De Zuidster, het land der diamanten
Chapter 2
"Ja, dol!.... uiterst dol!...." herhaalde de pachter. "O, ik ben niet gewoon de pil, die ik te slikken geef, te vergulden. Ik ben een Engelschman van den ouden stempel, mijn waarde heer! Zooals ge mij daar ziet, ben ik veel armer geweest, ja, veel armer dan gij nu zijt. Ik heb zoo wat alle ambachten bij de hand gehad! Ik was scheepsjongen van een koopvaardijschip, buffeljager in Dakota, mijnwerker in Arizona, herder in de Transvaal!.... Ik heb kennis met de hitte, met de kou, en vooral met de vermoeienis gemaakt. De beschuitkorst, die mij gedurende twintig jaren tot middagmaal strekte, verkreeg ik niet dan ten koste van menigen zweetdruppel! Toen ik wijlen mistress Watkins, de moeder van Alice, de dochter van een Boer van Franschen oorsprong [2], huwde, toen bezaten wij met ons beiden niet zooveel om eene geit te kunnen onderhouden! Maar ik heb gewerkt!.... Ik heb den moed niet verloren!.... Thans ben ik rijk, en wil ik van mijn arbeid genieten!.... Het is mijn plan om mijne dochter bij mij te houden,--om vooral mijn pootje te verzorgen en om des avonds muziek voor mij te maken, als ik mij verveel!.... Als zij ooit trouwt, dan zal zij hier trouwen met een kerel van het land, die zoo rijk is als zij zelve, die pachter of mijnwerker is, zooals wij het hier allen zijn, en die er niet van reppen zal om elders te gaan leven als een schooier op eene derde verdieping, in een land, waarin ik nooit een voet wensch te zetten. Zij zal bij voorbeeld met James Hilton of met een anderen kerel van gelijken stempel huwen.... De trouwlustigen, die naar hare hand dingen, ontbreken niet, dat verzeker ik u! Ik wensch tot schoonzoon een echten Engelschman, die voor een glas gin niet vervaard is, en die mij onder het genot van een duchtigen slok bij het rooken eener pijp gezelschap zal willen houden!"
Cyprianus had reeds de hand aan de kruk van de deur. Hij stikte bijna in dat vertrek.
"Gij zijt toch niet boos, hoop ik?" riep hem mr. Watkins achterna. "Ik heb volstrekt niets tegen u, mijnheer Méré; integendeel, ik mag u wel lijden, en ik zal steeds verheugd zijn u te mogen zien, hetzij dan als huurder of als vriend!... Kijk, wij wachten juist heden avond eenige personen ten eten..... Als gij wilt, wees dan ook onze gast!..."
"Neen, dank u, mijnheer!" antwoordde Cyprianus koel. "Ik heb mijne brieven vóór het vertrek van de post nog te sluiten."
Toen hij heengegaan was, bromde mr. Watkins, terwijl hij zijne pijp met een stuk geteerd touw aanstak, dat tot dit doeleinde steeds smeulende gehouden werd en zich in de onmiddellijke nabijheid zijner hand bevond:
"Dolle, dolle kerels, die Franschen!"
En daarop schonk hij zich een groot glas boordevol met gin in.
TWEEDE HOOFDSTUK.
IN DE DIAMANTVELDEN.
Wat de jonge ingenieur nog wel het meest vernederend vond in het antwoord, dat mr. Watkins hem gegeven had, was dat hij niet kon nalaten hem, in weerwil van den ruwen vorm, waarin dat antwoord gegoten was, gelijk te geven. Het verwonderde hem zelfs, nu hij er over nadacht, dat hij de tegenwerpingen van den pachter niet voorzien en dat hij zich aan een dergelijk blauwtje blootgesteld had.
Zooveel is zeker, dat hij tot heden niet aan den afstand gedacht had, dien het verschil van vermogen, van ras, van opvoeding, van bewegingskring tusschen het jonge meisje en hem daargesteld hadden. Gewoon als hij sedert vijf of zes jaren was, de mineralen slechts uit een wetenschappelijk oogpunt te beschouwen, waren de diamanten slechts koolstof-monsters, ter nauwernood goed om in het museum van de Mijnschool te prijken. Daarenboven, omdat hij, uit een maatschappelijk oogpunt beschouwd, in Frankrijk zich op een hooger standpunt geplaatst achtte dan dat der Watkins, had hij de onmetelijke koopmanswaarde van de rijke diamantmijn, die het bezit des pachters was, geheel en al uit het oog verloren. Geen oogenblik was het hem in de gedachte opgekomen, dat er werkelijk een aanmerkelijke afstand bestond tusschen de dochter van den eigenaar van de Vandergaarts-Kopjes-mijn en een Fransch ingenieur. En zou ook die gedachte bij hem opgekomen zijn, dan, met zijne Parijsche levensopvattingen en in zijne hoedanigheid van oudleerling der Polytechnische School, zou hij gemeend hebben, dat hij op het punt was een huwelijk beneden zijn stand aan te gaan.
De barre toespraak van Mr. Watkins schrikte hem pijnlijk uit die droombeelden wakker. Cyprianus bezat te veel gezond verstand om de degelijke argumenten van den pachter niet naar waarde te schatten; ook om zich niet nijdig te maken over een vonnis, dat hij in den grond billijk moest noemen.
Dit belette evenwel niet dat de slag, die hem trof, raak, pijnlijk raak was. En nu hij gedwongen was, van het denkbeeld om Alice de zijne te noemen af te zien, gevoelde hij plotseling hoe dierbaar zij hem in die drie maanden geworden was.
Het was inderdaad nog slechts drie maanden geleden, dat Cyprianus Méré in Grikwaland was gekomen en het jonge meisje had leeren kennen.
Wat was dat al lang geleden en wat was dat al ver verwijderd! Hij herinnerde zich toch nog zeer goed dat hij den eindpaal van zijne lange reis van het eene halfrond naar het andere op een uiterst warmen en stoffigen dag bereikte.
Hij was ontscheept te zamen met zijn vriend Pharamond Barthès, een oude schoolmakker, die voor de derde maal in Zuid-Afrika kwam jagen en die hem aan de Kaap vaarwel gezegd had. Die Pharamond Barthès was naar het Basuto-land getrokken, alwaar hij hoopte een troepje negerkrijgslieden aan te werven, dat hem gedurende zijne jachttochten zoude vergezellen. Wat Cyprianus betrof, die had plaats besproken en genomen in den waggon of de kar met veertien paarden bespannen, die den postwagendienst in die streken verrichtte, en had zoo de reis naar de Diamantvelden ondernomen.
Zes of zeven groote kisten--bevattende een compleet scheikundig laboratorium en eene mineralogische verzameling, waarvan hij ongaarne gescheiden zoude zijn--vormden het bagage-materiaal van den jeugdigen geleerde. Maar de vorenbedoelde postwagen liet slechts vijftig kilogrammen passagiersgoed toe, zoodat hij genoodzaakt was geweest die kostbare kisten toe te vertrouwen aan een kar met ossen bespannen, die ze met een voorwereldsche langzaamheid naar Grikwaland zou brengen.
De bedoelde postwagen was een groote _Jan pleizier_, die twaalf zitplaatsen bevatte en door een tent van zeildoek gedekt was. Hij stond op vier verbazend groote wielen, die voortdurend nat gehouden werden door het water der beken en rivieren, die doorwaad en doorgetrokken moesten worden. De paarden waren twee aan twee gespannen en werden soms door muildieren versterkt.
Een tweetal koetsiers, die naast elkander op den bok zaten, menden hen met groote behendigheid. Een daarvan hield de teugels, terwijl de andere de zeer lange zweep van bamboe voerde, die veel weghad van een hengelstok en niet alleen gebruikt werd om de aangespannen dieren aan te wakkeren, maar ook om hen te geleiden, den weg te wijzen.
De weg voerde langs Beaufort, een fraaie kleine stad, aan den voet van het gebergte Nieuweveld gebouwd, overschreed die bergketen, leidde langs Victoria, vervolgens langs Hope-town--eigenaardige naam, die "stad der hoop" beteekent--die aan den oever der Oranje-rivier gelegen is, om zich van daar naar Kimberley te richten en naar de voornaamste diamant-ontginningsplaatsen, die er slechts weinige mijlen van verwijderd liggen.
Dat was eene moeilijke en eentonige reis, die acht of negen dagen duurde, door dat naakte landschap. Wat men te zien krijgt, stemt slechts tot droefgeestigheid. Roodachtige vlakten, die met steenen als bezaaid waren, grijze rotsbanken, die aan de oppervlakte van den bodem kwamen uitkijken, een stekelig, geel en spaarzaam grasgewas eenige teringachtige struikjes, ziedaar alles. Er waren noch bebouwde akkers, noch natuurtafereelen te bewonderen! Van afstand tot afstand werd eene bouwhoeve opgemerkt, waarvan de bewoner, bij de toewijzing van den door hem gepachten grond, van het Koloniaal Gouvernement de opdracht ontving, om gastvrijheid aan de reizigers te verleenen. Die gastvrijheid wordt evenwel zoo eenvoudig mogelijk beoefend. In die zonderlinge herbergen worden noch bedden voor de menschen, noch stroolegering voor de paarden aangetroffen. Men vindt er ter nauwernood eenige blikken verduurzaamde levensmiddelen, die verscheidene malen de reis rondom de wereld afgelegd hebben en die met goud betaald worden!
Daaruit volgt dus, dat om te voorzien in de voeding der trekdieren, deze eenvoudig op de vlakte losgelaten worden, alwaar zij zich moeten behelpen met het zoeken van eenig schaars voorkomend gras tusschen de keisteenen. Een ander gevolg daarvan is, dat wanneer men weer wil vertrekken, die beesten eerst opgevangen moeten worden, hetgeen groote moeite en een aanmerkelijk tijdverlies veroorzaakt. En welke schokken worden in zoo'n oorspronkelijk vervoermiddel op die nog oorspronkelijker wegen ondervonden! De zitbanken zijn gewoonlijk de bovenvlakken van houten koffers, die voor de opberging van kleine benoodigdheden dienen en waarop het zitvlak van den ongelukkigen reiziger, die daarmede vervoerd wordt, de werkzaamheden van vijzelstamper gedurende een lange week verricht. In zoo'n kast is het onmogelijk te lezen, te slapen, zelfs te praten. Daarentegen rooken de reizigers nacht en dag als fabrieksschoorsteenen, drinken als tempeliers, en voegen daarbij de aangename bezigheid om veel en herhaaldelijk te spuwen.
Zoo bevond zich Cyprianus Méré in dat vervoermiddel met een uitgezocht zoodje van die vlottende bevolking, die van alle oorden van den aardbol komt opdagen, zoodra er sprake is van nieuw gevonden goud- of diamantmijnen. Er bevond zich een loslendige Napolitiaan in met lange zwarte haren, met een echt perkament-gezicht, met oogen om bang van te worden, en die vertelde dat hij Hannibal Pantalucci heette; verder een Portugeesche jood, wiens naam Nathan was, een echte diamant-kenner, die zich in zijn hoekje zeer stil hield en het menschelijk gewriemel met wijsgeerigheid beschouwde; dan nog een mijnwerker van Lancashire, Thomas Steel genaamd, een lange lummel met rooden baard en stevige heupbeenderen, die de steenkolen-mijnen ontvlucht was om zijn gelukkig gesternte in Grikwaland te beproeven; verder een Duitscher, Herr Friedel, die steeds machtspreukig als een orakel sprak, en altijd alles wist wat op de ontginning der diamanthoudende terreinen betrekking had, hoewel hij nimmer een enkelen diamant gezien, veel minder bezeten had; ook nog een Yankee met fijn gevormde lippen, die slechts samenspraken hield met zijne lederen veldflesch en die waarschijnlijk in de ontginningsvelden een drankwinkeltje kwam openen, waarin de meeste verdiensten van den mijnwerker zouden verdwijnen; dan nog een pachter afkomstig van de boorden van de Hart-rivier, een Boer van den Oranje-Vrijstaat; een ivoorhandelaar, die naar het land der Namakken trok; twee kolonisten uit de Transvaal, en een Chinees, die Li heette, zooals een achtenswaardig Chinees betaamt. Die allen vormden het meest uiteenloopend, het meest verschillend en het meest luidruchtig gezelschap, dat ooit een fatsoenlijk man op zijn weg heeft kunnen ontmoeten.
Na een oogenblik hunne gelaatstrekken opgenomen en zich met hunne manieren en gewoonten vermaakt te hebben, begon dat Cyprianus ook te vervelen. Alleen Thomas Steel met zijne krachtige geaardheid en zijn openhartigen lach, en de Chinees Li niet zijne zachtaardige en kat-achtige bewegingen konden hem boeien en belangstelling inboezemen. De Napolitaan daarentegen met zijne akelige geestigheden en met zijne galgentronie, boezemde hem een onoverwinnelijk gevoel van afkeer in.
Een der meest gewaardeerde grappen van dien Italiaan bestond gedurende twee of drie dagen daarin, dat hij aan den haarstaart, dien de Chinees volgens de gewoonte van zijn land op den rug droeg, allerhande dwaze zaken vastbond, als bossen gras, koolstronken, een koeienstaart, een paardenschouderblad, dat hij in de vlakte opgeraapt had, enz.
Li knoopte, zonder zich verontwaardigd te toonen, die dingen los, welke zijn reeds langen staart noodeloos verlengden, wierp ze weg, maar toonde noch door woord, noch door gebaar, zelfs door geen blik, dat het hem voorkwam, dat die grappen de grenzen der gepastheid overschreden. Zijn geelachtig gelaat en zijne kleine scheefstaande oogen bleven onverstoorbaar kalm, alsof hij geheel vreemd was aan hetgeen rondom hem voorviel. Waarlijk, men zou geloofd hebben dat hij geen enkel woord verstond van hetgeen in die arke Noach's, die op reis naar Grikwaland was, gesproken werd.
Dit gaf aanleiding dat Hannibal Pantalucci aan zijn grappen nog toespelingen in gebrekkig Engelsch toevoegde, die geheel en al den man van lage afkomst kenmerkten.
"Denkt hij dat zijne geelzucht besmettelijk zoude zijn?" vroeg hij hardop aan een zijner medereizigers.
Of ook:
"Had ik maar eene schaar in mijn bezit om hem zijn staart af te knippen, dan zoudt gij eens zien welk gezicht hij zetten zou!"
De reizigers lachten dan; maar wat hunne vroolijkheid nog vermeerderde, was dat de Boeren van het gezelschap steeds eenigen tijd noodig hadden om de snakerij van den Napolitaan te begrijpen, eindelijk in een luid gelach uitbarstten, hetgeen dan een geheele poos na dat van de anderen weerklonk.
Het begon Cyprianus eindelijk te ergeren, dat de arme Li steeds voor zondebok gekozen werd. Hij merkte Pantalucci dan ook op, dat zijn gedrag niet edelmoedig genoemd kon worden. Deze zou ongetwijfeld die opmerking met eene onbeschoftheid beantwoord hebben, toen Thomas Steel tusschen beiden trad, waardoor hij zijne beleediging voorzichtig weerhield.
"Neen," sprak de brave Engelschman, "dat is geen eerlijk spel, zoo met dien armen drommel om te springen, die niet eens verstaat wat gij zegt!"
En de ronde kerel had er waarachtig spijt van, dat hij met de anderen meegelachen had.
De zaak bleef dus daarbij. Maar weinige oogenblikken later merkte Cyprianus niet zonder bevreemding op, dat de Chinees een slimmen blik op hem vestigde, die wel is waar lichte spotternij verried, maar ook van dankbaarheid getuigde. Toen kwam de gedachte bij hem op, dat Li misschien meer van het Engelsch verstond, dan hij wel wilde laten voorkomen.
Maar te vergeefs poogde hij op de volgende pleisterplaats een gesprek met hem te beginnen. Het was onmogelijk een woord uit hem te krijgen. De Chinees bleef onwrikbaar stom. Van toen af wekte dat vreemdsoortig wezen de belangstelling van den jongen ingenieur op. Het was hem alsof die man een raadsel was, waarvan hij de oplossing moest vinden. Cyprianus bestudeerde dan ook zeer dikwijls dat geelachtige, gladde, baardelooze gelaat; dien mond, die als door den houw van een sabel gevormd scheen en bij het openen zeer witte tanden liet zien; dien kleinen korten bekervormigen neus; dat breede voorhoofd, die schuinstaande oogen, die bijna altijd neergeslagen waren, alsof zij eene listige uiting wilden verbergen.
Hoe oud zou Li kunnen zijn? Was hij vijftien of telde hij zestig jaren? Dit was onmogelijk uit te maken. Duidden zijne tanden, zijn blik, zijn gitzwarte haren op eene prille jeugd, van een anderen kant wezen de rimpels op zijn voorhoofd, zijne wangen, zijne mondhoeken op een reeds gevorderden leeftijd. Hij was klein van stuk, slank en van uitzicht vlug, evenwel met de oudachtige bewegingen van eene bejaarde vrouw.
Was hij rijk of was hij arm? Dat was eene andere vraag, welker beantwoording ook twijfel kon verwekken. Zijn grijslinnen broek, zijn geelkatoenen kiel, zijn pet van gevlochten koord, zijne schoenen met vilten zolen, die vlekkeloos witte kousen bedekten, konden zoowel een eerste-klasse-mandarijn toebehooren als een man des volks. Zijne bagage bestond uit een eenigen koffer, van rood hout vervaardigd, op welks deksel, met zwarten inkt geschreven stond:
H. Li from Canton to the Cape,
wat vertaald beteekent: H. Li, van Canton naar de Kaap.
Die Chinees was bovendien uitermate zindelijk, hij rookte niet, dronk slechts water en benuttigde ieder oogenblik op de pleisterplaatsen om zijn hoofd met de grootste zorgvuldigheid te scheeren. Cyprianus kon er niet meer van te weten komen en gaf het weldra op dit levende vraagstuk te ontraadselen.
Intusschen gingen de dagen voorbij en volgde de eene mijl op de andere. Soms repten de paarden zich bijzonder. Een anderen keer scheen het onmogelijk om hen den stap te doen versnellen. Maar de reis raakte zoo langzamerhand aan haar einde, en op een fraaien dag kwam de vervaarlijke postwagenkast te Hope-town aan. De volgende pleisterplaats, die voorbijgetrokken werd, was Kimberley. Toen verschenen houten hutten aan den gezichteinder.
Dat was New-Rush.
Daar verschilde het kamp der mijnwerkers in niets met die voorloopige steden, in welke streken der aarde ook, door de beschaving opgebouwd en die als door tooverij of als paddestoelen uit den grond verrijzen.
Planken gebouwen, meerendeels zeer klein en niet ongelijk aan de huisjes en hutten der baanwachters langs Europeesche spoorwegen of bij Europeesche werkplaatsen, hier en daar eenige tenten, eenige dozijnen koffie- en drankhuizen, een biljartzaal, een Alhambra of danszaal, "stores" of algemeene magazijnen van de eerste levensbenoodigdheden,--ziedaar wat het oog het eerst ontdekte.
Er was van alles te koop in die winkels, kleederen en meubels, schoenen en vensterglazen, boeken en rijzadels, wapenen en stoffen, bezems en jacht- en krijgsbenoodigdheden, wollen dekens en sigaren, versche groenten en geneesmiddelen, ploegen en fijne toiletzeepen, nagelborstels en verduurzaamde melk, keukenkachels en steendrukplaten, in één woord: er was alles, behalve koopers.
De reden daarvan was dat de bevolking zich nog op het mijnterrein bevond, dat nog drie- of vierhonderd meters van New-Rush verwijderd lag.
Cyprianus deed wat alle nieuw aangekomenen deden: hij spoedde zich naar de mijnen, terwijl men het middagmaal toebereidde in de eenvoudige hut, die met den hoogdravenden naam van _Hotel Continental_ begiftigd was.
Het was ongeveer zes uren in den namiddag. De zon begon zich reeds bij den horizon met eene vergulde tint te omringen. De jonge ingenieur merkte een keer te meer op de overgroote middellijn, welke zoowel de dagvorstin als de maan onder deze zuidelijke breedten aanneemt, zonder dat daarvan vooralsnog eene voldoende verklaring is kunnen gegeven worden. Die middellijn scheen wel dubbel zoo groot te zijn als die in Europa waargenomen wordt.
Maar een ander en meer nieuw schouwspel wachtte Cyprianus Méré bij de Kopjes-mijn, namelijk op het terrein der diamantdelving zelf.
Bij den aanvang der werkzaamheden vormde de mijn een kleinen platkoppigen heuvel, die de vlakte, welke overal elders zoo gelijk als de oppervlakte der zee was, op deze plek als met een bult opschikte. Thans evenwel vertoonde die bult eene onmetelijke, uitholling met trechtervormig toeloopende wanden, een soort van circus van elliptischen vorm, die eene oppervlakte besloeg van ongeveer veertig vierkante meters. Die oppervlakte bevatte niet minder dan drie- of vierhonderd "claims" of mijnvergunningen, die eenendertig voet zijden matten en die door de rechthebbenden naar eigen goedvinden ontgonnen werden.
De arbeid bestaat doodeenvoudig daarin, dat de aarde met pikhouweel en schop uit dien bodem, die over het algemeen uit een soort roodachtig zand vermengd met puin bestaat, losgewerkt wordt. Dan wordt die aarde buiten de mijnboorden gebracht en verder naar de uitzoek-tafels vervoerd, om daar uitgewasschen, gestampt, gezeefd en met de grootste zorg uitgezocht te worden, om te zien of zij geen kostbare gesteenten bevat.
Al die claims zijn onafhankelijk van en zonder verbinding met elkander gegraven, en vormen natuurlijk kuilen van verschillende diepte. Er zijn er die honderd meter en dieper bereiken, anderen peilen slechts vijftien, twintig of dertig meter.
Ieder begiftigde is ter wille van den arbeid, ook van het vrije verkeer in de mijn, door de officiëele reglementen verplicht langs een der zijden van zijn put eene breedte gronds van zeven voet geheel onaangeroerd te laten. Die ruimte, vermeerderd met een gelijke breedte langs den put van den buurman, spaart eene soort weg of dijk uit, die de oppervlakte van den oorspronkelijken bodem uitmaakte.
Dwars over dien dijk of banket wordt eene opeenvolging van balken gelegd, die aan weerszijden ongeveer een meter uitsteken en daardoor eene voldoende breedte daarstellen, dat twee wagentjes elkander zonder gevaar van aanhaking kunnen voorbijrijden.
Ongelukkig voor de stevigheid van dien hangweg, en ook voor de veiligheid der mijnwerkers, gaan de meeste der concessionarissen er toe over den grond, die den voet van den muur vormt, trapsgewijze uit te steken naarmate de uitgravingen dieper vorderen, zoodat de vorenbedoelde balken, die soms boven eene dubbele hoogte van die der torens van de O.L. Vrouwekerk te Parijs uitsteken, eigenlijk op het grondvlak liggen eener piramide, die op hare punt zou rusten. Het gevolg van zulk een gevaarlijke manier van werken is gemakkelijk te voorzien, namelijk dat die dijken veelvuldig, hetzij in den regentijd, hetzij bij plotselinge temperatuurswisselingen, waardoor barsten in den grond ontstaan, instorten. Maar die schier regelmatig terugkeerende ongelukken verhinderen de onvoorzichtige mijnwerkers niet, hun claim tot aan den uitersten grenswand uit te graven.
Toen Cyprianus de mijn naderde, zag hij niets anders dan karren, geladen of ledig, die langs die hangwegen voortreden. Maar toen hij genoegzaam tot den rand genaderd was om den blik in de mijn te laten doordringen, toen bespeurde hij daar eene menigte mijnwerkers van ieder ras, van iedere kleur, van iedere kleeding, die met ijver beneden in die claims arbeidden. Daar waren negers en blanken, Europeanen en Afrikanen, Mongolen en Celten, het meerendeel bijna totaal naakt, of slechts met een linnen broek of een flanellen of katoenen hemd gekleed, terwijl zij op het hoofd breedrandige stroohoeden droegen, die veelal met struisvederen getooid waren.
Al die mannen vulden lederen emmers met aarde en heschen die vervolgens door middel van koorden van koevellen vervaardigd langs dikke ijzerdraadkabels, die door groote houten cilinders in beweging werden gebracht, op naar den rand der mijn. Daar werden die emmers zoo spoedig mogelijk in karren geledigd en daalden weer in den claim af, om andermaal gevuld naar boven gehaald te worden.
Die lange ijzeren kabels waren diagonaalsgewijze in de parellelopipedums gespannen, die door de claims gevormd werden, en verleenden aan de "dry diggings" of aan de zoogenaamde diamantmijnen in den drogen grond een bijzonder uitzicht en karakter. Men zou gezegd hebben dat het de hoofddraden waren van een monster-spinneweb, waarvan de vervaardiging plotseling gestoord en onderbroken was geworden.
Cyprianus schepte een poos vermaak in het beschouwen van dat menschelijke mierennest. Daarna keerde hij naar New-Rush terug, waar de klok, die de gasten aan tafel riep, zich weldra liet hooren. Daar smaakte hij het genoegen, den geheelen avond hier en daar te hooren snoeven op wonderbaarlijke vondsten, mijnwerkers die arm als job waren, maar die door het vinden van een enkelen diamant schatrijk geworden waren, terwijl anderen slechts pruttelden over hun ongelukkig gesternte, over de schraapzucht der handelaren, over de trouweloosheid der Kaffers, die in de mijnen te werk gesteld waren en die kostbare steenen stalen, en andere dergelijke technische gesprekken. Men sprak slechts over diamanten, over karaten en over honderden ponden sterling.
Iedereen zag er over het algemeen in die streek ellendig uit, en tegenover een enkelen gelukkigen digger, die met snoevende stem een flesch champagne bestelde om op zijn welslagen een lekker glas te drinken, zag men zeker twintig lange gezichten, waarvan de weemoedige eigenaars zich met een dun en schraal bier vergenoegden.