De Zuidster, het land der diamanten

Chapter 5

Chapter 53,715 wordsPublic domain

De karaat is een gewicht dat vier grein zwaar is, dus ongeveer het vijfde gedeelte van een gram of wichtje. [5] Een diamant van het helderste water, dat wil zeggen, die zuiver, droogachtig en kleurloos is, heeft eene waarde, nadat hij geslepen is, van honderd vijf en twintig gulden, wanneer hij een karaat zwaar is. Maar hebben de diamanten, die minder wegen, eene evenredig mindere waarde, daarentegen rijzen zij, die zwaarder zijn, sneller en in immer toenemende rede aan waarde. Men rekent gewoonlijk, dat de handelswaarde van een onberispelijken steen gelijk is aan het vierkant van zijn gewicht, uitgedrukt in karaten, vermenigvuldigd met den marktprijs van de karaat. Veronderstelt men dus, dat die marktprijs honderd vijf en twintig gulden is, dan is de prijs van een diamant van tien karaten, die aan de bovenomschreven hoedanigheden voldoet, tien maal tien of honderd maal honderd vijf en twintig of twaalf duizend vijf honderd gulden.

Maar de steenen van tien karaten en zelfs van een karaat zijn zeer zeldzaam. Het is juist daarom, dat zij zoo duur zijn. Er dient hier ook nog bij verteld te worden, dat de diamanten bijna allen een gele tint vertoonen, waardoor hunne waarde aanmerkelijk vermindert.

De vondst van een steentje, dat niet eens een zesde gedeelte van een karaat woog, was, na een onafgebroken arbeid van zeven of acht dagen, wel een magere vergoeding voor al de moeiten en den afmattenden arbeid, die het gekost had. Tegen dat resultaat was het voordeeliger geweest, den akker te bebouwen, schapen te hoeden of keien langs de wegen stuk te kloppen. Dat herhaalde Cyprianus voortdurend in zich zelven.

Toch dreef hem de hoop, dat hij vroeg of laat een fraaien diamant zou vinden, die hem opeens voor den arbeid van vele weken of van vele maanden schadeloos zou stellen, tot volhouden aan. Die hoop ondersteunde hem, zooals zij alle mijnwerkers, zelfs de minst geloovige doet. Wat Thomas Staal betrof, die arbeidde zooals een werktuig dit zou doen, dat wil zeggen: zonder er bij te denken. Het scheen, althans oppervlakkig beschouwd, dat hij het door zijn vlug werken zoo ver gebracht had.

De beide vennooten ontbeten gewoonlijk te zamen en vergenoegden zich met een paar broodjes, die zij met bier besproeiden, dat zij bij een drankverkooper kochten, die zijn handel in de open lucht dreef; maar zij gebruikten hun maaltijd aan een der talrijke openbare tafels, die elkander de klandiezie van de mijnwerkers van het kamp betwistten. Thomas Staal ging des avonds wanneer zij van elkander scheidden om ieder zijns weegs te gaan, gewoonlijk naar de een of andere biljartzaal, om eene partij te spelen. Cyprianus daarentegen ging gewoonlijk een paar uren op de hoeve van John Watkins doorbrengen.

Daar had de jeugdige ingenieur heel dikwijls het ongenoegen, zijn medeminnaar James Hilton te ontmoeten, een grooten lummel met rosachtig haar, blankwitte huid, en een met vlekken bezaaid gelaat, die machtig veel van groote zomersproeten hadden. Dat die mededinger zeer veel vorderingen in de gunst van John Watkins maakte, zal door den lezer niet betwijfeld worden, wanneer wij er bijvoegen, dat de slungel nog meer gin dronk en nog meer Hamburger tabak rookte dan de modelvader zelf.

Daartegenover, stond evenwel, dat Alice slechts eene hooge mate van minachting koesterde voor de boerenbevalligheden en het weinig smakelijk onderhoud van den jongen Hilton. Maar zijne tegenwoordigheid was toch onverdraaglijk voor Cyprianus, en soms zelfs in die mate, dat hij, voelende zich niet meer te kunnen bedwingen, opstond, het gezelschap goeden avond wenschte en heenging.

"Die Frenchman is ontevreden!" zei dan John Watkins, terwijl hij een oog tegen zijn makker knipte. "Het schijnt, dat de diamanten niet van zelf in zijn zak vloeien!"

En dan lachte James Hilton zoo dom mogelijk bij die woorden.

Wanneer zoo iets gebeurde, dan ging Cyprianus gewoonlijk zijn avond doorbrengen, bij een braven Boer, die zich dicht bij het kamp gevestigd had en Jacobus Vandergaart heette.

Het was naar zijn naam, dat de Kopjes-mijn, op welker grond hij zich in de eerste tijden der concessie neergezet had, genoemd werd. Als men hem mocht gelooven, dan was hij door een oneerlijke uitspraak der rechterlijke macht ten gerieve van John Watkins van zijn eigendom ontzet. Thans was hij geheel geruïneerd en leefde in eene leemen hut, waarin hij zich onledig hield met het diamantslijpen, welk ambacht hij vroeger in Amsterdam, zijne geboorteplaats uitgeoefend had.

De mijnwerkers toch brachten hem zeer dikwijls steenen, hetzij om de waarde te weten te komen die zij zouden behouden, na aan het snijden en slijpen onderworpen te zijn, hetzij om ze te laten kloven, hetzij om ze meer fijne bewerkingen te doen ondergaan. Maar die laatste arbeid vereischte eene vaste hand en een scherp gezicht, en oude Jacobus Vandergaart, die vroeger een voortreffelijk werkman was, ondervond tegenwoordig veel moeite om het hem opgedragen werk uit te voeren.

Cyprianus, die hem opgedragen had den door hem gevonden diamant te slijpen en in een ring te zetten, had spoedig eene zekere genegenheid voor hem opgevat. Hij hield er van den eenvoudigen Boer in zijne werkplaats te gaan opzoeken, om wat met hem te praten of eenvoudig om hem wat gezelschap te houden, wanneer hij bezig was met diamantslijpen. Jacobus Vandergaart zag er met zijn witten baard, zijn kaal hoofd, dat met een kalotje van zwart fluweel bedekt was, met zijn langen spitsen neus, waarop een bril met groote ronde oogen prijkte, geheel en al uit als een oude alchimist van de vijftiende eeuw, zooals hij daar te midden zijner vreemdsoortige werktuigen en zijne flesschen met allerhande zuren troonde.

Op eene werktafel, die voor het raam geplaatst was, bevonden zich in een houten nap de ruwe diamanten, die Jacobus Vandergaart toevertrouwd waren, en welker waarde soms aanmerkelijk was. Wilde hij er een kloven, welks kristalvlakken hem niet volmaakt voorkwamen, dan begon hij eerst met zijn vergrootglas de richting der snijdingslijnen na te gaan, die alle kristallen in stukken met evenwijdigloopende vlakken verdeelen. Dan maakte hij met den scherpen kant van een reeds gekloofden diamant eene insnijding in de gewenschte richting, bracht daarin een klein stalen lemmet en sloeg daarop een korten, krachtigen slag.

Daardoor werd de diamant langs een zijner kristalvlakken gekloofd, en de beweging werd verder langs de andere herhaald.

Wilde daarentegen Jacobus Vandergaart een steen snijden, of, om juister te spreken, hem volgens een vastgestelden vorm afslijpen, dan begon hij met de vaststelling van dien vorm, dien hij er aan geven wilde, door op het omhulsel van den diamant met krijt de voorgestelde kleine vakken of facetten te teekenen. Daarna bracht hij ieder dezer vakken in aanraking met een anderen diamant, en onderwierp die beide aan een langdurige wrijving, den een tegen den anderen. De beide steenen sleten alsdan elkander af, en zoo vormde zich de gemelde facet langzamerhand.

Zoo slaagde Jacobus Vandergaart er in, om aan den steen een der vormen te verleenen, die door het gebruik het meest aangenomen zijn en die tot drie groote afdeelingen teruggebracht kunnen worden, namelijk: de "dubbele briljant", de "enkele briljant", en de "roos".

De "dubbele briljant" bestaat uit vier-en-zestig facetten, uit een achtkantig vlak, dat tafel genoemd wordt, en uit een culas of broek, die het benedengedeelte vormt.

De "enkele briljant" vertoont eenvoudig de helft van een dubbelen briljant.

De "roos" is van onderen plat, terwijl het bovenste gedeelte met facetten koepelvormig bijgeslepen is.

Zeer zelden kreeg Jacobus Vandergaart een "briolet" te slijpen, dat wil zeggen: een diamant die noch bovenvlak, noch benedenvlak geeft, maar die den vorm eener peer aangenomen heeft. De brioletten worden in Indië bij hun dun einde doorboord, om er een koordje door te kunnen rijgen.

Wat de "pendeloquen" of oorhangers betreft, die de oude diamantslijper meermalen te slijpen kreeg, dit waren halve peervormige steenen met tafels en culas, die slechts facetten op hunne voorzijde vertoonen.

Was de diamant eenmaal gesneden, dan bleef er slechts nog over hem te polijsten om het werk geëindigd te noemen. Die bewerking geschiedde met behulp van eene soort slijpsteen, die eenvoudig uit eene stalen schijf bestond, die ongeveer acht-en-twintig centimeters doorsnede had en plat op tafel neergelegd werd, maar die toch onder de werking van een groot rad met zwengel om eene as kon draaien met eene snelheid van twee- of drieduizend omwentelingen in de minuut. Die schijf werd met olie besmeerd en daarna met diamantstof, afkomstig van het snijden, bestrooid, waarna Jacobus Vandergaart de facetten van zijn steen de eene voor de andere na tegen die schijf drukte, totdat zij volmaakt gepolijst waren. De zwengel werd óf door een kleinen Hottentotschen jongen gedraaid, die daartoe, wanneer dit noodzakelijk was, bij den dag ingehuurd werd, óf door een vriend, zooals Cyprianus er een was, en die dan ook nimmer er tegen opzag dien dienst uit loutere vriendschap te bewijzen.

En gedurende den arbeid bleven de monden niet dicht; integendeel, men praatte veel. Somwijlen zelfs staakte Jacobus Vandergaart plotseling zijn arbeid, om eenige geschiedenis uit een lang vervlogen tijd te vertellen, waarbij hij dan niet vergat zijn bril tot op zijn voorhoofd te schuiven. En inderdaad, hij wist veel, zoo niet alles, aangaande dit gedeelte van zuidelijk Afrika, hetwelk hij sedert veertig jaren bewoonde. En wat zijne verhalen eene ongemeene aantrekkelijkheid bijzette, was juist, dat hij de overlevering des lands ongeschonden weergaf, eene overlevering welke geheel jeugdig en levendig was.

Die oude diamantslijper kon vooral niet zwijgen, wanneer hij op het kapittel zijner patriotsche en personeele grieven gebracht werd. Volgens hem waren de Engelschen de grootste afzetters, die door de aarde ooit gedragen werden. Hieromtrent moest hem de geheele verantwoordelijkheid zijner meeningen, die blijkbaar overdreven waren, gelaten worden, hoewel ze alleszins vergeeflijk waren.

"Het is waarachtig niet te verwonderen," herhaalde hij steeds met voldoening, "dat de Vereenigde Staten van Amerika zich onafhankelijk verklaard hebben. Indië en Australië zullen ook wel zoo handelen; dat kan niet uitblijven! Welk volk wil zulke tirannie verdragen?.... O, mijnheer Méré, als de wereld al de onrechtvaardige bedrijven kende, welke die Engelschen, die zoo trotsch op hunne gouden guinjes en op hunne zeemacht zijn, over de geheele oppervlakte der aarde gepleegd hebben, dan bestond er geen woord in de menschelijke taal, dat beleedigend genoeg zou kunnen klinken, om hen in het aangezicht te spuwen."

Cyprianus keurde die taal niet goed. Hij keurde ze ook niet af. Hij luisterde slechts, zonder te antwoorden.

"Wil ik u verhalen, wat ze mij geleverd hebben, mij, die thans tot u spreek?" hernam Jacobus Vandergaart terwijl hij zich opwond. "Luister naar mij, en dan zult gij kunnen uitmaken of er twee meeningen omtrent die schavuiten bestaan kunnen."

Toen Cyprianus hem verzekerd had, dat hij hem daarmede veel genoegen zou doen, verhaalde de brave Boer het navolgende:

"Ik ben in 1806 gedurende eene reis, die mijne ouders ondernomen hadden, te Amsterdam geboren. Later ben ik daar teruggekomen om er mijn ambacht te leeren; maar ik heb mijne kindsheid aan de Kaap doorgebracht, waarheen mijne familie een vijftig jaren vroeger getrokken was. Wij waren Hollanders, en daar zijn wij nog zeer trotsch op, toen Groot-Brittanje zich van de kolonie meester maakte, voorloopig, zooals het beweerde. Maar John Bull geeft niet licht weer, wat hij eenmaal geroofd heeft. In 1815 werden wij door Europa, dat in Congres vereenigd was, plechtig tot onderdanen van het Vereenigd Koninkrijk verklaard.

"Ik vraag u in gemoede, wat Europa zich met deze Afrikaansche landstreken te bemoeien had?

"Engelsche onderdanen! maar mijnheer Méré, dat wilden wij niet zijn! Toen, overwegende dat Afrika wel groot genoeg zou zijn om ons een vaderland in vollen eigendom te verschaffen, verlieten wij de Kaapkolonie, om in de wilde binnenlanden, die zich ten noorden van ons uitstrekten, binnen te dringen. Men noemde ons toen Boeren of ook wel Voortrekkers. Ja, dat zijn wij! Boeren! d.w.z. landbouwers! Voortrekkers! d.w.z. pioniers, die steeds vooruit willen!

"Nauwelijks hadden wij die nieuwe gronden in akkers ontgonnen; nauwelijks hadden wij ons met hard werken en noesten vlijt andermaal een onafhankelijk bestaan geschapen, toen het Engelsche gouvernement die streek ook opeischte--steeds onder voorwendsel dat wij Britsche onderdanen waren.

"Toen had onze groote Exodus plaats. Dat was in 1833. Andermaal trokken wij in massa uit. Na onze wagens met onze meubelen, akkergereedschappen en graan beladen te hebben, spanden wij er onze ossen voor en drongen wij dieper de woestijn binnen.

"In dien tijd was Natal nagenoeg geheel ontvolkt. Een bloeddorstige veroveraar, Tchaka genaamd, een ware Neger-Attila, tot den stam der Zoeloe's behoorende, had daar meer dan een millioen menschen om het leven gebracht in het tijdvak van 1812 tot 1828. Zijn opvolger, Dingaan, heerschte ook slechts door schrik en angst te verspreiden. Het was deze wilden-koning, die ons toestond, om ons in die landstreek te vestigen, waar thans de steden Durban en Port-Natal verrijzen.

"Maar het was slechts met de bijgedachte om ons aan te vallen, wanneer ons land bloeien zou, dat die gluiperd van een Dingaan, ons deze toestemming verleende! Ieder wapende zich dan ook om tegenweer te kunnen bieden, en het was slechts ten gevolge onzer overgroote inspanningen, en ik durf er bijvoegen, ten gevolge der heldenfeiten, in meer dan honderd gevechten tentoongespreid, waarbij onze vrouwen en onze kinderen aan onze zijde streden, dat het mogelijk was, ons in het bezit die landen, die wij met ons zweet en bloed besproeid hadden, te handhaven.

"Maar ziet, nauwelijks hadden wij over den zwarten despoot gezegevierd en zijne macht vernietigd, toen het gouvernement van de Kaap ons eene Engelsche kolonne toezond, met opdracht om het grondgebied van Natal in bezit te nemen in naam van Hare Majesteit de Koningin van Engeland!.... Gij ziet, men beschouwde ons steeds als Britsche onderdanen! Dat gebeurde in 1842.

"Andere emigranten van onzen landaard hadden de Transvaal ten onder gebracht en de macht van den tyran Moselekatze langs de boorden der Oranje-rivier vernietigd. Ook zij zagen zich hun nieuw vaderland, dat zij met zooveel moeite verworven hadden, bij eene eenvoudige dagorder ontnemen!

"Och, ik sla de bijzonderheden maar over. Die strijd duurde twintig jaren. Steeds trokken wij verder, maar ook steeds strekte Groot-Brittanje de roofzuchtige hand naar ons uit, als naar zoovele slaven, die haar toebehoorden, zelfs na haar verlaten te hebben.

"Eindelijk, na zeer vele moeilijkheden en na vele bloedige gevechten, geraakten wij er toe onze onafhankelijkheid in den Oranje-Vrijstaat te doen erkennen. Een koninklijke verordening, door Koningin Victoria, op den 8sten April 1854 geteekend, verzekerde ons de vrije bezitting onzer gronden en het recht om ons bestuur naar onzen zin in te richten. Wij vestigden dientengevolge eindelijk eene Republiek, en toen eerst kon beweerd worden, dat onze Staat gegrond was op de stipte eerbiediging der wettelijke bepalingen, op de vrije ontwikkeling der individueele geestkracht, en op het zuiver onderwijs, waarmede alle maatschappelijke klassen bedeeld werden. Inderdaad, die jeugdige Staat kon tot voorbeeld strekken aan menige natie, die zich waarschijnlijk meer beschaafd achtte dan dat kleine uithoekje van de Zuidpunt van Afrika.

"Grikwaland maakte daar deel van uit. Het was tegen dien tijd, dat ik mij als pachter in hetzelfde huis, waarin wij ons thans bevinden, met mijne arme vrouw en mijne twee kinderen vestigde. Toen zette ik de omheining uit van mijne kraal of veepark op de plek zelve der mijn, die gij thans ontgint. Tien jaren later kwam John Watkins in het land en trok er zijne eerste hut op. Men wist toen niet, dat de streek diamanten opleverde, en wat mij betreft, ik had sedert dertig jaren, dat ik hier woonde, zoo weinig gelegenheid om mijn oud handwerk van diamantslijper uit te oefenen, dat ik mij ternauwernood het bestaan van edelgesteente herinnerde!

"Het gerucht verspreidde zich plotseling, in het jaar 1867, dat onze gronden hier diamanthoudend waren. Een Boer, bewoner van de oevers van de Hart, had zelfs de diamanten in de uitwerpselen zijner struisvogels ontdekt, zelfs in de leemen muren zijner pachthoeve. [6]

"Dat was nauwelijks bekend, of het Engelsche gouvernement, aan zijne oneerlijke en inhalige staatkunde getrouw, verklaarde, met terzijdestelling van al de gesloten verdragen en van alle mogelijke rechten, dat Grikwaland Britsch grondgebied was.

"Onze Republiek protesteerde te vergeefs! Zij bood te vergeefs aan, het geschil aan de scheidsrechterlijke beslissing van een Regeeringshoofd in Europa te onderwerpen. Engeland weigerde stoutweg iedere scheidsrechterlijke tusschenkomst en nam ons eigendom in bezit.

"Nu mocht men hopen, dat de private eigendomsrechten door onze onrechtvaardige bestuurders geëerbiedigd zouden worden! Ik voor mij, die ten gevolge der schrikkelijke besmettelijke ziekte, die in 1878 woedde, weduwnaar was geworden en mijne kinderen verloren had, zag er tegen op, om alweer een nieuw huis te gaan bouwen, het zesde of zevende gedurende mijn lange loopbaan! Ik bleef dus in Grikwaland en bleef misschien geheel alleen bevrijd van de diamantkoorts, die bijna iedereen aangetast had. Ik ging voort met het bebouwen van mijn groententuin, even alsof de diamantelegering van Du Toit's Pan niet op een geweerschotsafstand van mijn huis ontdekt was.

"Maar verbeeld u mijne verwondering toen ik op zekeren morgen ontwaarde, dat de muur van mijn kraal, die volgens gewoonte in drogen steen opgeschoten was, gedurende den nacht afgebroken was en dat de materialen op driehonderd meter verder in de vlakte gebracht waren. John Watkins, geholpen door een honderdtal Kaffers, had ter zelf der plaats een andere kraal opgericht, die zich aan de zijne aansloot en die een heuvel van roodachtige zandaarde omsloot, die tot op dat oogenblik mijn onbetwistbaar eigendom was.

"Ik beklaagde mij bij John Watkins over die wederrechtelijke toeëigening..... hij lachte mij openlijk uit. Ik dreigde hem een proces aan te doen, hij raadde mij aan dit te beproeven.

"Drie dagen later gingen mij de oogen open en begreep ik de raadselachtige handeling. Die zandheuvel was eene diamantlegering. Toen John Watkins daar de zekerheid van bekomen had, haastte hij zich mijne omheining te verbreken en te verplaatsen. Daarna vertrok hij naar Kimberley om de nieuwe mijn officieel op zijn naam te laten inschrijven.

"Ik begon een proces.... Och, mijnheer Méré, geve de hemel, dat gij nooit een geding voor een Engelsch gerechtshof te voeren moogt hebben....! Ik raakte voor en na mijne ossen, mijne paarden en mijne schapen kwijt!.... Ik verkocht tot mijne meubelen, tot mijne schamele kleeding, om die bloedzuigers in menschengedaante, die men solicitors, attorney's, sherifs en deurwaarders noemt, de handen te vullen... Om kort te gaan, na een jaar lang heen en weer gedobberd en in gespannen verwachting doorgebracht te hebben, na voortdurend de hoop teleurgesteld te zien, werd het vraagstuk omtrent mijn eigendomsrecht eindelijk in laatste instantie uitgemaakt, zonder dat er eenig beroep of cassatie meer mogelijk was....

"Ik had mijn proces verloren, en, wat erger was, ik was totaal ten gronde gericht. Een vonnis verklaarde mijne vorderingen ongegrond en ontzegde mij mijn eisch, aangezien--zoo stond er in te lezen--het der rechtbank onmogelijk was het wederzijdsche recht van beide partijen helder en overtuigend uit te maken, maar dat het voor de toekomst van belang was, dat thans eene niet te veranderen grens getrokken werd. Men stelde dan ook den vijf-en-twintigsten graad westerlengte van Greenwich als grenslijn vast, die de beide eigendommen zou scheiden. Het terrein, ten westen daarvan gelegen, werd toegewezen aan John Watkins, en dat oostwaarts daarvan gelegen aan Jacobus Vandergaart.

"De motieven, die de rechters tot deze zonderlinge grensverdeeling leidden, was dat werkelijk die vijf-en-twintigste lengtegraad op den plattegrond van het district over het grondgebied, waarop mijn kraal gestaan had, getrokken was.

"Maar de mijn, helaas! lag ten westen van die lijn en viel dus natuurlijk John Watkins ten deel.

"Evenwel, om onuitwischbaar aan te duiden, hoe de openbare meening over dat onrechtvaardig vonnis dacht werd de mijn sedert steeds de Vandergaart-Kopjes-mijn genoemd.

"Welnu, mijnheer Méré, heb ik niet eenigermate het recht om te beweren, dat de Engelschen schurken zijn?" vroeg de oude Boer, toen hij zijne geschiedenis, die stipt met de waarheid overeenkwam, eindigde.

ZESDE HOOFDSTUK.

KAMPZEDEN.

Dat onderwerp van gesprek kon voor den jeugdigen ingenieur niet aangenaam zijn. Dat zal iedereen moeten toegeven. Dergelijke inlichtingen omtrent de minder stipte eerlijkheid van den man, dien hij als zijn toekomstigen schoonvader bleef beschouwen, konden onmogelijk in zijn smaak vallen. Hij kwam er dan ook weldra toe, om de meening van Jacobus Vandergaart over de Kopjes-mijn te beschouwen als het _idée fixe_ van een pleiter, die zijn proces verloren heeft en waarvan dus veel af te dingen valt.

Hij had eens over die zaak een enkel woord tegen John Watkins gezegd. Deze was eerst in lachen uitgebarsten, had verder geen antwoord gegeven, maar zijn wijsvinger aan het voorhoofd gebracht, alsof hij wilde te kennen geven, dat het met Jacobus Vandergaart mis was en dat zijn gezond verstand hem al meer en meer in den steek liet.

Zou het inderdaad niet mogelijk zijn, dat de grijsaard, onder den indruk van de ontdekking der zoo rijke diamantlegering, zich zonder voldoende motieven in het hoofd gehaald had, dat die mijn zijn eigendom was? Maar alles goed bezien, de rechtbanken hadden hem geheel in het ongelijk gesteld, en het was zeer onwaarschijnlijk dat de rechters hem verongelijkt zouden hebben. Zoo was de redeneering, die de jonge ingenieur zich zelven gedurig herhaalde, om een verontschuldiging voor zijn eigen geweten te hebben, dat hij nog eenige gemeenschap met John Watkins onderhield, na al hetgeen Jacob Vandergaart omtrent dien man medegedeeld had.

Er was nog een andere buurman in het kamp, bij wien Cyprianus ook bij gelegenheid gaarne een praatje ging maken, omdat hij er het leven der Boeren in al zijne oorspronkelijkheid terugvond. Die bevoorrechte was een pachter, die Matthijs Pretorius heette en bij al de mijnwerkers van geheel Grikwaland goed bekend was.

Die Matthijs Pretorius had ook, hoewel hij te nauwernood veertig jaren oud was, langen tijd in het uitgestrekte bekken der Oranje-rivier rondgezworven, alvorens hij zich in deze streek neergezet had. Maar dat zwervend leven had voor hem hetzelfde gevolg niet gehad als voor den ouden Jacobus Vandergaart. Hij was er namelijk niet door vermagerd en ook niet door verbitterd. Hij was er eerder door verwilderd en zoodanig in vetheid toegenomen, dat hij moeite had om te gaan. Men kon hem gevoegelijk met een olifant vergelijken.

Hij was bijna altijd in een kolossalen houten armstoel gezeten, die speciaal vervaardigd was, om zijne zwaarwichtige vormen te bevatten. Matthijs Pretorius bewoog zich buitenshuis niet anders dan in een rijtuig, in een soort van tentwagen, van gevlochten teenen vervaardigd, waarvoor een reusachtige struisvogel gespannen was. De gemakkelijkheid, waarmede deze steltlooper de zware massa achter zich aansleepte, was wel geschikt, om een zeer hoog denkbeeld van de kracht zijner spieren te geven.