De Zuidster, het land der diamanten
Chapter 6
Matthijs Pretorius kwam gewoonlijk naar het kamp, ten einde den een of anderen groentenhandel, met de kooplieden in die waren te sluiten. Hij was er zeer gewild, hoewel niet op zeer benijdenswaardige wijze; want zijn populariteit grondde zich op zijn buitengewone bangheid. De mijnwerkers vonden er dan ook het grootste genoegen in, om hem vreeselijk beangst te maken en bereikten dat doel door hem allerhande dwaasheden te verhalen.
Nu eens vertelde men hem dat een inval van de Bassuto's of van de Zoeloe's te duchten was. Een andermaal hield men zich in zijne tegenwoordigheid, alsof men uit een dagblad las, dat een wetsontwerp aanhangig was, om in de geheele uitgestrektheid der Engelsche bezittingen de doodstraf in te voeren op een ieder, die overtuigd zou worden van meer dan driehonderd pond zwaar te zijn! Of ook deelde men hem mede, dat een dolle hond bespeurd was op den weg van Driefontein, waardoor de arme Matthijs Pretorius, die langs den weg naar huis terug moest keeren, duizend en meer redenen en uitvluchten vond om in het kamp te blijven toeven.
Maar al die hersenschimmige angsten haalden niets bij den werkelijken angst, dien hij koesterde, dat op zijn grondeigendom eene diamantmijn zou worden ontdekt. Bij voorbaat ontwierp hij reeds een schrikkelijke schildering van hetgeen dan zou gebeuren, wanneer hebzuchtige menschen zijn groententuin zouden binnendringen, daar zijne perken en bedden zouden omwoelen, en hem eindelijk van zijne bezittingen zouden verdrijven en die onteigenen. Want, er viel niet aan te twijfelen, dan zou hem een dergelijk lot als dat van Jacobus Vandergaart treffen! De Engelschen zouden wel drogredenen vinden, om te bewijzen dat zijne bezitting hun eigendom was.
Wanneer die sombere gedachten hem overvielen, dan martelden zij hem letterlijk. Wanneer hij bij ongeluk een landmeter of een opnemer in de nabijheid zijner woning zag rondzwerven, dan was hem alle lust benomen, dan at en dronk hij dien dag niet!.... En toch, het viel niet te ontkennen, hij werd steeds vetter!
Een zijner bitterste plaaggeesten was thans Hannibal Pantalucci. Die boosaardige Napolitaan--wien het, tusschen twee haakjes gezegd, zeer naar wensch scheen te gaan, want hij had drie Kaffers op zijn claim in dienst en stalde een kolossalen diamant op het borststuk van zijn plooihemd uit--had het zwak van den rampzaligen Boer ontdekt. Hij liet dan ook niet na, zich eens per week het genoegen van zeer twijfelachtig allooi te verschaffen, om grondboringen in de nabijheid van de hoeve van Pretorius te gaan verrichten of den grond daar in den omtrek te gaan omspitten.
Het eigendom van den Boer strekte zich op den linkeroever van de Vaalrivier uit en was ongeveer op twee mijlen bovenstrooms van het kamp gelegen. Het bestond voornamelijk uit aanslibbingsgronden, die waarachtig zeer goed diamanthoudend konden zijn, hoewel tot heden niets daarvan was gebleken. Hannibal Pantalucci nam de voorzorg, om zijne akelige scherts te doen slagen, door zich zoodanig voor de vensters van Matthijs Pretorius te plaatsen, dat deze hem zien moest, terwijl hij daarenboven steeds een paar vrienden medenam om van die grap te genieten.
Men kon dan den armen drommel zien, zooals hij verborgen achter zijne katoenen gordijnen, stond te gluren om al hunne bewegingen met angstvalligheid gade te slaan en om al hunne gebaren te spionneeren. Hij was dan steeds gereed om naar zijn stal te ijlen, ten einde zijn struisvogel aan te spannen, om te kunnen ontvluchten, zoodra hij zeker meende te zijn dat zijn eigendom hem zoude ontweldigd worden.
Waarom was hij ook zoo ongelukkig of beter zoo dom geweest, om aan een zijner vrienden toe te vertrouwen dat hij zijn _trek_-vogel dag en nacht opgetuigd gereed hield, dat hij de bergplaatsen van zijn tentwagen steeds voorzien hield van mondbehoeften, om in staat te zijn, bij het eerste daadwerkelijke begin van wederrechtelijke toeëigening, weg te ijlen.
"Ik ga dan naar de Boschjesmannen, die ten noorden van de Limpopo-rivier wonen," zei hij. "Tien jaren geleden dreef ik ivoorhandel met hen. En het is duizendmaal meer verkieslijk zich te midden der wilden te bevinden, of te midden der leeuwen, tijgers, jakhalzen en ander wild gedierte, dan te midden van die onverzadelijke Engelschen te blijven!"
Maar die vertrouwde vriend van den ongelukkigen pachter had zich als echt vertrouwde gehaast die plannen aan Jan en Alleman te vertellen! Het zal wel onnoodig zijn er bij te voegen, dat Hannibal Pantalucci daar zijn voordeel mee deed, om de mijnwerkers uit den omtrek van tijd tot tijd een koddig schouwspel te bezorgen.
Een ander slachtoffer van de zoutelooze snakerijen van dien Napolitaan was, zooals wij vroeger reeds verteld hebben, de Chinees Li.
Die had zich ook bij de Vandergaart-Kopjes-mijn gevestigd en had eenvoudig een waschhuis opgericht. Het is bekend, dat de zonen van het Hemelsche Rijk uiterst geschikt zijn om als waschbazen op te treden.
Waarachtig, die roode doos, welke gedurende de geheele reis van de Kaap naar Grikwaland de nieuwsgierigheid van Cyprianus geprikkeld had, bevatte slechts borstels, soda, stukken zeep en blauwsel. Alles goed gerekend, heeft een ontwikkeld Chinees niet meer noodig om in dat land een vermogen te verzamelen. Onze jeugdige ingenieur kon veelal een glimlach niet weerhonden, wanneer hij Li ontmoette, die, steeds zwijgend en achterhoudend, met zijn mand aan den arm daarheen stapte, om het linnengoed bij zijne klanten terug te brengen.
Maar wat hem toch woedend maakte, was dat Hannibal Pantalucci inderdaad wreed ten opzichte van dien armen drommel te werk ging. Nu eens wierp hij eenige flesschen inkt in zijn zeepsop; dan weder spande hij een touw dwars voor zijn deur ten einde hem te doen vallen; een anderen keer nagelde hij hem aan zijn bank vast, door met een mes zijn kiel in het hout vast te steken. Als de gelegenheid schoon was, dan liet hij haar nooit ontglippen om den armen drommel tegen de beenen te schoppen en hem daarbij voor heidenhond uit te schelden. En dat hij hem zijne klandizie geschonken had, was alleen om zich wekelijks aan zijne plagerijen te kunnen overgeven. Hij vond nimmer zijn linnen helder genoeg, hoewel Li zijn uiterste best deed en het zeer zorgvuldig streek. Om de minste verkeerde plooi werd hij schrikkelijk boos, en dan ranselde hij den ongelukkigen Chinees, alsof hij zijn slaaf ware.
Zoodanig waren de ruwe genoegens van het kamp, die evenwel soms als een treurspel eindigden. Zoo gebeurde het wel eens, bij voorbeeld, dat een neger, die in de mijn te werk gesteld was, beschuldigd werd een diamant gestolen te hebben. Dan begeleidde een ieder den beklaagde tot voor den magistraat, terwijl hij onderweg met vuistslagen overladen werd, zoodat, wanneer de rechter hem onschuldig bevond en hem ontsloeg, hij die mishandelingen toch alvast beet had. Hoewel er bij verklaard moet worden, dat in dergelijke gevallen een bevel tot invrijheidstelling zeer zelden gegeven werd. De rechter was nog eerder met eene veroordeeling klaar dan met het verorberen van een schijfje van een oranjeappel in zout gedoopt,--hetgeen een der lekkerste snoeperijen van het land is. Het vonnis verwees gewoonlijk den beschuldigde tot veertien dagen dwangarbeid en tot twintig slagen met de _cat of nine tails_, de kat met negen staarten, eene soort van uitklopper met knoopen, waarvan men nu nog in Groot-Brittanje en in de overzeesche bezittingen van dat Rijk gebruikt maakt, om de gevangenen te ranselen.
Maar er was eene misdaad, die nog minder genade in de oogen der mijnwerkers vond dan de diefstal; dat was het helen.
De Yankee Ward, dezelfde die te gelijkertijd met den jongen ingenieur in Grikwaland aangekomen was, deed daarvan eens de wreede ondervinding op, door eenige diamanten van een Kaffer op te koopen. Nu kan een Kaffer geen wettig bezitter van diamanten zijn, daar de wet hem het recht ontzegt, die bij een claim te koopen of een mijn voor eigen rekening te ontginnen.
Het feit was nauwelijks bekend geworden,--dat gebeurde tegen den avond, op het tijdstip dat de bevolking van het kamp na haren maaltijd het meest rumoerig was,--of eene woedende menigte viel op het huis van den schuldige aan, brak dat tot op den grond toe af en stak de materialen daarna in brand. Zeer waarschijnlijk had men den Yankee opgehangen aan eene galg, die gewillige borsten reeds overeindstelden, toen zeer gelukkig een dozijn rijdende politiedienaren bij tijds aankwam en hem het leven redde, maar hem daartoe naar de gevangenis moest meênemen.
Tooneelen van geweld kwamen daarenboven te midden van die gemengde, hartstochtelijke en half wilde bevolking veelvuldig voor. Daar kwamen al de rassen in botsing met elkander. Daar werkten de gouddorst, de dronkenschap, de invloed van een verzengend klimaat, de teleurstellingen en de misrekeningen te zamen om de hersenen te verhitten en de gewetens te verwarren. Wellicht wanneer al die mannen gelukkig in hunne delvingen waren, zouden zij meer hunne kalmte en hun geduld bewaard hebben; maar tegen een enkele, die van tijd tot tijd eens een steen van groote waarde vond, stonden er honderden, die moeitevol een plantenleven leidden en te nauwernood zooveel verdienden om in hunne eerste behoeften te voorzien. Veelal vervielen zij in de grootste ellende. De mijn kon beschouwd worden als de groene tafel in een speelhol, waarop men niet alleen zijn kapitaal, maar ook zijn tijd, zijne moeite en zijne gezondheid waagde. En het getal der gelukkige spelers, die de claims van de Vandergaart-Kopjes-mijn met hunne pikhouweelen doorwroetten, was zeer klein.
Dat begon Cyprianus van dag tot dag meer en meer helder in te zien. Hij vroeg zich dan ook ernstig af, of hij al dan niet voortgaan moest met een arbeid, die hem zoo bitter weinig voordeel opbracht, toen hij er eensklaps toe kwam om zijne gewone wijze van doen bij zijn werk te wijzigen.
Hij bevond zich namelijk op een morgen vlak tegenover eene bende, bestaande uit een dozijn Kaffers, die naar het kamp toe kwam om er werk te zoeken.
Die arme lieden kwamen uit het verre gebergte, dat het eigenlijke Kafferland van het land der Bassuto's scheidt. Zij hadden meer dan honderd-vijftig uren gaans afgelegd langs de Oranjerivier, en daarbij op Indiaansche wijze, dat wil zeggen: de een achter den ander, geloopen. Onderweg hadden zij geleefd van hetgeen zij vonden, van wortels, bessen en sprinkhanen. Zij waren dan ook zoo vermagerd, dat zij eerder op geraamten geleken dan op levende wezens. Met hunne uitgeteerde spillebeenen, met hunne geheel naakte ruggen, die als met perkament overtogen waren en veel van een leegen romp hadden, met hunne vooruitstekende ribben, hunne ingevallen wangen, hadden zij er meer van op een flinken beafsteak van menschenvleesch belust te zijn, dan wel geneigd bevonden te worden eene goede karwei te volvoeren. Niemand was dan ook genegen om hen in dienst te nemen, en zij zaten thans op den kant van den weg neergehurkt, met een weifelachtig uiterlijk, terneergeslagen en als het ware verdierlijkt door de ellende.
Bij dat schouwspel voelde Cyprianus zich diep bewogen. Hij gaf hun door teekens te verstaan, dat zij hem zouden wachten, liep toen naar het hotel terug, waar hij gewoonlijk zijn maaltijd gebruikte, en bestelde daar een grooten ketel gevuld met maïsmeel, dat in kokend water opgelost was, dien hij de arme drommels deed brengen, te gelijker tijd met eenige blikken bussen verduurzaamd vleesch en twee flesschen rum.
Daarna schonk hij zich de pret, die lieden te zien smullen aan een maaltijd, welks weerga zij nimmer onder de oogen gehad hadden.
Waarachtig, men zou gemeend hebben schipbreukelingen voor zich te zien, die, na gedurende veertien dagen honger geleden en in doodsangst doorgebracht te hebben, van een watervlot gered waren! Zij aten zooveel, dat hunne buiken een kwartier later tot barstens toe gevuld waren. In het belang hunner gezondheid moest een eind gemaakt worden aan die smulpartij, anders kon eene algemeene verstikking de gasten naar het rijk der dooden doen verhuizen.
Een enkele van die negers, met een slim en ontwikkeld uiterlijk--de jongste van allen, voor zooveel een oordeel over hun ouderdom te vellen was,--had eenige matigheid bij het stillen van zijn honger aan den dag gelegd. En wat nog meer zeldzaam was, hij kwam op de goede gedachte zijn weldoener te bedanken, wat in het brein der anderen in het geheel niet opkwam. Hij naderde Cyprianus, greep zijne hand met een kinderlijk en bevallig gebaar, en legde deze daarna op zijn gekroesd hoofd.
"Hoe heet gij?" vroeg de jonge ingenieur, door dat dankbaarheidsbetoon getroffen, om wat te zeggen.
De Kaffer, die bij toeval eenige woorden Engelsch verstond, antwoordde dadelijk:
"Makatit."
Zijn heldere en vertrouwvolle blik beviel Cyprianus. Hij vatte dan ook dadelijk het denkbeeld op, dien flink gebouwden jongen aan te werven, om in zijn claim te arbeiden, en dat denkbeeld kon niet anders dan goed wezen.
"Iedereen hier in het district doet zoo, alles wel beschouwd!" sprak hij tot zich zelven. "En voor dien armen Kaffer zal het ook beter zijn mij tot meester te hebben, dan den een of anderen Pantalucci.
"Welnu, Makatit, je komt voorzeker werk zoeken?" vroeg hij.
De Kaffer gaf een bevestigend teeken.
"Wil je bij mij arbeiden? Ik zal je te eten geven, ik zal je de noodige gereedschappen leveren, en daarenboven krijg je nog twintig shillings per maand!"
Dat was de bepaalde prijs, en Cyprianus wist wel, dat hij niet meer mocht uitloven, zonder zich aan de woede van de kampbewoners bloot te stellen. Maar hij maakte bij zich zelven de afspraak, die schrale betaling te vergoeden door hem kleedingstukken te schenken, alsook huisraad en andere dingen, die hij denken kon, dat kostbaar in het oog eens Kaffers waren.
Makatit lachte en vertoonde voor eenig antwoord zijn beide rijen hagelwitte tanden. Daarna plaatste hij andermaal de hand van zijn beschermer op zijn hoofd. Zoo was het wederzijdsche contract geteekend.
Cyprianus voerde dadelijk zijn nieuwen bediende in zijne woning. Hij nam uit zijn valies een linnen broek, een flanellen hemd en een ouden hoed, en gaf dit alles aan Makatit, die daar bedremmeld stond en zijne oogen niet durfde gelooven. Wat! zich reeds bij zijne komst in het kamp in het bezit gesteld te zien van een zoo prachtig kostuum! Zie, dat overtrof de stoutste verwachtingen, de meest buitensporige droomen van den armen drommel. Hij wist niet hoe hij zijne dankbaarheid zoude te kennen geven. Hij danste van vreugde, hij lachte en weende te gelijker tijd.
"Ik geloof dat je een goede jongen bent, Makatit," zei Cyprianus. "En ik geloof dat je een beetje Engelsch verstaat.... Maar kan je geen enkel woord spreken?"
De Kaffer wenkte: neen.
"Welnu, als dat zoo is, dan raad ik je aan, om het Fransch te leeren," hernam Cyprianus.
En zonder dralen begon hij zijn leerling eene eerste les te geven. Hij wees hem de meest gebruikelijke voorwerpen aan, sprak de namen dan uit en deed ze hem herhalen.
Nu was Makatit niet alleen een kloeke jongen, maar hij had ook een ontwikkelden geest en was begaafd met een meer dan gewoon geheugen. Hij had in minder dan twee uren meer dan honderd woorden geleerd, die hij zeer zuiver uitsprak.
De jonge ingenieur was opgetogen over zulk een gemakkelijk bevattingsvermogen, en nam zich voor, dat nog meer te ontwikkelen.
Er waren voor den jongen Kaffer zeven of acht dagen rust noodig, gepaard aan eene degelijke voeding, om zich van de vermoeienissen der reis te herstellen en volkomen in staat te zijn den arbeid te beginnen. Nu waren die acht dagen zoo goed door hem en door zijn professor aangewend, dat Makatit bij het einde der week reeds in staat was zijne gedachten in het Fransch uit te drukken, nog slechts onnauwkeurig wel is waar, maar toch volkomen verstaanbaar. Cyprianus benuttigde dien staat van zaken om den neger zijne geheele geschiedenis te laten vertellen. Zij was vrij eenvoudig.
Makatit wist zelfs den naam van zijn land niet, dat in het gebergte naar den kant van de opgaande zon gelegen was. Alles wat hij er van wist te vertellen, was, dat hij het er zeer ellendig gehad had. Toen was hij op de gedachte gekomen, zijn fortuin te beproeven, zooals ettelijke krijgslieden van zijn stam gedaan hadden, die daartoe hun vaderland verlaten hadden, en zoo was hij evenals zij naar de Diamantvelden gekomen.
Wat dacht hij daar te verdienen? Niets anders dan een rooden rok en tienmaal tien zilveren geldstukken.
De Kaffers versmaden werkelijk goud geld. Dit spruit voort uit een onuitroeibaar vooroordeel, dat hun de eerste Europeanen, die met hen handel dreven, medegedeeld hebben.
En wat zou nu de hebzuchtige Makatit met die zilveren geldstukken uitvoeren?
Welnu, hij zou zich een rooden rok aanschaffen, een geweer en buskruit; daarna zou hij naar zijne kraal terugkeeren. Daar zou hij zich eene vrouw koopen, die voor hem zou werken, zijne koe zou oppassen en zijn akker met maïs beplanten. In dien toestand zou hij een belangrijk man zijn, een groot opperhoofd. Iedereen zou hem zijn geweer en zijn groot vermogen benijden, en hij zou na lange jaren geacht en geëerd ten grave dalen.
Dat was niet zeer ingewikkeld, niet waar?
Cyprianus verzonk in gedachten, toen hij dit zoo eenvoudige programma vernam. Zou hij er zich toe leenen dat te wijzigen? Moest hij den bekrompen gezichteinder van dien armen wilde verruimen? Moest hij voor zijn ijver en werkzaamheid een ander doel aanwijzen, een grootscher en verhevener dan het veroveren van een rooden rok en een prullig vuursteengeweer? Of was het niet beter, hem in zijne kinderlijke onwetendheid te laten, hem in vrede het leven in zijne kraal te laten leiden en genieten, zooals hij zoo vurig gewenscht had? Dat was een belangrijk vraagstuk, dat de jonge ingenieur niet durfde oplossen, maar dat Makatit zelf weldra tot oplossing bracht.
En waarlijk, nauwelijks waren den jeugdigen Kaffer de grondbeginselen der Fransche taal medegedeeld, of hij toonde een onverzadelijken leerlust te bezitten. Hij vroeg steeds, hij verlangde alles te weten, niet alleen den naam van ieder voorwerp, maar ook zijn gebruik, zijn oorsprong, waarvan het gemaakt was, enz. Toen kwam het leeren lezen, het leeren schrijven, het leeren rekenen aan de beurt, om hem hartstochtelijk leerlustig te maken. Waarachtig, die negerjongen was onverzadelijk.
Het besluit van Cyprianus was weldra genomen. Tegenover zulk eene blijkbare roeping viel er niet te aarzelen. Hij besloot dus iederen avond een uur les aan Makatit te geven, die na zijne werkzaamheden in de mijn volbracht te hebben, al zijn vrijen tijd, die hem beschikbaar bleef, aan zijne vorming besteedde.
Miss Watkins, op hare beurt ook getroffen door dien zeldzamen ijver, nam op zich den jeugdigen Kaffer bij haar een herhalingscursus te laten doorloopen. Dat was eigenlijk minder noodig; want hij zei zijne lessen gedurende den geheelen dag bij zich zelven op, terwijl hij in den claim met krachtigen arm het pikhouweel hanteerde.
Zijn ijver bij het werk was zoo aanstekelijk, dat hij zich aan het geheele personeel mededeelde als eene besmetting zoodat de mijnarbeid veel beter en met meer zorg scheen te geschieden.
Cyprianus had daarenboven op aanbeveling van Makatit zelf een anderen Kaffer van denzelfden stam in dienst genomen, die Bardik heette en wiens ijver en schranderheid insgelijks opmerkelijk waren.
Het was in die dagen, dat den jeugdigen ingenieur een gelukje ten deel viel, dat hem nog niet overkomen was; namelijk van een steen van ongeveer zeven karaten te vinden, dien hij onmiddellijk voor twee-duizend-vijf-honderd gulden aan den makelaar Nathan verkocht.
Dat was waarlijk een fraaie vondst. Een mijnwerker, die van de opbrengst zijns arbeids slechts een normale vergoeding verwachtte zou zich met recht tevreden gesteld gezien hebben. Voorzeker! Ongetwijfeld! Toch was Cyprianus het niet.
"Als mij alle twee of drie maanden zoo'n buitenkansje wedervoer," vroeg hij zich zelven af, "zou ik dan wel veel verder zijn? Ik moet niet één steen van zeven karaten hebben, ik zou duizend of vijftien-honderd dergelijke steenen moeten vinden,.... of Miss Watkins is voor mij verloren, om ten buit te vallen aan James Hilton of aan eenigen anderen mededinger, die haar even onwaardig is?"
Het hoofd vol van die treurige gedachten, keerde Cyprianus op een snikheeten dag, dat de atmosfeer met fijn rood verblindend stof, hetwelk in de lucht der diamantvelden steeds zwevende is, bezwangerd was, naar de Kopjes-mijn terug, toen hij plotseling, bij het omslaan van den hoek eener hut, met afgrijzen achteruit deinsde. Een treurig schouwspel trof daar zijne oogen.
Aan den disselboom eener ossenkar, die rechtop tegen den gevelmuur der hut, met het onderste gedeelte op den grond rustende en het andere einde omhoog gesteld was, was een man opgehangen. Bewegingloos, met uitgestrekte voeten, de handen machteloos omlaag, hing dat lichaam daar te midden van eene verblindende lichtstraal recht als het koord van een schietlood en vormde met den disselboom een hoek van twintig graden.
Dat was een akelig gezicht.
Cyprianus, die eerst zeer ontsteld was, werd weldra door groot medelijden bewogen, toen hij den Chinees Li herkende, die daar door middel van zijne lange haarvlecht, die om den hals was geslagen, opgehangen was.
De jeugdige ingenieur aarzelde geen oogenblik over hetgeen hij te doen had. Naar het boveneind van dien disselboom opklimmen, het lichaam des gehangenen onder de armen aanvatten, het ophijschen om de verdere werking der verstikking te doen ophouden, en eindelijk de haarvlecht met zijn zakmes doorsnijden, dat alles was het werk van een halve minuut. Toen dat volvoerd was, liet hij zich langzaam en voorzichtig naar beneden glijden en legde zijn last in de schaduw, door de hut geworpen, neer.
Het was waarlijk tijd, Li was nog wel niet koud; zijn hart klopte zwakjes, maar het klopte nog. Weldra opende hij de oogen en wat het zonderlingste was, met die beweging kreeg hij ook zijn geheele bewustzijn terug.
Op het strakke gelaat van den armen drommel was zelfs in dit uiterste beproevingsuur noch schrik noch eenige verwondering merkbaar. Men zou waarlijk gezegd hebben, dat hij eenvoudig uit een lichten slaap ontwaakt was.
Cyprianus liet hem wat water met azijn vermengd, dat hij in zijne veld flesch bij zich droeg, drinken.
"Kunt gij thans spreken?" vroeg hij werktuiglijk, vergetende dat Li hem niet begreep.
De andere knikte evenwel bevestigend.
"Wie heeft u opgehangen?"
"Ik," antwoordde de Chinees met kalmte, zonder dat iets aanduidde, dat hij er zich van bewust was iets buitengewoons of iets berispelijks verricht te hebben.
"Gij?.... Maar ongelukkige, gij wildet dan zelfmoord plegen?.... Wat bewoog u daartoe?"
"Li had het te warm!.... Li verveelde zich!...."
Daarop sloot hij de oogen, als om aan meerdere vragen te ontsnappen.
Thans bemerkte Cyprianus eerst de vreemde bijzonderheid, dat het gesprek in het Fransch gevoerd was.
"Spreekt gij ook Engelsch?" vroeg hij.
"Ja," antwoordde Li, terwijl hij de oogen opende.
Waarachtig, het was of twee schuine knoopsgaten ter weerszijden van zijn kleinen stompneus gaapten.
Cyprianus meende thans weer in dien blik iets van die spotzucht te ontwaren, die hij herhaaldelijk meende te betrappen gedurende de reis van Kaapstad naar Kimberley.
"Uwe beweegredenen zijn al te dwaas!" zei hij gestreng. "Men doet zijn leven niet te kort omdat men het te warm heeft!.... Spreek ernstig.... Ik wed dat daaronder weer een gemeene streek van dien Pantalucci schuilt?"
De Chinees boog het hoofd.
"Hij wilde mij mijne haarvlecht afsnijden," fluisterde hij zacht; "en ik ben zeker, dat hij in dat opzet geslaagd zoude zijn, eer wij twee dagen verder waren."
Maar in hetzelfde oogenblik zag hij dien belangrijken haarstaart, dien Cyprianus nog steeds in de hand hield, en kreeg daardoor de overtuiging dat hetgeen wat hij boven alles gevreesd had, geschied was.
"O, mijnheer!...." riep hij met een hartverscheurenden kreet uit. "Wat!..... Hebt gij.... gij mij mijn staart afgesneden?"