Chapter 4
De brief was inderdaad van een wanhopende banaliteit, en, op vele plaatsen, bijna onbegrijpelijk. Behalve wat hij schreef over zichzelf en zijn gezondheid, die eerst wel wat te wensen overliet tengevolge van zeeziekte, vergenoegde Massijn zich met zijn reisindrukken weer te geven, door het nagenoeg louter abstracte citeren der eigennamen van ontmoete personen of geziene dingen. Hij schreef: 'den zesden juni is het schip ongeveer vijf uren stil gebleven vóór Madeira om kool in te laden, en den volgenden morgen hebben wij de _Coomassie_ ontmoet die naar Europa terugtoog', maar zonder door een enkele omschrijving aan te duiden, wat voor een uitzicht Madeira wel had, noch wat de _Coomassie_ ook zijn mocht. Ofwel hij vertelde: 'Terwijl ik zit te schrijven komt mijn goede vriend dokter Dancla mij voorstellen samen in den bar een cocktail te gaan nemen'; of nog: 'Ik moet het schrijven staken want wij zijn reeds volop in 't gezicht van Las Palmas, waar ik mijn brief zal posten...', doch zonder evenmin uiteen te zetten wie of die nieuwe goede vriend dokter Dancla, waarvan hij vroeger nooit gesproken had, wel wezen kon, noch wat de cocktail of de bar betekende, noch vooral wat zijn mocht dat tantaliserend iets, dat meester De Vreught, in zijn nuchtere-verbeelding, zich als de betoverende verschijning van een Eden voorstelde: volop in het gezicht te komen van Las Palmas.
Hij voelde zich in hoge mate teleurgesteld, hij zette haastig zijn hoed op en liep bij zijn buurvrouw aan, in de hoop dat Fortuné tenminste aan zijn moeder en zijn zuster meer bijzonderheden zou geschreven hebben.
Maar de brief, die zij van hem gekregen hadden bevatte volstrekt niets interessanter. Ook dáárin geen de minste beschrijving van al de wonderen die hij toch moest gezien hebben. Trouwens, daarom bekreunden moeder Massijn en Fietje zich het minst. Het enige wat hun van belang kon wezen was hem in goede gezondheid te weten, en zij weenden van zalige ontroering omdat zijn brief, goddank, hen dienaangaande had gerustgesteld.
Meester De Vreught, meer en meer teleurgesteld, verliet hun woninkje en begaf zich beurtelings bij de heren Spittael en Potvlieghe, alsook naar _Het huis van Commercie_. Hij vond zijn twee vrienden niet minder ontgoocheld dan hijzelf was, vooral de handelaar in kolen, die dolgaarne iets meer zou vernomen hebben aangaande dat interessante kolen inladen vóór Madeira; en, wat Eulalie betreft, die stond vuurrood in de herberg achter de schenktafel en weigerde bepaald iets van de brief, die ook zij ontvangen had, te laten lezen: alleen verzekerde zij meester De Vreught dat er volstrekt niets in stond van de dingen die hem zozeer interesseerden.
Die avond, in _Het huis van Commercie_, omringd van een groep dorpelingen die het nieuws van de aangekomen brieven daar aangelokt had, praatten die heren langdurig over de gewichtige gebeurtenis. Een wereldkaart, ergens uit de diepten van een lade door meester De Vreught opgegraven, werd in de gelagzaal op een tafel uitgespreid, en, bij gebrek aan iets beters, inventeerde meester De Vreught zelf, voor de hem gapend omringende toehoorders, de uitleggingen die hij zo graag van Massijn zou vernomen hebben. Madeira, waar de _Loualaba_ gedurende vijf uren het anker geworpen had om kolen in te laden, was het klein eiland daar in volle oceaan, waar de, onder die naam alom vermaarde, zo lekkere morgenwijn vandaan kwam. Meester De Vreught had er nog enkele flessen van in zijn kelder, doch was het nu toch niet jammer dat Fortuné zijn kort verblijf aldaar niet had te baat genomen, om, al was 't ook slechts een klein vaatje van die fijne drank naar Akspoele te sturen, zodat men eens over 't verschil kon oordelen? Maar wat mocht wel die cocktail zijn, welke die dokter Dancla aan Massijn voorgesteld had in de bar te gaan nemen? Waarschijnlijk een grote vis en de 'bar' ongetwijfeld het barkje, het schuitje waarmee zij hem zouden vangen. Blijkbaar waren de passagiers, die ganse dagen niets te verrichten hadden, aangelokt tot zulk een tijdverdrijf. Wat betreft Las Palmas, de plaats waar Massijn zijn brieven naar de post gebracht had, dat was de hoofdstad van dit eiland hier 'la grande Canarie'. Natuurlijk was het daar, zoals de naam het genoeg aanduidde, vol prachtige palmbomen, net als in het eiland zelf de kanarievogels zo overvloedig moesten zijn als te Akspoele de mussen. Hier, tenminste, schilderden de namen zelf het tafereel; maar nog eens, hoe jammer toch dat Fortuné niet van zijn bezoek geprofiteerd had om een twintigtal of zo van die kanarievogels te vangen en ze naar Akspoele te zenden. Men zou ze hebben laten kweken met die men hier in kooien hield, en zonder enige twijfel zou het ras er merkwaardig door verbeterd zijn. Neen, waarlijk er ontbrak aan Fortuné een gave om fortuin te maken in den vreemde. Indien hem, meester De Vreught, zulk een heerlijke kans te beurt gevallen was, zou hij alles, alles wat maar enigszins in zijn bereik kwam, waargenomen hebben. In weinige jaren tijd zou hij schatrijk geworden zijn; dát voelde hij. Hoe jammer, hoe ontzettend jammer, dat Fortuné zich zo maar alles liet ontsnappen!
* * * * *
Opnieuw verliepen veertien dagen. Dan, op een morgen, deelde de Bavelse brievenbesteller een tweede zending vreemde brieven in Akspoele uit. Deze droegen op de omslag postzegels met het beeld van koning Leopold en waren gestempeld uit Boma. En, van toen af aan, kwamen zij regelmatig om de veertien dagen of drie weken, en werden zij ook wel van lieverlede wat interessanter.
Terwijl Fortuné nog te Boma was, wachtend tot de karavaan waarmee hij naar 't binnenland vertrekken zou haar laatste toebereidselen voltooide, had hij het antwoord van meester De Vreught op zijn eerste brief ontvangen; en nu de tocht begonnen was, maakte hij soms van de avondrust gebruik om in zijn tent aan zijn vrienden van het vaderland te schrijven, en het al te droge van zijn eerste brieven door meer schilderachtige en anekdotische verhalen te vergoeden.
In de aanvang waren die mededelingen vol gloed en geestdrift: o, de natuur was prachtig, wonderschoon in Afrika; het was er een voortdurend Eden, waarin de mensen leefden als goden; doch van lieverlede begon die hartstocht te verzwakken, verradend een gedwongenheid, een opgeschroefdheid om het optimisme vol te houden, waarbij aldra een meer en meer ontmoedigde teleurstelling tussen de regels heen duidelijk leesbaar werd. Op zekere morgen, een drietal maanden na Massijns vertrek, ontving meester De Vreught van hem een brief van niet meer te bedwingen pessimisme en ontgoocheling.
'Lieve meester', schreef hij tot de gepensioneerde onderwijzer, 'ik moet volstrekt eens mijn hart bij u uitstorten. Naar huis en aan Eulalie schrijf ik voortdurend opgeruimde brieven om ze daar niet te bedroeven; maar u durf ik toch wel vertrouwelijk zeggen dat alles in dit land lang niet zoo rozekleurig is als zij in België wel denken, en dat er hier wel heel veel leelijke en triestige dingen gebeuren, die niet zouden mogen zijn. En, het is zoo: de Europeanen, die hier zoo gezegd komen om de wilde volken te beschaven, hebben doorgaans de grootste schuld daaraan.
Enkele dagen geleden had onze karavaan, die bestaat uit twee honderd vrachtdragers, een twaalftal inlandsche soldaten en vijf blanke reizigers, met valavond stilgehouden in de nabijheid van een dorp. Daar de plaats geschikt bleek te zijn besloot de kommandant er te kampeeren. Het avondmaal werd ons, als naar gewoonte voorgedischt in de groote tent, en, nadat men veel gegeten en gedronken had, (want, meester, gij hebt geen idee van wat hier door de Europeanen gedronken wordt) begaf zich een ieder van ons naar zijn afzonderlijke tent om er den nacht door te brengen.
Alles was stil geworden in het kamp, en in een diepen slaap lag ik van mijn vermoeidheid uit te rusten, toen ik plotseling door een razend gedruisch van geschreeuw en geweerschoten wakker werd geschrikt. Met een angstkreet sprong ik op, greep mijn geweer, snelde half aangekleed buiten, gevolgd van mijn boy die gilde of hij vermoord werd.
Lichten dwarrelden verwilderd door het kamp, halfnaakte mannen renden tusschen de tenten heen, op vijftig passen afstands kraakte een onderbroken musketsalvo, vergezeld van kreten en vloeken, om u het bloed in de aderen te stollen. Het waren de inboorlingen van het nabijgelegen dorp die het kamp bestormden. Dat duurde zoo ruim een half uur in een gebriesch en een verwarring zonder weerga. Dan werd alles weer stil. Men hoorde niets meer in den donkeren nacht dan het akelig geklaag der gekwetsten en stervenden.
Nog ganse ontsteld, vreezend dat er dooden waren onder onze blanken, vloog ik naar de groote tent, waar wij den vorigen avond gedineerd hadden. Maar ik zag dadelijk dat mijn vrees ongegrond was. Mijne vier blanke medereizigers stonden ongedeerd rondom een tafel waarop twee kaarsen brandden. Zij lachten zelfs uitbundig toen ik binnenkwam, en, terwijl een boy twee flesschen champagne en glazen op de tafel schikte, ontwaarde ik, tot mijn stomme verbazing, bij het weifelend schijnsel der kaarsen, in eenen hoek der tent vier halfnaakte vrouwen: vier jonge negerinnen die zich bevend en huilend van schrik tegen elkaar aandrongen. Verbaasd bleef ik een oogenblik aan den ingang der tent het tafereel aanstaren. Dan vroeg ik wat er gebeurd was, waarom de inboorlingen het kamp hadden aangevallen.
'O, ziedáár waarom,... omdat wij een beetje pret wilden maken', antwoordde de chef der karavaan, met den vinger naar de negerinnen wijzend. En met iets spottends in zijn op mij gevestigden blik.
'Zeg eens, zijt gij alleen dan vrijgezel gebleven, dezen nacht' schertste hij.
Ik laat u denken, waarde meester, hoe verontwaardigd ik was. Ik boog zonder een woord te spreken en ging de tent uit. Maar eerst den volgenden morgen vernam ik de gansche waarheid: die mooie heeren hadden met geweld de vier vrouwen in het dorp doen schaken, en 't was om zich te wreken dat de inboorlingen 't kampement bestormd hadden. En dát noemt men in België de wilde volken beschaven! Weet ge wat ze bijzonder goed van onze beschaving onthouden hebben, meester: vloeken en jenever drinken. Voortdurend, bij elke inspanning, als ze een vracht moeten sleuren, als ze eens flink moeten roeien, komen de godverrr...s en de sakerrr...s uit hun mond gerold. Ze vloeken gelijk duivels, waarde meester; en, wat de jenever betreft, zoodra ze daar maar kunnen aan geraken drinken ze er op los tot ze vallen. Mijn meening is, meester, dat die menschen veel gelukkiger waren vóór zij onze beschaving kenden. Maar de goddelijke rechtvaardigheid straft zulke gruwelen als de Europeanen hier bedrijven. Zij allen die zich zóó aan den drank en aan de _Zwarte Kost_ overgeven, worden al spoedig de slachtoffers hunner eigen misdaden. Het vreeselijk klimaat van Afrika straft hun overdaden met een doodvonnis, en het is wel besteed.
Ziehier nu, waarde meester, nog een andere gebeurtenis. Het is gebeurd eergisteren, tijdens een stilstand onzer karavaan in eene factorij aan den oever der rivier. Ik zal maar liever geen namen van plaats noch personen noemen; een brief geraakt zoo gemakkelijk verloren in deze wilde streken, en hier, evenals in België, en misschien nog meer dan in België, bestaat er zooveel jaloerschheid, geheime aanklacht, bespieding. Enfin, waarde meester, ziehier, in korte woorden, wat het is.
Toen wij op de bewuste plaats aankwamen zagen wij naast de kade der factorij een kleine stoomboot van den Staat liggen, die op het punt was om naar Boma te vertrekken. Er waren verscheidene blanke passagiers aan boord, waaronder namelijk de chef der factorij, die, na zijn volbracht termijn van drie jaren, naar Europa terugtoog. Het is, tusschen haakjes gezegd, een in België gehuwd man, vader van vier kinderen.
Wij waren even aan boord van de stoomboot gegaan om de vertrekkende landgenooten te groeten, en wij keerden bij de aan den oever rustende karavaan terug, toen eensklaps, terwijl het stoombootje de kade verlaat, op den top der rots welke op die plaats over den stroom helt, een gillend angstgeschreeuw weergalmt. Schrikkend slaan wij de oogen op, en ontwaren op de spits der rots, aan den boord zelven van den afgrond, een vrouw, een jonge negerin, die, smeekend en huilend, met gebaren van wanhoop haar beide armen, waarin zij een klein kind houdt, naar het vertrekkende schip uitstrekt. En plotseling, op het oogenblik zelf dat achter haar twee negers komen aansnellen die haar grijpen willen, werpt zij een laatsten schreeuw uit en springt van meer dan honderd meters hoog met haar kind in den stroom...
Op die plaats, meester, buitelt het water van den Congo in wild-schuimende draaikolken over een bed van scherpe rotsblokken. Zelfs de sterkste zwemmer zou er bezwaarlijk zijn leven kunnen redden. Ook durft niet een enkel onzer redders, ondanks al hunne moed, in 't water springen. Vier mannen snellen in een schuitje en pagaaien uit al hunne macht een vijftigtal meters stroomafwaarts, waar de rampzalige vrouw, medegesleept door den wilden stroom, een enkel oogenblik is opgedoken, haar kind steeds in de armen houdend. Doch alle pogingen zijn vruchteloos. Na ruim een half uur zoeken en peilen moest men het opgeven.
Welnu, meester, wilt gij weten wie die vrouw was en waarom zij in den stroom sprong!... Zij was de bijzit van den chef der factorij, van dien in België gehuwden man en huisvader; en zij bracht zich met haar kind, met zijn kind om 't leven, omdat hij weigerde haar op zijn terugreis met zich mee te nemen.
P.S. Veel groeten van uw beste vrienden, de jonge prinsen Albert Badoe en Boudewijn Soera. Gij kunt u maar niet verbeelden hoe gelukkig zij waren toen zij hun vaderland terugzagen. Doch het is jammer dat ze haast dadelijk weer zoo vreeselijk wild geworden zijn. Het is of al het vernis van beschaving, dat zij uit België medebrachten, hun plotseling ontnomen werd. Zij hebben reeds driemaal tegen andere knapen van hun leeftijd gevochten, en men is er ook toe genoodzaakt geweest hun de vóór het vertrek uit Antwerpen als geschenk gegevene revolvers te ontnemen, omdat zij er mee op de dragers schoten. Zij willen ook geen woord van het Vlaamsch of Fransch meer spreken, dat men hun met zooveel moeite heeft geleerd. In hunne wilde taal, integendeel, praten en schreeuwen zij voortdurend. Ik vrees sterk, waarde meester, dat onze beschaving op hen al niet meer indruk heeft gemaakt dan regen op een eend.
X
Op weg naar Leopoldville; in mijne tent, den 3den juli, zes uur 's avonds.
_Waarde Meester,_
Ik kan niet laten u nog een anecdote te verhalen, die mij verontwaardigd heeft en tevens doen lachen. Het is betrekkelijk een zonderling geschenk, dat ik gisteren de gelegenheid had te ontvangen, maar hetwelk ik 'met entrain' van de hand gewezen heb.
Ik was, door den bevelhebber der expeditie, met drie soldaten en enkele dragers naar een dorp uitgezonden geweest, om er, tegen ruiling van kralen, katoenlinnen en... whisky, levensmiddelen te bemachtigen.
Zoodra ik in het dorpje aankwam beval ik dus, zooals de gewoonte is, musketsalvo en tromgeroffel, en liet ik mij aan het inlandsch opperhoofd voorstellen.
Deze, een oude grijze dronkaard met een afzichtelijke tronie, walgwekkend van smerigheid, zat, of liever lag half uitgestrekt op eene vuile mat, vóór het rampzalig strooien krot, dat hem tot Koninklijk paleis diende. Rechts en links stonden, fiks en onbeweeglijk, twee schildwachten. Op zijn bevel komt een slaaf te voorschijn met een beker vol palmwijn, en nadat de oude vuilik er met zijn kwabbige lippen een slok van gedronken heeft, reikt hij mij den beker toe met het verzoek zijn voorbeeld na te volgen, ten teeken van vrede. Ik ben wel genoodzaakt zulks uit beleefdheid te doen, doch gij kunt denken, meester, met welken afkeer. Ik dacht dat ik er waarlijk van zou braken. Enfin, ik doe het toch en nadat ik hem de geschenken overhandigd heb, die wij in name van onzen kommandant voor hem medebrachten, begin ik, door tusschenkomst van onzen tolk, het doel van mijn bezoek uit te leggen.
De kerel aanvaardt met welgevallen onze giften, en, na een woordenwisseling van enkele minuten, komen wij overeen aangaande den prijs der te leveren eetwaren. En ik sta op tot afscheidnemen, toen de man mij door onzen vertolker laat begrijpen, dat hij mij ook een geschenk wenscht te geven. Daarover betuig ik hem natuurlijk mijn dank; en, op een nieuw bevel van hem, verschijnt, ik laat u raden wat meester, ik geef u duizendmaal om het te raden,... welnu, op zijn bevel verschijnt een negerin,... een nog al aardig negermeisje van misschien een vijftiental jaren! Mij minzaam toelachend bleef zij op een drietal passen afstands staan, terwijl de tolk, in name van den Koning sprak:
--Boeboe Ramaga (zoo luidde de naam van dien kerel) verzoekt den blanken reiziger de jonge Khabinda als geschenk van hem te aanvaarden.
Ik hoef u niet te zeggen, waarde meester, of ik pal stond van verbazing. Het rood der schaamte en der gramschap steeg mij naar de wangen; en brutaal, op een toon en met een air die geen twijfel lieten over mijn gevoelens, gaf ik in 't Vlaamsch, ja meester, in echt ruw Axpoelsch Vlaamsch aan den ouden vuilik dit antwoord:
--Merci, mijnen boas, ge zij bedankt; 'k en moe van ouwe _Zwarte Kost_ nie weten!...
Er ontstond een moment onheilspellende stilte en ik dacht wel, waarde meester, een onaangenaam oogenblik te passeeren. Doch 't zij het opperhoofd en zijne hovelingen mijn beleediging niet voelden, of het beneden hun waardigheid achtten er notitie van te nemen, geen van hen liet eenigen toorn noch verontwaardiging blijken. Alleen toen de jonge negerin, die dadelijk besefte wat er omging, mij met een minachtend lachje en een ophaling der schouders den rug toekeerde, werd het den koning min of meer duidelijk wat ik gezegd had, en gaf hij mij dit ontzettend wederantwoord, dat ik hier zoo decent mogelijk vertaal.
--Welnu, als ge niet verlangt op de gewone manier haar de uwe te maken, eet ze dan op.
Dat klonk nu toch zoo gek, waarde meester, dat ik mij, ondanks mijn ergernis, niet kon weerhouden er luid om te lachen. Doch ik kwam terstond tot het bewustzijn mijner deftigheid terug, en, om een einde aan dat tevens pijnlijk en walgelijk tafereel te brengen, maakte ik twee stappen vooruit in de richting van den koning, en liet hem zeggen door den tolk:
--Boeboe Ramaga, de blanke chef bedankt u voor 't geschenk dat gij hem geven wilt, doch liever verkreeg hij iets anders, bij voorbeeld een keus van inlandsche sieraden en wapens.
Boeboe Ramaga schoot in gullen lach, en, nadat hij mij een oogenblik met een air als van meewarige spotternij had aangekeken, stemde hij toe in mijn verzoek. Het negerinnetje verdween, en twee slaven brachten gansche armvollen van de verlangde voorwerpen aan.
Ik heb in dat vreemd arsenaal een mooie, rijke keus gemaakt, waarde meester, en geloof wel dat ik niet vergeten heb ook voor u iets op zij te leggen. Als wij te Leopoldville zullen aangekomen zijn zal ik u met de eerste gelegenheid een aantal aardige dingen opsturen. Vindt ge niet dat zoo iets heel wat beter is, dan gelijk zooveel anderen aan den Zwarte Kost te doen?
P.S. Veel komplimenten aan mijn goede vrienden de heeren Potvlieghe en Spittael. Zeg hun dat ik hun ook met de volgende mail zal schrijven, doch verder aan niemand een woord, niet waar? over alles wat ik u in mijn laatste brieven vertrouwelijk heb meegedeeld. Thuis bij moeder, en in _Het huis van Commercie_ moogt ge daar vooral niet van gewagen. Ik schrijf met dezen zelfden post naar moeder en naar Eulalie, doch zonder van die leelijke quaestie van den Zwarte Kost te spreken.
P.S. Badoe en Soera hebben ons gisteren verlaten en ik mag u verzekeren, meester, dat ik het geenszins betreur. Ze moesten de rivier over varen om naar hun land--of beter gezegd, naar het land van Soera's vader, bij wien Badoe een tijd gaat logeeren,--terug te keeren, en wilt gij eens weten, wat ze gedaan hebben toen zij in het schuitje zaten? Naar ons gegooid met groote steenen, waarvan zij heimelijk een ganschen voorraad hadden opgedaan. Wat 'n schurken! Ik ben beschaamd dat ik er ooit mee op Axpoele geweest ben.
Het begint hier heet te worden! Eerst ging het nogal, maar nu wordt het bepaald onuitstaanbaar. Gelukkig voor mij dat ik niet mee doe aan die quaestie van den Zwarte Kost.
Mijn beste groeten aan uw zuster en gansch vriendschappelijk de uwe
FORTUNÉ MASSIJN.
XI
Die kwestie van de Zwarte Kost...! Het scheen wel of Massijn er tot kwellens toe mee bekommerd was; en zij allen, die van hem brieven uit Congoland ontvingen, deelden weldra aan elkaar deze opmerking mee. Naar zijn schrijven te oordelen, zou men hebben kunnen denken, dat er niets anders interessants in het verre land bestond noch gebeurde. Beurtelings ontvingen de heren Potvlieghe en Spittael, en weldra ook moeder Massijn en Eulalie brieven van Fortuné, waarin, ofschoon met minder vrije ontboezemingen dan in zijn schrijven aan meester De Vreught, diezelfde zonderlinge benaming voortdurend terugkwam. En andere kennissen die hij had in de omringende dorpen en aan wie hij ook nu en dan schreef, vertelden eveneens dat Massijns brieven sinds enige tijd vol waren met zinspelingen op de Congolese vrouwen. Men begon er, in sommige herbergen, glimlachend over te fluisteren, moeder Massijn en Fietje voelden er een soort van schaamte over, en in _Het huis van Commercie_ verliet Eulalie met rode wangen en mokkend gezicht de gelagzaal, zodra dat kiese onderwerp ter tafel werd gebracht. Blink, de onbescheiden blikslager, geneerde zich niet om luid te zeggen dat Massijn, in plaats van altijd tegen de zwarte kost uit te varen, beter zou gedaan hebben er ook eens van te proeven gelijk de anderen, want dat allen het deden, en dat hij, Blink, het ook gedaan had, toen hij diende onder het vreemd legioen, in Algiers.
Toen verliepen er enkele weken zonder dat men nog enige tijding van Fortuné in Akspoele vernam. En ofschoon moeder Massijn en Fietje opnieuw zeer ongerust begonnen te worden, toch vonden zij dat stilzwijgen nog beter dan die ellendige brieven vol toespelingen, waarover enkele dorpelingen zich vrolijk maakten en velen zich ergerden. Men had namelijk opgemerkt dat de drie juffrouwen Balcaen, diezelfde zedige juffrouwen, die destijds, midden in Kinels voordracht, zo vreselijk geërgerd _Het huis van Commercie_ verlieten, reeds tweemaal Fietje Massijn op straat ontmoet hadden zonder haar te groeten, en men beweerde insgelijks dat meneer de onderpastoor op een morgen bij de weduwe Massijn gekomen was, om over die storende brieven van Fortuné een soort onderzoek in te stellen. Stellig toch had Fietje uitdrukkelijk haar broeder verzocht voortaan in zijn schrijven van al die lelijke dingen niet meer te gewagen. En, net of Fortuné onmiddellijk aan dit dringend verzoek had kunnen voldoen, kwam er drie dagen daarna een brief van hem, die zich met Fietjes schrijven gekruist had, waarin geen enkel woord over het kiese onderwerp meer voorkwam. Fortuné vertelde slechts, na enkele onbeduidende dingen, dat hij door een hevige aanval van malaria was aangetast geweest, en dat hij, ofschoon hersteld, zich nog zeer zwak gevoelde en grote voorzorgen moest nemen.