De Zuidster, het land der diamanten

Chapter 7

Chapter 73,819 wordsPublic domain

"Ik moest wel, om u van dien strik los te maken, mijn vriend," antwoordde Cyprianus. "Maar wat duivel, zult gij in dit land zonder staart een stuiver minder waard zijn? Kom, stel u niet zoo dwaas aan!"

De Chinees scheen evenwel zoo wanhopig over dat verlies te zijn, dat Cyprianus, vreezende dat hij weer het een of ander middel tot zelfmoord te baat zou nemen, besloot naar huis terug te keeren en hem mede te nemen.

Li volgde hem gewillig, zette zich aan tafel met zijn redder, liet zich geduldig kapittelen en beloofde zijne poging niet te herhalen. Zelfs ging hij zoover in zijne vertrouwelijkheid, dat hij onder het genot van een kop brandend heete thee eenige mededeelingen betreffende zijne levensgeschiedenis leverde.

Li, die te Kanton geboren werd, was in een Engelsch handelshuis voor den handel opgeleid. Daarna was hij naar Ceylon en van daar naar Australië overgestoken, om eindelijk in Afrika terecht te komen. Nergens was het hem meegeloopen. De wasch-affaire hier in het mijndistrict ging al even slecht als twintig andere handwerken, die hij uitgeoefend had. Zijne nachtmerrie was Hannibal Pantalucci. Dat wezen maakte hem ellendig, en zonder dien kerel zou hij tevreden zijn met de schamele bete broods, die hij in Grikwaland verdiende. Om kort te gaan, het was om die vervolgingen en die martelingen te ontgaan, dat hij een einde aan zijn leven had willen maken.

Cyprianus troostte den armen kerel en sprak hem moed in. Hij beloofde hem tegenover den Napolitaan te zullen beschermen, gaf hem al zijn vuil linnen, dat hij onder de hand had, om te wasschen, en zond hem heen niet alleen getroost, maar volmaakt genezen van zijn bijgeloof betreffende zijn harig aanhangsel.

En wil de lezer weten hoe de jonge ingenieur dat doel bereikt had? Niets eenvoudiger dan dit: Hij had hem met den meest mogelijken ernst verzekerd, dat de strop eens gehangenen geluk aanbrengt en dat de invloed van zijn ongelukkig gesternte een einde zou nemen, nu hij zijn staart in den zak had.

"In ieder geval zal Pantalucci hem nu niet meer kunnen afsnijden!"

Deze echt Chineesche redeneering bracht Li's genezing tot volmaking.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

DE AARDSTORTING.

Sedert vijftig dagen had Cyprianus geen enkelen diamant in zijne mijn gevonden. Dat mijnwerkersbaantje, dat hem voorkwam een ellendig baantje te zijn, wanneer men althans geen geld genoeg heeft om een uitstekenden claim te koopen en een dozijn Kaffers daarin te werk te stellen, begon hem dan ook mooi de keel uit te hangen.

Dientengevolge liet Cyprianus op zekeren morgen Makatit en Bardik alleen met Thomas Staal vertrekken en bleef in zijne hut achter. Hij wilde een brief van zijn vriend Pharamond Barthés beantwoorden, die hem tijdingen had doen toekomen door tusschenkomst van een ivoorhandelaar, die op reis naar de Kaapstad was.

Pharamond Barthés was in de wolken over zijne jagersleven en over de door hem ondervonden avonturen. Hij had reeds drie leeuwen gedood, zestien olifanten en zeven tijgers, zonder nog te spreken van een onnoemlijk aantal giraffen en antilopen. Van het kleine wild maakte hij eenvoudig geen gewag.

Hij voedde, zeide hij, den oorlog door den oorlog, evenals dat de historische veroveraars deden. Hij slaagde er niet alleen in om het geheele expeditionaire korps, dat hij met zich voerde, te onderhouden, maar het zou hem gemakkelijk gevallen zijn, wanneer hij zulks gewild had, groote winsten te behalen met den verkoop van de pelterijen en van het ivoor, van die jachtpartijen afkomstig, of door ruilhandel te drijven met de Kafferstammen, in welker midden hij leefde.

Hij eindigde zijn schrijven in dier voege:

"Zult gij mij niet vergezellen bij het volvoeren eener reis langs de boorden van de Limpopo-rivier? Ik zal er tegen het eind van de aanstaande maand aankomen. Ik heb het plan dien stroom af te zakken tot zijne ontwatering in de Delagoa-baai, om vervolgens over zee naar Durban terug te keeren, waarheen ik volgens contract mijne Bassuto's terugvoeren moet. Laat toch dat schrikkelijke Grikwaland voor eenige weken links liggen en kom mee...."

Cyprianus las en herlas dien brief, toen eensklaps eene vreeselijke losbarsting vernomen werd, die onmiddellijk door een helsch spektakel in het kamp gevolgd werd. Hij vloog natuurlijk in alle haast op en stormde zijne tent uit.

Al de mijnwerkers liepen in de grootste wanorde en met al de teekenen eener buitengewone radeloosheid naar de mijn.

"Eene aardstorting!" schreeuwde men van alle kanten.

De nacht was inderdaad zeer frisch, ja, koud te noemen geweest, terwijl de vorige dag als een der warmsten, die men in langen tijd beleefd had, kon aangerekend worden. Gewoonlijk na zulke groote en spoedig ingevallen temperatuursverschillen hadden samenkrimpingen van de blootgestelde aardmassa's plaats, waardoor zulke rampen als de hier aangeduide mogelijk werden.

Cyprianus haastte zich naar de Kopjes-mijn.

Toen hij daar aankwam, overzag hij het gebeurde met één blik.

Een aarden wal van minstens zestig meter hoogte en van twee honderd meter lengte was van boven tot onder gespleten en vormde eene gaping, die heel veel geleek op de bres van een door geschut geteisterden muur. Verscheidene duizenden kubieke meters grind waren losgeraakt en naar beneden gestort, waar zij de claims met zand, met steenen en met aarde bedolven. Alles wat zich op het oogenblik der aardstorting boven op den rand bevonden had, als menschen ossen, karren enz., was plotseling in den afgrond te recht gekomen en lag daar door elkander.

Gelukkig dat het grootste gedeelte der mijnwerkers nog niet in de mijn afgedaald was, want anders ware meer dan de helft van de kampbewoners bedolven geweest.

De eerste gedachte van Cyprianus betrof zijn vennoot, Thomas Staal. Hij had weldra het genoegen hem te ontdekken te midden van een groep mannen, die zich rekenschap trachtten te geven van den omvang van de ramp en daartoe op den rand der gevormde spleet stonden. Hij liep naar hem toe en ondervroeg hem.

"Ja, wij zijn het mooi ontsnapt!" zei de mijnwerker uit Lancashire, terwijl hij den Franschman de hand drukte.

"En Makatit?" vroeg Cyprianus.

"De arme jongen ligt daaronder," antwoordde Thomas Staal, op de puinhoopen wijzende, die zich op hun gemeenschappelijk eigendom opgestapeld hadden. "Nauwelijks had ik hem bevel gegeven om in de groeve af te dalen, en stond ik reeds te wachten op den eersten emmer, om dien op te hijschen, toen de noodlottige gebeurtenis plaats vond."

"Maar wij kunnen zoo niet met de armen over elkander geslagen staan toekijken, zonder iets uit te richten!" riep Cyprianus uit. "Misschien leeft hij nog."

Thomas Staal schudde het hoofd.

"Het is onwaarschijnlijk, dat hij onder een last van minstens twintig ton aarde nog in leven zoude zijn," antwoordde hij. "Daarenboven tien menschen zouden zeker twee of drie dagen moeten arbeiden om den boel op te ruimen."

"Dat kan me niet schelen," was de meening van den jongen ingenieur, vastbesloten. "Ik wil niet dat gezegd zal worden, dat wij een menschelijk wezen in dat graf bedolven hebben gelaten, zonder dat wij alle pogingen aangewend hebben, om hem er uit te halen."

En zich door tusschenkomst van Bardik tot eenige andere Kaffers wendende, die daar in de nabijheid stonden, bood hij hen een hoog loon, van vijf shillings per dag aan, voor ieder, die onder zijne aanwijzing arbeiden wilde om zijn claim te ontruimen.

Een dertig negers boden terstond hunne diensten aan, en de arbeid werd zonder een oogenblik verloren te laten gaan, aanvaard. De pikhouweelen, de schoppen en spaden ontbraken niet, de emmers en de kabels waren geheel gereed, de karretjes ook. Een groot aantal blanke mijnwerkers boden op de tijding, dat het gold een armen sukkel van onder de aardstorting te voorschijn te halen, grootmoedig hunne hulp aan. Thomas Staal, ontvonkt door den moed en den ijver van Cyprianus, bestuurde met geestdrift den arbeid, die dienen moest, om een menschenleven te redden.

Tegen het middaguur waren reeds eenige tonnen zand en steenen verwerkt en buiten den claim gebracht.

Bardik liet zoowat tegen drie uur een rauwen kreet hooren. Hij bespeurde onder zijne schop een zwarten voet, die boven den grond uitstak.

Men verdubbelde natuurlijk de inspanningen, en weinige minuten later was het lichaam van Makatit geheel uitgegraven. De ongelukkige Kaffer lag op den rug uitgestrekt, bewegingloos en was volgens alle waarschijnlijkheid dood als een pier. Een der lederen emmers evenwel, die hij bij zijn arbeid bezigde, was met de opening op zijn gelaat gevallen en bedekte dat zooals een mombakkes dat zoude gedaan hebben.

Die omstandigheid, die door Cyprianus niet onopgemerkt bleef, deed de gedachte bij hem opkomen, dat hij den ongelukkige wellicht in het leven kon terugroepen; maar die hoop was in werkelijkheid uiterst zwak; want het hart klopte niet meer, de huid was koud, de ledematen waren verstijfd, de handen waren door den doodstrijd gesloten en gebald, en het gelaat, dat met die eigenaardige bleekheid der negers in het stervensuur overtogen was, was schrikkelijk verwrongen door de stuiptrekkingen bij dien verstikkingsdood.

Toch verloor Cyprianus den moed niet. Hij deed Makatit naar de hut van Thomas Staal, die het dichtste in de nabijheid lag, overbrengen. Men strekte hem op een tafel uit, die gewoonlijk gebezigd werd om het grind en het zand der mijn uit te zoeken, en hij werd toen onderworpen aan stelselmatige wrijvingen en aan bewegingen van de wervelkolom en van de borstkas, geschikt om eene kunstmatige ademhaling in het leven te roepen. In één woord men wendde alle hulpmiddelen aan, die bij drenkelingen gebezigd worden. Cyprianus wist, dat die middelen bij alle soorten van verstikking dienstig kunnen zijn. Ook was er in het gegeven geval niets anders te verrichten, want geene wond, geene breuk, noch eenige ernstige beleediging waren te bespeuren.

"Kijk toch, mijnheer Méré, hij houdt nog eene kluit aarde in de vuist geknepen!" deed Thomas Staal, die het beste hielp, om dat groote zwarte lichaam te wrijven, opmerken.

En hij wreef goed, die brave mijnwerker van Lancashire. Wanneer hij bezig ware geweest de groote krukas eener stoommachine van twaalfhonderd paardenkracht met amaril en olie te polijsten, dan zou hij aan dat werk zijne vuisten niet met meer kracht hebben kunnen gebruiken!

Die inspanningen droegen eindelijk goede vruchten. De lijkenstijfheid van den jeugdigen Kaffer scheen langzamerhand te verdwijnen. De temperatuur zijner huid wijzigde zich aanmerkelijk. Cyprianus, die met het oor op de hartstreek het geringste teeken van leven bespiedde, meende onder zijne hand eene lichte trilling te gevoelen, die hem een goed voorteeken scheen.

Die kenteekenen werden weldra duidelijker. De pols begon te kloppen, eene zachte inademing van lucht tilde bijna onmerkbaar de borstkas van Makatit op, terwijl een daarop volgende sterkere uitademing kenteekende, dat het lichaam tot zijne levensverrichtingen terugkeerde.

Plotseling traden twee heftige niesbuien in, die de groote zwarte karkas, vroeger zoo bewegingloos, van het hoofd tot de voeten deden schudden. Makatit opende de oogen, haalde diep adem en herkreeg zijn bewustzijn.

"Hoera! hoera! De kameraad is uit de klem!" riep Thomas Staal, wien het zweet van het lichaam gutste en die thans met zijne wrijvingen ophield. "Maar kijk dan toch, mijnheer Méré, hij laat zijne kluit aarde, die hij steeds in de samengeknepen vuist houdt, maar niet los."

Onze jonge ingenieur had wel wat anders te doen in die oogenblikken, dan op die bijzonderheid te letten. Hij liet den lijder een kleinen lepel vol rum inslikken en tilde hem op, om zijne ademhalingswerktuigen in hunne werking behulpzaam te zijn. Toen hij hem eindelijk goed en wel tot het leven teruggeroepen zag, wikkelde hij hem in eenige dekens en deed hem door drie of vier gewillige kerels naar zijne hut, die op het erf van Watkins gelegen was, overbrengen.

Daar werd de arme Kaffer op zijn bed gelegd en deed Bardik hem een kop heete thee drinken. Makatit sliep na een half uur rustig en kalm in en kon nu als gered beschouwd worden.

Cyprianus gevoelde in zijn binnenste die onvergelijkelijke vreugdevolle gewaarwording, die ieder mensch ondervindt, wanneer hij een menschenleven aan de klemmende vuist des doods ontrukt heeft. Terwijl Thomas Staal en zijne makkers, dorstig geworden door zooveel therapeutische handelingen, hun goeden uitslag bij den naburigen kroeghouder gingen vieren, door een groote hoeveelheid bier te verorberen, greep Cyprianus bij Makatit wenschende te blijven, een boek en zette zich naast zijne sponde, en onderbrak slechts zijne lectuur om den Kaffer te zien slapen zooals een vader den slaap van een van ziekte herstellenden zoon zoude bewaakt hebben.

Makatit was sedert zes weken in dienst bij Cyprianus getreden, en deze had niet anders dan redenen gehad om tevreden, ja, zelfs opgetogen over hem te zijn. Zijne schranderheid, zijne gewilligheid, zijn ijver bij den arbeid waren uitmuntend en werkelijk bij die van geen andere te vergelijken. Hij was moedig, goedhartig, dienstvaardig en begaafd met een bijzonder zacht en vroolijk karakter. Geen werk was hem te zwaar, geen moeilijkheid rees boven zijn ijver en moed. Er kon met recht gezegd worden, dat er geen verheven maatschappelijk standpunt bestond, hetwelk een Franschman, met zulke hoedanigheden en eigenschappen begaafd, niet zou hebben kunnen bereiken. En het noodlot wilde, dat al die kostbare gaven onder die zwarte huid en in den gekroesden schedel van een eenvoudigen Kaffer gehuisvest waren!

Toch had Makatit een gebrek--een ernstig gebrek--een gevolg waarschijnlijk van de eerste opleiding, die hem deelachtig werd, en van de al te Spartaansche gewoonten, die hij in zijne kraal aangeleerd had. Zullen wij dat gebrek mededeelen? Makatit was een weinig diefachtig; maar was dat geheel onbewust. Wanneer hij een voorwerp ontwaarde, dat hem aanstond, vond hij het heel natuurlijk zich dat voorwerp toe te eigenen.

Te vergeefs hield hem zijn meester, die door de neiging zich beangstigd gevoelde, hem de meest ernstige en de meest strenge vertoogen. Te vergeefs dreigde hij hem te zullen heen zenden, wanneer hij hem andermaal betrappen of schuldig bevinden mocht. Bij zulke gelegenheid beloofde Makatit beterschap, hij huilde dan en smeekte om vergeving! maar.... den volgenden morgen, wanneer de gelegenheid zich aanbood, was hij weer de oude zondaar.

Zijne ontvreemdingen betroffen gewoonlijk dingen, die niet belangrijk waren. Al de zaken, die zijne hebzucht in het bijzonder opwekten, hadden niet veel waarde, zooals een mes, een das, een potloodhouder, of dergelijke nietigheid. Toch deed het Cyprianus pijnlijk aan, dat een zoo edel karakter met zulk eene ondeugd behept was.

"Laat mij wachten.... laat mij de hoop niet verliezen!" zei hij tot zich zelven. "Wellicht gelukt het mij, hem het slechte van die diefstallen te doen begrijpen!"

En terwijl hij hem zoo gedurende zijn slaap aankeek, overdacht Cyprianus die zoo scherpe afwijkingen in zijne hoedanigheden, die haren oorsprong vonden in Makatit's verleden, te midden van zijn stam doorgebracht.

Toen de avond begon te vallen, ontwaakte de jeugdige Kaffer zoo frisch en zoo welbehaaglijk mogelijk, net alsof hij geen twee uren lang in een staat van verstikking doorgebracht had. Hij kon thans vertellen, wat hem wedervaren was.

De emmer, waarmede zijn aangezicht zeer bij toeval bedekt was geworden, en een lange ladder, die als een korbeelstut boven hem dienst gedaan had, hadden hem aanvankelijk tegen de onmiddellijke mechanische gevolgen van de aardstorting beschermd en ook geruimen tijd voor een volkomen verstikking behoed, daar zij hem in zijne onderaardsche gevangenis een kleinen voorraad lucht verschaft hadden. Hij had zich zeer goed rekenschap weten te geven van die gelukkige omstandigheid en had alles aangewend om haar zoo veel mogelijk te benuttigen, door slechts met groote tusschenpoozen adem te halen. Maar die geringe voorraad lucht was langzamerhand bedorven geraakt. Toen had Makatit zijne geestvermogens langzamerhand voelen benevelen. Eindelijk was hij in een soort van zwaargeestigen slaap vol doodsangsten geraakt waaruit hij bij wijlen ontwaakte en dan met een uiterste inspanning lucht poogde in te ademen. Eindelijk was zijn denk- en herinneringsvermogen als uitgewischt. Hij wist niet meer, wat met hem gebeurde en was nu dood.... want het was werkelijk uit den dood, dat hij verrezen was.

Cyprianus liet hem een poos voortpraten; hij liet hem daarna drinken en eten en noodzaakte hem, in weerwil van zijne tegenstribbelingen, om den geheelen nacht op het bed te blijven liggen, waarop hij hem had doen uitstrekken. Toen hij eindelijk zag, dat alle gevaar geweken was, liet hij hem alleen en begaf zich naar de hoeve van Watkins, om daar zijn gewoon bezoek af te leggen.

De jeugdige ingenieur gevoelde behoefte, om aan Alice zijne ondervonden indrukken op dien dag mede te deelen, als ook den afkeer van het mijnwerk, dien hij ondervond en die sedert het ongeval van dien morgen nog vermeerderd was. Het denkbeeld hinderde hem, dat het leven van Makatit in gevaar gesteld was alleen voor de twijfelachtige kans om eenige kleine en onbeduidende diamanten te vinden.

"Dat ik dien arbeid zelf verricht," mompelde hij in zich zelven, "kan er nog door. Maar dat gevaarvolle werk op te dragen aan dien ongelukkigen Kaffer, en dat voor een ellendig loon, is eenvoudig verachtelijk te noemen!"

Hij deelde dus het jonge meisje zijne gewetenswroeging en zijne teleurstellingen mede. Hij vertelde haar van den brief, dien hij van Pharamond Barthès ontvangen had, en vroeg haar raad of hij niet beter zou handelen met de uitnoodiging van zijn vriend op te volgen. Wat zou hij er bij verliezen, wanneer hij naar de boorden van de Limpopo-rivier vertrok en het jachtveld betrad. Het zou in ieder geval edeler zijn dan in de aarde te wroeten als een gierigaard of daarin arme drommels voor zijne rekening te doen wroeten.

"Wat denkt gij er van, miss Watkins," vroeg hij, "gij die zooveel wijsheid aan zooveel practischen zin paart? Geef mij toch raad! Ik heb goeden raad hard noodig! Ik ben waarachtig mijn weerstandsvermogen kwijt. Er is waarlijk een vriendinnenhand noodig om mij weer op het rechte pad te brengen."

Zoo sprak hij in alle oprechtheid en vond er een onverklaarbaar genoegen in, nu hij zijne terughoudendheid verbroken had, zoo te praten en voor dat lieve en bekoorlijke kind de ellende zijner besluiteloosheid bloot te leggen.

Dat gekeuvel werd sedert eenige minuten in het Fransch voortgezet en ontleende aan die eenvoudige omstandigheid een grooten graad van vertrouwelijkheid, hoewel John Watkins, sedert eenige oogenblikken, na zijn derde pijp gerookt te hebben, ingedommeld, nooit eenige aandacht verleend had aan hetgeen de twee jongelieden met elkander praatten in het Engelsch of in welke taal ook.

Alice hoorde hem met belangstelling aan.

"Alles wat gij mij thans zegt, mijnheer Méré," antwoordde zij, "heb ik reeds lang gedacht. Ik kan moeilijk begrijpen, hoe een ingenieur, een geleerde zoo als gij zijt, er goedsmoeds heeft toe kunnen overgaan zoo een leven te leiden! Is dat geene misdaad jegens u zelven? Is dat geene misdaad jegens de wetenschap? Uw kostbaren tijd te verknoeien met een oppermanswerk, dat een eenvoudige Kaffer of een domme Hottentot beter dan gij verricht. Vergeef mij, maar dat is niet goed gehandeld; het is zelfs slecht gehandeld, geloof mij."

Cyprianus zou slechts een enkel woord behoeven te zeggen, om dat raadsel op te lossen, om voor het jonge meisje helder en duidelijk te maken, hetgeen haar zoo verwonderde en zoo ergerde.... Wie weet trouwens, of zij hare verontwaardiging niet een weinig overdreef om hem tot eene verklaring te brengen!.... Maar.... hij had zich voorgenomen die verklaring in zijn hart te bewaren, en hij zou zich zelven geminacht hebben, wanneer hij haar liet ontsnappen. Hij weerhield haar dus en zweeg.

Miss Watkins ging evenwel voort:

"Als gij er zoo op gesteld zijt om diamanten te vinden, mijnheer Méré, waarom zoekt gij die niet daar, waar gij, volgens mij, wel kans zoudt hebben om ze te vinden, namelijk in uw kroes? Hoe nu! gij zijt scheikundige, gij beter dan iemand weet wat die ellendige steenen, waaraan zooveel waarde gehecht wordt, eigenlijk zijn, en gij gaat ze verwachten van een ondankbaren en werktuigelijken arbeid? Wat mij betreft, ik herhaal mijn denkbeeld: als ik in uwe plaats was, dan zou ik eerder trachten diamanten te vervaardigen dan dat ik moeite zou doen ze geheel gereed te vinden!"

Alice sprak met zulk eene opgewondenheid, met zulk eene hoop en geloof in de kracht der wetenschap, en ook in de kunde van Cyprianus zelven, dat het hart van den jongen man zich als met een verkwikkenden dauw gedrenkt gevoelde.

Jammer, doodjammer, in dit oogenblik ontwaakte John Watkins uit zijn dut en vroeg berichten omtrent de Vandergaart-Kopjesmijn. De jongelieden waren dus genoodzaakt hun afzonderlijk gesprek te staken en de Engelsche taal weer te bezigen. De betoovering was verbroken.

Maar het uitgestrooide zaad was in goede aarde te recht gekomen en moest ontkiemen. De jeugdige ingenieur overdacht bij het naar huis gaan die zoo juiste woorden, welke in zijn binnenste trilden en daar een zoo grooten weerklank vonden, en die miss Watkins hem met haar lieven mond toegevoegd had. Wat die woorden hersenschimmigs hadden, verdween voor zijne oogen, om hem slechts te laten zien, wat zij aan edelmoedigheid, aan vertrouwen en teederheid jegens hem inhielden.

"En waarom niet.... alles wel beschouwd?" vroeg hij zich af. "De kunstmatige bereiding van het diamant kon eene eeuw geleden hersenschimmig heeten, thans is zij als het ware een voldongen feit! De heeren Frémy en Peil te Parijs hebben robijnen, smaragden en saffieren vervaardigd, die in werkelijkheid niets anders zijn dan aluminiumkristallen, die verschillend gekleurd zijn. De heer Mac Tear van Glasgow en de heer M.J. Ballantine Hannay uit dezelfde stad, hebben in 1880 gekristalliseerde koolstof verkregen, die al de eigenschappen van het diamant bezat, doch het eenige gebrek had schrikkelijk duur te zijn--veel duurder dan de natuurlijke diamanten van Brazilië, van Indië, van Borneo of van Grikwaland, en dus aan de behoefte van den handel niet voldeed. Maar wanneer de wetenschappelijke oplossing van een vraagstuk gevonden is, dan is de nijverheids-oplossing niet verre meer af! Waarom haar niet op te sporen? Al die geleerden, die er niet in slaagden haar te vinden, waren theoretici, mannen van het studeervertrek, boekenwurmen, laboratorium-bewoners. Zij hebben het diamant niet plaatselijk bestudeerd, in zijn oorspronkelijk terrein, in zijne bakermat, in zijne wieg om zoo te zeggen. Ik kan mijn voordeel met hunne studiën, met hunne ondervinding doen, en ook mijne eigene gebruiken. Ik heb het diamant met eigen handen opgedolven. Ik heb de terreinen, waarin het zich bevindt, onder alle opzichten ontleed! Wanneer iemand slagen moet om de laatste moeilijkheden te boven te komen, dan, met een weinig geluk, moet ik dat zijn.... ja, ik!"

Ziedaar wat Cyprianus gedurig in zich zelven herhaalde en waarmede hij gedurende den ganschen nacht bijna zijn geest bezig hield.

Zijn besluit was weldra genomen. Den volgenden ochtend reeds gaf hij Thomas Staal kennis, dat hij niet meer, ten minste voorloopig niet meer, in zijn claim zou werken of doen werken. Hij kwam er zelfs voor uit, dat wanneer hij zijn gedeelte zou kunnen verkoopen, hij hem daartoe machtigde. Daarna sloot hij zich in zijn laboratorium op, om zijne nieuwe plannen te overpeinzen.

ACHTSTE HOOFDSTUK.

DE GROOTE PROEF.

Cyprianus had te midden van herhaalde nasporingen over de oplosbaarheid der vaste lichamen in de luchtvormige--nasporingen die hem het geheele vorige jaar beziggehouden hadden--zeer goed opgemerkt, dat sommige zelfstandigheden, als het silicium en het aluminium bijvoorbeeld, onoplosbaar in water, evenwel oplosbaar in waterdamp zijn, die onder hooge drukking gebracht en uitermate verhit is.