De Zuidster, het land der diamanten
Chapter 15
De olifant was omgekeerd en kwam nu op hem terug, dubbel verwoed, doordat hij bij zijn eersten aanslag niet geslaagd was. Cyprianus, alhoewel hij de door Li aangeduide beweging niet begreep, volvoerde haar toch stiptelijk. Hij draaide en wendde rondom den struik, door het woest ademende dier op de hielen vervolgd. Twee malen ontweek hij nog den schok door een plotselingen zijsprong van zijn paard. Maar zou die taktiek langen tijd slagen? Hoopte Li het dier zoo af te maken?
Die vragen stelde zich Cyprianus, zonder daarop een voldoend antwoord te kunnen geven, toen hij plotseling den olifant tot zijn groote verbazing op de knieën zag ineenzakken.
Li, met eene onvergelijkelijke behendigheid van het gunstige oogenblik gebruik makende, was door het gras voortgekropen tot onder de pooten van het dier en had met één enkelen houw van zijn jachtmes de spier van den hiel, die bij den mensch de Achillespees genoemd wordt, doorgesneden.
Zoo gaan de Hindoes bij hunne jachtondernemingen op den olifant te werk en de Chinees moest die handeling meermalen op Ceylon beoefend hebben, af te leiden uit de juistheid en de koelbloedigheid, waarmede zij uitgevoerd was. Machteloos en op den grond uitgestrekt, bleef de olifant liggen, terwijl zijn kop in het dichte gras verborgen scheen. Een beek van bloed stroomde uit de wond en verzwakte hem klaarblijkelijk.
"Hoerah!.... Bravo...." riepen Hannibal Pantalucci en James Hilton, terwijl zij toen eerst op het tooneel van den strijd verschenen.
"Men moet hem met een kogelschot in het oog afmaken!" zei James Hilton, die een onbedwingbare behoefte ondervond, om in beweging te blijven en een rol in dit drama te spelen.
Daarop bracht hij den kolf van zijn geweer aan den schouder en gaf vuur.
Bijna ter zelfder tijd hoorde men in het lichaam van het reusachtige dier het springen van den ontplofbaren kogel. Het ondervond eene laatste stuiptrekking en bleef daarna onbeweeglijk liggen evenals eene grijsachtige rots langs de boorden van den weg.
"Het is uit met hem!" riep James Hilton, terwijl hij zijn paard vooruit dreef tot dicht bij het dier, om beter te kunnen zien.
"Wacht!.... wacht nog!...." scheen de sluwe blik van den Chinees tot zijn baas te zeggen.
Er viel niet lang naar het schrikkelijk, maar niet te vermijden uiteinde van dat tooneel te wachten.
Inderdaad, nauwelijks was James Hilton dicht bij den olifant gekomen en boog hij zich over zijn stijgbeugel om bij wijze van spotternij een van zijn groote ooren op te heffen, toen het dier eensklaps zijn snuit met eene onverwachte beweging op den onvoorzichtigen jager deed neerkomen, hem de wervelkolom brak en het hoofd verbrijzelde, voordat de toeschouwers van die schrikkelijke ontknooping den tijd hadden om tusschenbeide te treden, ten einde haar te voorkomen.
James Hilton kon slechts een laatsten gil doen hooren. In minder dan vier seconden bleef van hem niets anders meer over dan een bloedige vleeschklomp, waarop de olifant zich liet neervallen, om niet weer op te staan.
"Ik was er zeker van, dat hij zich slechts dood hield," zei de Chinees met rustige stem, terwijl hij het hoofd schudde. "De olifanten handelen nooit anders, wanneer de gelegenheid er zich toe aanbiedt."
Dat was het eenige rouwbeklag van James Hilton. De jeugdige ingenieur, nog onder den indruk van de verraderlijke streek, waarvan hij bijna het slachtoffer was geworden, kon de gedachte aan eene rechtvaardige wedervergelding niet onderdrukken ten opzichte van een der ellendelingen, die hem weerloos aan de blinde woede van een zoo schrikkelijk dier had willen overleveren.
Wat de gedachten van den Napolitaan waren? Hij achtte het geraden ze voor zich te houden.
De Chinees was middelerwijl reeds met zijn jachtmes bezig om een kuil onder de graszoden van de vlakte te maken, waarin hij door Cyprianus geholpen, weldra de vormlooze overblijfselen van diens vijand ter aarde bestelde.
Dat alles deed eenigen tijd verloren gaan, en de zon stond reeds hoog boven den horizon, toen de drie jagers naar het kamp terugkeerden.
Toen zij daar evenwel aankwamen, was hunne verwondering groot!.... Want Bardik was er niet meer.
ZESTIENDE HOOFDSTUK.
VERRAAD.
Wat was er gedurende de afwezigheid van Cyprianus en van zijne beide makkers in het kamp voorgevallen? Het was moeielijk te gissen zoolang de jeugdige Kaffer niet teruggekomen was.
Men wachtte Bardik dus; men riep hem, men zocht hem langs alle kanten. Geen spoor zelfs werd van hem ontdekt. Het ontbijt dat hij bezig was geweest klaar te maken, stond naast het uitgedoofde vuur en duidde er op, dat zijn verdwijnen eerst sedert twee of drie uren geleden plaats had gehad.
Cyprianus kon dus slechts gissen waardoor die verdwijning veroorzaakt kon zijn; maar die gissingen werden door niets toegelicht. Het was niet waarschijnlijk dat de jeugdige Kaffer door een wild dier kon zijn aangevallen; er was geen spoor van een bloedigen strijd, zelfs niet de minste wanorde in den omtrek te bespeuren. Dat hij gedrost zou zijn om naar zijn land terug te keeren, zooals de Kaffers meermalen doen, was noch minder aanneembaar van een kerel, zoo vol toewijding als hij was, en de jeugdige ingenieur weigerde bepaald die veronderstelling door Hannibal Pantalucci vooropgesteld, voor waar aan te nemen.
Om kort te gaan, de jonge Kaffer bleef, nadat men hem gedurende een halven dag gezocht had, afwezig en, wat meer zegt, zijne verdwijning bleef geheel onverklaarbaar.
Hannibal Pantalucci en Cyprianus hielden dus raad en kwamen na eenige woordenwisseling overeen tot den volgenden morgen te wachten alvorens het kamp op te breken. Wellicht kon Bardik nog terugkeeren in die tijdsruimte, wanneer hij namelijk verdwaald was geraakt bij de vervolging van eenig stuk wild, dat zijne jagersbegeerte kon hebben opgewekt.
Maar toen zij zich herinnerden het bezoek dat eene Kafferbende hun op een hunner pleisterplaatsen gebracht had en zij rekening hielden met de vragen, die toen aan Bardik en aan Li gedaan waren, met de vrees, die toen aan den dag gelegd was dat de reizigers, die wellicht verspieders waren, het land van Tonaïa zouden binnentrekken, toen rees bij hen de vraag, en niet zonder reden, of Bardik niet in handen van die inboorlingen gevallen en als gevangene naar hunne hoofdplaats gevoerd was.
De dag werd treurig ten einde gebracht en de avond was nog droefgeestiger. Het ongeluk scheen op de onderneming te rusten. Hannibal Pantalucci was nurks en zweeg als een pot. Zijne twee medeplichtigen Friedel en James Hilton waren reeds dood, zoodat hij alleen tegenover zijn jeugdigen medeminnaar overbleef. Hij was intusschen meer dan ooit besloten zich van dezen te ontdoen. Hij wilde alleen blijven, zoowel in de zaak van den diamant als in de huwelijkskwestie. En beide gevallen waren voor hem slechts zaken.
Wat Cyprianus aangaat, daar Li hem alles verteld had, wat hij aangaande het aftrekken van de patronen van Méré's geweer vernomen had, moest hij nacht en dag waakzaam zijn tegenover zijn reismakker. Het is waar, dat de Chinees een gedeelte van die waakzaamheid voor zijne rekening wilde nemen.
Cyprianus en Hannibal Pantalucci brachten hun avond onder het rooken eener pijp of sigaar bij het vuur stilzwijgend door en kropen onder de huif van den wagen, zonder elkander zelfs goeden nacht toe te wenschen. Het was toen de beurt van Li om bij het vuur te waken, dat ontstoken was om de wilde dieren op een afstand te houden.
De jonge Kaffer was den volgenden ochtend bij het krieken van den dag niet in het kamp terug.
Cyprianus had nog wel vier en twintig uren willen wachten, ten einde aan zijn dienaar nog een laatste kans te verschaffen om terug te kunnen keeren; maar de Napolitaan drong er ten sterkste op aan om dadelijk te vertrekken.
"Wij kunnen het zeer goed zonder Bardik doen", zei hij "en iedere vertraging stelt ons aan de mogelijkheid bloot, Makatit niet meer te kunnen inhalen!"
Dat moest Cyprianus erkennen. De Chinees ging er dan ook toe over om de trekossen bij elkander te drijven, ten einde te kunnen vertrekken.
Nieuwe teleurstelling; maar dezen keer veel ernstiger dan den eersten. Ook de ossen waren niet terug te vinden. Den avond te voren lagen zij nog te rusten in het hooge gras, dat rondom het kamp groeide.... Thans was er geen enkele te bespeuren.
Toen eerst kon men den omvang van het verlies, dat de expeditie in den persoon van Bardik geleden had gevoelen! Indien die intelligente dienaar nog op zijn post aanwezig ware geweest, dan zou hij met zijn kennis van de gewoonten van het rundergeslacht in Zuid-Afrika, niet in gebreke zijn gebleven die dieren, die den geheelen dag rust genoten hadden, aan boomstammen of aan piketpalen vast te maken. Gewoonlijk was die voorzorg na een langen dagmarsch bij het aankomen van een pleisterplaats overbodig. De ossen waren dan uitgeput van vermoeienis en dachten aan niets anders dan aan het grazen in de onmiddellijke nabijheid van den wagen, waarna zij zich neervlijden, om de nachtrust te genieten; zij verwijderden zich dan des morgens hoogstens tot op een afstand van honderd meter. Maar zoo was het niet na zulk een dag van rust en van volop voeder doorgebracht te hebben.
Klaarblijkelijk was de eerste zorg dier dieren geweest, toen zij ontwaakten, om een malscher gras op te zoeken dan dat waaraan zij zich den vorigen dag verzadigd hadden. Nog al van dolenden aard zijnde, hadden zij zich langzamerhand verwijderd, en waren uit het gezicht van het kampement geraakt. Toen door hun instinct voortgezweept, dat hen dreef hunne stal op te zoeken, waren zij waarschijnlijk, de een achter den ander voortschrijdende, op weg naar de Transvaal getogen.
Dat was een ramp, die wel is waar niet zeldzaam bij dergelijke tochten in beneden-Afrika voorkwam, maar daarom niet minder ernstig was; want zonder bespanning werd de wagen nutteloos en de wagen is voor de Afrikaansche reizigers tegelijkertijd eene woning, een magazijn en een versterking.
De teleurstelling van Cyprianus en van Hannibal Pantalucci was dan ook groot, toen zij, na een ijverige verkenning van het spoor der ossen gedurende twee of drie uren, tot de overtuiging kwamen, dat alle hoop om ze terug te krijgen ijdel was.
De toestand was buitengewoon verergerd en men was verplicht andermaal raad te beleggen.
Nu was er in de gegeven omstandigheden slechts ééne practische oplossing mogelijk en die was: den wagen te verlaten, zich met zooveel mondbehoeften en met zooveel munitie te beladen als zij slechts dragen konden, en de reis te paard voort te zetten. Werd men dan door de omstandigheden begunstigd, dan zou men wellicht weldra in de gelegenheid komen om bij een Kafferhoofd een nieuw span ossen tegen een geweer of tegen scherpe patronen in te ruilen. Wat Li betreft, die zou het paard van James Hilton bestijgen, dat zoo als men weet, sedert diens dood zonder meester was.
Men toog toen ijverig aan het werk, om doornachtige takken te kappen, om daar mede den wagen zoodanig te bedekken, dat hij onder kunstmatig struikgewas verborgen was. Daarna belaadde een ieder zich met hetgeen hij in zijne zakken en in zijn ransel bergen kon, zooals linnen, laarzen, verduurzaamde levensmiddelen en munitie. Het speet den Chinees zeer dat hij zijne roode kist niet kon medenemen van wege de zwaarte; maar het was onmogelijk hem te doen besluiten zijn touw achter te laten, dat hij onder zijn kiel als een buikband om het middel wond.
Toen de voorbereidingen getroffen waren, wierp men nog een blik op de vallei, waarin zooveel treurige gebeurtenissen voorgevallen waren, waarna de drie ruiters den weg naar de hoogte insloegen. Die weg was, als al de wegen in dit land, een door de wilde dieren platgetrapt pad, die steeds, wanneer zij zich naar hunne drenkplaatsen begeven, den kortsten weg kiezen.
Het middaguur was voorbij en Cyprianus, Hannibal Pantalucci en Li stapten, in weerwil van de brandende zonnestralen, met een goeden pas voort totdat de avond viel. Toen zij eindelijk hun kamp in een diep ravijn onder een groote overhellende rots opgeslagen hadden en zij rondom een flink vuur van droog hout gelegerd waren, erkenden zij, dat, alles wel beschouwd, het verlies van hun wagen geen onherstelbaar verlies was.
Zoo trokken zij nog gedurende twee dagen voort zonder eigenlijk te weten, of zij wel op het spoor waren van den man, dien zij zochten. Toch was het zoo. Want toen zij op het einde van den tweeden dag bij het vallen van den avond met loome schreden naar een klein boschje stapten, waaronder zij den nacht wilden doorbrengen, liet Li eensklaps een doordringenden keelklank aan zijne lippen ontsnappen.
"Hugh!" kreet hij, terwijl hij met de hand naar een klein zwart punt wees, dat zich bij de laatste lichtstralen, die de avondschemering schonk, dicht bij den gezichteinder bewoog.
De blikken van Cyprianus en van Hannibal Pantalucci volgden natuurlijk de richting door den vinger van den Chinees aangeduid.
"Dat is Makatit zelf!" hernam Cyprianus, die zich gehaast had zijn kijker voor het oog te brengen. "Ik herken zijn karretje en zijn struisvogel zeer goed!.... Ja, hij is het!"
Hij reikte zijn kijker aan Hannibal Pantalucci over, die zich van de juistheid van het feit kon overtuigen.
"Op welken afstand rekent gij dat die man zich thans van ons bevindt?" vroeg Cyprianus.
"Op zijn minst op zeven of acht mijlen," antwoordde de Napolitaan. "Wellicht wel op tien."
"Dan behoeven wij er niet aan te denken om hem heden nog, vóór dat wij onze dagreis staken, in te halen."
"Dat zeker niet," antwoordde Hannibal Pantalucci. "Binnen een uur tijd zal de nacht ingevallen zijn, en dan valt er geen pas meer te doen in welke richting ook!"
"Nu goed! maar morgen zullen wij hem wel bereiken, wanneer wij vroeg genoeg vertrekken!"
"Dat is mijn gevoelen ook."
De ruiters waren toen bij het boschje aangekomen, alwaar zij afstegen. Als gevolg eener onveranderlijke gewoonte, begonnen zij eerst hunne paarden te verzorgen. Zij wreven hen zorgvuldig af en borstelden hen duchtig, alvorens hen aan de veldpiketten vast te binden, om hen te laten grazen. De Chinees ontstak middelerwijl het vuur.
De nacht viel intusschen in. Bij het diner gevoelden zich de reizigers dien avond misschien een weinig vroolijker dan zij in de drie laatste dagen geweest waren. Toch gingen zij, na het maal verorberd en na het wachtvuur behoorlijk voorzien te hebben, zich in hunne dekens rollen en legden hunne hoofden op de zadels, ten einde een verkwikkenden slaap te genieten; want het was van veel belang, dat zij den volgenden morgen vóór het aanbreken van den dageraad op de been waren ten einde haastig op reis te kunnen gaan om Makatit in te halen.
Cyprianus en de Chinees waren weldra in een diepen slaap gedompeld--wat niet zeer voorzichtig van hun kant mocht heeten.
De Napolitaan althans sliep niet. Hij woelde gedurende twee of drie uren onder zijne dekens, als iemand die door een nare gedachte gekweld wordt. Een misdadig plan begon zich van hem meester te maken.
Hij kon het eindelijk niet meer uithouden. Hij stond op zonder eenig gerucht te maken, naderde de paarden, en zadelde het zijne, waarna hij Templar en het paard van den Chinees van de piketten los maakte en hen bij het halstertouw wegvoerde. Het fijne gras dat den bodem als met een dik mollig tapijt bedekte, belette volkomen het getrappel der drie dieren te hooren, die zich met eene domme lijdzaamheid lieten heenvoeren, versuft als zij waren, zoo ontijdig gewekt te worden. Hannibal Pantalucci geleidde ze tot in het diepste gedeelte van het ravijn, op welks helling het kamp opgeslagen was, bond hen aan een boom vast en kwam in de kampementsplaats weer, alwaar noch de een, noch de andere der beide slapers ontwaakt waren, of zich ook maar bewogen hadden.
Toen bracht de Napolitaan zijn reisdeken, zijn karabijn, zijn munitie en eenige mondbehoefte bij elkander, waarna hij koelbloedig, wetens en willens, zijne makkers te midden van die woestenij verliet.
De gedachte, die hij sedert het ondergaan van de zon gekoesterd had, was dat wanneer hij de paarden meevoerde, hij Cyprianus en Li buiten staat stelde Makatit te kunnen inhalen. Dat was zich zelven dus de overwinning voorbereiden. Het verachtelijke van dat verraad, de lafhartigheid die er in gelegen was zijne makkers zoo te berooven, makkers, waarvan hij slechts goede diensten ondervonden had, dat alles begreep de ellendeling niet, of, begreep hij het toch, het kon hem niet doen terugdeinzen. Hij sprong in den zadel en leidde de twee andere dieren, die de plek niet verlaten hadden, waar hij ze gelaten had, als handpaarden weg. Hij verwijderde zich bij helder maanlicht in sterken draf. Cyprianus en Li sliepen steeds. Eerst tegen drie uren ontwaakte de Chinees en keek met lodderige oogen naar de sterren, die bij den oostelijken gezichteinder begonnen te verbleeken.
"Het is waarachtig tijd om koffie te zetten!" mompelde hij.
En zonder dralen wierp hij zijn deken, waarin hij gerold lag, van zich af, sprong op en begon zijn morgentoilet te maken, eene bezigheid, die hij in de woestijn evenmin veronachtzaamde als overal elders.
"Waar hangt Pantalucci toch uit?" vroeg hij zich eensklaps af.
De dageraad begon aan te breken en de voorwerpen werden minder onduidelijk in het kampement.
"En de paarden zijn er ook niet!" sprak Li in zich zelven. "Zou dat puikje der kameraden wellicht...."
En vermoedende wat plaats had gehad, liep hij naar de piketpalen, waaraan hij de paarden den vorigen avond gebonden had, maakte de ronde om het kampement en kreeg weldra de zekerheid dat de bagage van den Napolitaan met hem verdwenen was.
Dat was zoo helder als de dag.
Een blanke zou waarschijnlijk de behoefte geen weerstand hebben kunnen bieden om Cyprianus te wekken, ten einde hem dadelijk die zeer belangrijke tijding mede te deelen, maar de Chinees was niet van het blanke maar van het gele ras, en dacht dat er geen haast bij bestond, wanneer het gold eene slechte tijding aan te kondigen. Hij bleef zich dus bedaard onledig houden met zijn koffiezetten.
"Het is inderdaad nog lief van dien schoft, dat hij ons onzen voorraad levensmiddelen gelaten heeft," mompelde hij.
Toen de koffie behoorlijk en wel door een linnen zak, dien hij daartoe bepaald vervaardigd had, gefiltreerd was, schonk Li twee kopjes, die uit de schaal van een struisvogelen-ei gesneden waren, en die hij gewoonlijk aan zijn knoopsgat opgehangen droeg, vol met het geurige mengsel. Daarna naderde hij Cyprianus, die steeds sliep.
"Hier is uw koffie, lekker en wel, vadertje," zei hij beleefd, terwijl hij hem den schouder met den vinger aanraakte.
Cyprianus deed lui eerst een en daarna het andere oog open, rekte zich de ledematen uit, schonk den Chinees een glimlach, rees overeind en verorberde de heerlijke warme koffie.
Toen eerst bemerkte hij de afwezigheid van den Napolitaan, wiens slaapplaats natuurlijk leeg was.
"Waar zit Pantalucci toch?" vroeg hij.
"Weg, vadertje!" antwoordde Li op een zoo natuurlijken toon, alsof de afwezigheid van den Napolitaan ten gevolge van eene afspraak plaats had.
"Hoe?.... Wat?.... Weg?"
"Ja, vadertje, weg met de drie paarden!"
Cyprianus smeet zijn deken van zich en overtuigde zich met één blik dat Li waarheid sprak. Die blik zei hem alles. Hij had evenwel eene te hooghartige ziel om ook maar in het minste iets van zijn onrust of van zijne verontwaardiging te laten blijken.
"Zoo," zei hij, "dat is aardig! Maar de ellendeling moet niet denken, dat wij het daarbij laten zullen!"
Cyprianus liep een wijl de kampementsplaats op en neer, in gedachten verzonken, om te beslissen wat er nu gedaan moest worden.
"Wij moeten dadelijk vertrekken," zei hij tot den Chinees. "Wij zullen dat zadel, dien toom en alles wat ons te lastig is of te zwaar zal zijn, hier laten. Wij zullen onze geweren en onze levensmiddelen medenemen. Als wij goed doorstappen, kunnen wij bijna even snel vooruitkomen, vooral wanneer wij te voet omwegen kunnen mijden of afsnijden!"
Li haastte zich om de ontvangen bevelen ten uitvoer te leggen. In weinige minuten had hij de dekens opgerold en stonden de reizigers gepakt en gezakt gereed. Toen werd alles wat men op deze plek achterlaten moest, onder een dichten, grooten hoop struiken verborgen, en stapte men voort.
Cyprianus had gelijk gehad, dat het in sommige gevallen gemakkelijker zou wezen te voet te reizen. Men kon zoo, door over steile hellingen te trekken, die te paard onmogelijk te overschrijden waren, den kortsten weg nemen. Maar dat kostte dan ook veel inspanning.
Het was ongeveer één uur in den namiddag, toen beiden de noordelijke helling van den bergketen, dien zij sedert drie dagen volgden, bereikten. Volgens de inlichtingen, die zij te Lopepo ingewonnen hadden, kon men niet ver meer van de hoofdstad van Tonaïa verwijderd zijn. Ongelukkiglijk waren de aanwijzingen over den te volgen weg zoo oppervlakkig, zoo verward, en waren de uitdrukkingen in het Betjuanen spraakeigen zoo weinig te vertrouwen, dat het moeielijk was van te voren te weten of men twee, of wel vijf dagen te marcheeren had om aan te komen.
Toen Cyprianus en Li de hellingen van het eerste dal, dat zich voor hen opende, nadat zij den bergnok overschreden hadden, afdaalden, liet de Chinees een keelachtig geluid hooren, dat wel iets van een lach had.
"Giraffen!" riep hij eindelijk uit.
Cyprianus keek uit en bespeurde inderdaad, daar, diep beneden zich een twintigtal van die dieren, die bezig waren met grazen in het diepste gedeelte van het dal. Niets was bevalliger te zien op dien afstand dan hun lange halzen als masten overeind staande of uitgestrekt als lange slangen in het gras op een afstand van drie of vier meters van hun met gele vlekken bezaaid lichaam.
"Men zou een van die giraffen kunnen vangen," merkte Li op, "om dienst te doen in de plaats van Templar."
"Wat, op een giraffe rijden? Wie heeft ooit zoo iets gezien?" riep Cyprianus uit.
"Ik weet niet of ooit zoo iets te zien geweest is, maar het hangt maar van u af, om zoo iets te kunnen zien," antwoordde de Chinees. "Laat mij maar begaan!"
Nooit begon Cyprianus met een zaak voor onmogelijk te houden, wanneer zij nog nieuw voor hem was. Hij gaf dus te kennen, dat hij gereed was Li in zijne onderneming behulpzaam te zijn.
"Wij bevinden ons beneden 's winds van de giraffen," zei de Chinees, "dat is zeer gelukkig voor ons; want zij hebben een zeer fijnen neus en zouden ons in het tegenovergestelde geval reeds geroken hebben; dus als gij nu langs den rechterkant wilt omtrekken, om hen daarna door een geweerschot te verschrikken, zoodanig dat zij naar mijn kant gedreven worden, dan is er niet meer noodig, en ik neem het overige voor mijne rekening."
Cyprianus legde alles op den grond neer wat zijne bewegingen kon hinderen en ging daarop, alleen met zijn geweer gewapend, in de aangewezen richting voort, om de beweging te volvoeren, die hem door zijn dienaar aangeduid was.
Deze verloor intusschen zijn tijd niet. Hij daalde met vluggen pas de steile helling van het dal af, totdat hij bij een gebaand pad aangekomen was, dat in het benedengedeelte kronkelde. Dat was klaarblijkelijk de gebruikelijke weg der giraffen, te oordeelen althans naar de ontelbare afdruksels, welke hunne hoeven in den bodem gelaten hadden. Daar nam de Chinees stelling achter een dikken boom, ontrolde het lange touw, dat hem nimmer verliet, en sneed het in twee stukken van gelijke lengte, die dus dertig meters lang waren. Daarna bond hij aan een der uiteinden van elk stuk een dikken keisteen om er een voortreffelijken lasso van te maken en maakte het andere uiteinde aan een der benedentakken van den boom stevig vast, echter zoodanig dat nog een eind touw overschoot dat hij zich om den linkerarm wond. Toen dat alles gereed was, verborg hij zich achter den dikken stam en wachtte.