De Zuidster, het land der diamanten

Chapter 4

Chapter 43,748 wordsPublic domain

"Van een anderen kant bestaan een groot aantal omstandigheden, die gij allen in mijne memorie zult vinden, en die op eene vorming op de plaats der kristallen wijzen bij voorkeur boven een vervoer in reeds gevormden toestand. Om daarvan maar twee of drie aan te halen, kan dienen, dat de diamanten bijna altijd vereenigd bij groepen van dezelfde geaardheid en van dezelfde kleur aangetroffen worden, wat zeker niet gebeurd zou zijn, wanneer zij door een bergstroom aangevoerd waren in reeds gevormden staat. Men vindt er zeer dikwijls twee die samengevoegd, als aan elkander gegroeid zijn, maar die zich bij den minsten schok scheiden. Hoe zouden zij aan het gewrijf en aan de wisselvalligheden, van een vervoer door stroomend water veroorzaakt, hebben kunnen weerstand bieden? Daarbij de zware diamanten worden steeds als beschut door eene rots aangetroffen, hetgeen er op zou duiden, dat het de invloed van die rots is--hare warmte-uitstraling of wie weet welke andere oorzaak, die de kristalvorming bevorderd heeft. Het is zeldzaam ten slotte, zeer zeldzaam zelfs, dat groote en kleine diamanten bij elkander worden aangetroffen. Telkens wanneer een fraaie steen aangetroffen wordt, is geen andere in de onmiddellijke nabijheid gevonden. Het is alsof alle diamantenstof-houdende bestanddeelen van het omringende nest, om dat zoo eens uit te drukken, zich ditmaal onder den invloed van bijzondere omstandigheden, tot één enkelen kristal verdicht hebben.

"Deze omstandigheden en vele anderen daarenboven doen mij dus overhellen tot de hypothese der wording op de plaats zelve, nadat de bestanddeelen voor de kristalvorming door den waterstroom bijgebracht zijn.

"Maar vanwaar kwamen die wateren die de organische bestanddeelen meeslibden, die bestemd waren om in diamanten omgezet te worden? Zie, dat heb ik in weerwil van de meest oplettende studie, die ik van de verschillende terreinsoorten gemaakt heb, niet kunnen opsporen.

"Die ontdekking zou toch niet van belang ontbloot zijn. Want kon men inderdaad den weg volgen, die door de wateren gebaand is, waarom zou men dan, door steeds hooger op te gaan, het uitgangspunt niet vinden, waaruit al de diamanten hunnen oorsprong gehad hebben, daar waar er voorzeker een veel grootere menigte aanwezig moeten zijn, dan in de tegenwoordige kleine bekkens, die ontgonnen worden, het geval is? Dat zou een volledig bewijs voor mijne stelling zijn en dat zou mij zeer gelukkig maken.

"Ik ben evenwel bij mijne ontledingen der rotsen gelukkiger geweest."

En nu trad de jonge ingenieur, terwijl hij zijn verhaal voortzette ten opzichte van zijne werkzaamheden, in technische bijzonderheden, die ongetwijfeld van het hoogste belang voor hem en zijnen correspondent waren, maar die van den minder wetenschappelijke gevormden lezer waarschijnlijk diezelfde uitspraak niet zouden erlangen. Daarom achten wij het voorzichtig hem die te besparen.

Cyprianus doofde te middernacht, na zijn langen brief geëindigd te hebben, zijne lamp uit, kroop in zijn hangmat en sliep weldra den gerusten slaap des rechtvaardigen.

De arbeid had de smart althans gedurende eenige uren verstompt. Een bevallige verschijning evenwel liet zich herhaalde malen te midden der droomen van den jongen geleerde bespeuren en die verschijning zeide hem dat hij nog niet moest wanhopen.

VIERDE HOOFDSTUK.

DE VAN DER GAART-KOPJES-MIJN.

"Waarachtig, ik moet vertrekken," sprak Cyprianus Méré den volgenden morgen tot zich zelven, terwijl hij bezig was zijn morgentoilet te maken. "Ja, ik moet Grikwaland verlaten! Na alles wat die man mij voorgespiegeld heeft, zou het meer dan zwakheid wezen, wanneer ik nog een dag hier bleef! Hij wil mij zijne dochter niet geven? Misschien heeft hij wel gelijk! In ieder geval past het mij niet bij deze gelegenheid verzachtende omstandigheden te bepleiten. Ik moet met mannelijken moed die uitspraak, hoe smartelijk zij mij ook is, aanvaarden en mag slechts op de toekomst hopen!"

En zonder langer te dralen, begon Cyprianus zijne werktuigen in de kisten te pakken, die hij bewaard had om ze bij wijze van buffetten en kasten te bezigen. Hij was ijverig in de weer en hij arbeidde sedert een uur of twee dapper, toen een heldere stem door het geopende venster met de morgenlucht naar binnen drong en weerklonk alsof een leeuweriken-gezang van den voet van het buitenplein tot hem opsteeg en een der heerlijkste melodiën van den dichter Moor voordroeg:

"It is the last rose of summer, Left blooming alone; All her lovely companions Are faded and gone".

"Dit is de laatste zomerroos, die thans nog bloeit, alle hare beminnelijke gezellinnen zijn verwelkt of dood."

Cyprianus liep naar het venster en bemerkte Alice, die zich naar de omheinde plaats begaf, waar hare struisvogels gestald waren. Zij had haren voorschoot vol lekkernijen volgens hunnen smaak. En zij was het, die zoo de rijzende zon met haar gezang begroette.

"I will not leave thee, thou lone one! To pine on the stem, Since the lovely are sleeping. Go sleep with them...."

"Ik zal u niet laten--u geheel alleen--kwijnen op uw stengel, terwijl de andere schoonen zijn gaan slapen. Kom, slaap met haar!"

De jeugdige ingenieur meende, dat hij niet bijzonder gevoelig was voor de dichtkunst, en toch, die verzen maakten diepen indruk op hem. Hij bleef bij het raam staan, hield zijn adem in en luisterde naar die lieve woorden, of beter uitgedrukt, hij dronk ze.

Het zingen hield op. Miss Watkins deelde het voeder aan hare struisvogels uit en schepte er groot genoegen in, hen hunne lange halzen en hunne eigenaardige bekken te zien uitrekken bij het naderen van hare kleine plaagzieke hand. Toen zij hare uitdeeling beëindigd had, keerde zij naar het woonhuis terug en zong andermaal:

"It is the last rose of summer, Left blooming alone.... Oh! who would inhabit This black world alone?"....

"Dit is de laatste zomerroos, die thans nog bloeit. Ach, wie zou geheel alleen deze sombere wereld willen bewonen?"

Cyprianus stond met vochtige oogen steeds op dezelfde plaats en scheen als vastgenageld door eene betoovering.

De stem verwijderde zich. Alice zou weldra de hoeve binnentreden. Zij was nog maar op ongeveer twintig meter er van verwijderd, toen een gedruisch van versnelde schreden haar deed omkijken en haar noodzaakte plotseling stil te staan.

Cyprianus was onbewust, maar door een onweerstaanbaar gevoel gedreven, blootshoofds zijne hut uitgestormd en liep het jonge meisje achterna:

"Juffrouw Alice!...."

"Mijnheer Méré?...."

Thans stonden zij, terwijl de opkomende zon hen bescheen, vlak tegenover elkander op den weg, die rondom de hoeve voerde. Hunne rijzige schaduwen vertoonden zich bevallig, maar scherp geteekend tegen de wit houten omrastering, die zich in dat kale landschap verhief. Nu Cyprianus het jonge meisje ingehaald had, scheen hij over zijne eigene daad verwonderd en zweeg thans besluiteloos.

"Hebt gij mij iets te zeggen, mijnheer Méré?" vroeg zij belangstellend.

"Ik wil afscheid van u nemen, juffrouw Alice!.... Ik vertrek heden nog".... antwoordde hij met haperende stem.

De zachte kleur, die de fijne huid van miss Watkins tintte, verdween plotseling.

"Vertrekken?.... Gij wilt vertrekken?.... Waarheen?" vroeg zij geheel van haar stuk gebracht.

"Naar mijn vaderland terug.... naar Frankrijk," antwoordde Cyprianus. "Mijne werkzaamheden zijn hier geëindigd!.... Mijne zending is afgeloopen.... Ik heb niets meer in Grikwaland uit te voeren.... en ik ben verplicht naar Parijs terug te keeren."

Terwijl hij zoo met weifelende en afgebroken stem sprak, had hij wel het uiterlijk van een schuldige, die zich verontschuldigde.

"Ach!.... Ja!.... Dat's waar!.... Dat moest zoo gebeuren, niet waar?" stamelde Alice, zonder eigenlijk te weten wat zij zeide.

Het jonge meisje was geheel van haar stuk gebracht. De tijding overviel haar zoodanig te midden van haar onbewust gelukkig bestaan, dat het was alsof zij door een knotsslag getroffen was. Plotseling parelden dikke tranen in hare oogen en pinkten aan de lange wimpers, die hen beschaduwden. En daar die uitbarsting van smart haar tot de werkelijkheid teruggevoerd had, herkreeg zij eenige kracht om te glimlachen:

"Vertrekken!...." herhaalde zij. "En uwe toegenegen leerlinge dan? Wilt gij haar verlaten, vóór dat zij haren scheikundigen cursus voltooid heeft?.... Wilt gij, dat ik bij de zuurstof steken blijf, en dat de geheimenissen van de stikstof mij nimmer geopenbaard zullen worden?.... Dat is zeer slecht, mijnheer!"

Zij trachtte zich goed te houden en te spotten; maar de toon van hare stem logenstrafte hare woorden.

Ook schuilde onder die luchthartige woorden een diepe zin, die recht toe het hart van den jonkman bereikte. Want eigenlijk kon het door haar gesprokene aldus vertolkt worden:

"Welnu, en ik dan?.... Telt gij mij niet mede?.... Voor u besta ik eenvoudig niet, zooals het schijnt. Gij zijt u hier te midden van die Boeren, van die hebzuchtige mijnwerkers komen vertoonen als een hooger en meer bevoorrecht wezen, als een geleerd, fier, belangeloos en uitstekend man!.... Gij hebt mij een blik doen slaan in uwe studiën en uwe werkzaamheden.... Gij hebt mij uw hart geopend; gij hebt mij uwe neigingen, uwe literarische voorliefde, uwen kunstsmaak doen deelen!.. Gij hebt mij geopenbaard, welke afstand bestaat tusschen een denker zoo als gij zijt en de tweevoetige dieren, die mij omringen!.... Gij hebt alles aangewend om u te doen bewonderen en te doen beminnen!.... Daarin zijt gij volkomen geslaagd!.... En dan komt gij mij zoo maar zonder eenigen omhaal mededeelen, dat gij heengaat, dat het uit is, dat gij naar Parijs terugkeert en trachten zult, mij hoe eer hoe liever te vergeten!....

"En gij gelooft daarbij voorzeker, dat ik mij wijsgeerig en met berusting aan mijn lot zal onderwerpen?"

Ja, dat alles straalde in de woorden van Alice door, en hare vochtige oogen verkondigden dat zoo duidelijk, dat Cyprianus op het punt was dat onuitgesproken en toch zoo welsprekend verwijt te beantwoorden. Het scheelde inderdaad weinig, of hij riep onbewust uit:

"Ik moet heen!.... Gisteren smeekte ik uwen vader, dat hij mij u tot vrouw zou geven!.... Hij weigerde zonder eenige hoop te laten koesteren! Begrijpt gij nu, waarom ik vertrekken moet?"

Maar hij herinnerde zich bij tijds zijne belofte. Hij had zich verbonden, nimmer aan de dochter van John Watkins iets te openbaren omtrent den schoonen droom, dien hij gedroomd had; en hij zou zich zelven als verachtelijk veroordeeld hebben, wanneer hij zijn woord niet hield.

Hij gevoelde evenwel hoe ruw dat plan was om te vertrekken, hetwelk hij onder den invloed zijner teleurstelling gevormd had. Het kwam hem zelfs onzinnig en wreed voor. Het scheen hem thans onmogelijk toe, dat bekoorlijke kind, hetwelk hij beminde en dat hem wederkeerig liefhad, zoo zonder voorbereiding, zoo zonder uitstel te verlaten. En dat zij hem liefhad, dat was maar al te zichtbaar. Ongetwijfeld, zij was onder den invloed eener oprechte en diepgewortelde genegenheid.

Hij gevoelde thans afschuw voor dat besluit, hetwelk hij twee uren vroeger genomen, en dat hij toen als uiterst noodzakelijk beschouwd had. Thans durfde hij het zelfs niet meer bekennen.

Ja, hij ging er toe over dat besluit te loochenen.

"Als ik over mijn vertrek spreek, juffrouw Alice," zei hij, "dan moet gij niet denken, dat ik dezen morgen of zelfs heden reeds wil heengaan!.... Ik moet nog eenige aanteekeningen maken,--dan moet ik ook mijne maatregelen treffen!.... In ieder geval, ik zal de eer hebben om u weer te zien, om met u te praten.... over uwe studieplannen."

Toen draaide Cyprianus plotseling op de beide hielen rond en nam de vlucht niet ongelijk aan een dwaas! Hij vloog naar zijne hut, liet zich daar op een stoel vallen en verviel in een diep gepeins.

Zijn gedachtengang was geheel veranderd.

"Zou ik, bij gebrek aan wat geld, van zoo veel bevalligheid afstand doen?" sprak hij tot zich zelven. "Zou ik reeds bij den eersten hinderpaal de partij als verloren beschouwen? Is dat wel zoo manmoedig, als ik mij dat verbeeld? Zou het niet beter zijn eenige vooroordeelen op te offeren en mij harer waardig trachten te maken?.... Er bestaan zoo vele lieden, die met diamantzoeken in weinige maanden een vermogen verwerven! Waarom zou ik dat ook niet doen? Wat zou kunnen beletten, dat ook ik er in slaagde een steen van honderd karaten te vinden, zooals dat zoovelen wedervaren is; of beter, waarom zou ik geen nieuwe legering ontdekken? Ik bezit voorzeker meer theoretische en practische kennis dan het meerendeel der menschen hier! Waarom zou de wetenschap mij niet verschaffen, wat de arbeid, door een weinig geluk geholpen, aan zoo velen gegeven heeft?.... En goed beschouwd, ik waag er niets bij met te probeeren. Zelfs van het standpunt mijner zending beschouwd, kan het niet als eene overbodige daad aangemerkt worden, wanneer ik de schop ter hand neem en mijnwerker word!.... En, als ik eens mocht slagen?.... als ik eens rijk werd door dat oorspronkelijke middel?.... wie weet, of John Watkins zich dan niet liet vermurwen, wie weet of hij dan niet op zijn eerstgenomen besluit zou terugkomen. Dat doeleinde is wel waard, dunkt me, dat er de proef van genomen wordt!...."

Cyprianus liep daarop zijn laboratorium op en neer. Zijne armen waren daarbij evenwel in rust; zijn denkvermogen alleen arbeidde.

Plotseling bleef hij stilstaan, daarop greep hij zijn hoed en ging naar buiten.

Nadat hij het pad ingeslagen had, dat naar de vlakte voerde stapte hij met groote passen in de richting van de Vandergaart-Kopjes-Mijn voort.

In minder dan een uur had hij die bereikt.

De mijnwerkers keerden juist in dit oogenblik in menigte naar hun kampement terug, om hun tweede ontbijt te nuttigen. Cyprianus vroeg zich af, terwijl hij al die getaande gezichten in oogenschouw nam, tot wien hij zich zou wenden om de inlichtingen in te winnen, die hij noodig had, toen hij eindelijk te midden van een groep het open gelaat herkende van Thomas Staal den gewezen mijnwerker van Lancashire. Hij had al twee of driemaal gelegenheid gehad om hem te ontmoeten, sedert zij te zamen in Grikwaland gekomen waren en hij had zich daarbij overtuigd, dat de brave kerel welvarende was, zooals zijn blozend gelaat, zijne spiksplinternieuwe kleeren en vooral de breede lederen riem, die zijn middel omsloot, afdoende getuigden.

Cyprianus besloot om hem aan te spreken en hem deelgenoot van zijne plannen te maken, hetgeen trouwens in weinige woorden geschiedde.

"Gij wilt een claim pachten? Wel niets is gemakkelijker dan dat: wel te verstaan, als gij geld hebt!" antwoordde hem de mijnwerker. "Er is juist een beschikbaar naast de mijne. Vier honderd pond sterling [3], dit is te geef! Met vijf of zes negers, die hem voor uwe rekening ontginnen zullen, kunt gij er op rekenen, dat gij per week voor drie of vier honderd gulden minstens zult vinden!"

"Maar, ik heb geen vier honderd pond sterling en ik bezit zelfs geen enkel negertje," zei Cyprianus.

"Welnu, koop dan een gedeelte van een claim, een achtste of een zestiende zelfs, en bewerk dat zelf. Dan komt gij met een groote vijf honderd gulden al ver."

"Dat komt meer met mijne middelen overeen," antwoordde de jeugdige ingenieur. "Maar, gij mijnheer Staal, hoe hebt gij het aangelegd. Vertel mij dat eens, als ik niet te onbescheiden ben. Zijt gij hier als bezitter van een kapitaal aangekomen?"

"Ik ben hier met mijn beide armen aangekomen, maar had daarenboven drie kleine goudstukken in den zak," antwoordde de andere. "Maar, het is mij meegeloopen. Ik heb eerst een achtste in halve rekening met een ander ontgonnen, die evenwel liever in het koffiehuis zat dan dat hij zijne zaken behartigde. Wij waren overeengekomen dat wij de vondsten zouden deelen, en waarlijk, ik was niet ongelukkig. Ik vond onder anderen een steen van vijf karaten, die wij voor twee honderd pond sterling verkochten! Maar, het begon mij te vervelen voor dien luilak te arbeiden. Ik kocht toen een zestiende, dat ik voor mij alleen ontgon. Daar ik er slechts kleine steenen vond, heb ik dat tien dagen geleden van de hand gedaan. Ik werk thans weer in halve rekening met een man, afkomstig van Australië, in zijn claim; maar wij hebben in de eerste week slechts vijf pond met ons beiden gewonnen."

"Als ik een gedeelte van een goeden claim voor een niet te duren prijs kan koopen, zoudt gij dan genegen zijn u met mij te associeeren, om dien te ontginnen?" vroeg de jonge ingenieur.

"Voorzeker," antwoordde Thomas Staal; "echter op de uitdrukkelijke voorwaarde, dat ieder onzer behouden zal, wat hij vindt. Dat is geen wantrouwen jegens u, mijnheer Méré. Maar ziet ge, ik bemerk wel, dat ik, sedert ik hier ben, steeds de lijdende partij ben wanneer er gedeeld wordt, want de schop en het pikhouweel kennen mij en ik verricht tweemaal meer werk dan anderen!"

"Die voorwaarde komt mij billijk voor," antwoordde Cyprianus.

"O!" riep eensklaps de Lancashire-man uit, terwijl hij den ingenieur in de rede viel. "Een inval en waarschijnlijk een goede ook!.... Als wij met ons beiden een der claims van John Watkins pachtten?"

"Hoe, een zijner claims? Is de geheele grond van de Kopjes-Mijn niet zijn eigendom?"

"Ongetwijfeld, mijnheer Méré; maar gij weet dat het koloniale gouvernement er zich dadelijk meester van maakt, zoodra het bekend is, dat er diamantlegeringen bestaan. Het is het gouvernement die de mijnen bestuurt, voor het kadaster zorgt, die de claims afdeelt en daarbij het grootste gedeelte van den pachtprijs voor zich behoudt en aan den eigenaar slechts een vaste som uitbetaalt. Het moet evenwel erkend worden, dat die vaste som nog een prachtig inkomen daarstelt, wanneer de mijn zoo uitgestrekt als de Kopjes-Mijn is; terwijl van een anderen kant de eigenaar steeds de voorkeur geniet, om een zoo groot getal claims te kunnen terugkoopen, als hij slechts kan laten bewerken. Dat is juist het geval met John Watkins. Hij heeft behalve den feitelijken eigendom van de geheele mijn, bovendien nog verscheidene claims in ontginning. Maar die ontginning gaat niet zoo als hij wel zou willen, omdat het pootje hem belet ter plaatse zelve tegenwoordig te zijn, en ik ben van meening, dat hij u wel aanneembare voorwaarden zoude stellen, wanneer ge hem voorsloegt een claim van hem over te nemen."

"Toch zou ik wenschen, dat de onderhandeling daarover tusschen u en hem gevoerd werd," antwoordde Cyprianus.

"Och, als het slechts daar op aan komt" hernam Thomas Staal. "Die zaak kan spoedig in het reine gebracht worden."

Drie uren later was de halve claim, numero 942, die behoorlijk met paaltjes afgebakend en op de kaart aangeduid werd, in deugdelijken vorm herverpacht aan de heeren Méré en Thomas Staal, tegen de onmiddellijke betaling van een premie van negentig pond [4] en tegen de voldoening van de patent-onkosten bij den ontvanger. Bovendien was in het huurcontract wel degelijk vermeld, dat de huurders de opbrengst hunner ontginning met John Watkins moesten deelen en dat zij hem bij wijze van royalty of koningsrecht de drie eerste diamanten boven de tien karaten zouden afstaan, die mochten gevonden worden. Niets duidde aan dat die gebeurlijkheid zich zoude voordoen, maar zij was mogelijk. In de diamantvelden was alles mogelijk.

Alles wel bezien, kon de zaak als buitengewoon voordeelig voor Cyprianus beschouwd worden en Mr. Watkins gaf hem dat met zijne gewone vrijmoedigheid, terwijl hij met hem klonk bij de onderteekening van het contract, genoegzaam te kennen.

"Gij hebt de wijste partij gekozen, mijn jongen," zei hij, terwijl hij hem op den schouder klopte. "Er zit pit in u en het zou mij niet verwonderen, wanneer gij een der beste mijnwerkers van geheel Grikwaland werdt."

Cyprianus meende in die woorden een gelukkig voorteeken voor de toekomst te ontdekken.

Miss Watkins, die bij de onderhandeling tegenwoordig was, vertoonde een overheerlijken, helderen zonnestraal in hare blauwe oogen! Neen, waarachtig niet; niemand zou ooit geloofd hebben, dat die oogen gedurende den geheelen morgen geweend hadden!

Als bij stilzwijgende overeenkomst, werd door beide partijen iedere nadere verklaring omtrent het treurige tooneel, op dien morgen voorgevallen, vermeden. Cyprianus bleef, dat was buiten kijf en dat was toch, alles wel beschouwd, het voornaamste.

De jonge ingenieur verwijderde zich thans met een verruimd hart, om zijne maatregelen nopens zijne verhuizing te treffen. Hij nam slechts eenige kleedingstukken in een valies mede, daar hij voornemens was zich onder eene tent in de onmiddellijke nabijheid van de Vandergaart-Kopjes-Mijn te vestigen en slechts naar de hoeve weer te keeren om daar eenige uren van uitspanning door te brengen.

VIJFDE HOOFDSTUK.

EERSTE ONTGINNINGS-ARBEID.

De beide vennooten togen reeds den volgenden morgen al heel vroeg aan den arbeid. Hun claim was bij den rand van de Kopjes-Mijn gelegen en moest dus rijk zijn, wanneer namelijk de theorie van Cyprianus Méré gegrond was. Die claim was ongelukkig reeds vlijtig ontgonnen en reikte tot op een diepte van vijftig en meer meters de ingewanden der aarde.

Dat was in zeker opzicht een voordeel omdat, daar de bodem van die claim veel lager was dan die der omringenden, de huurders, volgens de wetten des lands, in eigendom verkregen al den grond en bijgevolg ook al de diamanten, die van de rondom liggende hoogten eens naar beneden mochten rollen.

De arbeid was zeer eenvoudig. De vennooten begonnen met schop, spade en pikhouweel zoo eenvoudig mogelijk een zeker gedeelte aarde los te maken. Toen dat klaar was, klom een hunner op den rand der mijn en heesch met een ijzeren kabel de emmers naar boven, die de andere met grond vulde.

Die grond werd vervolgens met eene kar naar de hut van Thomas Staal vervoerd. Daar werd hij met behulp van groote stukken hout grovelijk geplet en vervolgens van de waardelooze keisteenen ontdaan; men liet hem vervolgens door een netvormige zeef loopen, welker mazen vijftien millimeters wijdte hadden, om de kleinere steenen af te zonderen, die eerst goed onderzocht werden, alvorens ze weg te werpen. De grond werd eindelijk ten tweede male gezift, maar in een zeef met zeer kleine openingen, om er het stof van te scheiden, waarna hij geschikt was, om aandachtig onderzocht te worden.

Die aarde werd dan op een tafel uitgeschud, waaraan de beide mijnwerkers plaats namen, gewapend met een soort hark, die van blik vervaardigd was. Zij doorzochten die aarde alsdan handvol voor handvol met de grootste zorg, waarna zij haar onder de tafel wierpen, om later opgeruimd te worden, wanneer het afgeloopen was.

Al die werkzaamheden hadden ten doel om te ontdekken of er geen diamant in was al ware 't slechts ter dikte van een halve linskorrel; maar de vennooten boogden op zeer veel geluk, wanneer de dag niet eindigde, zonder dat zij een enkel steentje gevonden hadden. Zij werkten met de meest mogelijke vlijt en ziftten de aarde van den claim met de uiterste zorg, maar de resultaten waren, dat viel niet te ontkennen, gedurende de eerste dagen geheel onbeduidend, ja bijna nul.

Vooral scheen Cyprianus geen geluk te hebben. Werd er een enkel diamantje in den grond aangetroffen, dan was het bijna altijd Thomas Staal, die het vond. De eerste, die hij het genoegen had te ontdekken, woog niet eens ten volle een zesde gedeelte van eene karaat, het omhulsel er onder begrepen.