De Zuidster, het land der diamanten
Chapter 9
"Welnu, wat heeft dat te beduiden?" riep John Watkins geërgerd over dat onverwacht gedrag uit.
Hij zat aan tafel tegenover Hannibal Pantalucci en was bezig met dien akeligen grappemaker een partij piket te spelen.
"Vergeef mij, miss Watkins!" stamelde Cyprianus, geheel uit het veld geslagen door zijne onbetamelijke daad, hoewel hij van vreugde straalde. "Ik voel mij gelukkig! Ik ben krankzinnig van geluk! Kijk.... wat ik u breng!"
En hij wierp zijn diamant, meer dan hij hem legde, op de tafel tusschen de beide spelers.
Evenals Nathan en Jacobus Vandergaart, begrepen deze beide mannen dadelijk wat er gaande was. John Watkins, die nog maar zeer weinig gin gebruikt had, was buitengewoon helder van geest.
"Gij hebt dien gevonden.... gij zelf.... in uwen claim?" vroeg hij met buitengewone levendigheid.
"Gevonden?.... dezen?" antwoordde Cyprianus met zegevierende stem. "Ik heb beter dan dat gedaan!.... Ik heb hem zooals hij daar ligt, zelf vervaardigd!.... O! mijnheer Watkins, wat is de scheikunde, goed beschouwd, toch eene prachtige wetenschap!"
En hij lachte en hij drukte de fijne vingertjes van Alice in zijne handen, die geheel bedremmeld was over die hartstochtelijke uitingen, maar toch ook verrukt over het geluk van haren vriend. Een bekoorlijk lieve glimlach zweefde om hare lippen.
"O! u ben ik die ontdekking verschuldigd, juffrouw Alice!" hernam de gelukkige Cyprianus. "Wie heeft mij geraden om de scheikunde weer ter hand te nemen? Wie heeft gevorderd, dat ik mij zoude toeleggen op het zoeken naar de vervaardiging van den kunstmatigen diamant? Niemand anders dan uwe bekoorlijke, uwe aanbiddenswaardige dochter, mijnheer Watkins!.... O! ik kan haar mijn eerbied betoonen, zooals de dapperen van vroegere tijden aan hunne dame brachten, en ik kan overal verkondigen dat haar, haar alleen de geheele verdienste dezer ontdekking toekomt!.... Zou ik zonder haar aan zoo iets gedacht hebben?"
John Watkins en Hannibal Pantalucci bekeken den diamant, wierpen elkander een blik toe en schudden het hoofd. Zij waren ten zeerste ontsteld.
"Gij zegt, dat gij dezen vervaardigd hebt.... gij zelf?" hernam eindelijk John Watkins. "Het is dus een valsche steen?"
"Een valsche steen!" riep Cyprianus uit. "Welnu ja!.... een valsche steen!.... Maar Jacobus Vandergaart en de makelaar Nathan schatten hem op een waarde van minstens vijftig millioen, misschien wel meer. Indien het slechts een kunstmatige diamant is, dien ik door eene wijze van bewerking, waarvan ik de uitvinder ben verkregen heb, dan is hij toch behoorlijk authentiek en in niets van een natuurlijken te onderscheiden!.... Ziet zelf, er ontbreekt niets aan.... zelfs de steenlegering niet, waarin de natuurlijke besloten is!"
"En neemt gij op u andere dergelijke diamanten te vervaardigen?" vroeg John Watkins met aandrang.
"Of ik dat op mij neem, mijnheer Watkins! Voorzeker. Ik zal u diamanten leveren in zoo grooten getale dat gij ze met een schop zult kunnen opscheppen!.... Ik zal er u een vervaardigen, die tienmaal, honderdmaal zwaarder zijn dan deze, als gij dat verlangt!.... Ik zal er in zoo groote menigte maken, dat gij uw terras daarmede bevloeren, de wegen van Grikwaland bestraten kunt, als gij dat zult willen!.... De eerste proef is bij zulke zaken de moeilijkste, en de eerste steen eenmaal verkregen, kan het overige als bijzaak beschouwd worden, niets anders dan het regelen van eenige technische bijzonderheden!"
"Maar als dat zoo is," hernam de Engelschman, die bleek geworden was, "dan zal dat de ondergang der mijnbezitters zijn, zoowel voor mij als voor geheel Grikwaland!"
"Klaarblijkelijk!" riep Cyprianus uit. "Welk belang zal iemand nog hebben om in den grond te wroeten, om kleine bijna waardelooze diamanten te vinden, van het oogenblik af dat het even gemakkelijk zal zijn om door de nijverheid diamanten van alle afmetingen te vervaardigen als een brood van vier pond te bakken!"
"Maar dat is monsterachtig!...." hernam John Watkins. "Maar dat is infaam!.... dat is afgrijselijk!.... Wanneer, wat gij zegt, waar is, wanneer gij werkelijk dat geheim bezit...."
Hij bleef half verstikt in zijne woorden steken.
"Gij ziet," sprak Cyprianus kalm, "ik vertel geen bakersprookjes. Ik heb hier mijn eerste fabrikaat medegebracht, en ik denk, dat het fraai genoeg is om u te overtuigen!"
"Welnu," hernam eindelijk John Watkins, nadat hij weer bij adem gekomen was, "welnu, wanneer het waar is.... dan moest men u oogenblikkelijk doodschieten op den grooten weg bij het kamp!.... Ziedaar mijn gevoelen, mijnheer Méré!"
"En het mijne ook!" meende Hannibal Pantalucci met een gebaar van bedreiging er bij te moeten voegen.
Miss Watkins was doodsbleek van haren stoel opgesprongen.
"Mij doodschieten, omdat ik een vraagstuk opgelost heb, dat sedert vijftig jaren ongeveer gesteld is?" vroeg de jeugdige ingenieur, terwijl hij onverschillig de schouders optrok. "Drommels, dat zou toch een beetje al te kras zijn!"
"Er valt niet te lachen, of de schouders op te halen," hernam de pachter woedend. "Hebt gij wel eens over de gevolgen van uwe zoogenaamde ontdekking nagedacht?.... Aan den gestoorden mijnarbeid.... aan Grikwaland, dat gij van zijne voornaamste nijverheid berooft.... aan mij dien gij tot den bedelstaf brengt?"
"Drommels, ik erken gaarne, dat ik daaraan niet gedacht heb," antwoordde Cyprianus zeer openhartig, "maar dat zijn de onvermijdelijke gevolgen van den vooruitgang in de nijverheidszaken, en daaromtrent heeft de zuivere wetenschap zich niet te bekreunen!.... Daarenboven, gij persoonlijk hebt u daaromtrent niet te bekommeren, mijnheer Watkins. Weest gij zonder vrees! Wat mij toebehoort is het uwe, en gij kent zeer goed de beweegreden van mijn arbeid in die richting!"
John Watkins begreep eensklaps hoeveel partij hij trekken kon van de ontdekking van den jeugdigen ingenieur. Wat dan ook de Napolitaan er van denken mocht, hij aarzelde geen oogenblik om van meening te veranderen.
"Goed beschouwd," hernam hij, "is het mogelijk, dat gij gelijk hebt, en gij spreekt als een degelijke, brave kerel, die gij ook zijt, mijnheer Méré! Ja!.... als ik de zaak goed overdenk komt het mij voor, dat wij ons wel verstaan zullen. Waarom zoudt gij eene buitensporige menigte diamanten maken? Dat zou uwe uitvinding verkleinen, onder den voet brengen! Ware het niet wijzer het geheim daarvan te bewaren en er een matig gebruik van te maken, door bij voorbeeld slechts een of twee dergelijke steenen te vervaardigen, of zelfs het bij dit welslagen te laten, daar hij u op eens een aanmerkelijken schat verschaft en u den rijksten man van het geheele land maakt!.... Zoodoende zal iedereen tevreden zijn: de zaken kunnen haar gang gaan, zooals zij tot heden deden, en gij zult de meest eerbiedwaardige belangen niet gedwarsboomd hebben."
Dat was waarlijk een nieuw gezichtspunt van de kwestie, waaraan Cyprianus nog niet gedacht had; maar het dilemma stelde zich daar plotseling voor zijne oogen, in zijne onvermurwbare gestrengheid: òf het geheim der uitvinding voor zich behouden, de wereld er onkundig van laten en er misbruik van maken, om zich te verrijken, òf wel, zooals John Watkins met recht bemerkte, al de diamanten, de natuurlijke zoowel als de kunstmatige, in waarde te doen verminderen en bijgevolg de fortuin af te wijzen om wat te doen?.... om al de mijnwerkers van Grikwaland, van Brazilië, van Indië en van Borneo ten gronde te richten!
Op dien tweesprong geplaatst, aarzelde Cyprianus een oogenblik, maar ook slechts één enkel. En toch, hij begreep dat wanneer hij partij koos voor de eer, voor de oprechtheid, voor de getrouwheid aan de wetenschap, hij zich daarna onherroepelijk den weg afsloot tot de hoop, die de voornaamste aanleiding was van zijne ontdekking!
De smart was bitter, was knagend, vooral omdat zij hem onverwacht overviel. Zoo'n fraaie droom, en.... zoo neer te storten!
"Mijnheer Watkins," zei hij ernstig, "indien ik het geheim van mijne ontdekking voor mij hield, dan zou ik slechts een falsaris zijn. Ik zou gelijkstaan, met hem, die met vervalscht gewicht verkoopt; ik zou het publiek omtrent de koopwaar bedriegen! De ontdekkingen door een geleerde gedaan, zijn zijn eigendom niet! Zij maken deel uit van het bezit van allen. Zich eene ontdekking toeëigenen uit eene baatzuchtige beweegreden, zou zich schuldig maken zijn aan de verachtelijkste daad, die een mensch bedrijven kan. Dat zal ik nooit doen!.... Neen! waarachtig niet!.... Ik zal geen week, geen dag wachten om de formule, welke het toeval mij, geholpen door een weinig nadenken, mededeelde, tot publiek domein te maken. Mijne eenige bedenking is hierbij, dat ik het billijk en betamelijk vind, die formule het eerst aan mijn vaderland te doen kennen, aan Frankrijk, dat mij in staat stelde het te kunnen dienen!.... Morgen reeds zal ik het geheim mijner bewerking aan de Academie van Wetenschappen aanbieden. Vaarwel, mijnheer, ik ben u dankbaar mij mijn plicht zoo scherp begrensd onder het oog te hebben gebracht. Ik erken, dat ik aan dien plicht niet gedacht heb!.... Miss Watkins, ik heb een fraaien droom gedroomd!.... Helaas, ik moet er afstand van doen!"
En nog vóór het jonge meisje eene beweging had kunnen doen, om hem in de armen te vliegen, had Cyprianus zijn diamant gegrepen, een buiging voor miss Watkins gemaakt, en was naar buiten geijld.
TIENDE HOOFDSTUK.
JOHN WATKINS PEINST.
Toen Cyprianus met gebroken hart heengegaan was, vastbesloten om zooals hij dat noemde, zijnen ambtsplicht te vervullen, begaf hij zich andermaal naar Jacobus Vandergaart. Hij vond hem thans alleen. De makelaar Nathan had zich gehaast de eerste te zijn, om in het kamp het nieuws te verbreiden, waarin alle mijnwerkers zoozeer belang stellen moesten.
En dat nieuws baarde veel opzien, hoewel men nog niet wist, dat de overgroote diamant van den "monsieur", zooals men Cyprianus noemde een kunstmatige was. Maar de "monsieur" stoorde zich hoegenaamd niets aan de oudewijvenpraatjes van de Kopjes-mijn! Hij had haast om met den ouden Vandergaart de kwaliteit en de kleur van den steen te onderzoeken, ten einde zijn rapport nauwkeurig te kunnen opmaken. Daarom maakte hij zooveel haast.
"Mijn waarde Jacobus," zei hij, terwijl hij naast den juwelier plaats nam, "wees zoo vriendelijk daar op dien bult een facet te slijpen, om te kunnen oordeelen, wat onder die steenlegering verborgen zit."
"Niets is gemakkelijker dan dat," antwoordde de oude diamantslijper, terwijl hij den steen uit de hand van zijn jongen vriend aannam. "Gij hebt waarachtig een goede plek gekozen," ging hij voort, terwijl hij op eene kleine dikte aan een der zijden van den steen wees, die bijna overigens volmaakt eirond was. "Wij wagen er niets bij, om aan dien kant te slijpen."
Jacobus Vandergaart ging zonder dralen aan het werk, en na uit zijne verzameling een ruwen steen van vier of vijf karaten gezocht te hebben, bevestigde hij dien aan het uiteinde eener spil en begon hij de beide uitwendige schillen der twee steenen af te slijpen.
"Ik zou eerder klaar zijn, wanneer ik den steen kon kloven," zei hij. "Maar wie zou een hamerslag op een steen van dien prijs durven toebrengen?"
De arbeid was zeer lang en zeer eentonig en vorderde niet minder dan twee uren. Toen de facet ruim genoeg was om over den aard van den steen te kunnen oordeelen, moest hij op de draaischijf gepolijst worden, hetgeen ook veel tijd vorderde.
Het was evenwel nog volle dag, toen die werkzaamheden afgeloopen waren. Cyprianus en Jacobus Vandergaart gaven toen aan hunne nieuwsgierigheid toe en bekeken den steen om den uitslag van die slijping en polijsting waar te nemen.
Een fraaie facet, gitzwart van kleur, evenwel van eenen onvergelijkelijk schitterenden glans, vertoonde zich aan hunne oogen.
De diamant was zwart. Eene schier eenige of ten minste hoogst zeldzame bijzonderheid, die de waarde van den steen zoo mogelijk nog verhoogde.
De handen van Jacobus Vandergaart beefden van aandoening, terwijl hij het prachtstuk in het zonlicht liet flikkeren.
"Dat is de meest merkwaardige en schoonste diamant, die ooit te zien is geweest," zei hij met een zweem van godsdienstigen eerbied. "Wat zal het wel zijn, wanneer hij de lichtstralen zal kunnen weerkaatsen, wanneer hij aan alle kanten geslepen zal zijn!"
"Wilt gij dien arbeid ondernemen?" vroeg Cyprianus levendig.
"Gaarne, mijn waarde vriend! Dat zou de eer en de bekroning van mijn lange loopbaan zijn!.... Maar wellicht doet gij beter een jeugdiger en vaster hand dan de mijne voor dat werk te kiezen."
"Neen," antwoordde Cyprianus liefderijk; "niemand, daar ben ik verzekerd van, zal dat werk met meer zorg en niet meer handigheid verrichten dan gij. Houd dien diamant, mijn waarde Jacobus, en slijp hem op uw gemak en naar uwen smaak. Gij zult er een kunststuk van maken! Dat is eene afgedane zaak!"
De grijsaard rolde en draaide den steen tusschen zijne vingers en aarzelde om zijne gedachten mede te deelen.
"Eéne zaak verontrust mij," zeide hij ten slotte. "Ik kan mij zoo moeilijk over de gedachte heenzetten, dat ik onder mijn dak een kleinood van zooveel waarde zal bergen! Dit is op zijn minst vijf-en-twintig millioen, en misschien wel meer, die ik daar in de palm mijner hand berg! Het is niet zeer voorzichtig, zulk eene verantwoordelijkheid te aanvaarden!"
"Niemand zal er iets van weten, mijnheer Vandergaart, als gij het niet vertelt; en wat mij aangaat, ik verzeker u dat ik zwijgen zal!"
"Hm! men zal gissen! Men kan u gevolgd hebben, toen gij hier heen gingt.... Men zal veronderstellingen maken omtrent hetgeen men niet met zekerheid weet! Het is zoo'n raar volk in dit mijndistrict!.... Neen, ik zou niet gerust slapen!"
"Misschien hebt ge gelijk," antwoordde Cyprianus, die de aarzeling van den grijsaard wel begreep. "Maar wat dan te doen?"
"Daar peins ik juist over," hernam Jacobus Vandergaart, die gedurende eenige minuten stilzwijgend bleef zitten.
"Luister," zei hij eindelijk. "Wat ik u voor te stellen heb, is kiesch en gaat van de veronderstelling uit, dat gij in mij een volkomen vertrouwen stelt. Maar gij kent mij genoegzaam, om niet vreemd te vinden, dat de gedachte van mij uitgaat, om zooveel voorzorgsmaatregelen te nemen!.... Ik moet dadelijk met dezen steen en mijne gereedschappen vertrekken, om ergens eene toevlucht te zoeken in het een of andere hoekje, waar niemand mij kent--te Bloemfontein of te Hope-town bij voorbeeld. Ik zal een bescheiden vertrek huren, ik zal mij daar opsluiten om in het grootste geheim te arbeiden, en ik zal eerst terugkomen, wanneer ik mijne taak zal volbracht hebben. Misschien gelukt het mij zoo, de boosdoeners van het spoor te brengen!.... Maar ik herhaal het: ik ben bijna verlegen om een zoodanig plan te berde te brengen!"
"En toch vind ik het goed ontworpen," antwoordde Cyprianus; "en ik kan u slechts aansporen om het te verwezenlijken!"
"Reken er op dat het lang zal duren. Ik zal minstens een maand noodig hebben, en onderweg kan mij eenig ongeval overkomen."
"Om het even, als gij meent dat dit het beste is, wat wij doen kunnen, mijnheer Vandergaart. En alles wel beschouwd, het ongeluk zou zoo groot niet zijn, wanneer de diamant verloren ging."
Vandergaart keek zijn jeugdigen vriend met schrik aan.
"Zou hem dat onmetelijk vermogen naar het hoofd geslagen zijn?" vroeg hij zich af.
Cyprianus begreep zijn gedachtengang en glimlachte. Hij legde hem de herkomst van dien diamant uit en hoedanig hij er later meerdere kon vervaardigen zooveel als hij slechts verkoos. Maar hetzij dat de oude diamantslijper slechts weinig geloof aan dat verhaal schonk, hetzij hij eene persoonlijke reden had om niet alleen met een steen van wellicht vijftig millioen in zijn hut te blijven, hij drong er op aan om dadelijk te vertrekken.
Daarom verzamelde dan ook Jacobus Vandergaart al zijne gereedschappen en zijne schamele plunje in een ouden lederen zak, hing aan de deur een lei: waarop geschreven stond: _afwezig voor zaken_, stak den sleutel in zijn zak, den diamant in zijn vestzakje en vertrok.
Cyprianus begeleidde hem gedurende twee of drie mijlen langs den weg naar Bloemfontein en verliet den oude eerst toen deze daarom herhaaldelijk verzocht had.
De nacht was reeds gevallen, en het was pikdonker toen de jeugdige ingenieur te huis kwam. Hij dacht toen meer aan miss Watkins dan aan zijne grootsche ontdekking.
Zonder zich den tijd te gunnen zijn maaltijd, door Makatit bereid, te gebruiken, nam hij plaats aan zijn werktafel en begon met de memorie-opstelling, die hij met de eerste postgelegenheid aan den secretaris van de Academie van Wetenschappen hoopte te verzenden. Dit was eene nauwkeurige en volledige beschrijving van zijne handeling met betrekking tot den vervaardigden diamant, waarop hij een zeer schrander uitgedrukt theoretisch stelsel liet volgen omtrent de reactie, die tot de vorming van dat prachtige stuk gekristalliseerde koolstof had aanleiding gegeven.
"Het meest opmerkenswaardige karakter onder anderen van dat product is," schreef hij, "zijne volledige overeenkomst met den natuurlijken diamant, vooral door de aanwezigheid van de uitwendige steenlegering, waarin diamant besloten is."
Inderdaad, Cyprianus aarzelde geen oogenblik, om die zoo zonderlinge uitwerking toe te schrijven aan de omstandigheid, dat hij zijne buis van binnen met eene brei van aarde bestreken had, die hij met alle zorg in de Vandergaart-Kopjesmijn uitgezocht had. De wijze, waarop een gedeelte van die aarde van de omwanding losgelaten had, om rondom het kristal een werkelijken notenbast te vormen, was niet gemakkelijk uit te leggen, en dat was een punt, waaromtrent latere proeven ongetwijfeld meer licht zouden verschaffen. Men kon wellicht veronderstellen, dat men hier met eene soort van scheikundige aantrekkingskracht of overeenkomst te doen had, waarvan onze jonge man vast besloot eene gezette studie te maken. Hij was niet zoo verwaand om al dadelijk bij een eerste optreden, de volledige en onherroepelijk vastgestelde theorie van zijne ontdekking aan te geven. Wat hij thans wilde, dat was haar zonder verwijl mededeelen aan de wereld der geleerden, dat was haar Frankrijk aanbieden, dat was de hulp zijner collega's inroepen om nog meer licht over menig onverklaarbaar feit te erlangen.
Toen de memorie begonnen was en hij zoo aan zijn geweten als geleerde voldoening had verschaft, dacht hij er aan om wat te eten en te gaan slapen. Hij zou dat wetenschappelijk stuk later met menige nieuwe opmerking verrijken en het daarna beëindigen om het te verzenden daar waar het behoorde.
Cyprianus verliet den volgenden morgen al heel vroeg zijne woning en maakte geheel in gedachten verzonken eene wandeling op de verschillende mijn-terreinen. Zekere blikken, die niets sympathieks hadden, werden hem in het voorbijgaan toegeworpen. Hij merkte er niets van, want hij had al de gevolgen van zijn groote ontdekking vergeten. Toch waren die gevolgen hem door John Watkins genoegzaam aan het verstand gebracht, en die bestonden in den ondergang, na korteren of langeren tijd, van de mijnwerkers van geheel Grikwaland.
Zoo iets was wel geschikt om de gemoederen te verontrusten in een land van half-wilden, waar men geenszins aarzelt om zijn eigen rechter te zijn en het beulsbaantje met eigen handen uit te oefenen; waar de veiligheid van den arbeid, en bij gevolg ook van den handel, die er uit voortspruit, de eenige, de hoogste wet is. Werd de vervaardiging van den kunstmatigen diamant werkelijk als practische nijverheid mogelijk, dan waren alle millioenen in de mijnen van Brazilië, zoowel als die in Zuid-Afrika, ongerekend de vele menschenlevens daaraan verbonden, onherroepelijk verloren. De jeugdige ingenieur zou ongetwijfeld zijne ontdekking geheim kunnen houden, maar dienaangaande was zijne verklaring zoo duidelijk mogelijk geweest. Dat zou hij niet doen!
Van de andere zijde had de vader van Alice gedurende den langen nacht, waarin hij nu eens droomde van onmogelijk groote diamanten, vertegenwoordigende een waarde van verscheidene milliarden, dan weer zich slapeloos op zijne legerstede heen en weer wentelende, ernstig nagedacht en het volgende overwogen. Dat Hannibal Pantalucci en de andere mijnwerkers met ongerustheid en ook met woede de omwenteling beschouwden, die door de ontdekking van Cyprianus zou worden te weeg gebracht met betrekking tot de diamanthoudende gronden, was zeer natuurlijk, daar zij die gronden ontgonnen voor eigen rekening. Maar de toestand van hem, eenvoudig eigenaar van de hoeve Watkins, was niet dezelfde. Ongetwijfeld, wanneer de claims ten gevolge van de waardevermindering der diamanten verlaten werden, wanneer die mijnwerkersbevolking Grikwaland den rug toekeerde en heentoog, dan zou de waarde van zijn hoeve aanmerkelijk verminderen, zijne voortbrengselen zouden geen zoo gereeden aftrek meer hebben, zijne huizen en zijne hutten zouden wegens gebrek aan huurders leeg blijven staan, en wellicht zou hij zelf het land moeten verlaten, omdat er geen zaken meer te doen waren.
"Maar jawel," mompelde John Watkins bij zich zelven, "maar zoover zijn wij nog niet. Om daartoe te geraken zullen nog wel ettelijke jaren voorbijgaan. De vervaardiging van kunstmatige diamanten is nog niet practisch mogelijk, zelfs niet met de wijze van werken van mijnheer Méré! Misschien bestaat er heel veel toeval in zijn zaak. Maar toeval of niet, hij heeft toch een steen van onmetelijke waarde vervaardigd, die als natuurlijke diamant ongetwijfeld vijftig millioen waard zou zijn, en nu hij kunstmatig verkregen is, toch nog verscheidene millioenen waard is. Ja, ik moet dien jongen man in het oog houden. Hij moet in mijne nabijheid blijven, het koste wat het wil. Althans gedurende eenigen tijd. Ik moet hem beletten zijne ontdekking uit te bazuinen. Die fraaie steen moet het bezit der familie Watkins worden en mag die familie niet verlaten dan tegen een eerbiedwaardig aantal millioenen. Wat betreft het hier houden van den maker van dien steen, dat is gemakkelijk genoeg--zelfs zonder zich onherroepelijk te verbinden. Ik heb Alice bij de hand, en door middel van Alice zal ik hem wel beletten naar Europa te vertrekken!.... Ja, al moest ik hem hare hand beloven!.... al moest ik hem mijn dochter ten huwelijk schenken!...."
Waarachtig, John Watkins, door zijne onverzadelijke hebzucht gedreven, zou zelfs daartoe in staat zijn. In die geheele zaak zag hij slechts zijn eigen ik, dacht hij slechts aan zijn eigen persoon. En dacht de oude zelfzuchtige ook al een enkele maal aan zijne dochter, dan was het slechts om in zichzelven te mompelen:
"Welnu, al gebeurde dat ook, dan zou Alice zich niet te beklagen hebben! Die jeugdige dwaze geleerde ziet er vrij goed uit! Hij bemint haar, en heb ik het wel, dan is zij tegenover die liefde niet gevoelloos gebleven."
"Nu, wat valt er inderdaad beter te doen dan twee harten, die voor elkander geschapen schijnen, te verbinden.... of ten minste hun die vereeniging te laten hopen, tot het oogenblik gekomen zal zijn, dat ik helder in die zaak zien kan.... Welnu, bij Sint John, mijn schutspatroon, de duivel hale Hannibal Pantalucci en zijne makkers. Hier in Grikwaland vooral geldt het: ieder voor zich!"
Zoo redeneerde John Watkins, terwijl hij die denkbeeldige weegschaal hanteerde, waarin hij tusschen de toekomst zijner dochter en een eenvoudig stuk gekristalliseerde koolstof evenwicht trachtte te verkrijgen, en hij zich uiterst gelukkig gevoelde, toen hij vermeende, dat de beide schalen in hetzelfde vlak, of beter, op dezelfde horizontale lijn bengelden.
Zijn besluit was dan ook reeds den volgenden ochtend genomen: hij zou niet overijld handelen, hij zou op zien komen spelen, de zaken zachtjes hun gang laten gaan, zeker als hij was van den loop dien zij zouden nemen.
Maar vooreerst stelde hij er belang in om zijn huurder weer te zien,--wat vrij gemakkelijk was, daar de jeugdige ingenieur dagelijks op de hoeve kwam--; maar hij wilde ook den fraaien diamant weer zien, die in zijne droomen kolossale afmetingen aangenomen had.