De Zuidster, het land der diamanten
Chapter 21
Maar zonderling en opmerkenswaardig was het feit, dat alle getuigen van dat tooneel dadelijk opviel. De diamant was van kleur veranderd. De _Zuidster_ was van zwart, zooals zij vroeger was, rooskleurig geworden, van dat bevallige roséachtige, hetwelk, als het mogelijk ware, hare helderheid en pracht nog vermeerderde.
"Denkt ge niet dat dit hare waarde vermindert?" vroeg John Watkins, zoodra hij weer spreken kon, met levendige stem. De verrassing en de vreugde hadden hem waarachtig den adem benomen.
"Volstrekt niet!" antwoordde Cyprianus. "Het is integendeel eene merkwaardigheid te meer, die dezen steen tot de zoo zeldzamen groep van de "cameleon-diamanten" doet behooren!.... Drommels!.... het schijnt dat het niet koud in den krop van Dada is; want die verandering van tint bij de gekleurde diamanten geschiedt gewoonlijk niet dan tengevolge van eene plotselinge en aanmerkelijke temperatuursafwisseling. Zoo is tenminste het oordeel der geleerden."
"Oh!.... Goddank!.... dat ik u teruggevonden heb, mijne schoone!" herhaalde master Watkins, terwijl hij den diamant met angstvalligheid in zijne handen besloot, alsof hij zich verzekeren wilde, dat hij niet droomde. "God, wat hebt ge mij zorg en verdriet berokkend door uw uitstapje, o, ondankbare ster! Maar ik zal oppassen, dat gij mij niet weer ontsnapt!"
Hij bracht den steen daarbij ter hoogte zijner oogen, streelde hem met den blik en zou waarlijk haast het voorbeeld van Dada gevolgd hebben door hem op te slikken, zoo bang was hij hem andermaal kwijt te raken!
Onderwijl liet Cyprianus zich door Bardik een naald, voorzien van een dikken, stevigen draad, aanreiken, waarmede hij den krop van den struisvogel zorgvuldig dichtnaaide. Daarna sloot hij de wondvlakken aan den hals met hechtpleister en ontdeed het dier van zijne banden, die het tot machteloosheid doemden.
Dada scheen zeer afgemat en terneergeslagen; zij boog het hoofd en legde geen neiging aan den dag om weg te loopen.
"Zal zij er van opkomen, mijnheer Cyprianus?" vroeg Alice, die meer begaan was met het lijden van hare gunstelinge dan dat zij ingenomen was met het terugvinden van den diamant.
"Of zij er van zal opkomen, miss Watkins?" antwoordde Cyprianus. "Zoudt gij dan kunnen denken, dat ik de bewerking ondernomen had, wanneer ik daarvan niet zeker was?.... Geloof mij, over drie dagen zal er van die snede niets meer te bespeuren zijn, en over drie uren zal Dada weer neiging aan den dag leggen, dien zonderlingen zak, dien ik daar geledigd heb, andermaal te vullen!"
Door die woorden gerustgesteld, schonk Alice den jeugdigen ingenieur een dankbaren blik, die hem voor al zijne moeiten ruimschoots beloonde.
Eindelijk was John Watkins er in geslaagd tot de overtuiging te geraken, dat hij zijn gezond verstand had, en dat hij weer in het bezit was van zijn bewonderenswaardige ster. Hij verliet het venster en zich tot Cyprianus wendende:
"Mijnheer Méré," sprak hij op statigen toon, "gij hebt mij daar een grooten dienst bewezen en ik weet niet hoe ik dien ooit zal kunnen vergelden."
Vergelden!.... O! John Watkins had daartoe een zeer eenvoudig middel! Zou het hem zoo moeilijk vallen zijn belofte te houden, namelijk den jongen man de hand zijner dochter te schenken? Hij had die hand toch beloofd aan hem, die de _Zuidster_ zou terugbrengen. En waarlijk, was het niet alsof Cyprianus den diamant van uit het binnenste der Transvaal had aangebracht?
Ziedaar wat de verliefde in zich zelven prevelde; maar hij was te fier om die gedachte met luider stem voor te dragen. Hij meende daarenboven zeker te zijn, dat die gedachte van zelf in het brein van den Engelschman zou opwellen.
Maar John Watkins repte daarvan geen woord. Hij wenkte zijne dochter om hem te volgen en verdween in zijne woning.
Het is bijna onnoodig te vertellen, dat weinige oogenblikken later Makatit zijne vrijheid herkreeg. Maar het had toch weinig gescheeld of de arme drommel had de slokkerigheid van Dada met zijn leven betaald. Hij moest zich zelf bekennen, dat hij den dans ter nauwernood ontsprongen was.
DRIE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
EENE VERSCHIJNING.
De gelukkige John Watkins, die thans de rijkste inwoner van Grikwaland was, kon niet anders, na vroeger een maaltijd aangericht te hebben om de geboorte van de _Zuidster_ te herdenken, dan een tweede te geven om hare wedergeboorte te vieren. Maar dezen keer zouden de voorzorgsmaatregelen voldoende getroffen worden, om te voorkomen, dat zij niet ten tweeden male verdween, terwijl thans Dada niet uitgenoodigd werd.
Het feestmaal was dan ook in den namiddag van den volgenden dag reeds in vollen gang.
John Watkins had reeds vroeg in den morgen zijne gewone genoodigden om zich verzameld en had bij de slagers van het distrikt vleeschstukken besteld, die voldoende zouden geweest zijn om eene geheele kompagnie infanterie te voeden; hij had zijne keukens met levensmiddelen, zoowel versche als verduurzaamde, en met zooveel wijnen en vreemde likeuren gevuld als de leveranciers in den omtrek slechts hadden kunnen bijbrengen.
Tegen vier uur was de tafel in de groote zaal gedekt, stonden de flesschen behoorlijk gerangschikt op het buffet en staken de stukken ossen- en schapenvleesch aan het spit en waren flink aan het braden.
De genoodigden verschenen te zes uur, natuurlijk in hunne schoonste kleederen gedost. Tegen zeven uur had de toonladder van de spraakzaamheid der gasten reeds zulk een hoogte bereikt, dat een trompetter met moeite dat geschreeuw met zijn instrument zou hebben kunnen overstemmen. Matthijs Pretorius, die sedert hij de akelige grappen van Hannibal Pantalucci niet meer te verduren had, veel geruster van inborst was geworden, zat daar aan met Thomas Staal, die van gezondheid en kracht straalde, met den makelaar Nathan, met andere pachters, mijnwerkers en kommissarissen van politie.
Cyprianus, zich gedragende volgens een bevel van Alice, had niet kunnen weigeren dat feest bij te wonen, daar het jonge meisje ook genoodzaakt was tegenwoordig te zijn. Maar beiden waren wel droevig gestemd, want--het viel niet te ontkennen--de bezitter van ruim vijftig millioenen kon er niet aan denken de hand zijner dochter te geven aan een eenvoudigen ingenieur, "die niet eens diamanten kon vervaardigen". Ja, de zelfzuchtige behandelde zoo reeds den jeugdigen geleerde, waaraan hij in werkelijkheid zijn nieuw vermogen te danken had.
Het diner had zijn voortgang te midden van de zeker niet gematigde geestdrift van de gasten.
Vóór den gelukkigen Engelschman--en volstrekt niet achter hem, zooals vroeger--lag de _Zuidster_ op een klein kussen van blauw fluweel, beschut door een traliewerk van metaaldraden en door eene glazen stolp, en schitterde met vollen glans bij het licht der waskaarsen.
Er heerschte toen eene drukkende hitte.
Miss Watkins zat als in zich zelve gekeerd aan dien disch en scheen niets te hooren. Zij had den blik op Cyprianus gericht, die even mistroostig was als zij. De tranen stonden haar in de oogen.
Drie slagen, die luidruchtig op de deur klonken, braken plotseling de gesprekken en het gerinkinkel der glazen af.
"Binnen!" riep John Watkins met schorre stem. "Wie gij ook zijn moogt, gij komt ter rechter tijd, wanneer gij dorst hebt!"
De deur ging open. De lange en magere gestalte van Jakobus Vandergaart verscheen op de drempel.
De gasten keken elkander verwonderd aan over die onverwachte verschijning. Iedereen kende zoo goed de oorzaken van de vijandschap tusschen John Watkins en Jakobus Vandergaart, dat een dof gemompel vernomen werd. Iedereen verwachtte iets ernstigs.
Een diepe stilte was daarna ingetreden. Aller oogen waren op den ouden diamantslijper met zijne witte haren gevestigd. Deze stond recht overeind, met gekruiste armen en met den hoed op het hoofd, in zijn lange Zondagsjas gehuld. Hij scheen het spook der wraak te zijn. John Watkins voelde eene onbestemde vrees opkomen. Hij rilde en verbleekte onder het vermiljoenrood, dat het alcoholmisbruik onuitwischbaar op zijne hoekige jukbeenderen geverfd had. Toch poogde hij zich tegen dat onverklaarbare gevoel te verzetten.
"He, he!" zei hij, terwijl hij het eerst het woord tot Jakobus richtte, "het is langen tijd geleden, buurman Vandergaart, dat gij mij het genoegen geschonken hebt u hier ten mijnent te vertoonen! Welk goed gesternte voert u herwaarts?"
"Het gesternte der gerechtigheid, buurman Watkins!" antwoordde de grijsaard koel. "Ik kom u mededeelen dat het recht eindelijk gaat zegepralen en, na zeven jaren lang verscholen te zijn geweest, te voorschijn gaat treden. Ik kom u aankondigen, dat het uur der vergelding geslagen heeft, dat ik in het bezit van mijn eigendom zal geraken, en dat de Kopjes-mijn, die steeds mijn naam gedragen heeft, voortaan mij wettig toebehoort, zooals zij mij volgens de billijkheidswetten steeds toebehoord heeft! Heden zijt gij het, dien de wet het bezitrecht ontneemt en veroordeelt om mij terug te geven, wat mij ontnomen is!"
Al had John Watkins zich ook, bij de plotselinge verschijning van Jakobus Vandergaart en door het nevelachtige gevaar, dat zij scheen aan te kondigen, aanvankelijk verstijfd gevoeld, zoo bracht zijn bloedrijk gestel en ontembaar karakter hem er toe om een direct en afgebakend gevaar stout onder de oogen te zien. Hij wierp zich dan ook tegen de leuning van zijn stoel en lachte op de meest smadelijke wijze.
"De oude vent is gek!" zeide hij, zich tot zijne gasten wendende. "Ik heb altijd gedacht dat er een streep door liep; het schijnt in den laatsten tijd erger te worden!"
Iedereen lachte om die grofheid. Jakobus Vandergaart bleef kalm en knipoogde zelfs niet.
"Wie het laatst lacht, lacht het best!" zei hij ernstig, terwijl hij een papier uit den zak haalde. "John Watkins, gij weet dat een eindvonnis, dat in appèl bevestigd werd en dat zelfs de Koningin niet meer zou kunnen vernietigen, u in dit district de terreinen toegewezen heeft, die westwaarts van den vijf-en-twintigsten lengtegraad ten oosten van den meridiaan liggen?"
"Volmaakt juist, waardige wauwelaar!" riep John Watkins uit. "En daarom zoudt ge beter doen met naar bed te gaan, wanneer ge ziek zijt, dan eerlijke lieden te komen storen, die bezig zijn met dineeren en niemand iets verschuldigd zijn."
Jakobus Vandergaart had zijn papier ontvouwd.
"Hier," zeide hij, "is eene verklaring van het Kadastrale Comité, welke door den Gouverneur gewaarmerkt en eergisteren te Victoria geregistreerd is. Dat stuk constateert eene feitelijke vergissing, welke tot heden in al de terreinopnamen van Grikwaland geslopen is. Die vergissing, welke tien jaren geleden door de landmeters begaan is, die met de opmeting van het district belast waren, en die geen rekening gehouden hebben met de magnetische afwijking van de kompasnaald met het ware noorden, die vergissing vernietigt alle opnemingen, die deze dwaling tot grondslag hebben. Ten gevolge van de verbetering, die plaats gehad heeft, bevindt zich thans de vijf-en-twintigste graad oosterlengte van Greenwich drie mijlen meer westelijk. Die verbetering herstelt mij dus in het bezit van de Kopjes-mijn, die u toegewezen was, want volgens het advies van al de rechtsgeleerden en van den chief-justice in persoon, kan de letter en de geest van het geslagen vonnis niets van deszelfs kracht verliezen. Ziedaar, John Watkins, wat ik u kom vertellen."
Het zij dat de Engelschman hem niet dan onvolkomen begrepen had, hetzij hij voorbedachtelijk weigerde te begrijpen, wie zal dat uitmaken? Hij beantwoordde den ouden diamantslijper nogmaals met een hoonend gelach. Maar die lach klonk valsch en vond geen steun bij de gasten. Deze hielden allen verwonderd den blik op Jakobus Vandergaart gevestigd en schenen getroffen door diens ernst, door de vrijmoedigheid zijner verklaring en door de onwrikbare zekerheid, die uit zijne woorden, uit zijne geheele houding straalde.
De makelaar Nathan maakte zich tot tolk van het algemeen gevoelen, toen hij sprak:
"Wat mijnheer Vandergaart daar zegt, bevat volgens mij niets, dat voor dwaas kan uitgekreten worden. Die vergissing met dien lengtegraad kan zeer goed geschied zijn. Mij dunkt dat nadere inlichtingen moeten afgewacht worden, alvorens ons gevoelen uit te spreken."
"Inlichtingen afwachten?" riep John Watkins uit, terwijl hij met de vuist krachtig op de tafel sloeg. "Ik heb met uwe inlichtingen niets te maken!.... Ik lach om uwe inlichtingen!.... Ben ik hier op mijn eigendom, ja of neen?.... Is mij de Kopjes-mijn bij een eindvonnis, welks kracht die oude kaaiman zelf erkent, toegewezen, ja of neen?.... Welnu, wat kan mij de rest schelen?.... Wanneer men het mij nog omtrent het rustige bezit van mijn eigendom lastig maakt, dan zal ik doen wat ik reeds gedaan heb: ik zal mij tot de gerechtshoven wenden en wij zullen zien wie gelijk heeft!"
"De competentie van de gerechtshoven is ten einde," antwoordde Jakobus Vandergaart met opzettelijke kalmte. "Alles bepaalt zich thans tot de daadzaak, tot de vraag: ligt de Kopjes-mijn rechts of links van den vijf-en-twintigsten lengtegraad? En daar het nu officiëel uitgemaakt is, dat een vergissing heeft plaats gehad, zoo is de onvermijdelijke gevolgtrekking daarvan, dat die mijn tot mijn bezit wederkeert."
Terwijl hij dat zeide, toonde Jacobus Vandergaart het officiëele dokument, dat van de vereischte handteekeningen en zegels voorzien was.
John Watkins was niet op zijn gemak. Hij bewoog en draaide op zijn stoel. Hij trachtte te spotten; maar dat ging hem slecht af. Zijn blik viel in dat oogenblik op de _Zuidster_. Dat gezicht scheen hem het zelfvertrouwen, dat hem begon te verlaten, te hergeven.
"Als alles nu eens zoo was," riep hij uit, "als ik waarlijk tegen alle recht en billijkheid in, dit eigendom, dat mij wettiglijk toegewezen is en dat ik sedert zeven jaren bezeten heb, moest afstaan, wat zou mij dat alles goed en wel beschouwd kunnen schelen? Bezit ik niet meer dan genoeg om mij te troosten, al was het maar alleen met dat juweel, dat ik in mijn vestzak kan meenemen en mij tegen alle ongeval kan behoeden?"
"Dat's ook een dwaling, John Watkins," hernam Jacobus Vandergaart op kort afgemeten toon. "De _Zuidster_ is mijn eigendom evenals alle voortbrengselen, die uit de Kopjes-mijn gewonnen zijn en bij u teruggevonden worden, evenals het meubilair van dit huis, evenals de wijn in die flesschen, evenals dat gebraden vleesch op dien schotel. Alles, alles behoort mij; omdat alles voortspruit uit het onrecht, dat mij aangedaan is!.... En vlei u niet," vervolgde hij, "mijne maatregelen zijn goed genomen."
Jacobus Vandergaart sloeg in zijn magere handen. Dadelijk verschenen eenige konstabels op den drempel van de deur. Zij werden gevolgd door een officier van den Sherif, die binnentrad en met de hand op een stoel klopte, terwijl hij uitriep:
"In naam der wet leg ik voorloopig beslag op al de voorwerpen, meubelen en waarden van welken aard ook, die zich hier in dit huis bevinden!"
Iedereen was opgestaan, behalve John Watkins. De Engelschman lag vernietigd in zijn leuningstoel uitgestrekt en scheen door den bliksem getroffen. Alice sloeg hare armen om zijn hals en zocht hem met lieftallige toesprekingen op te beuren.
Jakobus Vandergaart verloor hem evenwel niet uit het oog. Hij beschouwde hem meer met mededoogen dan wel met haat; maar waakte daarbij over de _Zuidster_, die te midden van die ramp even luisterrijk glinsterde.
"Verloren!.... Geruïneerd!...."
Die woorden ontsnapten slechts aan de trillende lippen van John Watkins. In dat oogenblik stond Cyprianus evenwel op en sprak op ernstigen toon:
"Mijnheer Watkins, daar uwe welvaart met een onherstelbaren ondergang bedreigd wordt, zult gij mij vergunnen daarin slechts de mogelijkheid te zien, mejuffrouw uwe dochter in stand meer nabij te komen!.... Ik heb de eer u de hand van miss Alice Watkins te vragen."
VIER EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
EEN VALLENDE STER.
Dit aanzoek van den jeugdigen ingenieur veroorzaakte werkelijk eene buitengewone verrassing. Hoe gretig de gevoeligheid van hunne half wilde natuur ook was, zoo konden toch al de gasten van John Watkins niet nalaten het luidruchtig toe te juichen. Zoo veel belangeloosheid moest hen treffen.
Alice zat daar met neergeslagen oogen en met kloppend hart, misschien als de eenige, die niet verwonderd scheen over des jonkmans stap, in alle stilte naast haren vader.
De ongelukkige Engelschman was nog ter neergebogen onder den vreeselijken slag, die hem getroffen had. Op die woorden verhief hij het hoofd. En inderdaad, hij kende Cyprianus genoegzaam om te weten, wanneer hij hem de hand zijner dochter schonk, dat hij de toekomst en het geluk van Alice verzekerde; hij wilde evenwel nog niet, zelfs niet met een teeken aanduiden, dat hij tegen dat huwelijk geene tegenwerping meer te maken had.
Cyprianus, thans verlegen over den stap, waartoe zijne liefde hem verleid had, voelde er ook de vreemdheid van en begon zich reeds te verwijten, dat hij zich zelven niet meester gebleven was.
Te midden van de algemeene en zoo licht te begrijpen verlegenheid, deed Jakobus Vandergaart een pas voorwaarts naar den Engelschman.
"John Watkins," zei hij, "ik houd er niet van om van mijne overwinning misbruik te maken; ook behoor ik niet tot dezulken, die een gevelden vijand onder den voet halen! Wanneer ik op mijn recht sta, dan doe ik dat, omdat ieder mannenhart zulks betaamt en moet doen. Maar ik weet bij ondervinding, wat mijn advokaat steeds herhaalde, namelijk, dat het stiptste recht soms de onbillijkheid zeer nabij is. Ik zou niet willen dat onschuldigen den last van feilen moeten dragen, die zij niet begingen!.... Daarenboven, ik ben alleen op de wereld en het graf reeds nabij. Waartoe zou mij zooveel rijkdom dienen, wanneer ik niemand had om hem mede te deelen?.... John Watkins, wanneer gij uwe toestemming tot de vereeniging van die twee kinderen geeft, dan verzoek ik hen die _Zuidster_, die mij tot niets dienstig zoude zijn, als huwelijksgift aan te nemen.... Ik verbind mij daarenboven om hen tot mijne erfgenamen te benoemen en herstel dus binnen de grenzen der mogelijkheid de onwillekeurige nadeelen, die ik uwe bekoorlijke dochter berokken!"
Er ontstond bij die woorden onder de toeschouwers, wat men in de verslagen van Kamerzittingen zoude noemen: "eene levendige beweging van belangstelling en van sympathie." Aller blikken vestigden zich op John Watkins. Zijne oogen waren plotseling vochtig geworden; hij bedekte ze daarom met zijne bevende handen.
"Jakobus Vandergaart!...." riep hij eindelijk uit, de stormachtige gevoelens, die hem bewogen, niet meer kunnende onderdrukken. "Ja!.... gij zijt een braaf man en gij neemt, door het geluk van die twee kinderen te bewerken, een edele wraak over al het kwaad en al het leed, dat ik u berokkend heb!"
Noch Alice, noch Cyprianus waren in staat te antwoorden. Daartoe weigerde hunne stem den dienst, maar hunne blikken spraken voor hen. De grijsaard reikte zijnen tegenstander de hand, die John Watkins met vuur greep. De oogen van alle omstanders waren vochtig, zelfs die van den ouden konstabel met grijze haren, die er toch zoo droog uitzag als eene scheepsbeschuit door de Engelsche admiraliteit geleverd. Wat John Watkins aangaat, die was geheel veranderd. Zijn gelaat vertoonde thans welwillendheid en zijne trekken zooveel zachtheid als zij vroeger hardheid en boosheid te kennen gaven. Het ernstige gelaat van Jakobus Vandergaart had zijne gewone plooi, die van eene onverstoorbare zachtzinnigheid, hernomen.
"Laat ons alles vergeten," riep hij uit, "en laten wij met den wijn, waarop beslag gelegd is, op het welzijn en op het geluk van deze kinderen drinken--wanneer, wel te verstaan, mijnheer de officier van den Sherif zulks veroorloven zal."
"Een officier van den Sherif heeft soms tot plicht om zich tegen den verkoop van dranken te moeten verzetten, waarop beslag gelegd is," antwoordde de magistraat met een glimlach, "maar nimmer zal hij zich tegen hunne verorbering aankanten!"
Op die woorden, die van welwillendheid getuigden, gingen de flesschen rond en heerschte weldra weder de meest gulle hartelijkheid in de eetzaal.
Jakobus Vandergaart had plaats naast John Watkins genomen en beraamde thans plannen voor de toekomst met hem.
"Wij zullen hier alles verkoopen," zei hij, "en wij zullen de kinderen naar Europa volgen! Wij zullen ons buiten in hunne nabijheid vestigen en dan zullen ons nog fraaie dagen beschoren zijn."
Alice en Cyprianus, die naast elkaar gezeten waren, hadden een fluisterend gesprek in het Fransch begonnen, dat niet minder belangwekkend was, wanneer men ten minste mocht afgaan op de levendigheid van gebaren der beide partijen.
De warmte was al meer en meer toegenomen. Eene zwaarwichtige en drukkende hitte verdroogde de lippen bij den rand der glazen en vervormde al de gasten in electrische werktuigen, die gereed waren vonken van zich af te geven. Het was tevergeefs dat vensters en deuren opengezet werden. Niet de minste zucht van frissche lucht deed de vlam der waskaarsen heen of weer bewegen.
Een ieder gevoelde dat slechts eene oplossing bij zoo'n luchtdruk mogelijk was, namelijk door een van die onweders, welke, vergezeld van donder, bliksem en stortregens, in Afrika op eene samenzwering van al de elementen der natuur gelijken. Men verwachtte dat onweder, men hoopte er op.
Plotseling verlichtte een bliksemstraal alle gezichten met een groenachtigen weerschijn, terwijl tegelijkertijd het geratel van den donder, die over de vlakte rolde, aankondigde dat het concert ging beginnen. Op dit oogenblik overviel eene plotselinge windvlaag de zaal en doofde alle lichten uit. Daarop openden zich zonder overgang alle sluizen des hemels en begon de zondvloed.
"Hebt gij dadelijk na dien donderslag een klein droog geluid niet gehoord, alsof er iets brak?" vroeg Thomas Staal, terwijl men zich beijverde de ramen en deuren te sluiten en de waskaarsen aan te steken. "Men zou gezegd hebben dat een glazen bol uit elkaar sprong."
Alice's blikken richtten zich onwillekeurig naar de _Zuidster_....
De diamant was weg. Toch waren èn de kooi van ijzerdraad èn de glazen stolp, die hem overdekt hadden onbeschadigd en niet van hun plaats geweest. Het was klaarblijkelijk onmogelijk dat iemand er aan geraakt had. Het was alsof er tooverij gebeurd was. Cyprianus, die zich snel voorovergebogen had, bespeurde een soort grijs poeder, dat op het kussen van blauw fluweel lag, op de plaats straks door den diamant ingenomen. Hij kon een kreet van verrassing niet onderdrukken en beduidde met een korten volzin, wat er voorgevallen was.
"De _Zuidster_ is uit elkaar gesprongen!" zei hij.
Iedereen in Grikwaland weet, dat dit eene bijzondere ziekte of beter een gebrek is, aan de diamanten van het land eigen. Men spreekt er niet over, omdat het hunne waarde zeer vermindert, maar het feit bestaat, dat, tengevolge van eene tot nog toe onverklaarbare moleculaire werking, die meest kostbare steenen uit elkander springen als waren het eenvoudige voetzoekers. In dat geval blijft er niets anders van over dan een weinig stof, dat hoogstens bij industrieële bewerkingen gebezigd kan worden. De jeugdige ingenieur had veel meer het brein vervuld met het beschouwen van den wetenschappelijken kant van het ongeluk, dan wel dat hij acht gaf op het overgroot verlies dat hem dit berokkende.
"Wat zonderling is," zei hij te midden van de algemeene verbazing, "dat is, niet dat de steen uit elkander gesprongen is, maar dat hij tot heden daarmede gewacht heeft; dat is merkwaardig. Gewoonlijk gebeurt dat met die diamanten veel vroeger, meestal binnen de tien dagen nadat zij geslepen zijn. Is dat niet zoo, mijnheer Vandergaart?"
"Volmaakt juist," antwoordde de oude diamantslijper met een zucht, "en dit is de eerste maal in mijn leven, dat een diamant uit elkander springt, nadat hij drie maanden geslepen is. Kom.... het was door hooger macht besloten, dat de _Zuidster_ niemand zou toebehooren. En als ik bedenk, dat een dun laagje vet dat ongeluk voorkomen zou hebben, dan...."