland, zó ziek in Leopoldsville teruggekomen, dat hij drie dagen daarna overleden was. Maar was het ook niet krankzinnig: hij hield er niet minder dan drie inlandse vrouwen op na. Had hij zich dan nog met één enkele tevreden gesteld!

XII

En het was op een zachte, heerlijke meimorgen, juist elf maanden na zijn vertrek, dat plotseling in Akspoele deze ontzettende tijding als een loopvuur werd verspreid:

--Massijn is in Congoland gestorven!

Meester De Vreught lag nog te bed, toen hij de Bavelse brievenbesteller; die de courant bracht, tot zijn zuster, die een kreet van smart en medelijden slaakte, deze schrikkelijke woorden hoorde zeggen.

Hij sprong uit zijn ledikant, verscheen half aangekleed, met verwilderd--uitgezette ogen in de gang, ondervroeg dringend de postbeambte, die zijn ontzettende woorden herhaalde, erbij voegend dat de akelige tijding de vorige avond per telegram uit Brussel verzonden was.

Toen kleedde de meester zich ijlings aan, zette zijn hoed op, en snelde naar het huisje van de weduwe Massijn.

Alvorens zelfs een woord te spreken kon hij zich overtuigen, dat de smartelijke mededeling maar al te waar was. Moeder Massijn en Fietje, van droefheid op stoelen ineengezakt, stortten, evenals op de dag van Fortunés vertrek, wanhopig hete tranen; en op 's meesters ontroerde vraag, liet Fietje hem het telegram zien dat men de vorige avond uit Boma te Brussel ontvangen, en dadelijk naar Akspoele overgeseind had:

Fortuné‚ Massijn, sous-intendant Leopoldville, décédé 13 Mars fièvre hématurique.

Het was, in Akspoele, een opschudding bijna zo groot als op de dag toen Fortuné voor altijd wegging. Doch, hoe vreemd, zeer weinig medelijden mengde zich in de ontzetting van de dorpelingen. Met Fortunés noodlottig einde scheen ook eensklaps al de grootheid van zijn onderneming in puin gestort te zijn, en er niets meer over van te blijven dan het dwaze en het onbezonnene. Alle de dorpelingen, tot zelfs zijn vurige bewonderaars de heren Potvlieghe, Spittael en De Vreught waren het eens om te zeggen dat hij de grootste der domheden begaan had, en het vrijwillig slachtoffer was van zijn overmatige hoogmoedswaanzin. Zelfs voegde de lelijke Blink, in zijn verwaande kennis van de Afrika-toestanden er een bijna boosaardige zinspeling aan toe: aan een gapend vóór zijn deur geschaarde groep dorpelingen, die hem naar de oorzaak van Massijns dood ondervroegen, en de veronderstelling opperden of hij wellicht niet door de wilden opgegeten was, durfde Blink met een ondeugend geknipoog deze sterk gewaagde uitlegging geven:

--Door wilden opgegeten?... Neen, hoor... neen neen neen,... ik weet immers wel hoe het er in Afrika toegaat, nietwaar? En stiller, terwijl hij geheimzinnig glimlachend tot zijn verbaasde toehoorders neeg:

--Die jongen praatte te veel over de Zwarte Kost. Hij zal er op zijn beurt ook eens van geproefd en er te veel van gegeten hebben.

* * * * *

Drie dagen later werd er, in het kerkje van Akspoele, een plechtige zielmis gezongen ter nagedachtenis van Fortuné Massijn, overleden in Congoland voor de beschaving van zijn heidense broeders.

Omheen en achter de met brandende waskaarsen omringde catafalk, waarvan het houten geraamte onder het zwart lijkkleed met zilveren franjes de akelige vormen van de afwezige doodkist voorstelde, had een drukke schaar dorpelingen van beide geslachten plaatsgenomen. Dáár, geheel in 't zwart gekleed, zaten wenend neergeknield op de eerste rij stoelen, moeder Massijn en Fietje, met aan hun zijde, als een lid van de familie, de ook bitter huilende Eulalie uit _Het huis van Commercie_. Dan waren het, langs de kant van de mannen, naast de heren De Vreught, Spittael en Potvlieghe, die hun zwarte jas van de plechtige omstandigheden aangetrokken hadden, nagenoeg al de voornaamste ingezetenen van 't dorp, benevens een aantal boeren uit 't omliggende; en, aan de overzijde van de middengang, langs de kant van de vrouwen, mevrouw en mejuffrouw Spittael, mevrouw Potvlieghe en mejuffrouw De Vreught, de twee juffrouwen Speleers en de vier juffrouwen Van Vreckem, en zoveel anderen. Slechts de drie juffrouwen Balcaen waren er niet te zien en hun afwezigheid verwekte grote opspraak. Naderhand werd verteld, dat zij de plechtigheid niet hadden willen bijwonen, om reden van de lelijke gesprekken, die de blikslager Blink over de oorzaak van Massijns dood in het dorp gehouden had.

XIII

Drie maanden later, toen Massijn reeds lang, ver van verwanten en vrienden in den vreemde begraven lag, en zelfs in zijn geboortedorpje begon vergeten te worden, kwam op een morgen, met de postwagen van Bavel, een lijvige koffer bij de weduwe Massijn aan. Die koffer bevatte de kleren en andere voorwerpen die aan haar overleden zoon toebehoord hadden. En bij die sprekende herinnering aan de dode barstten moeder Massijn en Fietje weer in hete tranen los. Eerst na de middag, toen hun grootste droefheid wat gestild was, ging Fietje bij de timmerman een hamer en een beitel halen, en braken zij de koffer open.

Benevens de kleren van de overledene zat hij vol met een rommel van allerlei ongelijksoortige voorwerpen. Er was een dikke bundel met bruine touwen saamgebonden wapens, een aantal grote en kleine koperen ringen; houten en leren, fijn gedreven schotels en bekers; een armvol grof gevlochten, rijkgekleurde matten; een gesloten pak met, als adres, op een van Fortunés visitekaartjes: 'voor mijn goede vriend meester De Vreught', een tweede voor de 'goede vriend mijnheer Potvlieghe'; een derde voor de 'goede vriend mijnheer Spittael'.

Moeder en Fietje legden die geschenken opzij en pakten voort de kleren uit. Gescheurde en gevlekte hemden, kamizolen en kousen vol gaten, zware, doorgesleten en scheefgelopen, rossig geworden schoenen. En de mooie, blauwe uniformjas en de mooie pet waarmee hij zo fier in Akspoele gepronkt had, waren insgelijks verknoeid, bezoedeld en verkleurd; en de schone vergulde galons hingen half ontnaaid van de mouwen, hun vroegere glans verdoft in kopergroene tinten, en omgebogen en gewrongen, als rafels platgeslagen zinkdraad. En uit dat alles walmde, met een licht wolkje stof, een lafzoete, akelige lucht, die de twee vrouwen de adem benauwde, en voortdurend nieuwe tranen in hun ogen deed opwellen.

Zij zochten in de zakken en keerden die om, hopend er nog een woord, een brief, het een of ander iets van hem te vinden, dat hun nog enige opheldering over zijn zo schielijke, tragische dood zou geven. Doch neen, zij vonden niets meer. Al wat zij nog ontdekten was, gans op de bodem van de koffer, een kleine bruinlederen portefeuille.

Fietje raapte die op en deed ze open. Zij bevatte enkele brieven uit Akspoele, een tiental visitekaartjes en Congolese postzegels; en, gans in het achterste tasje, een fotografie, met een klein, door een draadje eraan vast gebonden lokje zwart kroeshaar.

Verbaasd, de open portefeuille in de hand, bleef Fietje een ogenblik roerloos, als begreep zij niet wat het was, die zonderlinge voorwerpen aanstaren. De fotografie stelde voor een jonge negerin, naakt tot aan de lendenen, de kort-krullende haren dichtgeplant, het brons aangezicht blinkend, lachend met een strelende glimlach van ogen en tanden. De haren leken sprekend op die van het lokje; onderaan het portret, door Fortunés hand geschreven, stonden deze woorden:

MIJN LIEVE KHAMISSI

--Moeder,... zeg, moeder, zie eens hier...

Fietje, eensklaps kersrood geworden, stak, met iets als een zweem van toorn en afkeer op 't gelaat, de portefeuille met de zonderlinge voorwerpen naar haar moeder uit. De oude vrouw, met haar door tranen verduisterde ogen, kon eerst niets onderscheiden, begreep niet wat het zijn mocht. Doch plotseling was het of haar betraande aangezicht versteende in een uitdrukking van schrik: zij slaakte een schorre zucht, gaf Fietje, met een trillend:--in 't vuur! in 't vuur! die lelijke dingen! de portefeuille terug, en zakte als vernield op een stoel, het snikkend hoofd onder haar beide handen verborgen.

Blink had dus niet gelasterd!... Fortuné had zich op zijn beurt slecht gedragen in het vreemde land, en als slachter van zijn losbandigheid was hij er gestorven! O! wie zou dat toch ooit van hem hebben gedacht!

XIV

En nu zijn die Congolese wapens en andere voorwerpen, die in de kamers van meester De Vreught, Spittael of Potvlieghe aan de wanden hangen, het enige dat nog in Akspoele aan de rampzalige Fortuné Massijn herinnert. Op feest- en kermisdagen, wanneer die heren vreemde gasten in hun woning ontvangen, leiden zij die telkens in hun salon of werkkabinet; en, wijzend met trotse glimlach op de aldaar pronkende trofeeën, zeggen zij tot hun bezoekers:

--Dat alles komt uit de wilde gewesten van het mysterieuze Afrika; dat alles werd ons van ginder opgezonden door een vriend die er gestorven is.

Dan spreken zij in onverschillige woorden een weinig over hem, en, terugkomend in de eetzaal waar de lekkere maaltijd wacht, wrijven zij zich genoeglijk de handen en wisselen zij glimlachend de opmerking hoe veel beter het toch is in het oud gemoedelijk Vlaanderen gezellig rond een welbediende dis te zitten, dan ginds zo ver en zo heel alleen de Zwarte Kost te gaan eten.

_De Zwarte Kost!..._ Deze benaming heeft fortuin gemaakt in Akspoele! Massijn en zijn dwaasheid zijn vergeten, maar dat door hem nagelaten woord is gebleven, en brengt er, telkens als het uitgesproken wordt, een ondeugend glimlachje op de lippen.

Slechts moeder Massijn en Fietje, die steeds eenzaam in hun huisje wonen, lachen niet, als zij het horen. En Eulalie, die er maanden lang een echte marteling mee uitstond, heeft het niet meer willen horen: zij is ervoor gevlucht, zij heeft het dorp verlaten; zij huwde anderhalf jaar na Fortunés dood, een slachter van Lovergem, een dorp dat op meer dan drie uren afstand van Akspoele ligt.

En vreemd mag het heten: sinds Massijn dood is gelooft niemand in het dorp, behalve misschien de heren De Vreught, Spittael en Potvlieghe, nog een enkel woord van al de wondere dingen die de jongeling zo vaak over Congoland placht te vertellen; evenmin als wat die handelsreizigersachtige explorateur Kinel er op een zondagnamiddag in _Het huis van Commercie_ kwam over uitkramen.

Men hecht alleen nog geloof aan de onbeschaamde verzinsels van blikslager Blink, die dadelijk klaar gezien heeft in Massijns geval, en die nog wel eens, op zondagmiddagen, een gapende groep dorpelingen rond zijn deur geschaard houdt, genietend van 't vermaak ze te verbluffen door zijn snoeven, tot de graad somtijds zijn eigen leugens te geloven.