De Zuidster, het land der diamanten
Chapter 18
Denzelfden avond kregen zij Tonaïa's hoofdplaats in het gezicht. Zij was amphitheatersgewijs aangelegd op een terreinverhevenheid, die den gezichteinder in het noorden begrensde. Het was eene wezenlijke stad van tien tot vijftien duizend zielen, met goed aangelegde straten, met ruime en bijna bevallige hutten, waarin welvaart en vooruitgang te bespeuren waren. Het paleis des konings was omgeven door hooge palissaden en werd bewaakt door zwarte krijgslieden, met lansen gewapend. Dat gebouw besloeg alleen bijna het vierde gedeelte van de oppervlakte dier stad.
Toen Pharamond zich vertoonde, gingen alle poorten en barrièren voor hem open. Hij en Cyprianus werden dadelijk langs eene opeenvolging van uitgestrekte plaatsen en pleinen tot in de ceremoniezaal gevoerd, alwaar zich de onoverwinnelijke overheerscher ophield te midden van eene talrijke menigte, waaronder noch de wachters, noch de officieren ontbraken.
Tonaïa, kon zoo wat veertig jaren oud zijn. Hij was groot en krachtig van gestalte. Zijn voorhoofd was met een soort diadeem getooid, die van wilde-zwijnen-tanden vervaardigd was. Zijn kostuum bestond uit een overkleed dat den vorm eener tunika zonder mouwen had, en van roode stof vervaardigd was. Hij droeg een voorschoot van dezelfde kleur, dat rijkelijk met glazen kralen geborduurd was. Zijne armen en beenen waren met talrijke koperen braceletten getooid. Zijn gelaat teekende veel bevatting, maar ook sluwheid, en was daarenboven listig en niet innemend.
Hij ontving Pharamond Barthès, dien hij sedert verscheidene dagen niet gezien had, zeer goed, en ook Cyprianus, als den vriend van zijn getrouwen bondgenoot.
"De vrienden onzer vrienden zijn onze vrienden," drukte hij zich uit, evenals een kruidenier uit de Marais, het meest burgerlijke kwartier van Parijs, zou gedaan hebben.
Toen hij evenwel vernam, dat zijn nieuwe gast lijdende was, deed hij hem de beste kamers van zijn paleis geven, en daarenboven een heerlijk avondmaal voordienen.
Volgens Pharamond's meening was 't het oogenblik nog niet om van Makatit te gewagen. Men zou dat tot den volgenden dag uitstellen.
Cyprianus was toen geheel hersteld en in staat om voor den koning te verschijnen. Het geheele hof was in de groote zaal van het paleis bijeen; Tonaïa en zijn beide gasten waren gezeten in het midden van den kring, door de hovelingen gevormd. Pharamond begon dadelijk in de landstaal, die hij vloeiend sprak, de onderhandeling:
"Mijne Bassuto's hebben u onlangs een jongen Kaffer, dien zij gevangen genomen hadden, aangebracht. Nu is die Kaffer de dienaar van mijn makker, van den grooten, wijzen Cyprianus Méré, die hem van uwe edelmoedigheid terug verwacht. Ik, zijn vriend en tevens de uwe, ondersteun dat billijk verzoek."
Reeds bij de eerste woorden had Tonaïa een zeer diplomatisch gezicht gezet.
"De groote, wijze blanke is welkom bij mij!" zei hij. "Maar wat biedt hij als losprijs voor mijne gevangene aan?"
"Een uitmuntend geweer, tienmaal tien patronen en een zakje met glazen kralen," antwoordde Pharamond.
Een gemompel van goedkeuring liet de vergadering hooren. Zij was blijkbaar zeer ingenomen door de pracht van dat aanbod. Alleen Tonaïa bleef zijn strak staatkundig gezicht behouden, en gaf geen blijk van ingenomenheid.
"Tonaïa is een groot vorst," hernam hij, terwijl hij zich op zijn zitbankje rechtop zette, "en hij wordt door de Goden beschermd! Zij zonden hem een maand geleden Pharamond Barthès met zijne kloeke krijgslieden en zijne nimmer missende geweren, om hem te helpen zijne tegenstanders te overwinnen! Daarom zal ik op verlangen van Pharamond Barthès dien dienaar heelhuids aan zijn meester teruggeven."
"En waar bevindt hij zich thans?" vroeg de jager.
"In de heilige grot, waar hij nacht en dag bewaakt wordt!" antwoordde Tonaïa met eene gelegenheids-hoogdravendheid, die den meest machtigen souverein van Kafferland zeer goed afging.
Pharamond vertaalde die antwoorden in het kort voor Cyprianus en vroeg aan den koning de gunst om met zijn makker den gevangene uit de heilige grot te mogen gaan halen.
Er werd op dat verzoek evenwel een afkeurend gemompel in de geheele vergadering vernomen. De eisch van die Europeanen scheen te ver gedreven. Nimmer was een vreemdeling in die geheimzinnige grot toegelaten. Een tot nu toe geëerbiedigde overlevering hield in, dat het rijk van Tonaïa in stof zoude ineenstorten, wanneer de blanken het geheim van die grot zouden kennen.
De koning hield er echter niet van, dat zijn hof zijne besluiten vooruitliep. Dat gemompel prikkelde dan ook zijn grillig alleen-heerschers-karakter, en bracht hem er toe, om toe te staan wat hij ongetwijfeld, zonder die uitbarsting van het algemeen gevoelen, geweigerd zoude hebben.
"Tonaïa heeft een bloedruil met zijn bondgenoot Pharamond Barthès aangegaan," antwoordde hij op afdoenden toon, "hij houdt niets verborgen voor hem. Kunt gij en uw vriend een eed houden?"
Pharamond knikte bevestigend.
"Welnu," hernam de negerkoning, "zweert dat gij niets zult aanraken van al hetgeen gij in die grot zien zult!.... Zweert, dat gij nimmer zult laten bemerken, dat gij het bestaan dier grot kent!.... Zweert, dat gij nimmer zult trachten om er andermaal in te dringen, of ook maar den ingang er van op te sporen!.... Zweert eindelijk, dat gij aan niemand mededeelen zult, wat gij gezien hebt!"
Pharamond en Cyprianus staken de hand uit en herhaalden woord voor woord het eedsformulier, dat hen voorgezegd werd. Tonaïa gaf dadelijk daarop met fluisterende stem bevelen. Zijn hofhouding stond op en zijn krijgslieden formeerden twee gelederen. Een paar dienaren brachten twee lappen van fijn linnen, waarmede de twee vreemdelingen geblinddoekt werden; daarna nam de koning tusschen hen beiden plaats in een grooten strooien palankijn, die door een paar dozijn Kaffers op hunne schouders genomen werd en die nu in optocht voortstapten.
De reis duurde vrij lang, minstens twee uren. Wanneer rekening gehouden werd met den aard der schokken, die de palankijn ondervond, moesten Pharamond en Cyprianus erkennen, dat zij door eene bergachtige streek vervoerd werden.
Daarna merkten zij een afkoeling der lucht op, terwijl het geluid der stappen van de lijfwacht en der dragers door de echo weerkaatst werd, alsof tusschen dicht bij elkander staande wanden gemarcheerd werd. Daaruit maakten zij op, dat men een onderaardsche gang binnengetreden was. Eindelijk trof een harsachtige rook hunne reukzenuwen, waaruit zij afleidden dat men fakkels ontstoken had om den optocht te verlichten.
De marsch duurde nog ongeveer een kwartier uurs, waarna de palankijn op den bodem neergezet werd. Tonaïa liet zijne gasten uitstappen en liet hun den blinddoek afnemen.
Onder den invloed van de flikkeringen, welke het oog gewoonlijk ondervindt, wanneer het, nadat zijn gezichtskracht voor een lange poos opgeheven is geweest, plotseling aan de inwerking van het licht blootgesteld wordt, verbeeldden Pharamond en Cyprianus zich eerst dat zij aan eene soort van geestverrukking onderworpen waren, zulk een prachtig en onverwacht schouwspel bood zich voor hunne oogen aan.
Beiden bevonden zich te midden van eene onmetelijke grot. De bodem was bezaaid met fijn zand, dat glinsterde van de gouden lovertjes, die er zich in bevonden. Het gewelf, hetwelk zich als dat eener Gothische kathedraal verhief, verloor zich in eene voor den blik onpeilbare hoogte. De wanden van dat onderaardsche bouwgewrocht waren getooid met stalactiten, die eene groote verscheidenheid van kleuren en een ongehoorden rijkdom ten toon spreidden, en waarop de weerkaatsing van het licht der toortsen, stralenbundels te voorschijn tooverde, die met de kleuren van den regenboog prijkten, en met schitteringen vermengd waren, die aan gloeiovens, maar ook aan de pracht van noorderlicht deden denken. De meest verschillende kleuren flikkerden en smolten ineen, de meest grillige vormen, de meest onvoorziene hellingen kenmerkten die ontelbare kristalvormingen. Het waren niet, zooals in de meeste grotten voorkomen, eenvoudige legeringen van gedroppelde kwarts, welker vormen zich met eene wanhopige regelmaat en eentonigheid herhaalden. Hier had de natuur hare grillige luim geheel en al botgevierd. Zij scheen zich tot taak gesteld te hebben, al de combinatiën en schakeeringen der tinten, waartoe zich de glazuren der minerale rijkdommen zoo verwonderlijk leenen, effectvol te vertoonen.
Rotsen van amethist, wanden van sardonix, legeringen van robijnen, naalden van smaragd, die zuilenrijen als scheepsmasten van safier, ijsbergen getooid met zeealgen, girandollen van turkooizen, spiegels van opaal, aders van rooskleurige gips en van lapislazuli met goudaderen gemarmerd,--in één woord, alles wat de kristalwereld het meest schitterend kan aanbieden, was hier bijeengebracht om die wonderbaarlijke spitsbogen op te trekken. Meer nog dan dat: alle vormen, zelfs die uit de plantenwereld, schenen in beslag genomen te zijn voor dien arbeid, welke geheel en al buiten het menschelijke bevattingsvermogen viel. Tapijten van mineralische moskorsten, die zoo wollig waren als de fijnste graszoden, boomvormige kristallen, bloemen en vruchten in edelgesteenten, riepen bij wijlen die tooverachtige lusthoven en tuinen in het geheugen terug, die door de Japansche kunstenaars met zoo veel naïveteit weergegeven worden. Verder vertoonde zich een kunstmatig meer, door een diamant van twintig meters lang gevormd, die door het zand omlijst werd en eene geheel gereede baan was voor luchtige schaatsenrijders. Luchtkasteelen van witten agaatsteen, kiosken en torentjes van baryl of topazen, hoopten zich in ontelbare verdiepingen op, totdat het oog, vermoeid door zooveel pracht, eindelijk weigerde verder hen na te sporen. De straalbreking eindelijk, de ontleding der lichtbundels te midden der prisma's, die schitterende vuurwerkvonken, die overal als het ware opspatten en in veelkleurige aren neervielen, riepen het meest verwonderlijke akkoord van licht en kleuren te voorschijn, waardoor een menschenoog ooit is verrast geworden.
Cyprianus Méré koesterde geen twijfel meer. Hij bevond zich plotseling vervoerd in een van die verwonderlijke vergaarplaatsen, waarvan hij sedert lang het bestaan gegist had en waarin de gierige natuur die legeringen heeft kunnen ophoopen en kristalliseeren, welke zij slechts noode, en dan nog maar in zeldzame en kleine stukken, aan den mensch in de meest begunstigde placers afstaat. Gedurende een kort oogenblik bekroop hem de twijfel omtrent de werkelijkheid van hetgeen hij onder de oogen had, maar het was voldoende geweest, terwijl hij langs een onmetelijke kristalbank voorbijging, haar te wrijven met den ring, dien hij aan den vinger droeg, om verzekerd te zijn dat zij het inkrassen weerstond. Zij bestond dus wel degelijk uit diamant, uit robijn en uit safier, en wel in zulke onmetelijke massa, dat hare waarde, naar den maatstaf, welken de menschen aan die mineralogische bestanddeelen hechten, aan iedere berekening moest ontsnappen.
Alleen de sterrenkundige cijfergetallen zouden eene benadering, weinig bevattelijk bovendien, hebben kunnen leveren. Inderdaad er lagen daar onbekend en improductief, trillioenen en quadrillioenen van milliarden aan waarde in den schoot der aarde verborgen.
Giste Tonaïa iets omtrent de onmetelijke rijkdommen, die hij daar ter zijner beschikking had? Dat was niet waarschijnlijk; want Pharamond Barthès, weinig op de hoogte van die zaken, scheen zelfs geen begrip hoegenaamd te hebben, dat die verwonderlijke kristallen, fijne edelgesteenten waren. De negerkoning meende ongetwijfeld slechts de bewaker van een hoogst bijzondere grot te zijn, waarvan hem eene godsspraak of eenige andere bijgeloovigheid belette het geheim te openbaren.
Wat die opvatting bevestigde, was de opmerking, die Cyprianus weldra maakte, dat een groot aantal menschenbeenderen op sommige plaatsen in enkele hoeken van de grot opgehoopt lagen. Was zij dus eene begraafplaats van den stam, of--wat eene nog vreeselijker, maar toch meer waarschijnlijke vooronderstelling was--had zij gediend, en diende zij nog, om eenige afschuwelijke godsdienstplechtigheid te voltrekken, waarin menschenbloed vergoten werd, wellicht om aan kannibalische neigingen te kunnen voldoen?
Tot deze laatste meening helde Pharamond Barthès over, want hij zeide fluisterend tot zijn vriend:
"Tonaïa heeft mij toch verzekerd, dat sedert zijne troonsbestijging geene dergelijke plechtigheid heeft plaats gehad. Maar ik erken, dat het zien van die beenderen mijn vertrouwen zeer schokt!"
Hij wees daarbij op een hoop, die eerst sedert kort scheen opgericht en waarop de werking van het vuur, alsof die beenderen gekookt en gebraden waren, niet te miskennen was.
Die indruk werd eenige oogenblikken later geheel en al bevestigd.
De koning en zijn beide gasten waren in het achterste gedeelte van de grot voor eene opening aangekomen, die wel iets had van eene zijkapel, die in de lagere zijwaartsche gangen onzer basilieken uitgespaard zijn. Achter een hek van ijzerhout, dat er den toegang van afsloot, werd een gevangene ontwaard, die in eene houten kooi opgesloten zat, welke ternauwernood ruimte genoeg bezat om hem toe te staan, gehurkt er in te verwijlen. Blijkbaar was hij bestemd om vetgemest te worden, waarna hij het hoofdbestanddeel van een feestmaaltijd zou uitmaken.
Dat was Makatit.
"Gij!.... gij!.... vadertje!" riep de rampzalige Kaffer uit, toen hij Cyprianus herkende. "O, neem mij mede!--Verlos mij!.... Ik wil nog liever naar Grikwaland terugkeeren, al moest ik gehangen worden, dan hier in die kippenkooi te blijven verwijlen, in afwachting van de vreeselijke marteling, die de wreede Tonaïa mij zal laten ondergaan, alvorens mij op te peuzelen!"
Dat werd in het Fransch met eene zoo weemoedige stem geuit, dat Cyprianus er zeer door bewogen werd.
"Het zal geschieden, zooals gij wenscht Makatit," antwoordde hij. "Ik kan uwe invrijheidsstelling bewerken, maar gij komt uit die kooi niet, alvorens den diamant teruggegeven te hebben."
"De diamant, vadertje!" riep Makatit uit. "De diamant.... maar dien heb ik niet!.... Ik heb hem nooit gehad!.... Dat zweer ik.... ja, dat zweer ik!"
Hij zeide dat op zulk een toon van oprechtheid, dat Cyprianus zeer goed begreep, dat hij zijne eerlijkheid niet meer kon in twijfel trekken. Men weet het bovendien, het had hem steeds veel moeite gekost om Makatit voor den schuldige aan den gepleegden diefstal te houden.
"Maar," vroeg hij hem, "als gij dien diamant niet gestolen hebt, waarom hebt ge dan de vlucht genomen?"
"Waarom, vadertje? Wel omdat men, toen mijne makkers de stokjesproef ondergingen, zeide dat niemand anders de dief kon zijn dan ik, dat ik listig te werk was gegaan om achterdocht te verijdelen. Nu weet gij zeer goed, dat in Grikwaland, wanneer het een Kaffer geldt, men veel spoediger met veroordeelen en hangen gereed is dan met onderzoeken en ondervragen!.... Toen ben ik beangst geworden en heb ik als een schuldige de vlucht genomen."
"Wat die arme duivel daar zegt, komt mij zeer waarschijnlijk voor," meende Pharamond Barthès.
"Ik twijfel er in het geheel niet meer aan," antwoordde Cyprianus, "en waarlijk, ik kan hem geen ongelijk geven, dat hij gepoogd heeft zich aan de rechtsbedeeling in Grikwaland te onttrekken!" En zich tot Makatit wendende:
"Welnu, neen," ging hij voort, "ik twijfel aan uwe onschuld niet meer ten opzichte van den diamant-diefstal. Maar men zal ons waarschijnlijk in de Vandergaart-Kopjes-mijn niet gelooven wanneer wij uwe onschuld zullen betuigen. Wilt gij die kans loopen, en er terugkeeren?"
"Ja!.... ik wil alles wagen, alles doorstaan, om niet langer hier te blijven!" riep Makatit uit, die aan den hevigsten angst ten prooi scheen.
"Wij zullen die zaak in behandeling nemen," antwoordde Cyprianus, "en mijn vriend Pharamond Barthès zal haar ongetwijfeld wel tot een goed einde brengen!"
En inderdaad, de jager, die geen tijd verloren liet gaan was reeds met Tonaïa in onderhandeling.
"Spreek vrij uit!...." vroeg hij aan den negerkoning, "wat moet gij in ruil voor uwen gevangene hebben?"
"Ik moet vier geweren tien maal tien patronen voor elk wapen en vier zakjes met glazen kralen hebben.--Dat is niet te veel niet waar?"
"Dat is twintigmaal te veel; maar Pharamond Barthès is uw vriend en hij zal alles doen om u aangenaam te zijn. Luister, Tonaïa," ging hij na een poos nadenkens voort, "gij zult de vier geweren, de vier honderd patronen en de vier zakjes met glazen kralen hebben. Maar gij van uwen kant zult ons een span ossen leveren, eene eerewacht met de noodige levensmiddelen, om mijn geheele gezelschap door de Transvaal te voeren."
"Top!" antwoordde Tonaïa. Die zaak is beklonken!"
Daarop boog hij zich vertrouwvol tot Pharamond en fluisterde hem in het oor:
"De ossen zijn dadelijk gevonden. Het zijn die, welke mijne lieden ontmoet hebben, toen zij naar hunne stallen wilden terugkeeren en die zij naar mijne kraal gedreven hebben. Dat was geheel en al volgens het oorlogsgebruik, niet waar?"
De gevangene werd toen terstond ontslagen, en na nog een laatsten blik gewijd te hebben aan de pracht der grot, keerden Cyprianus, Pharamond en Makatit, na zich geduldig te hebben laten blinddoeken, naar het paleis van Tonaïa terug, waar een groot feestmaal gegeven werd, om het sluiten van het verdrag te vieren.
Eindelijk werd nog besloten dat Makatit niet dadelijk in de Vandergaart-Kopjes-mijn zoude verschijnen; dat hij in de omstreken zou verwijlen en dan eerst zijn dienst bij den jongen ingenieur zou hervatten, wanneer deze laatste verzekerd er van zoude zijn, dat zulks zonder gevaar kon geschieden. Zooals men wel zien zal, was dat geen noodelooze voorzorg.
Pharamond, Cyprianus en Makatit vertrokken dientengevolge den volgenden morgen met een flinke eskorte naar Grikwaland. Maar men kon zich thans geene illusiën meer scheppen! De _Zuidster_ was onherroepelijk verloren en master Watkins zou haar niet kunnen laten schitteren in den Tower van Londen, te midden van de schoonste kroonjuweelen van Engeland!
TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
DE TERUGKEER.
Nooit had John Watkins in zulk een booze luim verkeerd, dan sedert het vertrek der vier mededingers, die den vluchtenden Makatit zouden vervolgen. Iedere dag, iedere week, die voorbij snelde, scheen hem een karaktergebrek te meer te verleenen, terwijl de kansen, die hij meende te hebben tot terugerlanging van den kostbaren diamant, al minder en minder werden. Daar kwam nog bij, dat hem zijne gewone tafelschuimers ontbraken, te weten: James Hilton, Friedel, Hannibal Pantalucci en zelfs Cyprianus, dien hij gewoon was in zijn gezelschap te zien. Hij zocht dus zijn troost in zijne jeneverkruik en, het moet wel erkend worden, die alcoholische troost was niet geschikt om zijne inborst te verzachten.
Men had bovendien wel reden op de hoeve zich omtrent het lot der overblijvenden van den tocht ongerust te maken. Want inderdaad, Bardik, die door eene bende Kaffers opgelicht werd, was er in geslaagd, eenige dagen later te ontsnappen. Bij zijn terugkeer in Grikwaland had hij John Watkins den dood van James Hilton en van Friedel medegedeeld. Dat was wel een slecht voorteeken voor de overlevenden, namelijk voor Cyprianus Méré, voor Hannibal Pantalucci en voor den Chinees Li.
Alice gevoelde zich dan ook zeer ongelukkig. Zij zong niet meer en haar piano bleef volmaakt stom. Ter nauwernood konden hare struisvogels haar nog eenige belangstelling inboezemen. Zelfs Dada had het voorrecht niet meer hare meesteres door haar gulzigheid te doen glimlachen. Zij slokte straffeloos de meest uiteenloopende zaken naar binnen, zonder dat iemand dat belette.
Miss Watkins zat nu tusschen twee vreezen benepen, die al grooter en grooter in hare verbeelding werden. De eerste was: dat Cyprianus nimmer van dien verwenschten tocht zoude wederkeeren; de tweede: dat Hannibal Pantalucci, de meest verafschuwde der drie mededingers om hare hand de _Zuidster_ kon terugbrengen en den prijs van zijn welslagen kon vorderen. Het denkbeeld dat zij genoodzaakt zou kunnen worden als de wederhelft op te treden van dien boosaardigen en sluwen Napolitaan, die haar eene onoverwinnelijke walging inboezemde, vooral sedert zij een meer bevallig mensch, als Cyprianus Méré van nabij had leeren kennen en waardeeren, was haar onverdragelijk, maar die gedachte was toch niet te verdrijven. Zij dacht er over dag en zij droomde er des nachts van. Hare frissche kleur verbleekte en hare blauwe oogen benevelden zich met een somber waas.
Nu wachtte zij zoo reeds drie maanden in zak en asch. Dien avond juist zat zij bij de lamp, terwijl haar vader bij zijne kruik jenever ingedommeld was. Zij had het hoofd over eenig borduurwerk, dat zij ter hand genomen had, om de verwaarloosde muziek te vervangen, voorover gebogen, en mijmerde zoo droefgeestig mogelijk.
Een bescheiden geklop brak plotseling hare droomerijen af.
"Binnen!" riep zij, vrij verwonderd, dat iemand nog zoo laat kon komen.
"Ik ben het slechts, miss Watkins," antwoordde eene stem, die haar deed trillen. Het was de stem van Cyprianus.
Hij was het waarlijk, maar bleek, vermagerd, door de zon gebruind, met een langen baard, die hem schier onherkenbaar maakte, met kleêren aan het lijf, die door de gebeurtenissen, welke zij beleefd hadden, meer dan geleden hadden. Maar al zag hij er armzalig uit, hij was steeds vlug ter been, steeds beschaafd en beleefd, met een helderen blik en een glimlach op de lippen.
Alice was met een kreet van verwondering en vreugde opgesprongen. Met hare eene hand poogde zij het kloppen van haar hart te bedwingen, de andere stak zij evenwel den jeugdigen ingenieur toe, die haar greep, haar tusschen de zijne sloot, toen master Watkins, uit zijne dommeling ontwakende, de oogen opende en vroeg wat er toch gaande was.
De dronkaard had een paar minuten noodig, om zich omtrent de werkelijkheid rekenschap te geven. Maar nauwelijks was een sprank van bewustzijn in dat hoofd teruggekeerd, toen hem een kreet--ja, waarlijk een kreet des harten ontsnapte:
"En de diamant?"
De diamant? Helaas! neen, die was niet mee teruggekomen.
Cyprianus verhaalde vlug al de verschillende tafereelen der expeditie: hoe Friedel, Hannibal Pantalucci en James Hilton den dood gevonden hadden. Hij vertelde de vervolging van Makatit, diens gevangenschap bij Tonaïa, maar hij verzweeg diens terugkeer in Grikwaland,--hoewel hij openhartig zijn zekerheid mededeelde, omtrent de onschuld van den jeugdigen Kaffer. Hij vergat niet zijn volle waardeering omtrent de toewijding van Bardik en van Li te doen blijken; hij bracht alle hulde aan de vriendschap van Pharamond Barthès en herinnerde zich gaarne alles, wat hij aan den koenen jager verschuldigd was, en hoe hij door zijne tusschenkomst het geluk had, om terug te komen van eene reis, die zoo noodlottig voor zijne tochtgenooten geweest was. Geheel onder den indruk van de aandoening, die hem zijn eigen tragisch verhaal inboezemde, bedekte hij wetens en willens met den mantel der liefde al de tekortkomingen en al de snoode en misdadige plannen zijner mededingers, en verkoos hij in hen niets anders te zien dan slachtoffers, omgekomen bij het najagen van een gemeenschappelijk doel. Hij verhaalde alles, behalve datgene waarvan hij geheimhouding gezworen had, te weten het bestaan van de wondergrot en van de rijkdommen aan mineralen, welke zij bevatte en waarbij vergeleken, al de diamanten van Grikwaland waardeloos grint waren.