De Zuidster, het land der diamanten
Chapter 20
Maar op dit oogenblik had een onverwacht voorval plaats. Te midden van die scherprechters van de Vandergaart-Kopjes-mijn was een man met één sprong gevlogen. Dat was Makatit, de jonge Kaffer, die des nachts gewoonlijk rond het kamp omdoolde en die er uit instinct toe overgegaan was die gemaskerde mannen te volgen, juist toen zij zich naar de woning van den ingenieur begaven. Daar had hij alles gehoord wat er gezegd was geworden, en had het gevaar begrepen, waaraan zijn baas blootgesteld was. Dadelijk, zonder aarzeling, wat er ook met hem gebeuren mocht, had hij de mijnwerkers op zij gedrongen en zich aan de voeten van Cyprianus geworpen.
"Vadertje, waarom willen die mannen je dooden?" vroeg hij, terwijl hij zich aan zijn baas vastklemde.
"Omdat ik een kunstmatigen diamant vervaardigd heb," antwoordde Cyprianus die de handen van Makatit met ontroering drukte.
"O! vadertje, wat voel ik mij ongelukkig, en wat ben ik beschaamd over wat ik gedaan heb!" herhaalde de Kaffer al weenende.
"Wat wilt ge daarmeê zeggen?" riep Cyprianus uit.
"Ja, ik zal alles bekennen, daar men u ter dood wil brengen," kreet Makatit. "Ja.... ik moet sterven! want ik ben het, die den grooten diamant in den oven gedaan heb."
"Smijt dien schreeuwer op zijde!" beval het hoofd van de bende.
"Ik herhaal, dat ik den diamant in het toestel gelegd heb!" herhaalde Makatit, zich verzettende. "Ja, ik heb vadertje bedrogen!.... Ik heb hem willen doen gelooven, dat zijne bewerking geslaagd was!...."
Hij sprak zoo overtuigend, dat men hem eindelijk gehoor verleende.
"Spreekt ge waarheid?" vroeg Cyprianus, tegelijkertijd verbaasd en teleurgesteld over hetgeen hij vernam.
"Ja! honderdmaal ja!.... ik spreek de waarheid!"
Hij zat thans neergehurkt op den grond en allen hoorden hem aan; want wat hij zeide, zou den gang van zaken zeer veranderen.
"Op den dag van de groote aardstorting, toen ik levend begraven werd onder het puin, had ik juist een grooten diamant gevonden. Ik hield hem in de hand en ik dacht er aan om hem te verbergen, toen de wand der mijn instortte en mij bedolf, om mij te straffen voor die misdadige gedachte. Toen ik tot het bewustzijn wederkeerde, vond ik dien steen in het bed terug, waarin vadertje mij had doen uitstrekken. Ik heb toen dien diamant willen teruggeven, maar ik was te beschaamd om te bekennen, dat ik eigenlijk een dief was en heb ik eene gunstige gelegenheid afgewacht!.... Juist wilde vadertje eenigen tijd later beproeven om een diamant te vervaardigen en droeg hij mij op om op het vuur te passen. Maar ziet op den tweeden dag, terwijl ik alleen in de werkplaats was, is het toestel met een vreeselijken knal gebarsten, en het heeft weinig gescheeld of ik was op de plaats gedood. Toen dacht ik dat vadertje bedroefd zoude zijn, dat zijne proef mislukt was. Ik heb den diamant toen in een laag klei gewikkeld en door den barst in het kanon geplaatst. Ik heb daarop alles zoo goed mogelijk hersteld, opdat vadertje niets zoude merken!.... Ik heb vervolgens zonder iets te zeggen gewacht en toen vadertje den diamant gevonden heeft, was hij zeer verheugd en ik ook!"
Een uitbarsting van uitbundig gelach, dat die vijf mannen niet konden weerhouden, volgde op de laatste woorden van Makatit. Cyprianus lachte in het geheel niet, maar beet zich op de lippen van kwaadaardigheid. Want het was onmogelijk de woorden van den Kaffer verkeerd te verstaan. Die geschiedenis was klaarblijkelijk waar. Cyprianus zocht tevergeefs naar redenen om aan hare werkelijkheid te kunnen twijfelen. Hij poogde haar te weerspreken en zei tot zich zelven:
"Een natuurlijke diamant, die aan zulk een temperatuur ware blootgesteld, zou voorzeker vergaan zijn."
Maar het gezond verstand zei hem ook, dat de steen, door een korst van leem of klei beschermd, aan de werking van de warmte ontsnapt was of haar slechts gedeeltelijk ondergaan had. Misschien was de steen wel zijn zwarte kleur aan die verhitting verschuldigd. Misschien was hij ook vervluchtigd, maar in zijne schaal andermaal gekristalliseerd.
Al die gedachten doorkruisten bliksemsnel het brein van den ingenieur.
"Ik herinner mij nog zeer goed dien aardbrok, dien de Kaffer in de hand geklemd hield op den dag der aardstorting," merkte een der mannen op, toen de lachbui een weinig bedaard was. "Hij klemde hem zelfs zoo stevig in zijne samengeknepen vingeren, dat men er van moest afzien om hem los te laten."
"Er is geen twijfel meer!" sprak een andere. "Is het mogelijk diamant te vervaardigen? Waarlijk, wij waren wel gek, toen wij dat geloofden! Men kan even goed pogen een ster te maken!"
En allen begonnen weer te lachen.
Cyprianus leed voorzeker meer door die vroolijkheid, dan hij geleden had tengevolge van hunne ruwheid.
Nadat die vijf mannen elkander met zachte stem geraadpleegd hadden, hernam hun hoofd het woord.
"Wij zijn van gevoelen," zei hij, "dat er redenen zijn om de uitvoering van het vonnis te schorsen. Gij zult vrij zijn, Cyprianus Méré. Maar bedenk dat dit vonnis steeds op u drukt. Een woord, een teeken slechts om de politie te waarschuwen, kost u het leven. Een goed verstaander heeft slechts één woord noodig."
Daarop vertrokken hij en zijn makkers, terwijl het vertrek in het donker gedompeld bleef. Cyprianus had kunnen gelooven, dat hij slechts akelig gedroomd had, maar het snikken van Makatit, die op den grond uitgestrekt lag en hardop huilde, liet niet toe dat hij aan de wezenlijkheid van het afgespeelde tooneel twijfelde. Het was dus waar! Hij was aan den dood ontsnapt, maar ten koste van een bloedige vernedering! Hij, mijn-ingenieur! hij, leerling van de Polytechnische school, uitstekend scheikundige, beroemd geoloog, hij was door de list van een ellendigen Kaffer gefopt geworden! Of beter, hij was dat alles verschuldigd aan zijn eigen ijdelheid, aan zijn zelfoverschatting. Ja, daaraan had hij dien vreeselijken bok te wijten.
Hij had zich door verblinding zoover laten vervoeren, dat hij zelfs eene stelling voor die kristalvorming opgebouwd had!.... Het kon niet bespottelijker!.... Was het dan de natuur alleen niet, die in staat is, om met der eeuwen hulp zulke meesterstukken te vervaardigen?.... Maar wie zou door den schijn niet bedrogen zijn? Hij had op een welslagen gehoopt, hij had alles voorbereid om dat te bereiken en moest dus logisch gelooven, dat hij geslaagd was. De buitengewone afmetingen zelfs van den diamant leidden er toe om hem in die meening te stijven!.... Een Despretz zou haar gedeeld hebben!.... Gebeuren zulke vergissingen niet dagelijks?.... Ziet men niet de meest ervaren muntkundigen vaak valsche medailles voor echte aannemen?
Cyprianus beproefde zich zoo moed in te spreken. Maar plotseling deed hem een gedachte verstijven.
"En mijne memorie voor de Akademie! Als die fielten die maar niet meegenomen hebben!"
Hij stak eene kaars aan. Goddank, neen! dat stuk lag daar nog. Niemand had het gezien. Hij ademde eerst gerust, toen hij het verbrand had.
Het verdriet van Makatit was zoo hartverscheurend, dat zijn baas er wel toe overgaan moest het te stillen. Dat was zoo moeielijk niet. Bij de eerste welwillende woorden, die vadertje sprak, scheen de arme jongen tot het leven weer te keeren. Maar al vergaf hem Cyprianus volgaarne zijne misleiding, dan was dat toch op voorwaarde, dat hij het niet weer zou doen. Makatit beloofde dat plechtig, waarna beiden gingen slapen.
Zoo besloot dat tooneel, dat in den aanvang een meer tragisch einde in het verschiet toonde.
Voor Makatit zou het einde toch iets anders wezen.
Toen men den volgenden dag in het kamp vernam, dat de _Zuidster_ niets minder dan een natuurlijke diamant door den Kaffer gevonden was, die er de volle waarde van kende, toen ontstond al de verdenking jegens hem opnieuw en thans met nog meerder kracht. John Watkins schreeuwde het hardst. Die Makatit kon niet anders dan de dief zijn van dien onschatbaren steen. Hij had hem zich een eerste maal willen toeëigenen--had hij dat zelf niet bekend?--dus luidde de gevolgtrekking, was hij het, die hem ook uit de feestzaal gestolen had.
Cyprianus had goed protesteeren en zich tot borg voor de eerlijkheid van den Kaffer stellen. Men luisterde niet naar hem. Dit bewees ten overvloede hoezeer Makatit, die zijne onschuld bezwoer, honderd malen gelijk had gehad met te ontvluchten en hoezeer hij honderd malen ongelijk had met in Grikwaland terug te keeren.
Maar toen deed de ingenieur, die het niet opgaf, een argument hooren, waarop men geenszins verdacht was en dat volgens zijne meening Makatit redden moest.
"Ik geloof aan de onschuld van den Kaffer," zei hij tot John Watkins, "en daarenboven het geheele geval gaat mij slechts aan! Natuurlijk of kunstmatig, de diamant behoorde mij toe, vóór dat ik hem mejuffrouw Alice aanbood...."
"O zoo, hij hoorde u toe?" vroeg master Watkins op spottenden toon.
"Ongetwijfeld," hernam Cyprianus. "Is hij niet op mijn claim gevonden, door Makatit, die in mijn dienst was?"
"Voorzeker, dat is waar," antwoordde de Engelschman, "en dus behoort hij mij toe, daar ons contract luidt dat de eerste drie diamanten, die op uwen gepachten grond gevonden worden, mijn eigendom zijn."
Daarop wist de onthutste Cyprianus niets te antwoorden.
"Is mijne bewering juist?" vroeg master Watkins.
"Zeer juist," antwoordde Cyprianus.
"Gij zult mij dus zeer verplichten, wanneer gij mijn recht schriftelijk zult erkennen, voor het geval dat wij er toe komen dien ellendeling te noodzaken den diamant, dien hij zoo onbeschaamd gestolen heeft, terug te geven."
Cyprianus nam een vel wit papier en schreef:
"Ik erken dat de diamant, op mijn claim door een Kaffer in mijnen dienst gevonden, volgens contract het eigendom is van Master John Stapleton Watkins.
Cyprianus Méré."
Helaas! dat was eene omstandigheid, die al de fraaie droomen van den ingenieur verwoestte. Want inderdaad, als de diamant ooit teruggevonden werd, dan zou hij niet als een ontvangen geschenk, maar volgens contract toebehooren aan John Watkins, waardoor eene nieuwe klove, die slechts door zoo en zooveel millioenen aan te vullen zoude zijn, tusschen Alice en Cyprianus zou ontstaan.
Maar was de eisch van den Engelschman nadeelig voor de belangen der twee verliefden, hij was dat nog veel meer voor Makatit! Het was nu aan John Watkins, dat hij nadeel had toegebracht. En John Watkins was er de man niet naar, om werkeloos te blijven, wanneer hij meende overtuigd te zijn, dat hij den dief te pakken had.
De arme drommel werd dan ook gearresteerd, gevangen gezet en nauwelijks waren twaalf uren verloopen of hij werd veroordeeld, en alles wat men op de vertoogen van Cyprianus ten zijnen gunste doen wilde, was dat hij gehangen zoude worden, wanneer hij er niet toe besloot de _Zuidster_ terug te geven.
Maar daar hij haar niet kon teruggeven, omdat hij haar nooit gestolen had, zoo stond zijn zaak slecht, en Cyprianus wist niet meer wat te doen om het leven van den ongelukkige te redden, dien hij in weerwil van alles voor onschuldig hield.
TWEE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
EEN NIEUWE SOORT MIJN.
Miss Watkins had intusschen alles vernomen, wat voorgevallen was, zoowel het tooneel der gemaskerde mannen als de teleurstelling, die den ingenieur overkomen was.
"Och, mijnheer Cyprianus," zei zij, toen deze haar alles verteld had, "is uw leven niet meer waard dan alle diamanten ter wereld?"
"Waarde Alice...."
"Laten wij dat alles maar trachten te vergeten en denk er voortaan niet meer aan zulke proeven te nemen!"
"Gij beveelt het?".... vroeg Cyprianus.
"Ja zeker," antwoordde het jonge meisje. "Ik beveel u om op te houden, zooals ik u bevolen had om te beginnen.... daar gij wel bevelen van mij wilt ontvangen."
"O, ik zal ze allen uitvoeren!" antwoordde Cyprianus, terwijl hij de hand greep, die miss Watkins hem toestak.
Maar toen de ingenieur haar het vonnis mededeelde, waartoe Makatit veroordeeld was, voelde zij zich verpletterd, vooral door het aandeel dat haar vader daaraan genomen had.
Zij ook geloofde niet aan de schuld van den armen Kaffer. Zij ook zou alles hebben willen aanwenden om hem te redden en was daarin geheel eenstemmig met Cyprianus. Maar hoe dat aan te leggen? En vooral hoe moest John Watkins tot hun gevoelen overgehaald worden, hij de onhandelbare aanklager in die zaak? Hoe hem gunstig te stemmen voor een ongelukkige, dien hij zelf zoo met onbillijke beschuldigingen overladen had?
Er moet bij gevoegd worden, dat de Engelschman nog geen enkele bekentenis uit Makatit had kunnen verkrijgen, hoewel hij hem levensbehoud en genade in het uitzicht stelde, wanneer hij bekende. Hij was dus genoodzaakt de hoop op te geven de _Zuidster_ ooit terug te vinden en was daardoor dan ook in een verschrikkelijk booze luim. Intusschen wilde zijne dochter nog eene laatste poging bij hem wagen.
Daags na de veroordeeling had master Watkins een weinig minder last dan gewoonlijk van het pootje en had hij van die verademing gebruik gemaakt om zijne papieren in orde te brengen. Gezeten voor een schrijftafel van zwart ebbenhout, die met gele versierselen ingelegd was,--een antiek stuk uit den oud Hollandschen tijd, dat daar in Grikwaland na tal van wederwaardigheden was komen aanlanden,--bezag hij een voor een zijne verschillende eigendomsbewijzen, zijne contracten en zijne correspondentiën.
Alice zat achter hem over haar borduurraam gebogen en hield zich bezig met haar werk, zonder veel op haren struisvogel Dada te letten. Dit dier kwam en ging door de zaal met zijnen gewonen ernst, keek nu eens door het venster en sloeg dan weer eens den blik op de bewegingen van master Watkins en van zijne dochter.
Plotseling uitte de Engelschman een kreet, die zijne dochter deed schrikken.
"Dat dier is onverdragelijk," zei hij. "Daar heeft het waarachtig een mijner dokumenten gepakt.... Dada!.... hier!.... Geef dat dadelijk terug!"
Maar die woorden waren nauwelijks uitgesproken of daar volgde een stroom verwenschingen op.
"O, dat vreeselijke dier heeft het ingeslikt!.... Een zeer belangrijk document!.... Het origineel van het besluit, waarbij mij de ontginning der Kopjes-mijn is toegewezen....! Maar dat kan zoo niet!.... Ik zal dat stuk terug hebben--al moest ik het dier verworgen!"
John Watkins was rood van kwaadheid en geheel en al buiten zich zelven. Hij sprong plotseling op en liep den struisvogel achterna, die een paar malen rond het vertrek liep en toen het raam uitwipte, dat met den grond gelijkvloers was.
"Vader," zei Alice, die de nieuwe misdaad van haren gunsteling betreurde, "vader, wees bedaard! Luister naar mij!.... Gij zult u eene ziekte berokkenen!"
Maar de woede van John Watkins was ten top gestegen. Die vlucht van den vogel gaf er den doorslag aan.
"Neen!" riep hij met bevende stem, "dat is me te sterk!.... Daar moet een einde aan komen!.... Ik kan zoo niet mijn meest belangrijk eigendomsbewijs prijs geven. Een flinke kogel in zijn kop zal dat verwenschte dier dien streek wel betaald zetten. Ik zal mijn perkament terug hebben! Dat beloof ik je!"
Alice volgde hem met betraande oogen.
"Ik smeek u vader," zei ze, "spaar dat arme dier. Is dat papier wel zoo belangrijk? Kan men er geen duplikaat van bekomen?.... Zoudt gij mij het verdriet willen aandoen mijn arme Dada voor zoo'n gering vergrijp voor mijne oogen te willen dooden?"
Maar John Watkins wilde naar niets hooren, hij keek overal naar zijn slachtoffer om. Hij bespeurde den vogel eindelijk op het oogenblik, toen hij zich in de nabijheid van de hut van Cyprianus trachtte te verschuilen. De Engelschman bracht dadelijk zijn geweer in die richting; maar alsof Dada dat noodlottige plan jegens haar gesmeed, raadde, nauwelijks zag zij die beweging of zij kroop achter het huis.
"Wacht, Wacht maar! Ik zal je toch vinden, verwenscht beest!" riep John Watkins, terwijl hij zich naar de hut begaf.
Alice, al meer en meer beangst, volgde hem om een laatste poging bij hem aan te wenden. Beiden kwamen zoo voor het huis van den ingenieur en gingen er achter kijken. Maar geen struisvogel meer! Dada was onzichtbaar. Het was toch onmogelijk dat zij den heuvel afgerend was, dan had men haar moeten zien. Zij had dus eene toevlucht in de hut moeten zoeken langs een der deuren, die van achteren toegang verleenden. Zoo dacht althans John Watkins. Hij schreed dan ook dadelijk naar de voordeur en klopte aan. Het was Cyprianus zelf, die hem open deed.
"Mijnheer Watkins!.... Juffrouw Watkins!.... Verrukt om u in mijne nederige stulp te zien!" zei hij beteuterd.
De Engelschman was buiten adem en vol woede. Met horten en stooten deelde hij den ingenieur mede, wat er gebeurd was.
"Welnu, wij zullen den schuldige zoeken!" zei Cyprianus, John Watkins en Alice uitnoodigende zijne woning binnen te treden.
"Ik verzeker u, dat hare rekening gauw opgemaakt zal zijn!" antwoordde John Watkins, terwijl hij zijn geweer als een strijdbijl zwaaide.
In hetzelfde oogenblik openbaarde aan Cyprianus een smeekende blik van het jonge meisje al den afschuw, dien zij voor dat wreede plan koesterde. Zijn voornemen was dan ook spoedig opgevat. Het was eenvoudig genoeg, hij besloot den struisvogel niet te vinden.
"Li," riep hij den Chinees, die pas binnengetreden was, in het Fransch toe. "Ik vermeen, dat de struisvogel in uw kamer is. Zoek hem en tracht hem behendig te doen ontsnappen, terwijl ik mijnheer Watkins langs den anderen kant rondleid."
Ongelukkig moest dit plan falen; want de struisvogel had juist eene toevlucht gezocht in het eerste vertrek, waar de nasporingen begonnen. Dada had daar, zeer ineengedrongen om zich onzichtbaar te maken, het hoofd onder een stoel verborgen, maar was overigens zoo duidelijk te zien als de zon op vollen middag.
"O, schurk! jou rekening is gemaakt!" riep master Watkins, terwijl hij zijn geweer aan den schouder bracht. Toch, hoe verwoed hij ook was, deinsde hij terug voor die daad van geweld: een geweerschot te lossen in een huis, dat toch het zijne niet was. Alice had het hoofd omgekeerd, om van den gruwel niets te zien. Toen bracht hare smart een schitterend denkbeeld in het brein van den ingenieur te weeg.
"Mijnheer Watkins," zei hij eensklaps, "het is u slechts te doen om uw document terug te hebben, niet waar? Welnu, het is volstrekt noodeloos Dada daarvoor te dooden. Het is voldoende haar den krop te openen, dien het perkament nog niet voorbij kan zijn. Wilt gij mij toestaan de bewerking uit te voeren? Ik heb het in Museum te Parijs een cursus in de dierkunde bijgewoond en ik geloof dat ik die heelkundige bewerking tot een goed einde zal brengen."
Hetzij dat een vooruitzicht van zulk een proef op het levende dier den wraakzuchtigen Engelschman streelde, hetzij dat zijne woede begon te verminderen, hetzij eindelijk dat hij zijns ondanks getroffen was door het verdriet zijner dochter, hij liet zich vermurven en stemde in dien middenweg toe.
"Maar ik wil mijn document niet kwijt zijn," zeide hij. "Bevindt het zich niet in den krop, welnu, dan moet het maar in de maag of in de andere ingewanden gezocht worden! Ik moet het terug hebben, het koste wat het wil!"
De bewerking was niet zoo gemakkelijk, als men wel gemeend had, toen men de onderworpen houding van de arme Dada zag; want een struisvogel, al is het er ook een van slechts kleine gestalte, bezit een verbazende spierkracht. Nauwelijks zou de huid van den vogel door het mes van den nieuwbakken heelkundige aangetast zijn, of, daarvan was Cyprianus zeker, Dada zou weerstand bieden, in woede ontsteken, en zich met razernij verdedigen. Li en Bardik werden dan ook geroepen om als assistenten dienst te doen.
Men kwam overeen dat de struisvogel vooraf gebonden zou worden. Daartoe had Li steeds touw genoeg bij de hand. Weldra waren de pooten, de vlerken en de bek van de ongelukkige Dada stevig omwoeld en was zij in de onmogelijkheid gesteld om weerstand te bieden. Maar Cyprianus liet het daar niet bij. Om de gevoeligheid van miss Watkins te ontzien, wilde hij haren struisvogel ieder lijden sparen. Hij omwikkelde het hoofd van den vogel dus ook met een doek, dien hij vooraf met cloroform gedrenkt had. Daarna eerst ging hij over tot de bewerking, hoewel hij er niet geheel zonder ongerustheid over was. Alice had doodsbleek een toevlucht in het daarnaast gelegen vertrek gezocht.
Cyprianus begon met den hals van het dier met de hand te betasten, om de ligging van den krop goed te bepalen. Dat was niet moeielijk; want die krop vormde bij het bovengedeelte van de kliermaag een aanmerkelijke dikte, die hard was en door de vingers zeer duidelijk te midden der weekere deelen, die hem omsloten, waargenomen kon worden. In de huid van den hals, die wijd en week was als de huid van een kalkoen en met een grijs dons bedekt, dat gemakkelijk verwijderd kon worden, werd toen met een pennemes eene insnijding gemaakt. Er had daarbij slechts weinig verbloeding plaats, die nog gemakkelijk met eene natte spons verwijderd kon worden. Cyprianus verkende nu aandachtig de ligging van twee of drie belangrijke aderen, die hij zorgvuldig met behulp van haakjes van ijzerdraad, die hij door Bardik liet vasthouden, ter zijde schoof. Daarna zette hij het mes in een wit paarlmoerachtig weefsel, dat eene uitgestrekte holte boven de sleutelbeenderen afsloot, en had weldra den krop van den struisvogel blootgelegd.
Als men zich den krop van een hoen voorstelt, die honderdmaal in omvang, in dikte en in gewicht toegenomen is, dan zal men een vrij juist denkbeeld hebben van het bekken, wat thans zichtbaar was.
Dada's krop vertoonde zich als een bruine zak, die door de vreemde lichamen, welke het vraatzuchtige dier op dien dag en ook al vroeger ingeslikt had, zeer uitgerekt was. Het gezicht van dat vleeschachtige orgaan, dat zich krachtig en gezond voordeed, was alleen voldoende, om te doen begrijpen, dat er geen gevaar bestond door er eene insnijding in te maken. Cyprianus nam dan ook zonder aarzelen het jachtmes, dat Li hem aanreikte na het eerst goed aangescherpt te hebben, en maakte een diepe snede in die massa. Het was daarna zeer gemakkelijk de hand door die spleet tot onder in den krop te brengen. Al dadelijk werd het zoozeer verlangde document te voorschijn gebracht. Het was als in een bal samengerold, zeer gekreukeld, maar overigens ongedeerd.
"Er zit nog wat anders in," zei Cyprianus, die de hand andermaal in de holte gebracht had en ditmaal een ivoren bal te voorschijn bracht. "De maasbal van miss Watkins!" riep hij uit. "Men bedenke, dat het vijf maanden geleden is, dat die vermist is. Bepaald heeft die de beneden-opening van den krop niet voorbij kunnen komen!"
Na dien maasbal aan Bardik overgereikt te hebben, vervolgde hij zijne nasporingen in dien vreemdsoortigen zak, zooals een oudheidkundige in een pas opgedolven Romeinsch kamp zoude gedaan hebben.
"Een koperen blaker!" riep hij verrast uit, terwijl hij een van die nederige huishoudelijke voorwerpen te voorschijn bracht, dat er gedeukt, platgedrukt uitzag en vol kopergroen, maar toch nog volkomen herkenbaar was.
Het lachen van Bardik en Li daarover was zoo aanstekelijk, dat Alice zelf, die intusschen het vertrek weer binnengetreden was, moest meedoen.
"Muntstukken!.... Een sleutel!.... Een hoornen kam!...." vervolgde Cyprianus, terwijl hij voortging den inventaris van den inhoud van dien krop op te maken.
Hij verbleekte plotseling. Zijne vingers beroerden thans een voorwerp van niet alledaagschen vorm!.... Neen, hij kon zich niet vergissen omtrent den aard van hetgeen hij daar in dien zak betastte.... En toch.... aan zoo'n toeval kon hij niet gelooven!
Hij trok eindelijk zijne hand uit de holte terug en vertoonde het voorwerp, hetwelk hij gegrepen had....
Maar welke kreet ontsnapte aan den mond van John Watkins!
"De _Zuidster_!" gilde hij.
Ja, de beroemde diamant was gaaf en wel teruggevonden. Hij had niets van zijn glans verloren en hij schitterde onder het daglicht, dat door het venster binnenviel, als eene ster van de eerste grootte!