De Zuidster, het land der diamanten

Chapter 17

Chapter 173,800 wordsPublic domain

Cyprianus Méré bevond zich thans, voor de eerste maal sedert zijn vertrek van de Vandergaart-Kopjes-mijn, alleen in de woestijn. Hij gevoelde zich uitermate treurig gestemd en kon niet nalaten, nadat hij zich in zijn reisdeken gewikkeld had, zich aan de naarste voorgevoelens over te geven. Hij was daar alleen, bijna zonder levensmiddelen en munitie! Wat moest er van hem worden in dit onbekende land, op honderden mijlen afstands van ieder beschaafd oord? Makatit bereiken? Ja, daartoe was thans de kans gering. Kon die zich niet op een afstand van een halven kilometer van hem bevinden, zonder dat hij, Cyprianus, zulks kon gissen? Inderdaad, die geheele onderneming was een zeer rampspoedige geweest en was slechts door tragische gebeurtenissen gekenmerkt geworden. Bijna iedere honderd mijlen, die voorwaarts geschreden waren, had aan een der leden van het gezelschap het leven gekost. Eén bleef nog over.... Eén.... en dat was hijzelf.... Was hij wellicht ook voorbeschikt om even ellendig aan den eindpaal van zijn leven te komen als de anderen?

Dat waren de droeve nabetrachtingen, die het brein van Cyprianus bestormden; toch slaagde hij er in om in te slapen.

De morgenkoelte en de rust, die hij gesmaakt had, gaven bij zijn ontwaken een meer vertrouwvolle richting aan zijne gedachten. Hij besloot, in afwachting van den terugkeer van den Chinees, den hoogen heuvel te beklimmen, aan wiens voet hij halt gemaakt had. Hij zou zoo met den blik een meer uitgestrekt terrein kunnen overzien en wellicht zou hij, met behulp van zijn verrekijker, er in slagen eenig spoor van Makatit te ontdekken. Maar om die beklimming te kunnen uitvoeren, moest hij zijne giraffe achterlaten; geen dierkundige had toch ooit zoo'n viervoeter onder de klauteraars gerangschikt.

Cyprianus begon haar te ontdoen van den halster, die door Li zoo behendig en vlug vervaardigd was.

Daarna bond hij haar met een poot aan een boom vast, die met overvloedig malsch gras omringd was en liet het touw zoolang schieten, dat het dier voldoende en gemakkelijk kon grazen. En waarlijk, wanneer men de lengte van den hals van de giraffe bij die van het touw voegde, dan was de kring, waarbinnen het bevallige dier grazen kon, vrij uitgestrekt en meer dan voldoende te rekenen.

Toen die voorbereiding getroffen was, nam Cyprianus zijn geweer over den eenen schouder, zijn deken behoorlijk opgerold over den anderen en na met een vriendschappelijken klap afscheid van zijn giraffe genomen te hebben, begon hij de bestijging van den berg.

Die bestijging was lang en moeitevol. Hij bracht den geheelen dag door met uiterst steile hellingen op te klimmen, met rotsen of onoverkomelijke spitsen om te trekken en met langs den oost- of zuidkant te beproeven, wat hij te vergeefs langs den noord- of westkant beproefd had.

Toen de nacht begon te dalen, was Cyprianus nog maar ter halver hoogte van den berg aangekomen en moest dus de verdere bestijging tot den volgenden morgen uitstellen.

Bij het aanbreken van den dag steeg hij verder, na eerst goed uitgekeken te hebben, of Li nog niet in de kampementsplaats teruggekeerd was, en kwam hij tegen elf uur des voormiddags op den top van den berg aan. Eene groote teleurstelling wachtte hem daar. De hemel was met wolken bedekt. Dichte nevelen zweefden langs de benedenhellingen van den berg. Cyprianus trachtte te vergeefs met den blik dat gordijn te doorboren, ten einde de dalen te doorzoeken. Maar het geheele landschap verdween onder eene opeenhooping van vormlooze dampen, die niet toelieten iets daaronder te onderscheiden.

Cyprianus hield evenwel vol, en wachtte, steeds hopende dat die nevels zouden optrekken en dat hij dien uitgestrekten gezichteinder zou ontwaren, dien hij hoopte te zien. Het was te vergeefs. Naar mate de dag vorderde, schenen de wolken in dikte toe te nemen, terwijl het bij het invallen van den nacht bepaald begon te regenen.

De jeugdige ingenieur werd dus door dat prozaïsche luchtverschijnsel overvallen, juist toen hij op dien kalen top zich bevond, waarop geen enkele boom, zelfs geen rots te vinden was, die eenige beschutting kon aanbieden; niets dan de kale uitgedroogde bodem, terwijl de nacht spoedig inviel, vergezeld van dien fijnen regen, die langzamerhand alles, zoowel de deken als de kleeding, door en door nat maakte.

De toestand werd kritiek en toch moest Cyprianus er vrede mede hebben. Want in de gegeven omstandigheden de afklimming van den berg te beproeven, zou inderdaad eene dwaasheid genoemd moeten worden. Hij was dus verplicht zich tot op het lichaam nat te laten regenen; maar hij rekende er op, zich den volgenden morgen in de zonnestralen te kunnen laten drogen.

Toen het eerste oogenblik van kwade luim voorbij was, beschouwde hij dien regen als een verkwikkend stortbad, dat hem de droogte en de warmte van de vorige dagen vergoedde. Hij maakte zich wijs, om zich zelven over dat koopje te troosten, dat die regen niets onaangenaams in zich had. Wat hem evenwel minder beviel, was dat hij zijn middagmaal zoo niet geheel rauw, dan toch geheel koud moest gebruiken. Vuur toch te doen ontbranden, of ook maar een lucifer te doen ontvlammen in zoo'n weer, was totaal onmogelijk en daaraan kon niet gedacht worden. Hij vergenoegde zich dus met een blik verduurzaamde levensmiddelen te openen en den inhoud, zooals hij was, op te peuzelen.

Een of twee uur later voelde de jeugdige ingenieur zich verkleumd door den killen regen. Hij legde zijn hoofd op een zwaren steen, wikkelde zich in zijne druipende deken en sliep in. Toen hij wakker werd, was het reeds geheel dag en leed hij aan eene zware koorts.

Cyprianus begreep dat hij verloren was, wanneer hij in dien stortregen bleef, want het weer was al slechter en slechter geworden, zoodat nu het water met stroomen uit de lucht viel. Hij poogde overeind te komen en geleund op zijn geweer, hetwelk hij als een steunstok gebruikte, begon hij den berg af te dalen.

Hoe kwam hij beneden? Dat zou hij waarachtig niet hebben kunnen zeggen. Nu eens rolde hij langs de kletsnatte hellingen, dan weer liet hij zich langs kletsnatte rotsen afglijden en zoo zette hij gehavend, hijgend, verblind, door de koorts verteerd, den weg voort en kwam tegen het middaguur in de kampementsplaats aan, waar hij zijne giraffe had achtergelaten.

Maar het dier was weg. Het was waarschijnlijk ongeduldig geworden, toen het zich zoo alleen zag; het was waarschijnlijk ook door den honger gekweld geworden, want het gras was, tot zoover het touw het dier toegelaten had te reiken, schoon afgegraasd. Het had dan ook dat touw aangetast en was vrij geworden, toen het dit doorgeknabbeld had.

Cyprianus zou dien nieuwen slag, dien het ongeluk hem toebracht, gevoeld hebben, wanneer hij in zijn normalen toestand geweest ware. Maar hij was uitermate moede en de loomheid daardoor veroorzaakt, liet hem de kracht daar niet toe. Toen hij aangekomen was, kon hij nog slechts zijn ransel grijpen, dien hij gelukkig terug vond, om droge kleederen aan te trekken. Daar nu viel hij doodvermoeid onder een broodvruchtenboom neer, die de kampementsplaats overschaduwde.

Toen ondervond hij een zonderlingen toestand van slaperigheid, van koortsachtigheid, van ijlhoofdigheid, waarin al zijne gewaarwordingen zich oplosten, waarin de tijd, de ruimte, de afstanden geen beteekenis voor hem hadden. Was het nacht of dag? Regende het, of scheen de zon? Hoe lang lag hij daar? Sedert twaalf uren of sedert zestig? Leefde hij nog, of was hij dood reeds? Hij was onmachtig daarop te antwoorden. De meest behaaglijke droomen en de verschrikkelijkste spookgezichten wisselden elkander voortdurend in zijn ziek brein af. Parijs, de mijnschool, de ouderlijke haard, de hoeve te Vandergaart-Kopje Kopje, Miss Watkins, Hannibal Pantalucci, Hilton, Friedel en legioenen olifanten. Makatit en geheele vluchten vogels die over een hemel zonder grenzen verspreid waren, al zijne herinneringen, al zijne gewaarwordingen, al zijne antipathieën, al zijne teedere gevoelens, woelden in zijne hersenen als in eene onmetelijken maalstroom. Bij die scheppingen der koorts mengden zich soms gewaarwordingen, die hare oorzaak buiten hem hadden. Wat vooral vreeselijk was, dat was dat de zieke te midden van een ontzettend gejank van jakhalzen, van een gemauw van tijgerkatten, van een gegrinnik van hyena's den roman, door zijne ijlhoofdigheid opgewekt, onbewust, onafgebroken voortzette en eindelijk een geweerschot meende te hooren, dat door eene diepe stilte opgevolgd werd. Daarna viel het helsche concert andermaal met vernieuwde kracht in, om tot het aanbreken van den dag te duren.

Ongetwijfeld zou Cyprianus in die ijlhoofdigheid en zonder er eenig bewustzijn van te hebben, uit de koorts in de armen des doods overgegaan zijn, wanneer niet de meest vreemde, de meest buitensporige gebeurtenissen, ten minste oppervlakkig beschouwd, den natuurlijken gang van zaken hadden komen storen.

Toen de dageraad aangebroken was, had de regen opgehouden, en toen Cyprianus ontwaakte, stond de zon reeds vrij hoog boven den horizon. Hij deed flauw en mat de oogen open en ontwaarde, maar zonder dat dit zijne nieuwsgierigheid opwekte, een grooten struisvogel, die naar hem toe kwam en op een afstand van twee of drie passen bleef staan.

"Zou dat de struisvogel van Makatit zijn?" vroeg de ingenieur zich af, steeds meenende te doen te hebben met de ijle beelden zijner zieke hersenen.

De steltlooper in persoon zou hem antwoorden en--wat meer wil zeggen--zou hem in zuiver Fransch antwoorden.

"Waarachtig, ik bedrieg mij niet!.... Cyprianus Méré!.... Wat drommel, mijn arme makker, voer jij hier uit?"

Een struisvogel, die Fransch sprak! Een struisvogel, die zijn naam wist! Inderdaad daar was stof genoeg voorhanden, om een gewoon verstand en om gezonde hersenen van streek te brengen. Welnu, Cyprianus was volstrekt niet verwonderd over dat schier onmogelijk verschijnsel; hij vond het integendeel geheel natuurlijk. Zijne droomen hadden hem wel andere tafereelen gedurende den afgeloopen nacht doen zien! Het scheen hem het eenvoudige gevolg toe van zijne ijlhoofdigheid, van zijne zieke hersenen.

"Gij zijt niet zeer beleefd, mijnheer de struisvogel!" antwoordde hij. "Met welk recht spreekt gij mij zoo gemeenzaam met jij aan?"

Die woorden werden op dien drogen, hortenden toon, zoo gewoon bij koortslijders, die geen twijfel omtrent den aard hunner ziekte overlaat, uitgestoten. De struisvogel scheen er bewogen door.

"Cyprianus!.... mijn vriend!.... Je bent ziek en.... zoo geheel alleen in de wildernis!" riep hij uit, terwijl hij zich bij den zieke op de knieën wierp.

Dat was een psychiologisch verschijnsel nog gekker bij dien steltlooper dan het spraakvermogen; want het buigen der knieën is eene beweging, welke aan die dieren door de natuur gewoonlijk verboden is. Maar Cyprianus verwonderde zich in zijn koortsachtigen toestand ook daarover niet. Hij vond het zelfs zeer natuurlijk, dat die struisvogel een lederen flesch met frisch water gevuld, dat met cognac aangemengd was, van onder zijn linkervlerk te voorschijn haalde en hem de halsopening tusschen de lippen bracht.

Het eenige wat hem begon te verwonderen, was toen het vreemdsoortige dier opstond en daarbij eene soort opperhuid afwierp, die zijn natuurlijk gevederte scheen te zijn, en daarna ook een langen hals, waarop een vogelkop prijkte, aflegde; maar toen, toen eerst vertoonde zich die struisvogel, nadat hij zijn geleende pak had ter zijde geschopt, onder de gedaante van een grooten, stevigen kerel, die niemand anders was dan Pharamond Barthès, groot jager voor Gods aangezicht en voor de menschen!

"Welnu ja!.... ik ben het," riep Pharamond uit. "Heb je dan mijne stem bij de eerste woorden, die ik sprak, niet herkend?.... Je bent over mijn opschik verwonderd? Dat is een krijgslist, die ik van de Kaffers geleerd heb, om de echte struisvogels dicht genoeg te kunnen naderen, om hen met de assagaai te kunnen dooden!.... Maar laat ons over jou spreken, arme vriend!.... Hoe kom je hier, zoo ziek en verlaten?.... Het is wel het grootste toeval van de wereld te noemen, dat ik je ontdekt heb, terwijl ik hier ronddrentelde. Ik wist niet eens, dat je in dit land waart!"

Cyprianus was niet in staat veel te spreken. Hij kon zijn vriend dan ook slechts zeer oppervlakkige inlichtingen geven omtrent zijn persoon. Daarenboven, Pharamond begreep van zijn kant zeer goed, dat in de gegeven omstandigheden het verleenen van hulp aan den zieke wel de meeste haast vereischte. Die hulp had den armen drommel tot nu toe ontbroken en daarin moest nu voorzien worden.

Die koene jager had sedert zijn aankomst in dat land veel ervaring der woestijn opgedaan. Hij had onder anderen eene bijzondere maar afdoende geneeswijze voor de moeraskoorts, waaraan zijn arme makker leed, van de Kaffers geleerd.

Pharamond Barthès begon dan ook dadelijk in den grond een soort kuil te graven, die hij met hout vulde, nadat hij eene opening uitgespaard had, om de lucht toe te laten. Hij stak dat hout in brand en toen het tot asch verteerd was, kon die kuil als een werkelijke oven beschouwd worden. Daarna legde Pharamond Barthès zijn vriend Cyprianus er in, dekte hem zorgvuldig toe en liet slechts zijn hoofd vrij. Geen tien minuten waren nog verloopen, toen bij den zieke een geweldig zweet uitbrak. De zweetkuur werd door den nieuwbakken dokter zoo overvloedig mogelijk onderhouden, door de toediening van vijf of zes koppen van een aftreksel, dat hij van eenige hem bekende kruiden vervaardigd had. Cyprianus viel weldra in die stoof in een diepen en weldadigen slaap.

De zon neigde ten ondergang, toen hij de oogen weer opende. Hij gevoelde zich toen zoo bepaald verlicht en beter, dat hij om eten vroeg. Zijn vindingrijke vriend wist voor alles raad. Hij zette hem dadelijk een overheerlijke soep voor, die hij van de opbrengst zijner jacht en van verschillende soorten wortels gekookt had. Een vleugel van een gebraden trapgans en een kommetje met water, waarin een scheutje cognac, voltooiden dat maal, hetwelk aan Cyprianus eenigermate zijne krachten terugschonk, en de nevelen, die zijn brein verduisterden, verdreef.

Een uur later was Pharamond Barthès, die op zijn beurt ook voor den stoffelijken mensch gezorgd had, bij den jongen ingenieur neergezeten en verhaalde hem, hoe hij hier kwam in dien zoo vreemden tooi, waarin hij zich voor zijn vriend vertoond had.

"Ge weet," zei hij, "waartoe ik in staat ben, wanneer het geldt eenig nieuw wild na te jagen. Nu heb ik in de laatste zes maanden zooveel olifanten neergelegd, zooveel zebra's, zooveel giraffen, zooveel leeuwen en andere wildstukken van den meest uiteenloopenden pels of van het meest verschillend gevederte--onder welke laatste een menschenvretende arend, de trots van mijne verzameling,--dat het denkbeeld eenige dagen geleden bij mij opkwam, om mijne jachtvermaken eenigermate af te wisselen. Tot dusver reisde ik steeds rond, omgeven door mijne Bassuto's--een dertigtal stevige vastbesloten kerels, die ik maandelijks met een zakje glaskoralen betaal, en die zoo veel toewijding voor mij gevoelen, dat zij zich voorzeker voor hunnen heer en meester in het vuur zouden werpen. Maar onlangs genoot ik gastvrijheid bij Tonaïa, het groote opperhoofd in deze streken. Ik had hem bezocht om het jachtrecht op zijn grondgebied te verkrijgen, een recht waaraan hij nog meer gehecht is dan een Schotsche lord. Hij verzocht mij mijne Bassuto's en vier geweren te leen om een krijgstocht te ondernemen, dien hij tegen een van zijne naburen beraamde. De vermeerdering van macht en die bewapening hadden hem eenvoudig onoverwinnelijk gemaakt, en hij heeft dan ook den meest schitterenden triomf op den vijand behaald. Dat is de oorzaak van eene onverbreekbare vriendschap, die ons verbindt, eene vriendschap, welke wij met ons bloed bezegeld hebben, dat wil zeggen: dat wij ons zelven eene kleine verwonding aan den voorarm toegebracht hebben en dat wij dit wondje uitgezogen hebben, wel te verstaan hij het mijne en ik het zijne! Voortaan zijn wij, Tonaïa en ik, vrienden tot in den dood! Overtuigd dat ik voortaan in de geheele uitgestrektheid zijner bezittingen niets meer te vreezen heb, ben ik eergisteren op weg gegaan om jacht op tijgers en op struisvogels te maken. Wat de eersten betreft, ik heb het genoegen gehad verleden nacht een tijger neer te leggen, en het zou mij verwonderen, wanneer je het spektakel niet gehoord hebt, hetwelk mijn schot voorafging. Verbeeld je, ik had mijne veldtent opgeslagen bij het lichaam van een buffel, dien ik in den loop van den dag gedood had, natuurlijk in de hoop om zoo'n roofdier in het midden van den nacht te zien verschijnen. En werkelijk mijne hoop werd verwezenlijkt: een dier snuiters werd door den doordringenden reuk van het aas aangelokt; maar het ongeluk wilde, dat twee- of driehonderd jakhalzen, hyena's en tijgerkatten dezelfde werking ondervonden en ook genaderd waren. Die voerden een wanluidend concert uit, dat voorzeker tot hier heeft moeten doordringen."

"Ik geloof, dat ik zoo iets gehoord heb," antwoordde Cyprianus. "Ja, zeker, ik meende zelfs, dat dit concert ter mijner eere gegeven werd."

"Waarachtig niet, waarde vriend!" riep Pharamond Barthès uit. "Niet ter uwer eer, maar ter eere van een buffelkreng, dat daar ginds lag in dat dal, wat gij van hier aan uwe rechterzijde zien kunt. Toen de dag aangebroken was, bleef niets anders over van den kolossalen herkauwer dan zijn geraamte! Ik zal je dat vertoonen; het is een kunststuk op het gebied der ontleedkunde!.... Je zult ook mijn tijger zien, het fraaiste dier, dat ik neergelegd heb, sedert ik Afrika's jachtvelden betreden heb. Ik heb hem afgestroopt en zijn pels hangt aan een boom om te drogen!"

"Maar die vreemdsoortige opschik, dien je heden morgen droegt?" vroeg Cyprianus.

"Dat was een struisvogel-costuum. Zooals ik je gezegd heb, gebruiken de Kaffers vaak die list, om die steltloopers, die zeer wantrouwend en daardoor moeielijk te schieten zijn, te kunnen naderen!.... Ge zult zeggen, dat ik daarvoor mijne uitmuntende buks heb!.... Dat is wel waar, maar wat zal ik u zeggen? De gril om op Kafferwijze te jagen, heeft mij verleid en zie, die gril heeft mij het geluk verschaft, u te ontmoeten en dat zeer van pas, nietwaar?"

"Ja zeker, zeer van pas, Pharamond!.... Ik geloof zelfs, dat ik, zonder u, reeds niet meer tot deze aarde zou behooren!" antwoordde Cyprianus, terwijl hij zijn vriend hartelijk de hand schudde.

Hij bevond zich nu buiten zijn stooftoestel en lag op een bed uitgestrekt, dat zijn makker hem aan den voet van den broodboom gespreid had.

Maar de wakkere kerel liet het daar niet bij. Hij wilde zijne veldtent, die hij steeds bij zijne omzwervingen bij zich droeg, in het naburige dal gaan halen, en een kwartier was nog niet verloopen, toen hij reeds bij zijn dierbaren zieke terug was en hij die tent opgeslagen had.

"En nu, vriend Cyprianus," zei hij, "laat mij thans uwe geschiedenis vernemen, wanneer ten minste het verhaal u niet vermoeien zal?"

Cyprianus voelde zich krachtig genoeg, om aan de zeer natuurlijke nieuwsgierigheid van Pharamond Barthès te kunnen voldoen. Zeer ter loops vertelde hij wat hem in Grikwaland overkomen was, waarom hij dat land verlaten had, waarom hij Makatit en zijn diamant achtervolgde. Hij verhaalde de voornaamste gebeurtenissen van dien tocht, hoe Hannibal Pantalucci, hoe Friedel en hoe James Hilton omgekomen waren. Hij vertelde het verdwijnen van Bardik en eindelijk hoe hij op Li zat te wachten, die naar het kampement moest terugkeeren.

Pharamond Barthès luisterde met alle aandacht. Toen Cyprianus hem vroeg of hij niet een jongen Kaffer, waarvan hij hem het signalement gaf, en die niemand anders dan Bardik was, ontmoet had, antwoordde hij ontkennend.

"Maar," zei hij, "ik heb een ronddolend paard opgevangen, dat het uwe wel kan zijn."

Hij verhaalde daarop, hoe hem dat paard in handen was gevallen.

"Het is juist twee dagen geleden," zei hij, "toen ik met drie mijner Bassuto's in het zuidelijk gebergte jaagde. Eensklaps zag ik een prachtig grijs paard uit een hollen weg komen aansnellen. Het had niets anders dan een halster om, waaraan een lang touw sleepte. Het dier scheen onbesloten wat te doen, en kwam dadelijk naar mij toe, toen ik het een handvol suikerriet liet zien. Zie, zoo heb ik hem gevangen.--Het is een prachtig dier vol vuur en vol moed en hard van vleesch als een gerookte ham."

"Dat is mijn paard.... Dat is Templar!" zei Cyprianus.

"Welnu, waarde vriend, dan is Templar weer uw eigendom! Het is mij een waar genoegen het u te kunnen teruggeven. Kom, ik wensch u goeden nacht. Slaap thans weer in. Morgen ochtend bij het krieken van den dag zullen wij deze heerlijke plek verlaten!"

En zijn raad met het voorbeeld gepaard doende gaan, wikkelde Pharamond Barthès zich in zijn deken en sliep in.

Den volgenden ochtend kwam de Chinees juist met eenige provisieën in het kampement terug. Pharamond had dan ook al den tijd om hem op de hoogte te stellen, voor dat Cyprianus ontwaakt was. Hij droeg hem op zijn baas te bewaken, terwijl hij het paard ging halen, welks verlies voor den jeugdigen ingenieur zoo smartelijk was geweest.

NEGENTIENDE HOOFDSTUK

DE WONDERGROT.

Het was inderdaad Templar, dien Cyprianus bij zijn ontwaken voor zich zag. Het wederzien was van beide kanten uitermate liefderijk. Men zou gezegd hebben, dat het paard bijna evenveel genoegen smaakte als zijn berijder over de ontmoeting.

Cyprianus voelde zich sterk genoeg om na het ontbijt te paard te stijgen, ten einde dadelijk te vertrekken. Pharamond laadde al de bagage, die niet veel was, op het achterstel van Templar, greep het dier bij den teugel en aanvaardde de reis naar de hoofdstad van Tonaïa.

Onderweg verhaalde Cyprianus, thans evenwel in meerdere bijzonderheden, de voornaamste voorvallen van zijn tocht sedert zijn vertrek uit Grikwaland. Toen hij de laatste verdwijning van Makatit verteld had, wiens signalement hij beschreef, begon Pharamond te lachen.

"Kijk, kijk," zei deze, "dat is aardig! Ik geloof, dat ik u tijdingen van den dief kan geven."

"Hoe dat zoo?" vroeg Cyprianus verrast.

"Luister. Mijne Bassuto's hebben nu zoo wat vier en twintig uren geleden een jongen Kaffer gevangen genomen, die in deze streken rondzwierf, en gebonden aan Tonaïa overgeleverd. Ik geloof wel, dat die voornemens was, hem van een leelijke kermis te huis te laten komen; want hij is erg bang voor verspieders, en de Kaffer, tot een vijandigen stam behoorende, kon van niets anders verdacht worden. Men heeft hem evenwel tot nu toe het leven gespaard. Tot zijn geluk kende de arme drommel eenige goochelaarstoeren, waardoor hij zich voor een toovenaar kon uitgeven...."

"O! een toovenaar," riep Cyprianus uit. "Nu is er geen twijfel meer, dat is Makatit."

"Welnu, hij kan er op pochen, dat hij een fameusen dans ontsprongen is. Tonaïa heeft voor zijne vijanden een groote verscheidenheid van folteringen uitgevonden, die niets te wenschen overlaat. Maar, ik herhaal het, ge kunt tamelijk gerust over zijn lot zijn. Hij wordt door zijne hoedanigheid van toovenaar beschermd, en wij zullen hem heden avond nog gezond en wel aantreffen."

Het zal wel niet noodig zijn er op te wijzen, dat die tijding Cyprianus aangenaam was. Zijn doel was dus bereikt; want hij twijfelde er niet aan of Makatit zou, wanner hij nog in het bezit van den diamant was, hem wel overgeven.

Zoo koutten de twee vrienden gedurende den geheelen dag, terwijl zij de vlakte overstaken, die Cyprianus eenige dagen te voren, op eene giraffe gezeten, doorsneden had.