De Zuidster, het land der diamanten

Chapter 8

Chapter 83,776 wordsPublic domain

Vandaar de beweegreden van het besluit, hetwelk hij nam, om te onderzoeken of er geen oplossingsmiddel van de koolstof te vinden was, om zoo tot hare kristalvorming te geraken.

Maar al zijne pogingen in die richting bleven vruchteloos, en na zoo eenige weken in ijdele nasporingen doorgebracht te hebben, was hij verplicht van batterij te veranderen.

Batterij is hier het ware woord, zooals men zien zal, want bij de nu volgende proef zou een kanon eene voorname rol spelen.

Verschillende vergelijkings-theorieën brachten er den jeugdigen ingenieur toe om als aanneembaar te beschouwen, dat het diamant zich wel in de Kopjes zelven vormde, op dezelfde wijze als de zwavel zich in de solfatara's of zwavelbronnen vormde. Men weet toch dat de zwavel ontstaat uit eene halve oxydatie of verzuring van zwavelwaterstofgas, nadat een gedeelte daarvan in zwaveligzuur omgezet is, waardoor het andere zich in kristallen langs de wanden van de zwavelbron neerslaat.

"Wie weet," sprak Cyprianus in zich zelven, "of de diamantlegeringen geen ware carbonataren of koolstofbronnen zijn? Vermits een mengsel van waterstof en koolstof er noodwendig met het water en de aanslibbingsafzettingen onder den vorm van moerasgas aangevoerd wordt, waarom zou dan eene oxydatie van het waterstofgas met eene gedeeltelijke oxydatie van de koolstof niet de kristalvorming van de in te groote hoeveelheid aanwezige koolstof teweegbrengen?"

Om van dat denkbeeld tot de proef, om door eene gelijksoortige maar geheel kunstmatige reactie tot de theoretische werking van de zuurstof te besluiten en over te gaan, had voor een waren scheikundige niet veel om het lijf.

Tot de onmiddellijke uitvoering van dat program werd dan ook door Cyprianus besloten.

Het kwam er in de eerste plaats op aan, om eene proefondervindelijke handeling uit te denken, die zooveel mogelijk de veronderstelde gegevens omtrent de voortbrenging van den natuurlijken diamant nabijkwam. Die handeling moest vooral zeer eenvoudig wezen. Alles wat de natuur groot en verheven wrocht, geschiedt op die wijze. Hoe weinig samengesteld toch zijn de schoonste ontdekkingen, door het menschdom veroverd; de zwaartekracht, de magneetnaald, de boekdrukkunst, het stoomwerktuig, de electrische telegraaf bij voorbeeld?

Cyprianus ging zelf een voorraad aarde uit de diepte der mijn te voorschijn halen, die volgens zijne meening de meest gunstige hoedanigheid bezat tot het welslagen zijner proef. Toen bereidde hij met die aardsoort een dikke brij, waarmede hij het binnenste eener stalen buis bestreek, die een halven meter lang en vijf centimeter dik was en een kaliber had van acht centimeter.

Die buis was niets anders dan het langeveld van een buiten dienst gesteld kanon, dat hij te Kimberley van een troep vrijwilligers, die na een veldtocht tegen de Kafferstammen afgedankt was, had kunnen koopen.

Dat kanon werd in de werkplaats van Jacobus Vandergaart op behoorlijke lengte afgezaagd en verschafte het werktuig wat noodig was, dat wil zeggen: een ontvanger, die weerstandskracht had om een buitengewoon hooge drukking in zijn binnenholte te kunnen verdragen.

Cyprianus plaatste in die buis, nadat hij een harer uiteinden degelijk gesloten had, stukjes koper en ongeveer twee kannen water, en vulde haar vervolgens met moerasgas. Daarna sloot hij haar zorgvuldig met een soort verkitsel en deed de beide uiteinden met stevige en beproefde metaalbouten verzekeren.

Het werktuig was thans klaar. Er bleef niets anders over dan het aan eene zeer groote hitte bloot te stellen.

De buis werd dan ook in een grooten hoogoven geplaatst, welks vuur nacht en dag door zoodanig gestookt moest worden, dat zij wit gloeiend bleef en dat gedurende twee weken.

Buis en oven waren daarenboven nog overdekt met een dikken mantel van vuurvaste klei, die bestemd was om de grootst mogelijke hoeveelheid warmte te bewaren, alsook om het geheel niet dan zeer langzaam te laten afkoelen, wanneer het oogenblik daarvan zoude gekomen zijn.

Het geheel geleek vrij wel op een overgrooten bijenkorf, of ook wel op een Eskimo's hut.

Thans was Makatit in staat zijn meester eenige diensten te bewijzen. Hij had al de voorbereidende maatregelen van de proef met de uiterste aandacht gevolgd, en toen hij begreep dat dat alles diende om diamant te vervaardigen toen was hij wel de ijverigste om de onderneming met den besten uitslag te doen bekronen. Hij had weldra geleerd het vuur te stoken en te onderhouden, en wel zoo, dat Cyprianus hem dat gedeelte der taak gerust kon toevertrouwen.

Men kan zich bezwaarlijk een begrip vormen hoeveel moeilijkheden die overigens zoo eenvoudige maatregelen ontmoetten en welk tijdverlies ze vorderden, alvorens ze getroffen waren. In een groot laboratorium te Parijs zou zulk eene proef binnen twee uren, nadat ze ontworpen was, in vollen gang zijn; te midden van dat half wilde land had Cyprianus niet minder dan drie weken noodig, om zijn ontwerp tot een begin van uitvoering te brengen, en dat nog zoo gebrekkig mogelijk. En toch moest hij erkennen, dat de omstandigheden hem meeliepen, namelijk dat hij op het juiste oogenblik niet alleen een oud kanonstuk kon machtig worden, maar ook dat hij de noodige houtskool kon aanschaffen. En inderdaad, die voor zijn proef zoo onmisbare brandstof was te Kimberley zoo zeldzaam, dat om er zich de hoeveelheid van eene ton van te verschaffen, Cyprianus zich ter zelfder tijd tot drie handelaren in die soort van dingen moest wenden.

Eindelijk waren al de moeilijkheden en hinderpalen overwonnen, en toen het vuur maar eenmaal ontstoken was, zorgde Makatit voorbeeldig dat het niet meer uitging.

Het moet gezegd worden, de jeugdige Kaffer was uitermate trotsch op zijn emplooi. Zijne werkzaamheden moesten hem niet al te vreemd van de hand gaan, want ongetwijfeld had hij bij zijn stam wel voor heetere vuren gestaan en daar meer dan eens in de keuken van den duivel dienst gedaan.

En waarlijk, Cyprianus had, sedert Makatit in zijn dienst getreden was, meer dan eens kunnen opmerken, dat deze bij de andere Kaffers als een wezenlijke toovenaar bekend stond. Eenige onbeduidende grondbeginselen van heelkunde, een zeker aantal behendige goochelkunstjes, die hij van zijn vader geleerd had, vormden den geheelen inventaris van zijne toovenaars-wetenschap. Maar men kwam hem over werkelijke en ingebeelde kwalen raadplegen; men kwam de uitlegging van droomen van hem verzoeken; men nam hem als scheidsrechter bij allerhande geschillen. Nooit verraste men Makatit of schoot hij te kort, steeds gaf hij een recept, steeds voorspelde hij de toekomst, steeds was hij met zijn uitspraak gereed. Die recepten waren soms vreemdsoortig, en de vonnissen allerdwaast, maar zijne landgenooten waren er mede tevreden. Wat wil men meer?

Er moet nog bijgevoegd worden, dat de kolven en de ontvangers, waarmede hij tegenwoordig in het laboratorium van den jeugdigen ingenieur omringd was, zonder nog te gewagen van de geheimzinnige handelingen, die hij moest helpen volvoeren, het hunne krachtig er toe bijbrachten, om zijne toovenaars-beruchtheid te vermeerderen.

Cyprianus moest telkens glimlachen over het solemneele uiterlijk, dat die brave kerel aannam om zijn nederig baantje van stoker en voorbereider waar te nemen, wanneer hij den oven met houtskolen opstookte, of wel eene reeks reageerbuizen of kroesjes reinigde en waschte of afstofte. En toch was er iets verteederends in dien ernst, in die deftigheid; want zij ontstonden uit den eerbied, dien de wetenschap aan iedere onwetende maar schrandere ziel inboezemt, die naar onderwijs hunkert.

Makatit had buitendien ook zijne kwajongensbuien en zijne uren van vroolijkheid, vooral wanneer hij zich in gezelschap van Li bevond. Een diepgewortelde vriendschap was tusschen die twee wezens, zoo verschillend van oorsprong, ontstaan gedurende de bezoeken, die de Chinees thans aan de hoeve Watkins bracht. Beiden spraken genoegzaam Fransch, beiden waren door Cyprianus van een dreigenden dood gered, waarvoor zij hem zeer dankbaar waren. Het was dus natuurlijk, dat eene onderlinge sympathie hen verbond; en die sympathie was weldra in eene hartelijke toegenegenheid overgegaan.

Wanneer zij onder elkander waren, dan gaven Li en Makatit den jongen ingenieur een eenvoudigen en aandoenlijken naam, die den aard van het gevoel, dat zij voor hem koesterden, volkomen aanduidde.

Zij noemden hem "vadertje" en bezigden slechts uitdrukkingen van bewondering en van de meest opgewonden toewijding, wanneer zij van hem spraken.

Die toewijding openbaarde zich van de zijde van Li door de zorg, waarmede hij het linnengoed van Cyprianus waschte, steef en streek,--van den kant van Makatit, door de schier godsdienstige oplettendheid en nauwkeurigheid, waarmede hij al de aanwijzingen en bevelen zijns meesters opvolgde.

Maar de beide makkers gingen soms wel een beetje ver in hun ijver om "vadertje" genoegen te doen. Het gebeurde bijvoorbeeld wel eens, dat Cyprianus op zijne tafel--hij gebruikte thans zijne maaltijden bij zich aan huis--vruchten of lekkernijen zag waaraan hij niet gedacht en die hij dus ook niet bevolen had te koopen, en waarvan de herkomst geheim bleef, want hij zag ze op geen der rekeningen zijner leveranciers verschijnen. Of wel het waren hemden waaraan, wanneer zij van den waschbaas kwamen, gouden knoopjes prijkten, terwijl niemand wist vanwaar die kwamen. Een anderen keer was het eene gemakkelijke en elegante zitting, of een geborduurd kussen, of een pantervel, of de een of andere kostbare snuisterij, die het ameublement van het huis kwam vermeerderen.

En als Cyprianus hetzij Li, hetzij Makatit daarover ondervroeg, dan kon hij er niets anders dan onduidelijke of ontwijkende antwoorden uithalen, zooals:

"Ik weet niet!.... Ik heb het niet gedaan!.... Dat zijn zaken die mij niet aangaan!...."

Cyprianus had wellicht vrede met die geschenken gehad, maar zij hinderden hem thans, omdat hij niet zeker was of ze wel uit zuivere bron verkregen waren. Intusschen bevestigde niets die meening, en de meest zorgvuldige nasporingen dienaangaande verspreidden volstrekt geen licht.

En achter zijn rug wisselden Makatit en Li glimlachjes, steelsche blikken en geheimzinnige teekens, die blijkbaar beteekenden:

"Eh eh, "vadertje" begrijpt er toch niets van!"

Daarenboven, andere zorgen, ernstige, gewichtige zorgen kwelden het brein van Cyprianus. John Watkins scheen besloten Alice uit te huwelijken, en te dien einde had hij sedert eenigen tijd zijn huis tot een museum van mededingers naar hare hand gemaakt. Niet alleen bracht James Hilton er bijna iederen avond door; maar al de ongehuwde mijnwerkers die door het slagen hunner ontginning volgens de opvatting van den pachter begiftigd schenen met de meest onontbeerlijke hoedanigheden, die te bedenken waren om tot schoonzoon bevorderd te worden, werden te zijnen huize gelokt, werden ten eten verzocht, en eindelijk aan de keuze zijner dochter onderworpen.

De Duitscher Friedel en de Napolitaan Pantalucci behoorden onder dat getal. Beiden telden thans onder de meest gelukkige mijnwerkers van het kamp. Het aanzien, dat overal het succes vergezelt, ontbrak hun niet, zoowel in de Kopjesmijn als op de hoeve. Friedel was pedanter en scherper dan ooit te voren, nu zijn onverdraaglijke trots gesteund werd door eenige duizenden ponden sterling. Wat Hannibal Pantalucci betreft, die was in een kolonialen modekwast veranderd, die schitterde van gouden kettingen, ringen en diamanten spelden. Hij droeg kleeren van wit linnen, die zijn huid nog geler en nog aardachtiger deden uitkomen.

Maar dat belachelijk persoontje poogde te vergeefs Alice te verlokken met zijne snakerijen, met zijne Napolitaansche liedjes en met zijne valsche geestigheid. Neen, zij verwaardigde zich niet eens hem in het bijzonder te kleinachten, ook niet om te bespeuren wat hij op de hoeve verrichten kwam. Zij vergenoegde zich met ongaarne hem aan te hooren, en lachte noch om zijne aardigheden, noch om zijne gebaren. Hoewel zij nog te onbekend was met de zedelijke leelijkheden, om het treurige doel van al dat gepraal te beseffen, zag zij in hem niets anders dan een gewoon bezoeker van het huis haars vaders, die niet minder vervelend was dan de anderen. Dit bleek duidelijk voor Cyprianus uit hare handelingen, en hij zou vreeselijk geleden hebben, wanneer hij haar, die hij eene zoo hooge plaats in zijn eerbied en zijne teederheid ingeruimd had, in een geregeld gesprek zou gezien hebben met dat verachtelijk wezen.

En hij zou er te meer onder geleden hebben, omdat zijne natuurlijke fierheid hem belet zoude hebben daarover iets te laten blijken, omdat hij het te vernederend vond een poging te wagen en in de oogen van miss Watkins zelfs een zoo onwaardigen mededinger te hekelen. Welk recht had hij daartoe buitendien? Waarop zijn hekel te gronden? Hij wist niets omtrent Hannibal Pantalucci, en werd slechts geleid door een instinctmatigen afkeer bij de ongunstige oordeelvelling, die hij over hem uitbracht. Een poging om Hannibal uit een ernstig oogpunt te doen beschouwen, zou hemzelven slechts belachelijk maken. Ziedaar wat Cyprianus duidelijk begreep, en hij zou wanhopig geweest zijn, wanneer Alice zulk een man zelfs de minste aandacht schonk.

Daarenboven, hij had zijne taak weer hervat met zulk een ijver, dat zijn gedachtengang daardoor dag en nacht in beslag werd genomen. Het was niet alleen de diamantfabricage, die hem bezig hield, maar hij had tien, twintig verschillende proeven in bewerking, die hij hoopte allen tot een goed einde te brengen, wanneer zijne hoofdproef zou geslaagd zijn. Hij vergenoegde zich niet meer met theoretische gegevens, met formules, waarmede hij uren lang zijne aanteekeningboeken overdekte. Ieder oogenblik vloog hij naar de Kopjesmijn, om daar nieuwe monsters van rotsblokken en van grondsoorten te halen. Dan hervatte hij zijne scheikundige ontledingen wellicht voor den honderdsten keer, maar dan met eene stiptheid en eene nauwkeurigheid, die geen enkele dwaling toelieten. Hoe meer het gevaar dreigde, dat miss Watkins hem zou ontsnappen, hoe meer hij vast besloten was niets na te laten om zich van de overwinning te verzekeren.

En toch zijn wantrouwen in zijn kracht was zoodanig, dat hij niets aan het jonge meisje had willen mededeelen van de proef die hij onder handen had. Miss Watkins wist alleen, dat hij op haren raad het mijnwerkersvak had vaarwel gezegd en de scheikunde weer beoefende, en gevoelde zich daardoor gelukkig.

NEGENDE HOOFDSTUK.

EENE VERRASSING.

De dag waarop de proef eindelijk ten einde zoude loopen, kon een groote dag genoemd worden.

Het vuur werd sedert twee weken niet meer opgestookt, hetgeen ten gevolge had dat het geheele toestel langzamerhand was afgekoeld. Cyprianus oordeelde dat de kristalvorming van de koolstof, wanneer zij onder deze omstandigheden had kunnen plaats hebben, thans moest geschied zijn en ging er dan ook toe over om de laag klei, die om den oven een mantel vormde, weg te nemen.

Die mantel moest met het pikhouweel afgebikt worden, want hij was als de baksteen in den oven van een steenbakker zoo hard geworden. Maar onder de ijverige krachtsinspanning van Makatit was hij weldra in zoover weggeruimd, dat het bovenste gedeelte van den oven--wat men het kapiteel noemt--zichtbaar was. Daarna kwam de geheele oven te voorschijn.

Het hart van den jeugdigen ingenieur bonsde hem in het lijf. Het telde zeker honderd-twintig slagen in de minuut op het oogenblik dat de jonge Kaffer en Li dat kapiteel afnamen.

Hij geloofde zelf niet aan het welslagen zijner pogingen, want hij was een dier menschen die steeds aan hunne eigen krachten twijfelen. Maar, alles goed bekeken, was het toch mogelijk! En wat vreugde zoude het zijn, wanneer dat zoo eens was! Was al zijne hoop op geluk, op roem, op vermogen niet in dien dikken zwarten cylinder besloten, die daar na weken wachtens weer voor zijn oog opdoemde?

O! ellende!.... Het kanon was gesprongen.

Ja, inderdaad, aan de vreeselijke drukking, door den waterdamp en door het moerasgas, die uitermate verhit waren geworden, uitgeoefend, had het staal zelfs geen weerstand kunnen bieden. De buiswand, hoewel die eene dikte van vijf centimeter had, was gebarsten alsof hij van glas geweest ware. Hij vertoonde ter zijde, zoowat op de helft zijner lengte, een gapenden barst, die zich als een breede zwarte muil voordeed, die door de vlammen aangezwart en verwrongen was en die den ontstelden geleerde boosaardig scheen uit te lachen.

Dat was wel ongelukkig! Zoo vele moeiten om dat ellendige resultaat te bereiken! Waarlijk, Cyprianus zou zich minder vernederd gevoeld hebben, wanneer zijn toestel, beter beschermd en beter verzekerd, die vuurproef had kunnen doorstaan! Dat er in den cylinder geen gekristalliseerde koolstof zou gevonden worden, zou hem minder gedeerd hebben, op die teleurstelling had hij zich herhaaldelijk voorbereid! Maar die oude rol staal, die thans slechts bij het oudroest kon geworpen worden, gedurende een maand verhit, afgekoeld, ja, laten wij gerust zeggen gekoesterd te hebben, zie, dat was spotternij van het noodlot. Waarachtig, hij zou die buis met zijn hiel de heuvelhelling hebben willen afschoppen, wanneer hare zwaarte zich niet tegen zulk eene behandeling verzet had!

Cyprianus wilde haar in den oven laten en maakte zich gansch bedroefd gereed om aan Alice dien ellendigen uitslag te gaan mededeelen, toen de weetgierigheid van den scheikundige weer boven kwam en hem er toe bracht een aangestoken lucifer bij de opening der buis te brengen om de binnenruimte te onderzoeken.

"Ongetwijfeld is de laag aarde, waarmede ik den binnenwand bestreken heb, in baksteen veranderd, evenals de buitenmantel van den oven."

De veronderstelling was gegrond. Evenwel, door een uiterst zeldzaam verschijnsel, dat Cyprianus zich aanvankelijk niet verklaren kon, scheen een soort kleibal zich van die laag aarde afgescheiden te hebben en was afzonderlijk in de buis verhard.

Die bal had eene roode, zwartachtige kleur en omstreeks de doorsnede van een oranjeappel. Hij kon best door den barst van den cylinder heen. Cyprianus greep dien bal vrij onverschillig, om hem te onderzoeken. Hij bemerkte dat het een stuk van de leembrei was, die zich gedurende de verhitting van den cylinderwand kon afgescheiden hebben, en dat daardoor afzonderlijk gebakken was. Hij wilde het wegwerpen, toen hij bespeurde dat het hol klonk, evenals, een aarden pot.

Het geleek wel op eene kleine kruik zonder opening, waarin een soort zware knikker rammelde.

"Net een aarden kinderspaarpotje," zei Cyprianus.

Indien hij evenwel op verbeurte van zijn leven den uitleg van dat geheimzinnige ding had moeten geven, dan was hij er gek aan toe geweest.

Hij wilde toch weten, wat er in dien bal zat. Hij greep dus een hamer en sloeg dien spaarpot stuk.

Ja waarlijk, het was een spaarpot, en nog wel een, die een onwaardeerbaren schat bevatte. Neen! waarachtig niet! men kon zich niet vergissen met betrekking tot den zwaren keisteen, dien de jeugdige ingenieur toen in de handen hield. Die keisteen was een diamant, in zijne legering besloten evenals gewone diamanten; maar het was een diamant van kolossale afmetingen, van afmetingen die onwaarschijnlijk, en nimmer te voren gezien waren!

Dat de lezer oordeele! Die diamant was dikker dan een hoender-ei en had het uitzicht van een aardappel. Hij moest minstens driehonderd gram wegen. "Een diamant!.... Een kunstmatige diamant!...." herhaalde Cyprianus mompelend en met gedempte stem, want hij was letterlijk verplet. "Ik heb dus de oplossing van het vraagstuk omtrent deze fabriekmatige bereiding gevonden!.... En dat nog wel in weerwil van het ongeval aan de buis overkomen!.... Ik ben dus rijk.... Ik! rijk!!.... En Alice, mijn dierbare Alice, behoort mij dus!"

Maar dan begon hij zijne oogen weer te wantrouwen. Hij geloofde niet wat hij zag.

"Maar dat is onmogelijk!.... Dat is een droombeeld!.... eene zinsbegoocheling!" herhaalde hij, terwijl de duivel des twijfels hem aan het hart knaagde.

En zonder zich den tijd te gunnen om zijn hoed op te zetten, buiten zich zelven, waanzinnig van vreugde, zooals Archimedes moet geweest zijn, toen hij bij het verlaten van zijn bad zijn beroemd grondbeginsel vond en zijn "Eureka" uitgalmde, vloog Cyprianus, eerder dan hij liep, met ongekende vaart, in één rek door naar de woning van Jacobus Vandergaart en viel bij den oude als een bom binnen.

Hij vond den ouden diamantslijper bezig met steenen te onderzoeken, die de makelaar Nathan hem gebracht had om geslepen te worden.

"O! mijnheer Nathan, gij komt juist van pas!" riep Cyprianus uit. "Kijk!.... en gij ook, mijnheer Vandergaart, kijk wat ik u daar breng en zeg mij wat dat is."

Hij legde daarbij zijn keisteen op de tafel en kruiste zich de armen over de borst.

Nathan nam 't eerst den steen en verbleekte van verbazing, en gaf hem daarna met opengesperde oogen en geopenden mond aan Jacobus Vandergaart over. Deze bracht het voorwerp ter hoogte van zijne oogen onder het daglicht, dat door zijne vensters binnenviel, en beschouwde het op zijne beurt door zijn bril. Daarna legde hij het op de tafel neer en zei tot Cyprianus met uiterst bedaarde stem:

"Dat, dat is de grootste diamant, die ter wereld bestaat!"

"Ja!.... de grootste," herhaalde Nathan. "Hij is twee of drie malen grooter dan de _Kohinoor_, de Berg van Licht, de prachtigste van de Engelsche kroonjuweelen, die honderd negen en zeventig karaten weegt!"

"Hij is twee of driemaal grooter dan de _Groote Mogol_, de grootste bekende diamant, die twee honderd en tachtig karaten weegt!" hernam de oude diamantslijper.

"Hij is vier of vijfmaal grooter dan de diamant van den Czaar, die honderd drie en negentig karaten weegt," voegde Nathan er geheel verbouwereerd aan toe.

"Zeven of achtmaal grooter dan de _Regent_, die honderd zes en dertig karaten weegt," ging Jacobus Vandergaart voort.

"Twintig of dertigmaal grooter dan de diamant van Dresden, die er slechts een en dertig weegt!" riep Nathan.

En hij voegde er aan toe:

"Ik reken dat deze, na geslepen te zijn, nog vier honderd karaten zal wegen! Maar hoe kan men zich aan eene taxeering van zoo'n steen als deze wagen? Die ontsnapt aan iedere berekening!"

"Waarom zou men hem niet kunnen taxeeren?" vroeg Jacobus Vandergaart, die het kalmste van alles gebleven was. "De waarde van den _Kohinoor_ is op vijftien millioen gulden geschat; die van den _Grooten Mogol_ op zes millioen; die van den diamant van den Czaar op vier millioen; die van den _Regent_ op drie millioen!.... Welnu, deze moet voorzeker op zijn minst gerekend vijftig millioen waard zijn!"

"Ho, ho! dat hangt van zijn kleur en van zijn kwaliteit af!" hernam Nathan, die zijne kalmte herkreeg en de voorbereidende maatregelen reeds meende te moeten nemen met het vooruitzicht op een mogelijken koop van dien steen. "Wanneer hij geheel kleurloos en zonder gebreken is, ja, dan, ja, dan is de waarde onschatbaar! Maar is hij geelachtig getint, zooals de meeste diamanten van Grikwaland, dan zal de waarde minder zijn!.... Maar ik weet niet of ik voor een steen van dezen omvang niet eene fraaie saffierblauwachtige schakeering zou verkiezen, zooals de diamant van Hope, of rooskleurig zooals de _Groote Mogol_, of zelfs smaragdgroen zooals de diamant van Dresden."

"Waarachtig niet.... neen!...... neen!" riep de oude diamantslijper met vuur uit. "Ik stel niets boven de kleurlooze steenen!.... Spreek mij van den _Kohinoor_ of van den _Regent_! Dat is edelgesteente! Daarbij vergeleken zijn de andere maar fantasie-steenen!"

Cyprianus hoorde reeds niet meer.

"Mijne heeren, gij zult mij verontschuldigen," sprak hij haastig, "maar ik ben verplicht heen te gaan."

En na zijn steen weer bij zich gestoken te hebben, sloeg hij met de grootst mogelijke haast den weg naar de hoeve in.

Zonder er zelfs aan te denken om aan te kloppen, deed hij de deur der spreekkamer open en hij bevond zich terstond tegenover Alice, die hij, zonder over de onbetamelijkheid van zijn gedrag na te denken, in zijne armen sloot en op beide wangen zoende.