De Zuidster, het land der diamanten

Chapter 19

Chapter 193,733 wordsPublic domain

"Tonaïa," zoo eindigde hij zijn verhaal, "heeft stipt alle zijne overeenkomsten vervuld. Twee dagen nadat wij in zijne hoofdstad aangekomen waren, was alles tot ons vertrek gereed. Alles, alles: zoowel mondvoorraad als de bespanningen en het eskorte. Ongeveer drie honderd negers, die met meel en gerookt vleesch beladen waren en onder de bevelen van den koning in persoon stonden, hebben ons tot bij het kampement vergezeld, waar wij onzen wagen in zeer goeden staat en onder struikgewas verborgen, terugvonden. Wij hebben toen afscheid van onzen gastheer genomen, na hem vijf geweren te hebben gegeven in plaats van vier, waarop hij rekende, waardoor hij de machtigste potentaat geworden is, die tusschen de Limpopo en de Zambezi-rivier aangetroffen kan worden!"

"Maar hoe is de reis geweest van dat kampement af?".... vroeg miss Watkins.

"O, die terugreis ging zeer langzaam," antwoordde Cyprianus, "hoewel wij daarbij geen moeielijkheden of wederwaardigheden ondervonden. Het eskorte heeft ons eerst op de grenzen van de Transvaal verlaten, waar ook Pharamond Barthès en zijne Bassuto's afscheid van ons hebben genomen om naar Durban te reizen. Eindelijk na een marsch van veertien dagen dwars door het Veld, zijn wij hier aangekomen, evenwel niet rijker dan toen wij vertrokken."

"Maar waarom is Makatit ontvlucht?" vroeg master Watkins, die dat verhaal met eene levendige belangstelling aangehoord had, evenwel zonder eene bijzondere aandoening te laten blijken omtrent de drie mannen, die niet meer terugkomen zouden.

"Makatit vluchtte, omdat hij ijlhoofdig van angst was," antwoordde de jeugdige ingenieur.

"Bestaat er dan geen gerechtigheid meer in Grikwaland?" vroeg de pachter, terwijl hij de schouders optrok.

"Hoe het ook zij, ik herhaal dat hij niet schuldig is, en ik hoop dat men hem met rust zal laten."

"Hm!" kuchte John Watkins, die de waarde van die betuiging niet bijster hoog scheen te schatten. "Zoudt ge niet eerder gelooven, dat die looze Makatit slechts de bangoor gespeeld heeft, om buiten het bereik der politie te geraken?"

"Neen!.... hij is onschuldig!.... Mijne overtuiging is dienaangaande onherroepelijk gevestigd!" antwoordde Cyprianus wel wat kortaf, "en ik heb die overtuiging duur genoeg gekocht, dunkt mij."

"O, ik tast uwe overtuiging niet aan!" riep John Watkins uit, "maar laat mij ook de mijne!"

Alice zag in, dat die woordenwisseling in twist ontaarden zou. Zij haastte zich dus er eene afleiding aan te geven:

"A propos, mijnheer Cyprianus Méré," zeide zij, "weet gij wel dat uwe claim gedurende uwe afwezigheid uitmuntend is geworden en dat uw vennoot Thomas Staal op weg is een der rijkste mijnwerkers van de Kopjes-mijn te worden?"

"Neen," antwoordde Cyprianus openhartig, "dat wist ik niet. Mijn eerste bezoek heeft u gegolden, miss Watkins, en ik weet niets van hetgeen in mijne afwezigheid is voorgevallen."

"Misschien hebt gij zelfs niet gegeten?" vroeg Alice met dat vrouwelijke instinct, hetwelk eene goede huismoeder kenmerkt.

"Dat beken ik gul uit," antwoordde Cyprianus met een blos, hoewel er geen reden tot blozen bestond.

"Maar gij kunt toch zoo niet heengaan, zonder iets gegeten te hebben, mijnheer Méré!.... Een pas van ziekte herstellende.... na eene zoo moeielijke reis!.... Denk er toch aan, het is reeds elf uur in den avond!"

En zonder naar zijne tegenkantingen te luisteren, liep zij naar de huiskamer en kwam weldra met een blaadje terug, dat met een helderwitten doek overdekt was en waarop een paar borden met koud vleesch stonden, alsook een fraaie perziken-taart, die zij zelve gemaakt had.

De tafel was weldra gedekt voor Cyprianus, die geheel verlegen was. En daar hij scheen te aarzelen, om het mes in eene prachtige "biltong", een soort verduurzaamd struisvogelenvleesch, te zetten, vroeg miss Watkins met haren frisschen glimlach:

"Zal ik het u voorsnijden?"

De vader van het meisje scheen bij dat gastronomisch vertoon eetlust te krijgen. Hij vroeg althans ook een bord en eene snede biltong. Alice haastte zich snel, om hem niet te laten wachten en, om de heeren gezelschap te houden, begon zij eenige amandelen te knabbelen.

Dat geïmproviseerde souper was verrukkelijk. Nimmer had de jeugdige ingenieur zooveel eetlust ondervonden. Hij bediende zich drie malen van de perziken-taart, dronk twee glazen Constantiawijn en bekroonde die heldendaden luisterrijk door er in toe te stemmen de gin te proeven van master Watkins, die evenwel weer spoedig insliep.

"En wat hebt gij sedert drie maanden uitgevoerd?" vroeg Cyprianus aan Alice. "Ik vrees, dat gij al wat gij van de scheikunde geleerd hebt, vergeten zijt!"

"Daarin vergist gij u, mijnheer Méré," antwoordde miss Watkins op ietwat verwijtenden toon. "Ik heb integendeel hard gestudeerd en ik heb mij zelfs veroorloofd eenige proeven in uw laboratorium te nemen. O! wees gerust, ik heb niets gebroken en ik heb alles weer op zijne plaats gezet. Ik houd veel van de scheikunde en ik heb nimmer kunnen begrijpen, dat gij die prachtige wetenschap hebt kunnen vaarwel zeggen, om mijnwerker in de Kopjes-mijn te worden!"

"Gij zijt wreed, miss Watkins. Gij weet zeer goed, waarom ik de scheikunde vaarwel gezegd had!"

"Ik.... ik weet er niets van," antwoordde Alice hevig blozende. Ik vind dat gij zeer verkeerd gedaan hebt. Als ik in uwe plaats was dan zou ik andermaal beproeven diamanten te vervaardigen. Dat is veel netter dan zoo in den grond te wroeten."

"Is dat een bevel, hetwelk gij mij geeft?" vroeg Cyprianus met eene ietwat bevende stem.

"O! geen bevel waarlijk niet," antwoordde miss Watkins met een bekoorlijken glimlach. "Het is hoogstens een verzoek!.... Och, mijnheer Méré," hernam zij ernstig, als om den luchtigen toon harer woorden te doen vergeten, "als gij wist hoe ongelukkig ik mij gevoelde bij het bewustzijn van al de vermoeienissen, van al de gevaren, die gij ondergaan, die gij geloopen hebt. Ik was natuurlijk onkundig van al die bijzonderheden, maar toch meende ik er het algemeene overzicht van geraden te hebben. Ik zei zoo in mij zelve: moet een man, die zoo geleerd is, die zoo voorbestemd is om groote zaken tot stand te brengen, groote ontdekkingen te doen, moet zoo iemand blootgesteld zijn, om ellendig in de woestijn om te komen, om te sterven tengevolge van den beet eener slang of onder den klauw van een tijger, zonder eenig voordeel voor de wetenschap en voor de menschheid?.... Maar, het is waarlijk eene misdaad, hem te hebben laten vertrekken!.... En, ik had gelijk!.... want is het geen wonder bijna, dat gij teruggekomen zijt? Zonder uw vriend Pharamond Barthès, dien de hemel zegene, zoudt...."

Zij kon niet voortgaan; hare stem hokte; maar twee dikke tranen ontrolden aan hare schoone oogen en voltooiden haren gedachtengang, dien zij niet vermocht uit te spreken.

Cyprianus was op zijne beurt ook zeer ontroerd.

"Zie daar twee tranen, die voor mij kostbaarder zijn dan alle diamanten ter wereld en die mij alle de ondergane vermoeienissen, al waren zij nog veel grooter geweest, zouden doen vergeten," sprak hij op eenvoudigen toon.

Er trad eene stilte in, die het meisje met haren gewonen takt verbrak, door het gesprek weer op het terrein der scheikunde terug te voeren.

Middernacht was reeds voorbij, toen Cyprianus naar zijne hut terugkeerde, waar een pak brieven uit Frankrijk aangekomen, op hem lagen te wachten. Die brieven waren zorgvuldig door miss Watkins op zijne werktafel gerangschikt.

Zooals het meermalen na eene lange afwezigheid gebeurt, hij was bang om die brieven te openen. Als zij hem eens de tijding van eenig ongeluk overbrachten!.... Zijn vader, zijn moeder, zijn zusje Johanna!.... Zoo veel had toch gedurende die drie maanden kunnen gebeuren!

Hem ontsnapte een zucht van verlichting, toen hij zich overtuigd had, dat die brieven slechts stof tot tevredenheid bevatten. Al de zijnen waren welvarend. Van het ministerie ontving hij slechts warme lofuitingen ten opzichte van zijne fraaie stelling omtrent de diamantvormingen. Hij kon zijn verblijf in Grikwaland nog een semester rekken, wanneer hij dat dienstig voor de wetenschap achtte. Alles was dus ten beste geschikt en Cyprianus sliep dien nacht in, met zulk een verlicht gemoed als hij in lang niet ondervonden had.

De voormiddag van den anderen dag werd besteed om zijne vrienden te bezoeken, voornamelijk Thomas Staal, die werkelijk prachtige vondsten op de gezamenlijke claim gedaan had. De brave kerel uit Lancashire ontving zijn vennoot met de meeste hartelijkheid en kwam met Cyprianus overeen, dat Bardik en Li evenals vroeger hunne werkzaamheden hervatten zouden. Hij behield zich voor, om, wanneer hunne nasporingen met goed gevolg bekroond werden, hun een deel van de winst af te staan en zoodoende een klein kapitaal te verzekeren.

Wat Cyprianus betrof, hij was vastbesloten de kansen van het mijnleven die hem steeds ongunstig geweest waren, niet meer te beproeven. Hij volgde daarbij den wensch op van Alice en besloot derhalve zijne scheikundige nasporingen te hervatten.

Zijn onderhoud met het jonge meisje had tot niets anders geleid, dan om zijne eigene overwegingen te bekrachtigen. Hij had zich zelven reeds sedert lang gezegd, dat zijn pad, het pad niet was van handenarbeid, ook niet der avontuurlijke tochten. Hij was te loyaal van karakter en te trouw aan het eenmaal gegeven woord, om er een oogenblik aan te denken misbruik van het vertrouwen van Tonaïa te maken, en de kennis der onmetelijke grot, met kristalformatiën gevuld, te benuttigen; maar hij vond in die daadwerkelijke zekerheid eene te kostbare bevestiging van zijne stelling over de diamantlegeringen, om daaruit niet een nieuwen grond voor zijne onderzoekingen te putten.

Cyprianus hervatte dus zijn laboratorium-bestaan, zooals hij dat noemde. Hij wilde evenwel het pad niet verlaten, waarop hij reeds eenmaal geslaagd was en was dan ook vast besloten op dien weg zijne eerste nasporingen te vervolgen.

Er was daarvoor een reden, een der meest geldende redenen, zooals men zien zal.

Sedert toch de kunstmatige diamant als onherroepelijk verloren moest beschouwd worden, sprak master Watkins, die eerst met het huwelijk van Cyprianus en Alice scheen in te stemmen, er in het geheel niet meer over.

Nu was het waarschijnlijk, dat wanneer de jeugdige ingenieur er in slaagde, andermaal een diamant van overgroote waarde te vervaardigen, die bijvoorbeeld op ettelijke millioenen zou geschat worden, de Engelschman wel weer tot zijn vroegere opvattingen zou terug te brengen zijn.

Vandaar dan ook het besluit, om zich zonder dralen weer aan den arbeid te zetten; en Cyprianus hield dat niet genoegzaam geheim voor de arbeiders in de Vandergaart-Kopjes-mijn.

Nadat hij zich andermaal eene buis, welker wanden een groot weerstandsvermogen bezaten, aangeschaft had, begon hij andermaal zijne werkzaamheid.

"En toch, wat mij ontbreekt," zei hij tot Alice, "om gekristalliseerde koolstof, d.w.z. diamant te bekomen, dat is een doelmatig oplossingsmiddel, dat hetzij door verdamping, hetzij door afkoeling, de koolstof laat kristalliseeren. Voor het aluminium heeft men dat oplossingsmiddel in de zwavelzure koolstof gevonden. Het komt er nu op aan om bij wijze van overeenkomst voor de koolstof, of voor de daarmee vrijwel overeenkomende lichamen als het borium en silicium, zulk een oplossingsmiddel te vinden."

Intusschen zette Cyprianus, hoewel hij dat oplossingsmiddel niet bezat, alle haast bij zijn werk. Bij afwezigheid van Makatit, die zich voorzichtigheidshalve nog niet in het kamp vertoond had, was Bardik thans belast om het vuur dag en nacht levendig te houden. Die taak vervulde hij met denzelfden ijver als zijn voorganger.

Inmiddels wilde Cyprianus, in het vooruitzicht van na afloop van zijn verlenging van verblijf in Grikwaland, genoodzaakt te zijn naar Europa terug te keeren, zich van een arbeid kwijten, die op het programma zijner uit te voeren verrichtingen voorkwam, maar dien hij nog niet had kunnen ondernemen. Dat was de nauwkeurige ligging aan te geven eener terreinplooi, die noordwestwaarts van de vlakte aangetroffen werd. De terreinplooi beschouwde hij, of beter verdacht hij te zijn de trechter waardoor de wateren weggevloeid waren in het lang vervlogen tijdperk, waarin de diamant-vormingen van het district door de natuur tot stand gebracht waren.

Vijf of zes dagen na zijn terugkeer in de Transvaal, hield hij zich dus onledig met die plaatsbepaling en deed dat met de hem eigene nauwgezetheid, die hij bij alles wat hij ondernam, betrachtte. Nu was hij sedert een uur bezig om bakens te plaatsen en die op eene topografische kaart op groote schaal, die hij zich te Kimberley aangeschaft had, als vaste punten aan te teekenen. Maar opmerkenswaardig was het daarbij, dat zich steeds bij zijne becijfering eene groote vergissing of minstens eene minder goede overeenkomst met die kaart voordeed. Eindelijk was het niet meer te ontkennen, dat die kaart onnauwkeurig georiënteerd was; de breedten en de lengten daarvan waren foutief.

Cyprianus had nauwkeurig op het middaguur gebruik gemaakt van een uitmuntenden chronometer, die volgens de Sterrenwacht van Parijs geregeld was, om de lengte van de plaats te bepalen. Hij was daarbij volkomen verzekerd van de onfeilbaarheid van zijne boussole en van zijn deklinatie-kompas. Hij kon dus geen oogenblik aarzelen om te erkennen, dat de kaart waarop hij zijne punten vastlegde, geheel dwaalde door een groote fout in de oriëntatie.

En inderdaad, het noorden van die kaart, hetwelk op Britsche wijze door een opstaanden pijl aangegeven was, bevond zich in het werkelijke noord-noord-westen. Een gevolg daarvan was, dat al de aanwijzingen der kaart noodwendig in diezelfde evenredigheid dwaalden.

"Ik zie wat er aan hapert!" riep eensklaps de jeugdige ingenieur uit. "De ezels,--die deze streek in kaart brachten, hebben eenvoudig geen rekening gehouden met de magnetische afwijking van de kompasnaald. En die afwijking bedraagt hier niet minder dan negen en twintig graden westerring. [8] Daaruit volgt dat al hunne aanwijzingen van breedte en lengte, om nauwkeurig te zijn, langs een boogje van negen en twintig graden van het westen naar het oosten rondom het middelpunt van de kaart moeten verplaatst worden!.... Het is aan te nemen dat Engeland zijne kundigste topografen niet uitgezonden heeft, om die opmetingen te doen!"

Hij lachte om den beganen bok. Hij had evenwel geen enkele reden om hem te herstellen in de ligging ten opzichte der diamanthoudende terreinen van het district, hetwelk noodzakelijk plaats moest hebben. Toen hij dienzelfden avond naar de pachthoeve terugkeerde, ontmoette hij Jakobus Vandergaart en deelde hij hem zijne bevinding mede.

"Het is waarachtig opmerkenswaardig," zeide hij, "dat zulk eene groote geodesische dwaling, die op al de terreinplannen van het district invloed heeft moeten hebben, nog niet opgemerkt en aangewezen is. Zij maakt eene aanmerkelijke verbetering van al de kaarten van het geheele land noodzakelijk."

De oude diamantslijper keek Cyprianus met een zonderlingen blik aan.

"Is het waar, wat ge zegt?" vroeg hij. "En zoudt gij bereid zijn dat feit voor de rechtbank te bevestigen?"

"Wel voor tien rechtbanken, als het noodig ware!"

"En dat feit is niet te weerspreken?"

"Volstrekt niet, daar het voldoende zal zijn, de oorzaak van de dwaling op te geven. Zij is bij mijne ziel tastbaar genoeg! Het veronachtzamen van de afwijking van de magneetnaald bij topografische opnemingen! Het is ongehoord!"

Jakobus Vandergaart verwijderde zich zonder verder iets te zeggen, en Cyprianus had weldra vergeten met welk zonderlinge oplettendheid de diamantslijper het feit nagegaan had, welke invloed door die geodesische dwaling op de terreinplannen van het distrikt veroorzaakt was.

Toen evenwel Cyprianus twee of drie dagen later den ouden diamantslijper een bezoek wilde brengen, vond hij de deur gesloten.

Op de lei, die aan den klopper vastgehecht was, las hij de woorden, die kort geleden met krijt daarop geschreven waren: "_Afwezig voor zaken_."

EEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

VENETIAANSCHE GERECHTIGHEID.

Gedurende de volgende dagen hield Cyprianus zich ijverig bezig met de verschillende tijdperken aandachtig te volgen van zijne nieuwe proef. Tengevolge van eenige verbeteringen in den weerkaatsing-oven aangebracht, waardoor een betere luchtaanvoer mogelijk was, zou de diamant-vervaardiging, zoo hoopte hij tenminste, in veel minder tijd plaats vinden dan bij de eerste proef.

Er zal niet behoeven verteld te worden, dat miss Watkins die tweede poging, waar zij de bezieling van was, met alle belangstelling volgde. Zij vergezelde den jeugdigen ingenieur dan ook herhaalde malen bij zijn gang naar den oven, dien hij verscheidene malen per dag bezocht, en daar vond zij er een genoegen in, om door de kijkgaten, die in het metselwerk uitgespaard waren, de hevigheid van het vuur, dat in het innerlijke van dien oven brulde, waar te nemen.

John Watkins stelde niet minder belang dan zijne dochter in die proef. Hij was ongeduldig om andermaal weer in het bezit van een steen te komen, welks waarde bij millioenen berekend kon worden. Zijn eenige vrees was, dat die tweede proef niet als de eerste gelukken zou, waarbij het toeval een aanmerkelijke rol kon hebben gespeeld.

Maar indien de Engelschman en zijne dochter den jongen scheikundige aanmoedigden bij zijn werk, zoo kon dat niet van de andere mijnwerkers van Grikwaland gezegd worden. Hoewel Hannibal Pantalucci, James Hilton en Herr Friedel niet meer op deze wereld waren, zoo dachten toch hunne makkers aangaande de diamant-vervaardiging evenals zij. Geheime bijeenkomsten, die door den jood Nathan ontworpen waren, brachten het hunne er toe bij, om de eigenaars van claims tegen den jongen ingenieur op te hitsen. Want als die kunstmatige vervaardiging gelukte, dan was dat de ondergang van de diamantdelvers aan de Kaap en op andere plaatsen.

Dat was reeds lang als uitgemaakt beschouwd, maar thans werd dat met meer bitterheid, met meer woestheid dan voorheen besproken. Er werden samenkomsten gehouden, die niet veel goeds voorspelden, maar Cyprianus toch niet bevreesd maakten. Hij was vastbesloten zijn werk ten einde te brengen, wat men er ook van zeggen of wat men ook doen wilde.

Miss Watkins was evenwel bij dat alles niet gerust. Zij was op de hoogte van al de gesprekken, en zij begon voor Cyprianus te vreezen. Zij verweet zich, dat zij hem op dien weg gevoerd had. Zij kon op de politie van Grikwaland niet rekenen, en een slechte daad was ras bedreven. Zij deelde hem hare onrust mede. Hij dankte haar voor die belangstelling, want hij zag daarin de uiting van een teeder gevoel, dat trouwens geen geheim meer voor hem was.

"Wat ik verricht, is voor ons beiden arbeiden," zei hij.

Maar miss Watkins, die vernam wat in de claims besproken werd, leefde thans in gestadige onrust. En dat was niet zonder reden. Er begon een soort haat jegens Cyprianus te heerschen, die weldra niet meer bij schelden en bij schimpscheuten bleef, maar zich zelfs door bedreigingen uitte.

Werkelijk op een avond, toen Cyprianus zijn oven wenschte te bezoeken, vond hij hem geheel verwoest. Gedurende eene afwezigheid van Bardik was een troep mannen gekomen, die van de duisternis gebruik hadden gemaakt, om den arbeid van lange dagen in weinige minuten te vernielen. Het gebouwtje was afgebroken, de oven was verbrijzeld, de vuren waren uitgedoofd, de werktuigen verbroken en weggeworpen. Er bleef niets meer van het materieel over, dat aan Cyprianus zoo veel zorgen en moeite gekost had. Alles moest weer opnieuw begonnen worden, òf hij moest de plaats ruimen.

"Neen," riep hij uit. "Ik zal niet toegeven. Ik zal eene klacht tegen de ellendelingen inbrengen, die mijn goed vernield hebben. Ik zal zien of er in Grikwaland geene gerechtigheid meer is."

Ja, er was eene gerechtigheid, maar niet eene zoodanige, als waarop de ingenieur rekende.

Zonder iets aan iemand te zeggen, zonder zelfs miss Watkins iets te vertellen, omtrent hetgeen voorgevallen was, uit vrees haar nieuwen angst aan te jagen, was Cyprianus naar zijne hut wedergekeerd en weldra in slaap gevallen.

Hij kon zoo omstreeks twee of drie uren geslapen hebben, toen het openen van eene deur hem met schrik deed wakker worden. Vijf mannen met zwarte maskers voor het gelaat en met revolvers en geweren gewapend, drongen zijne kamer binnen. Zij droegen een soort dievenlantaarn en plaatsten zich rondom het bed.

Het kwam bij Cyprianus volstrekt niet op, dat geheele tooneel als ernst te beschouwen. Hij geloofde aan eene grap en begon dan ook al dadelijk te lachen, hoewel hij er niet veel lust toe had, daar hij de klucht zouteloos vond.

Maar een brutale hand daalde op zijn schouder neer, terwijl een der gemaskerde mannen een papier ontvouwde, dat hij in de hand hield, en begon voor te lezen met eene stem, die niets grappigs had:

"Cyprianus Méré. Hierbij wordt u aangekondigd, dat de geheime rechtbank van het Kamp in de Vandergaart-Kopjes-mijn, die ten getale van twee en twintig leden zitting heeft genomen en uit naam van het algemeen welzijn handelt, u heden, juist op het middernachtuur, met algemeene stemmen ter dood veroordeeld heeft.

"Gij zijt beschuldigd en overtuigd van door eene ontijdige en deloyale uitvinding al de mannen van Grikwaland, die belang bij het vinden, het kloven, het slijpen en het verkoopen van diamanten hebben, in hun bestaan, in hun leven, in hunne gezinnen te hebben aangetast.

"De rechtbank heeft in hare wijsheid uitspraak gedaan, dat eene dergelijke uitvinding vernietigd moet worden en dat de dood van een enkele niet opweegt tegen den dood en de ellende van duizenden menschenlevens.

"Zij heeft bevolen, dat u tien minuten gelaten zullen worden om u tot den dood voor te bereiden; dat de keuze van de wijze waarop gij sterven zult, aan u zal worden overgelaten; dat al uwe papieren verbrand zullen worden, behalve eene zoodanige geopende mededeeling die gij noodig zult achten voor uwe nabestaanden, en eindelijk dat uwe woning met den grond gelijk zal gemaakt worden!

"Zoo zal het iederen verrader gaan!"

Toen hij zich zoo hoorde veroordeelen, begon Cyprianus in zijn geloof aan eene grap wel te wankelen, en vroeg hij zich af of die vertooning, in aanmerking genomen de ruwe zeden van de bewoners van dat land, niet ernstiger was dan hij eerst gemeend had.

De man, die hem bij den schouder gegrepen had, zou zijne laatste twijfelingen verdrijven.

"Sta dadelijk op!" zei hij ruwweg. "Wij hebben geen tijd te verliezen!"

"Maar dat is sluipmoord," antwoordde Cyprianus, die van zijn bed sprong om eenige kleederen aan te trekken.

Hij was meer verontwaardigd dan ontroerd, en spande al de kracht zijner zinnen op hetgeen met hem voorviel, evenwel met de koelbloedigheid van iemand, die bezig was een zeker vraagstuk op te lossen. Wie waren die mannen? Dat kon hij niet raden. Hij herkende zelfs den toon hunner stem niet. Ongetwijfeld zwegen zij voorzichtig, die hem persoonlijk bekend waren, wanneer die zich onder de aanvallers bevonden.

"Hebt gij eene keus gedaan omtrent de wijze van sterven?...." vroeg een der gemaskerden.

"Ik heb geen keus te doen. Ik kan slechts protesteeren tegen de afschuwelijke misdaad, die gij gaat bedrijven!" antwoordde Cyprianus met vaste stem.

"Protesteer! dat zal u niet baten. Gij zult toch gehangen worden. Hebt gij eenige beschikking te maken?"

"Niets, wat ik aan sluipmoordenaars zou wenschen toe te vertrouwen."

"Vooruit dan maar," beval het opperhoofd van den troep.

Twee mannen plaatsten zich ter weerszijden van den ingenieur en de optocht stelde zich in beweging.