Chapter 2
--Lee ...e...ezen, antwoordde hij met een ernstig, afgetrokken gezicht.
Het was de waarheid. Schier al zijn vrije uren besteedde hij aan lectuur, en wel uitsluitend aan één soort lectuur: Afrikaanse reisverhalen. Hij ging de boeken halen ter stad in een leeskabinet, en uren en uren elke avond, en 's zondags bijna heel de dag, zat hij met de ellebogen op de tafel en het hoofd tussen de handen, als een gehypnotiseerde in zijn lezing verdiept.
Landkaarten lagen vóór hem ontvouwen, waarop hij in verbeelding, door mysterieuze streken de gevaarlijke tochten meemaakte; illustraties van tropische landschappen, van wilde volkstypen, van wondere ontmoetingen en gevechten, aan de authenticiteit waarvan hij geen ogenblik twijfelde, deden rillingen van vervoering en verlangen door zijn ganse lichaam stromen. Zijn starre ogen schitterden, hij zuchtte van inspanning, zijn rusteloze vingers zetten in verwarring zijn haren op, of zij, door het akelige van 't verhaal, vanzelf te berge rezen. En vaak werd hij zó hevig door de indruk van 't gelezene overweldigd, dat het hem een onweerstaanbare behoefte werd er ook aan zijn moeder en zijn zuster iets van mee te delen.
--Da...at is toch schrikkelijk! die...ie Sta ...anley moet toch iets uitgestaan hebben! riep hij soms plotseling, in de stilte van het keukentje, waar moeder en Fietje met hun breiwerk zaten, zijn lezing onderbrekend. En toen de twee vrouwen, weinig geïnteresseerd, of, uit instinctieve weerzin, zijn gezegde onbeantwoord lieten:
--Wilt gij eens weten hoe ...oe... dikwijls hij op één... één enkele maand tegen de wilden heeft moe ...oe...oeten vechten? vroeg hij.-- Twee ...ee en dertig keren! En, weer het boek ter hand nemend, las hij hun enkele bladzijden van de Vlaamse vertaling van de welbekende wonderreizen voor. Toen wist hij van geen zwijgen meer. In de doodse stilte van het keukentje, die alleen gestoord werd door het eentonig tiktak van de klok en het schuchter door elkaar wrikken van de breinaalden, klonk zijn hakkelende stem luid en bombastisch, in verward-ronkende volzinnen. Noch moeder noch Fietje durfden geen woord meer wisselen, haast geen beweging meer maken. Zij smoorden met de hand hun vervelingsgegeeuw, bijna niets begrijpend van al hetgeen hij voorlas, door zijn stotterende uitspraak als in een pijnlijke sluimer gewiegd, telkens verbaasd en als schrikkend opkijkend, toen hij zichzelf even in de rede viel om hen te vragen:
--Ei...eiwel, wat denkt ge daarvan! Is da...at niet wonderbaar, niet Schrikkelijk?
Maar met het einde van zijn lezing hield hun morele foltering nog niet op: in die uren van praatzieke ontboezeming, nadat hij 't boek gesloten had, begon hij dan zelf over het voorgelezene te disserteren. En het was iets verbazends hoe al die vreemde namen met zijn stamerende uitspraak in zijn mond verwarden, hoe hij er klanken van vormde die op geen woorden meer leken noch geen hoegenaamde betekenis meer hadden. Soms ging het tot een echte gekheid over. Hij stelde zich niet tevreden met de nare, in het boek gelezen anekdoten; hij voegde er andere bij, hij vond er nieuwe uit, als kon hij zich de indruk van akeligheid niet genoeg overweldigend maken. Meer dan eens zelfs deed hij door zijn gewaagde beschrijvingen van de Afrikaanse zeden zijn moeder en zijn zuster blozen.
--Ja...a moe....oeder, da...at kost daar een zwijn, of ee...een koe, sprak hij op zekere avond, van de schadeloosstelling gewagend, waarvoor een wilde aansprakelijk is, die met de vrouw van zijn buur te ver zou gegaan zijn.
En daar bazin Massijn, gestoord, hem verzocht van zulke dingen liever niet te spreken:
--Wel, waa...aarom niet, moe...der, hernam hij grootmoedig;--men moet die...ie mensen dat vergeven, zij...ij zijn gelijk de beesten, zij weten niet wa...at zij doen.
Toen praatte hij ook weer van Badoe en Soera, de twee jonge zwarte prinsen, met wie hij een regelmatige briefwisseling onderhield.
--Zie...ie, moe...oeder en zuster, sprak hij, een punt op de landkaart aanwijzend,--hie...ier woont de vader van Badoe, ko...o...oning van Pahalamaboe, en daa...aar woont die van Soera, prins van Manyalahi, bei...eiden op de boorden van de Lou...oualaba, anders genoemd de Con...co...congo.
Doch van lieverlede begon hij ook naar andere toehoorders dan zijn zuster en zijn moeder te verlangen. Hij voelde dringend de behoefte die wondere dingen, waarvan hij zo doordrongen was, aan een ruimer publiek voor te dragen; en, de smaad vergetend waarmee de Akspoelse bevolking hem destijds bejegende, verscheen hij weldra regelmatig weer in _Het huis van Commercie_ en in andere voorname herbergen.
Ernstig en statig, omringd van een vijf- of zestal lui op hun stoelen uitgerekte dorpsheren, vertelde hij zonder einde over zijn geliefkoosd onderwerp. En dáár, tenminste, werd hij niet op een brutale spot onthaald: in hun dodende verveling, zagen die heren met welgevallen om het even welke uitspanning tegemoet. Somtijds zelfs ging hun belangstelling zo ver, dat zij zich mengden in 't gesprek, en gewichtig met hem de koloniale politiek van de regering bespraken.
Toen sprong Massijn hartstochtelijk op de bres. Hij verdedigde met gloed de koloniale uitbreiding van het land; hij durfde zeggen dat het slechte pa...atriotten waren, die zulke richting tegenwerkten. En bombastisch stamerend verklaarde hij dat het de plicht van alle Belgen was, met woord en daad de ko...o...koning in zijn e...e...edelmoedige onderneming van de beschaving van Midden-Afrika te steunen. Maar meneer Potvlieghe, of meneer Spittael, of meneer De Vreught waren, niettegenstaande hun onbetwistbare gehechtheid aan de koninklijke familie, wel eens de meer verspreide mening toegedaan dat men beter de penningen van 't land aan de beschaving van Midden-Vlaanderen zou besteden, en allen mengden zich van lieverlede driftig in het hoger en hoger opgalmend gesprek, totdat Eulalie, die vuurrood en mokkend het schouwspel bijwoonde, eensklaps luid zuchtend haar plaats verliet en met de op komische toon herhaalde uitroeping 'Ach Here! ach Here! Hoe is 't mogelijk!' in de keuken verdween.
Dit bracht de heren tot het bewustzijn van hun deftigheid terug. Zij bestelden verse glazen bier, ontstaken opnieuw hun pijpen, helden achterover op hun stoelen, met de ogen op de bruingerookte zoldering. En Massijn alleen bleef ononderbroken doorpraten, de gebaren verbreed, de ogen uitgezet van ostentatie, af en toe tussen zijn akelig stameren een blik van toorn en van minachting vestigend op de weer in de gelagzaal gekomen Eulalie, van wie de houding en gelaatsuitdrukking als levend protest waren tegen al wat hij vertelde.
V
En eensklaps, op een zondagmorgen na de vroegmis, liep het als een vuur door Akspoele:
Massijn vertrekt naar Congoland!
In 't eerste ogenblik, natuurlijk, hechtte daar niemand geloof aan. Men beschouwde het als een snaakse grap en lachte er eens om. Doch, terwijl meester De Vreught, die vlak naast Massijns woonde, die morgen na het ontbijt zijn gewoon wandelingetje in zijn tuintje maakte, zag hij, over de haag in het tuintje daarnaast, Fietje schreiend heen en weer lopen. Hij had haar dadelijk gevraagd wat er toch schortte, en toen had Fietje hem snikkend gezegd, dat zij huilde omdat Fortuné besloten had naar Congoland te vertrekken. De vorige avond had hij bij meester Potvlieghe zijn ontslag als commies ingediend, en nu was hij met de eerste trein naar Brussel vertrokken, en als hij 's avonds terugkeerde zou zijn verbintenis met het gouvernement van Congo-Vrijstaat onherroepelijk gesloten zijn. 't Is waar, zijn betrekking zou er veel winstgevender zijn dan die welke hij bekleedde op 't kantoor van meneer Potvlieghe: hij zou er namelijk, als onderintendant van de Staat te Leopoldville, drieduizend frank jaarwedde hebben vrij van alle kosten, maar Congoland was toch zulk een akelige streek en lag zo ver: wie weet of zij en moeder hem nog ooit zouden terugzien. Och, het was gekheid; Fietje beweerde, dat hij bepaald gek geworden was. Sinds de vorige avond had zij nog niet opgehouden te huilen, en moeder Massijn lag ziek te bed en beweerde dat zij ervan sterven zou. Het was, in Akspoele, een dag van buitengewone emotie. Meester De Vreught had natuurlijk niets zo dringends te doen gehad dan het verbazend, hem door Fietje meegedeelde nieuws alom te gaan vertellen; meester Potvlieghe, van zijn kant, had de ontzettende tijding bekrachtigd, en de ganse dag hoorde men geen ander gesprek meer in het dorp. Men zag oneindig veel meer mensen dan gewoonlijk in de straat heen en weer wandelen; gehele groepen liepen driftig redekavelend de ene herberg in en de andere uit, elk ogenblik ondervraagd door de vrouwen, die vóór de dorpels van de huizen samengeschoold stonden; en opnieuw, evenals op de dag van het bezoek van de zwarte prinsen, keek men van ver naar de gesloten woning van de weduwe Massijn, als naar een huis waar een moord gepleegd is. Wat _Het huis van Commercie_ betreft, daar was de drukte zo groot dat men er niet eens kon zitten; doch zij die er gingen om te zien wat voor een gezicht Eulalie zette, en wellicht met haar de spot te drijven, kwamen er teleurgesteld van af, want de gehele dag bleef het meisje onzichtbaar.
En in de afwachting op Massijns terugkomst--wat, volgens Fietje, met de laatste trein en dus ook met de postwagen, die om dat uur van Bavel naar Akspoele rijdt, zou plaatshebben,--vertelden de dorpelingen aan elkaar wat het zoal was in Congoland te leven. Blink, de blikslager, die in zijn jeugd bij het Vreemd Legioen te Algiers in dienst geweest was, vertelde onder ander tot een groep voor zijn deur geschaarde dorpelingen, dat het in Congoland zó verschrikkelijk heet was dat Massijn er na enkele maanden pikzwart van huid zou worden, net zoals de zwarte prinsen die met hem te Akspoele geweest waren.
Verwarde uitroepingen weergalmden, een oud vrouwtje, met verwilderde ogen, vroeg bevend aan de snoevende blikslager, of Massijns ziel ook zwart zou worden gelijk die van de negers, en of hij, na zijn dood, evenals zij, eeuwigdurend in de hel zou branden.
--Neen, antwoordde Blink,--maar het is erg te vermoeden dat hij zeer spoedig mensenvlees zal leren eten.
Een kreet van afschuw steeg op, mijnheren Potvlieghe, Spittael en De Vreught, die uit _Den Appel_ kwamen en naar _Het huis van Commercie_ gingen, naderden de rondom Blink geschaarde groep.
--Tenzij, voegde deze erbij,--dat hij zelf door de negers of de wilde beesten opgegeten werd.
En, zijn schitterend snoeversoog gevestigd op de drie heren, vertelde hij een hem voorgevallen anekdote: een wildeman en zijn familie, die, hem in een donker bos ontmoetend, hem aangerand hadden om hem te doden en op te eten. Meer dan een halfuur lang had hij ertegen moeten vechten, en terwijl hij rechts en links op de neger en zijn vrouw met zijn sabel houwde om zijn leven te verdedigen, sprongen hem de kleine negers voortdurend tussen de benen, waarin zij beten met razend gegil, om hem het bloed uit 't lijf te zuigen.
--De littekens zijn nog zichtbaar op mijn dijen, is 't niet waar vrouw? vroeg hij, zich omkerend tot zijn wederhelft, die, ernstig met het hoofd knikte, om te bevestigen dat hij de loutere waarheid zei.
Maar het sloeg acht op de toren en de groep ging uit elkaar, om andere groepen te volgen naar de dorpsplaats, waar de postwagen van Bavel elk ogenblik verwacht werd. Eenieder wilde nu Massijn aanschouwen; hij was eensklaps voor het ganse dorp een vermaardheid geworden; het was of dat enkel besluit naar Congoland te vertrekken hem reeds fysiek zou veranderd hebben; of er van hem een ander mens geworden was, die men nog niet kende.
Reeds was de oude, rood-, geel- en zwartgeverfde rammelkast aan het uiteinde van de straat zichtbaar, toen meester Potvlieghe en zijn gezellen op de met volk bezette dorpsplaats aankwamen. Van ver zagen zij Massijn, die naast de koetsier op de bok zat, rechts en links met zijn strohoed groeten, trots en gelukkig als een prins die na een lange afwezigheid in zijn hoofdstad terugkomt. Hij was zeer netjes in 't zwart gekleed, met een wit ondervest; en, gevouwen op de linkerarm, droeg hij een splinternieuwe, grijze zomeroverjas. Zijn geschoren aangezicht was bleek van trotse ontroering; zijn ogen schitterden met een bijna onheilspellend-geestdriftige starheid; zijn halfopen mond hijgde van hoogmoed, alsof hij gerend had.
En 't was als een dof rumoer van bewondering dat rillend door de menigte liep, toen hij, bij het stilhouden van de ratelende postkar van de bok steeg, en met tot meester Potvlieghe, als nu tot zijn gelijke, uitgestrekte hand plechtig in 't Frans zei:
--Bo...onjour, cher mai...aître Potvlieghe, mai...aintenant l'affaire est décidée; je...e pars le 28 du mois prochain par le steamer Lou...oualaba a...avec mes bons amis les princes, Ba...adoe et Soera.
Er heerste een ogenblik volkomen stilzwijgen, opnieuw gevolgd door een dof rumoer van bijna eerbiedige bewondering. Haast niemand had begrepen wat hij zei, maar allen voelden instinctmatig dat het iets zeer belangrijks moest zijn; en terwijl hij met die heren, die hem nieuwsgierig omringden en ondervraagden, de dorpsplaats verliet, werd de tijding als spontaan van mond tot mond verspreid:
--Hij vertrekt bepaald naar Congoland, hij vertrekt de achtentwintigste van de volgende maand!
De kreet weergalmde in de straat, werd ver en wijd herhaald door de saamgeschoolde menigte. En niet alleen de winkeliers- of arbeidersvrouwen, maar ook de dames en de dochters van de welgestelde ingezetenen, kwamen nieuwsgierig bewonderend kijken, terwijl Massijn, midden in de volksschaar die hem vergezelde elk ogenblik stilhoudend, pompeus zijn hoed afnam en op de voortdurend herhaalde vragen in het Frans antwoordde:
--Oui...i, madame, oui...i, ma...ademoiselle, mon départ est i...irrévocablement fixé au 28 du mois prochain, par le stea...eamer Lou...oualaba.
--Keert ge rechtstreeks naar uw huis terug, Fortuné, vroeg meester De Vreught, toen zij voor _Het huis van Commercie_ kwamen.
--Nee...een, ik heb dorst, ik zou ga...aarne eerst een glas bier drinken, antwoordde Massijn. En, met zijn gezellen en een aantal andere nieuwsgierigen, besteeg hij de trappen van de herbergstoep.
Daarbinnen was Eulalie voortdurend onzichtbaar. Tot haar moeder, die achter de schenktafel stond, vroeg Massijn met een air van autoriteit waar of zij was. En daar deze antwoordde dat haar dochter, een weinig ongesteld, zich te bed gelegd had:
--Welnu, sprak hij hoogmoedig, zonder zich het minst om de ongesteldheid van zijn geliefde te bekreunen,--la...at haar van mijnentwege weten, da...at ik de achtentwintigste van de vo...olgende maand vertrek naar Co...o...co...congoland, met de steamer Lou...oualaba, in co...ompagnie van mijn beste vrienden de prinsen Ba...adoe en Soera.
En statig ging hij plaatsnemen aan een met dorpsheren omringd tafeltje, waar hem een soort ovatie van bewonderende geestdrift te beurt viel.
VI
Van toen af begon voor Massijn dat buitensporig leven dat eerst met de dag van zijn inscheping zou ophouden, en nog lang daarna vermaard zou blijven in Akspoele en de omliggende gemeenten.
Plotseling overweldigd door een wilde behoefte van in-beweging-zijn, zag men hem haast elke morgen, reeds vóór acht uur op zijn best gekleed, met gewichtig gelaat in en uit de huizen lopen, een zakboekje doorbladerend en er koortsachtig een en ander in aantekenend, als iemand voor wie elk ogenblik zijn kostbare bestemming heeft. Toen sprong hij op de postwagen, nam te Bavel de trein voor Gent of voor Brussel en keerde 's avonds terug, overladen met pakken en valiezen, de handen en zakken vol dingen, die in hun veelsoortigheid niet te noemen waren. Hij gebruikte haastig zijn avondmaal, antwoordde in korte, verstrooide zinnen op de menigvuldige vragen van zijn moeder en zuster, stak een sigaar op en begaf zich naar _Het huis van Commercie_.
Het was in het begin van juni, en, na dagen van buitengewoon drukkende hitte, zetten de dorpsheren zich voor de koelte in pantoffels en geopend vest op de koer van de herberg onder de schaduw van een rij linden, de rug geleund tegen de muur, met hun glas bier of jenever vóór zich, op een tafeltje. Dáár was het dat Massijn nu troonde. Van al het bespottelijke dat eertijds aan hem was, bleef er, in de superioriteit die zijn aanstaand vertrek naar het mysterieuze werelddeel hem gaf, in de geest van die heren niets meer over; uren en uren lang luisterden zij nu met gretige belangstelling naar zijn wondere vertellingen.
En hij liet zich niet bidden. Van het ogenblik dat hij aankwam tot het uur waarop hij de herberg verliet, voerde hij, hij alleen, de ganse tijd het woord. Ternauwernood durfden die heren nog even op de tafel tikken om verse glazen te bestellen of hun lange pijpen weer te vullen, en bij die algemene eerbiedige bejegening van de voornaamste ingezetenen der gemeente, voelde zelfs Eulalie haar antipathiek mokken in bewondering veranderen, en kwam zij zich weldra geregeld bij de groep scharen om naar hem te luisteren. Plechtig had Massijn op een avond, vóór de gewone bezoekers aankwamen, tot haar gesproken.
--Eu...Eulalie, ik ga vertrekken, maar over drie jaar kee...eer ik rijk en ge...geëerd terug; en dan, als ge mij zo...oolang trouw gebleven zijt, zullen wij el...elkander huwen.
Zij was begonnen te huilen en had klagend geantwoord:
--Ik zal u wel trouw blijven, Fortuné, maar gij zult het niet doen. Gij zult ginds in den vreemde met andere vrouwen gemeenschap hebben.
Deftig, bijna gebelgd was hij haar in de rede gevallen:
--Ginds zijn gee...een andere vrouwen dan zwa...arte. Gij...ij denkt toch niet da...at ik mij daarmee zou afgeven!
En, met een sarcastisch-minachtend gegrinnik zijn gezegde bekrachtigend:
--Gij...ij denkt toch niet da...at ik zou proeven va...an wat ze ginds de _zwa...arte kost_ noemen'
De zwarte kost!... Onthutst had Eulalie hem aangekeken. Wat was Dat?... wat betekenden die zonderlinge woorden?... Maar plotseling had ze begrepen en was zo rood als een pioen geworden.
De ganse avond over haar breiwerk gebogen had ze bijna geen woord meer gesproken; doch sinds dat ogenblik had ze zich toch gerustgesteld gevoeld, en nu was zij voor hem een paar gebloemde pantoffels aan 't borduren, die hij ginds ver, als aandenken van haar, elke avond als zijn werk gedaan was en hij rustig in zijn tent zat, zou dragen.
Trouwens als men hem soms hoorde vertellen, maakte 't net de indruk of hij reeds in 't verre land geweest was, of hij er zich nog bevond. Somtijds, midden in een verhaal, bleef hij plotseling stil, het oor gespitst, de hals gerekt, de ogen, onder de neergezakte wenkbrauwen, peilend gevestigd in de duisternis, als kwam er daar ergens onraad of gevaar. En toen men hem verwonderd vroeg wat er gebeurde:
--'t Zal niets zijn, geloof ik, maa...aar ik meende daar even ee...een vijand te horen in de nacht, antwoordde hij.
Andermalen, en wel voornamelijk op de zwoelste avonden, verscheen hij in winteroverjas, met rechtopstaande kraag en wollen halsdoek om de keel. En toen die heren half uitgekleed in hun pantoffels en hun open wambuizen, hem met bezorgde belangstelling vroegen of hij dan ziek was:
--Nee...een, in het geheel niet, antwoordde hij ernstig terwijl hij met een rilling zijn kraag nog hoger zette,--ik heb het alleenlijk zeer koud, ik vind da...at dit kli...i...maat soms o...onuitstaanbaar koud is.
Maar bovenal werd het gek, toen hij zijn officieel uniform van onderintendant bezat. Dat bestond uit een witlinnen broek en dito ondervest onder een donkerblauwe jas met gouden knopen en drie vergulde galons om kraag en mouwen, alsmede een donkerblauwe, insgelijks gegalonneerde pet, waarop, van voren, de gouden ster van Congo-Vrijstaat prijkte. En ofschoon dit pak niet bestemd was om in België, maar wel om in Congoland gedragen te worden, en het weer, door een van die bruuske omslagen waaraan het in deze streken gewoon is, van brandend heet schielijk vrij koud geworden was, met hevige wind- en regenbuien, toch liep Massijn in deze lichte kleding van stonden af rondom het dorp, de ene herberg in en de andere uit, bleek van verwaandheid en bibberend van koude, zonder de minste klacht te uiten.
Zó sterk, trouwens, imponeerde dat schitterend uniform de dorpelingen, dat het als een vergoding werd. Een gemurmel van ontzagvolle eerbied vergezelde hem langs de straat, en toen Eulalie, die hem eerst niet herkende, hem aldus verkleed in _Het huis van Commercie_ zag komen, ontstelde zij zó hevig dat zij plotseling in tranen uitbarstte. Ook moeder Massijn en Fietje sloegen van bewondering de handen samen, en begonnen zich van toen af bepaald met de gedachte van zijn vertrek te verzoenen, en te denken dat wat zij tot dusver als een daad van gekheid beschouwd hadden, werkelijk iets groots en roemruchtigs zou worden. Wat de heren Potvlieghe, Spittael en De Vreught betreft, die vonden bepaald geen woorden meer om hun emotie en bewondering uit te drukken. Beurtelings werd Massijn bij die drie heren, alsook ten huize van nog twee andere voorname dorpsfamilies te dineren gevraagd, met het uitdrukkelijk en trouwens zeer overbodig verzoek in zijn officieel kostuum te willen verschijnen. En op het diner bij meneer Potvlieghe, waar ook de heren Spittael en De Vreught aanwezig waren, steeg de geestdrift zó hoog, dat zij alle drie, in een spontane beweging, met opgeheven beker op Massijns gezondheid dronken, en unaniem besloten op de dag van de inscheping Fortuné naar Antwerpen te vergezellen, om hem te zien vertrekken.
Maar de jonge reiziger, die telkens hijgde en trilde van hoogmoed onder deze vermenigvuldigde eerbewijzen, was nog een laatste en grotere glorie weggelegd, alvorens het uur van de bepaalde scheiding zou slaan. Op een avond dat hij, met de laatste trein van Brussel terugkerend, in _Het huis van Commercie_ verscheen, deelde hij, bleek van emotie, aan zijn aldaar reeds vergaderde gezellen, de ontzettende tijding mede, dat, op zijn herhaald aandringen, zijn beste vriend de beroemde Afrika-reiziger Kinel, met wie hij onlangs kennis had gemaakt, erin zou toestemmen te Akspoele een voordracht te komen houden over Congoland, op voorwaarde dat men hem een ordentelijk daartoe geschikt lokaal kon bezorgen.
Een uitroeping van geestdrift, gemengd met kreten van ongelovigheid, steeg uit de groep der rond hun glazen bier geschaarde dorpsheren. Massijn tot bazin Vleurick gewend, stamerde plechtig:
--Ba...azin Vleurick, wilt gij mij u...uw bovenzaal afstaan voor de zo...ondag vijftiende juni!
--Bah ja, meneer Fortuné, zeer gaarne, antwoordde de dikke vrouw, verrukt bij de gedachte hoe zulke plechtigheid de verkoop in haar herberg die dag zou bevorderen.
--En gij, Eu...Eulalie, zult gij zorgen da...at alles in o...orde is, da ... at de zaal die dag schoo...oongemaakt, en voo...oorzien is van een ta...afel, stoelen en banken, hernam hij, zich tot het meisje wendend.
--Ja, ja, wees maar gerust, alles zal goed zijn, antwoordde Eulalie, de wangen blozend, de ogen schitterend.
--A...all right dan! mo...orgen vroeg zal ik mijn vriend Ki...inel per telegram verwittigen da...at wij hem verwachten, besloot Massijn met een blik van triomf.
VII
En het geschiedde waarlijk.
De zondag vijftien juni zagen de, in een drukke schaar op de dorpsplaats vergaderde, inwoners van Akspoele, een groep van vier personen uit de postwagen van Bavel stijgen: eerst Massijn, in groot officieel uniform; daarna een jongeling van een dertigtal jaren, lang en mager, geheel in 't zwart gekleed, met een geelblonde baard en lichtblauwe ogen en 'last not least' twee negers, en wel de beide prinsen Albert Badoe en Boudewijn Soera, beiden aanzienlijk gegroeid sinds het vorig jaar, en ditmaal beiden gekleed met een lange pantalon en een rond zwart hoedje, gelijk echte Europeanen. Een man volgde het viertal op de hielen, een reusachtig valies op zijn schouders dragend.