De Zuidster, het land der diamanten
Chapter 16
Geen vijf minuten waren voorbijgegaan, toen een geweerschot op eenigen afstand knalde. Dadelijk werd een driftig getrappel vernomen, dat evenals dat van een eskadron kavallerie iedere seconde al meer en meer naderde, en aanduidde dat de giraffen vluchtten, zooals Li voorspeld had. Zij volgden hun gewoon pad en kwamen recht op hem aan, zonder evenwel de tegenwoordigheid van een vijand te gissen, daar deze zich onder den wind bevond.
Het gezicht van die giraffen was inderdaad prachtig. Zij kwamen daar aanstuiven met hunne wijd geopende neusgaten, die zij naar de windzijde richtten om het gevaar te verkennen, met hunne kleine hoofden, die er zeer verschrikt uitzagen, en met hunne hangende tongen. Wat Li betreft, die verzuimde geen tijd met hen te bewonderen. Zijne stelling was oordeelkundig gekozen, dicht bij eene vernauwing van het pad, waar de dieren slechts twee aan twee voorbij konden komen. Hij behoefde slechts te wachten.
Hij liet er eerst drie of vier voorbijtrekken, toen er een opmerkende, die van een buitengewone grootte was wierp hij zijn eerste lasso uit. Het touw floot door de lucht en omsnoerde den hals van het fraaie dier, dat nog eenige sprongen deed. Het touw liep evenwel strak en belette de ademhaling van het arme slachtoffer, dat dan ook stil moest blijven staan.
De Chinees had alweer geen tijd verloren met er naar te staan kijken. Nauwelijks had hij gezien, dat zijn lasso het doel bereikt had, of hij greep de tweede ter hand en omstrikte daarmede een andere giraffe.
Dit lukte niet minder. Dat alles was zoo snel in zijn werk gegaan, dat er niet meer dan een halve minuut voor gevorderd was. De geheele kudde was reeds uitermate verschrikt uit elkander en naar alle windrichtingen gestoven, de gevangen en half geworgde dieren evenwel achterlatende.
"Kom dan toch, vadertje," riep de Chinees tot Cyprianus, die, hoewel hij niet veel vertrouwen in de onderneming stelde, toch zoo spoedig mogelijk kwam aanloopen.
Hij moest evenwel zijne oogen wel gelooven. Er waren daar twee prachtige dieren gevangen, die groot en sterk waren, goed in het vleesch zaten, fijne en sterke pooten bezaten en welker huid glom van gezondheid. Maar hoe Cyprianus hen ook bekeek en bewonderde, hij kon er maar niet toe komen om het denkbeeld, dat die dieren berijdbaar te maken zouden zijn, voor verwezenlijking vatbaar te houden.
"Hoe zich inderdaad op zoo'n ruggestreng te houden, die naar het achter stel onder een hoek van minstens vijf en veertig graden afdaalt?" vroeg hij lachende.
"Door zich op de voorschotten en niet op den rug van het dier te zetten," antwoordde Li. "Zou het daarenboven zoo moeilijk zijn een opgerolden deken onder het achterstuk van het zadel te plaatsen?"
"Wij hebben geen zadel."
"Ik zal het uwe straks gaan halen."
"En welk gebit wilt ge in zoo'n mond aanleggen?"
"Dat zult ge spoedig zien."
De Chinees had antwoord op alles, een deksel op alle pannetjes, zooals men zegt, en bij hem volgden de daden al heel spoedig op de woorden.
Het tijdstip om het middagmaal te nuttigen, was nog niet aangebroken, of de slimme bewoner van het Hemelsche rijk had reeds twee stevige halsters van een gedeelte van zijn touw gemaakt, en deed die om de hoofden en de halzen van de giraffen. De arme dieren waren zoo versuft door het ongeval, hetwelk hen overkomen was, en waren daarenboven zoo zacht van aard, dat zij volstrekt geen weerstand boden. Andere stukken touw zouden tot teugels dienen.
Toen die voorbereidende maatregelen getroffen en beëindigd waren, was er ter wereld niets gemakkelijker dan de gevangen dieren bij het halstertouw heen te voeren. Toen keerden Cyprianus en Li naar hunne kampementsplaats van den vorigen dag terug, om het zadel en de voorwerpen, die zij achter hadden moeten laten, te halen.
De namiddag en de avond gingen voorbij onder het nemen dier beschikkingen. De Chinees bewees werkelijk eene bewonderenswaardige behendigheid te bezitten. Niet alleen had hij weldra het zadel van Cyprianus zoodanig gewijzigd dat het horizontaal op den rug van een der giraffen kon gelegd worden, maar hij vervaardigde er ook een voor zich, en dat wel van takken van het geboomte. Vervolgens hield hij zich uit overmaat van voorzorg gedurende het overige gedeelte van den nacht onledig met den weerstand der twee giraffen te fnuiken, door hen herhaaldelijk te bestijgen en door hen door afdoende en gevoelige middelen aan het verstand te brengen dat zij hem gehoorzamen moesten.
ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.
EEN AFRIKAANSCHE WEDREN.
Toen de twee ruiters den volgenden morgen vertrokken, was hun aanblik inderdaad koddig en vreemdsoortig. Het is twijfelachtig of Cyprianus zich zoo wel voor miss Watkins in de groote straat van het kamp Vandergaart zou hebben willen vertoonen. Maar men moest zich in de omstandigheden schikken. Men bevond zich in de woestijn, en, alles wel beschouwd, waren de giraffen geen vreemdsoortiger rijdieren dan de drommedarissen. Hun gang had zelfs eenige overeenkomst met die "woestijn-schepen". Die gang was afgrijselijk hard en ging gepaard met een daadwerkelijk stampen als een vaartuig in een moeielijke zee. Dit bezorgde dan ook als onmiddellijk gevolg onzen beiden reizigers bij den aanvang der reis een gevoel als van beginnende zeeziekte.
Maar, na twee of drie uren boven op die dieren doorgebracht te hebben, waren Cyprianus en de Chinees genoegzaam aan die beweging gewend. Nu moet erkend worden dat de giraffen met een goeden pas doorstapten en zich zeer onderdanig betoonden, na evenwel eenige pogingen tot opstand aangewend te hebben, die echter dadelijk onderdrukt werden. Alles liep dus ten beste uit.
Het kwam er nu op aan, met kracht al den verloren tijd van de laatste drie of vier dagen der reis zoo spoedig mogelijk in te halen. Makatit moest hen thans een goed eind weegs vooruit zijn. Zou Hannibal Pantalucci hem niet reeds bereikt hebben? Wat er ook van aan mocht zijn, Cyprianus was vastbesloten niets te verwaarloozen wat hem tot zijn doel kon voeren.
Na drie dagen marsch waren de cavalleristen, of beter de girafferuiters in het vlakke land aangekomen. Zij volgden thans den rechteroever van een bochtigen waterstroom, welks hoofdrichting juist naar het noorden was.
Het was waarschijnlijk een cijnsplichtige nevenrivier van de Zambesi. De giraffen waren nu behoorlijk getemd. Daarenboven verzwakt door de lange dagreizen, die zij afgelegd hadden, maar niet minder door de schrale voeding, waaraan Li hen met voordacht stelselmatig onderwierp, lieten zij zich zeer gemakkelijk mennen. Cyprianus kon nu de lange teugels van zijn rijdier laten glippen, om het alleen door het aanleggen van de knieën te besturen.
Toen hij dan ook van die zorg bevrijd was, ondervond hij een waar genoegen, bij het verlaten van die woeste en verlaten streken, die hij tot nu toe doorreisd had, thans al de sporen eener reeds vrij ontwikkelde beschaving rondom zich te ontwaren. Hij bemerkte van afstand tot afstand manioc- of taro-velden, die zeer regelmatig aangelegd waren en besproeid werden door een stelsel van bamboebuizen, die aan elkander bevestigd waren en het water uit de rivier aanvoerden. Voorts zag hij breede en goed verharde wegen, zoodat het algemeene uiterlijk van eenige welvaart getuigde. Op de heuvelen, die den gezichteinder begrensden, verhieven zich witte hutten, die een dungezaaide bevolking huisvesting verleenden.
Toch gevoelde men dat men zich nog op de grenzen der woestijn bevond; dit was ten minste af te leiden uit het verbazend groot aantal wilde dieren, herkauwers en ook andere, die allerwege ontwaard werden en die deze vlakte bevolkten. Hier en daar verduisterden groote zwermen gevogelte als het ware de lucht. Men zag geheele kudden van gazellen of antilopen, die voorbij trokken. Soms verhief een monsterachtig nijlpaard zijn kop boven de oppervlakte der rivier, blies met kracht het water uit zijne neusgaten en dook weer onder, waarbij hij het gedruisch en het geklots van een waterval maakte.
Cyprianus was zoo geheel in de beschouwing van die tooneelen verdiept, dat hij onmogelijk bedacht kon zijn op een ander, dat het toeval hem bij een der buigingen van den heuvel, welken hij met zijn makker volgde, bereidde.
Dat was niet meer of minder dan de aanblik van Hannibal Pantalucci, die steeds te paard, met lossen teugel jacht maakte op Makatit in eigen persoon. Hoogstens een mijl scheidde hen nog van elkander, maar de afstand, die tusschen hen en Cyprianus en den Chinees bestond, was wel op vier mijlen te schatten.
De zon scheen helder en hare stralen schoten schier loodrecht neer in de vlakte, die als met een schitterend licht overstroomd werd. De dampkring was helder doorschijnend, gezuiverd als hij was door een heviger, oostenwind, die toen heerschte. Neen, er viel geen twijfel te koesteren; het oog kon zich niet vergissen.
Beiden waren zoo opgewonden door die ontdekking, dat hun eerste beweging was haar te vieren met eene wezenlijk arabische fantasia. Cyprianus liet een vroolijk hoerah hooren, en Li een keelklankachtig "hugh", wat hetzelfde moest beduiden. Daarna zetten zij hunne giraffen in sterken draf.
Klaarblijkelijk had Makatit den Napolitaan, die veld op hem begon te winnen, bespeurd, maar hij kon zijn ouden baas en zijn makker van het Vandergaarts-kopje niet zien, daar zij nog te ver verwijderd waren en zich op den rand der vlakte bevonden.
De jonge Kaffer bespoedigde dan ook zooveel mogelijk den gang van zijn karretje. Hij wist dat Hannibal Pantalucci de man niet was om hem genade te schenken. Integendeel, hij zou hem, zonder naar eenigen uitleg te willen luisteren, als een hond dooden. De struisvogel, die het karretje trok vloog over de vlakte en wel met zulk een snelheid en zulk een kracht, dat toen hij plotseling tegen een zwaren steen stuitte, er zoo'n hevige schok plaats had, dat de as van het voertuig, dat toch al op zulk eene lange en moeielijke reis veel geleden had, afknapte. Een der wielen ontsnapte aan de as, en Makatit en zijn voertuig rolden over den weg.
De arme Kaffer werd wel gehavend bij zijn val. Maar de schrik, die hem beheerschte, hield de overhand zelfs bij dien schok, of beter gezegd: hij werd daardoor verdubbeld. Hij was overtuigd dat het met hem gedaan zou zijn, wanneer hij door den Napolitaan ingehaald werd. Hij vloog dan ook zoo spoedig mogelijk op, spande dadelijk zijn struisvogel af en, schrijlings op het dier springende, bracht hij het in galop.
Nu begon een dolle wedren, een wedren, die iemand duizelingen kon bezorgen, een wedren, die nimmer op aarde gezien was, sedert de Romeinsche voorstellingen in het circus afgeschaft waren, alwaar de wedrennen van struisvogels en giraffen soms op het programma voorkwamen.
En inderdaad, terwijl Hannibal Pantalucci Makatit vervolgde, zetten Cyprianus en Li hem en ook den andere achterna. Hadden die beide laatsten niet allen grond om beiden te willen vatten, zoowel den jongen Kaffer om aan de kwestie van den gestolen diamant een einde te maken, als den valschen Napolitaan om hem te tuchtigen, zooals hij verdiende?
De giraffen, behoorlijk aangezet door hunne ruiters, die het ongeval van Makatit gezien hadden, spoedden zoo snel voort, alsof het raspaarden van zuiver bloed waren. Zij strekten hunne lange halzen vooruit, openden den mond, draaiden de ooren achteruit en stoven zoo voort, terwijl zij met alle kracht gespoord en gekarwatst werden, om hen tot de grootst mogelijke snelheid die zij ontwikkelen konden, te brengen.
Wat den struisvogel van Makatit aangaat, diens snelheid grensde aan het wonderbaarlijke. Er was geen enkel raspaard, al ware het ook de overwinnaar te Derby geweest, al had het ook den eersten prijs te Parijs gewonnen, dat in staat zoude geweest zijn om het tegen dat pluimdier vol te houden. Zijne korte vleugels, die ongeschikt waren om te vliegen, werden nu als roeispanen gebezigd om de lucht te klieven en zoo den gang te versnellen. Dat alles ging zoo gauw in zijn werk, dat in minder dan weinige minuten de jeugdige Kaffer een aanmerkelijken voorsprong op zijn vervolger gewonnen had.
Ja zeker, Makatit had zijn trek- nu rijdier goed gekozen, toen hij daartoe het oog op een struisvogel sloeg!
Als hij dien gang nog maar een kwartier uurs kon volhouden, dan was hij voorzeker buiten het bereik van den Napolitaan gekomen. Dan was hij gered!
Hannibal Pantalucci begreep zeer goed, dat de minste draling hem geheel en al zijn voordeel zou doen verliezen. Reeds groeide de afstand tusschen hem en den vluchteling aan. Aan den anderen kant van het maisveld, waarin die jacht plaats had, strekte zich een dicht bosch van slingerplanten en Indische vijgeboomen, dat hevig door den wind gezweept werd, tot op eene gezichtsverte uit. Wanneer Makatit die wildernis bereikte, dan zou het onmogelijk zijn hem terug te vinden, omdat men hem dan niet meer zien kon. Hij zou daarin even verscholen zijn als eene naald in een hooischelf.
Cyprianus en de Chinees volgden, terwijl zij voortgaloppeerden, dien wedstrijd met de meeste belangstelling, hetgeen de lezer wel begrijpen zal. Zij waren eindelijk aan den voet van den heuvel aangekomen en renden nu door de vlakte, maar drie mijlen scheidden hen nog van den jager en van den gejaagde.
Zij bemerkten evenwel dat de Napolitaan door eene ongehoorde inspanning eenigermate op den vluchteling gewonnen had. Hetzij dat de struisvogel van Makatit vermoeid begon te worden, hetzij dat het arme dier zich gewond had aan een boomstronk of aan een rotssteen, maar zijne snelheid was verbazend verminderd. Hannibal Pantalucci bevond zich weldra niet meer dan drie honderd meter van den Kaffer verwijderd.
Maar Makatit had eindelijk den rand van de bovenbedoelde wildernis bereikt. Hij verdween er plotseling in, terwijl in hetzelfde oogenblik het paard van Hannibal Pantalucci struikelde, hij zandruiter werd en over den weg rolde, en het dier over de vlakte ontsnapte.
"Wij zijn Makatit kwijt!" riep Li uit.
"Ja, maar die Pantalucci, die ellendeling is ons!" antwoordde Cyprianus.
En beiden zetten hun giraffen nog meer aan.
Een half uur later hadden zij bijna geheel het maisveld in zijne volle breedte overgestoken en bevonden zich op niet meer dan vijfhonderd passen van de plek, waar de Napolitaan gevallen was. De vraag voor hen was thans of Hannibal Pantalucci had kunnen opstaan en of hij de wildernis van lianen had kunnen bereiken, of wel op den grond lag, zwaar gekwetst door zijn val--wellicht gedood.
Neen, de ellendeling lag daar. Honderd pas verder brachten Cyprianus en Li hunne giraffen tot staan. Zie hier wat er was gebeurd.
De Napolitaan, verblind door de opgewondenheid van de jacht, die hij maakte, had een reusachtig net niet bespeurd, hetwelk door de Kaffers gespannen was om de vogels te vangen, die hunnen oogst zoo zeer plunderden en hun daardoor veel schade berokkenden. Welnu, in zulk een net was Hannibal Pantalucci te recht gekomen en daarin had hij zich verward.
En het was waarlijk geen klein net ook! Het bedroeg langs de zijden minstens vijftig meters en bevatte reeds vele duizendtallen vogels van allerhande soort, van alle grootte, van allerhande bontgekleurde gevederte, onder andere ook een half dozijn van die groote gypaëten, die eene vlucht hebben van anderhalven meter en die zich in Zuid-Afrika te huis gevoelden.
De val van den Napolitaan te midden van die vogelen-wereld had deze laatste natuurlijk ten hoogste verschrikt en deed hen wild door elkander vliegen.
Hannibal Pantalucci, eerst verdoofd en duizelig door zijn val, had evenwel getracht dadelijk op te staan. Maar zijne handen en voeten zaten zoo degelijk gevangen in de mazen van het net, dat het hem bij de eerste poging niet gelukte, zich daaruit te ontwarren.
Hij had echter geen tijd te verliezen. Hij deed dan ook schrikkelijke rukken en trok uit alle macht aan het net, terwijl hij het optilde en het los trok van de piketpalen, waarmede het aan den grond vastgemaakt was; terwijl de vogels groot en klein, hem bij dat werk hielpen om te kunnen ontvluchten.
Maar hoe meer de Napolitaan zich afsloofde, hoe meer hij zich in de stevige mazen van het onmetelijke net verwarde.
Een groote vernedering werd hem bovendien niet gespaard. Een der giraffen had hem eindelijk bereikt en wel die, welke door den Chinees bereden werd. Li was van zijn rijdier afgesprongen en had zich met zijne koelbloedige spotzucht gehaast den kant van het net, dat het dichtst bij hem was, los te maken, om de hoekvleugels daarvan op elkaar te leggen, daarbij van de gedachte uitgaande, dat het zekerste middel om zich van den gevangene meester te maken, daarin bestond, dat hij hem in dat net moest rollen.
Maar in dat oogenblik gebeurde iets zeer onverwachts, dat inderdaad naar tooverij zweemde.
De wind kwam namelijk met een buitengewone kracht opzetten en boog daarbij al de boomen in den omtrek, alsof een machtige hoos over den bodem voortschreed.
Nu had Pantalucci bij zijne wanhopige pogingen reeds een groot aantal piketpalen, die het net bij den benedenkant weerhielden, uit den grond gerukt. Toen hij zich op het punt zag gevangen genomen te worden, deed hij nog heviger rukken.
Plotseling werd het net door een nieuwen aanval van de bui losgerukt. De laatste banden, die dat onmetelijke touwweefsel aan den grond bevestigd hielden, werden stuk getrokken en de gevederde kolonie, die daarin besloten was, nam hare vlucht. De kleine vogels slaagden er in om te ontsnappen; maar de grootere hadden de klauwen in de mazen verward, terzelfder tijd toen hunne vleugels vrij raakten en zich met een eenparige beweging bewogen. Al die vereenigde lucht-roeiriemen, al die borstspieren, welker bewegingen gelijkmatig geschiedden, vormden met de bui, die inviel, eene zoo kolossale kracht, dat voor haar honderd kilogrammen niet meer dan eene veer wogen.
Het net, dat over elkander rolde en zoo meer vat aan den wind aanbood, werd met Hannibal Pantalucci, die nog slechts met de handen in de mazen verward was, plotseling opgenomen en opgevoerd tot vijf-en-twintig of dertig meters van den grond.
Cyprianus kwam in dit oogenblik op het terrein aan, om getuige te zijn van de opstijging van zijn vijand naar de wolkenstreek.
De gypaëten, door die krachtsinspanning uitgeput, neigden in dat oogenblik zichtbaar ter aarde en beschreven een uitgestrekte parabool. In minder dan drie seconden kwam het net bij den bovenrand van de wildernis aan, waarvan het de boventakken scheerde op drie of vier meters hoog van den grond. Toen steeg het evenwel weer voor de laatste maal in de lucht.
Cyprianus en Li zagen met schrik dien rampzalige aan dat net hangen, dat dezen keer meer dan honderd vijftig voet door eene laatste krachtsinspanning van die reusachtige vogels, door de bui geholpen, werd opgevoerd.
Plotseling bezweken eenige mazen onder de wanhopige stuiptrekkingen van den Napolitaan. Men zag hem gedurende een ondeelbaar oogenblik aan zijne handen hangen en pogingen aanwenden om de touwen van het net andermaal te grijpen.... Maar zijne krachten schoten te kort, zijne handen openden zich, hij liet los, viel als een blok naar beneden en werd op den grond verbrijzeld.
Het net, van dat gewicht ontlast, vloog hooger in de lucht en ontrolde zich eenige mijlen verder, terwijl de gypaëten eindelijk losgeraakt, zich in het hemelruim voor het oog verloren.
Toen Cyprianus toeschoot om hulp te bieden, was het te laat. Zijn vijand was een naren dood gestorven.
Van de vier mededingers, die met hetzelfde doel voor oogen de vlakten van de Transvaal ingetrokken waren, bleef hij nog maar alleen over.
ACHTTIENDE HOOFDSTUK.
DE PRATENDE STRUISVOGEL.
Cyprianus en Li hadden slechts één gedachte na die verschrikkelijke ontknooping, namelijk: de plek zoo spoedig mogelijk te ontvlieden, waar zij had plaats gehad.
Zij besloten derhalve om langs den noorderkant der wildernis voort te trekken en bereikten zoo na een marsch van meer dan een uur de bedding van een bergstroom, die evenwel in dit jaargetijde bijna droog was en die in die wildernis eene bres maakte, waarlangs men dat moeielijke terreingedeelte kon omtrekken.
Daar wachtte den reizigers een nieuwe verrassing. Die bergstroom mondde in een vrij uitgestrekt meer uit, op welks oevers een weelderige plantengroei zich vertoonde, die tot nu het gezicht van die wateroppervlakte verborgen had gehouden.
Cyprianus had willen terugkeeren, door langs de oevers van dat meer voort te trekken; maar die oevers waren bij wijle zoo steil, dat hij dat plan moest laten varen. Van een anderen kant, wanneer hij langs den weg, dien hij gekomen was terugkeerde, ging de hoop verloren om Makatit te ontmoeten.
Intusschen verrezen op den tegenoverliggenden oever van het meer eenige heuvelen, die door eene aaneenschakeling van terreingolvingen aan elkander en aan hoogere, meer achterwaarts gelegen bergen verbonden waren. Cyprianus opperde het denkbeeld, dat, wanneer zij den top daarvan zouden bereikt hebben, men een beter overzicht van het terrein zou hebben en het dan mogelijk was een verder plan te beramen.
Li en hij gingen dus andermaal op weg, om het meer om te trekken. De afwezigheid van ieder gebaand pad maakte dien tocht zeer moeielijk, vooral daar zij meestal genoodzaakt waren de twee giraffen bij de teugels voort te trekken. Zij hadden dan ook meer dan drie volle uren noodig, om een afstand van zeven of acht kilometers in rechte lijn af te leggen.
Toen zij eindelijk het meer omgetrokken en nagenoeg aangekomen waren, vlak tegenover het punt aan de overzijde gelegen, vanwaar zij vertrokken waren, was de nacht nabij. Zij besloten dan ook, doodvermoeid als zij waren, om op die plek te kampeeren. Maar met de weinige middelen, die zij thans nog bezaten, kon die inrichting niet veel gemakken aanbieden. Maar Li hield er zich met zijn gewonen ijver mede bezig. Toen hij klaar was, voegde hij zich bij zijn meester.
"Vadertje," zei hij met zijne fleemende maar toch opwekkende stem, "ik zie dat ge zeer vermoeid zijt. Onze mondvoorraad is bijna uitgeput. Ik zal een dorp gaan opzoeken, waar men mij niet weigeren zal ons te hulp te komen."
"Wilt ge mij verlaten, Li?" riep Cyprianus eerst uit.
"Het moet, vadertje!" antwoordde de Chinees. "Ik zal een der giraffen nemen en dan noordwaarts optrekken!.... De hoofdstad van Tonaïa, waarvan Lopepo ons gesproken heeft, kan thans niet ver meer verwijderd zijn en ik zal het wel zoo maken, dat gij daar een goede ontvangst zult vinden. Daarna zullen wij naar Grikwaland terugkeeren, waar gij niets meer te vreezen zult hebben van die ellendelingen, die alle drie op deze expeditie bezweken zijn."
De jeugdige ingenieur dacht over het voorstel na, dat hem door den hem zoo toegewijden Chinees gedaan was. Hij begreep dat, wanneer de Kaffer kon teruggevonden worden, het in die streek zou zijn, waarin hij daags te voren een blik had kunnen werpen. Het was dus zaak die niet te verlaten. Maar van den anderen kant moest er aan gedacht worden om hunne hulpmiddelen aan te vullen, die nu geheel onvoldoende geworden waren. Cyprianus besloot dan ook, hoewel hij het zeer betreurde, van Li te scheiden en er werd overeengekomen dat hij hem op deze plek gedurende acht-en-veertig uren wachten zou. In die acht-en-veertig uren zou de Chinees, zijne snelvoetige giraffe berijdende, in deze streek een eind weegs kunnen afleggen en gemakkelijk op de kampementsplaats terug zijn.
Toen men tot dat besluit gekomen was, wilde Li geen oogenblik verliezen. Aan rusten dacht hij volstrekt niet. Hij zei het wel zonder slapen te kunnen doen! Hij zei dus Cyprianus vaarwel door goedhartig hem de hand te kussen, vatte zijn giraffe bij den teugel, sprong er op en verdween in de nachtelijke duisternis.