De Zuidster, het land der diamanten
Chapter 13
Intusschen werd de reis, zonder bijzondere voorvallen te ontmoeten, voortgezet. Het was zelden, dat de expeditie niet in hoeven, waar zij iederen avond halt maakte, inlichtingen omtrent Makatit kon inwinnen. Overal had men hem zien voorbijstuiven, met spoed voortgetrokken door zijnen struisvogel, eerst met een voorsprong van twee of drie dagen, later met een van vijf of zes, eindelijk met een van zeven of acht. Men was hem klaarblijkelijk op het spoor, maar tevens kwam daarbij helder uit, dat hij het in vlugheid won op hen, die hem vervolgden.
De vier menschenjagers schenen evenwel zeker van hun welslagen te zijn. De vluchteling zou toch eindelijk genoodzaakt zijn om halt te maken. Zijne vangst was dus slechts eene kwestie van tijd.
Cyprianus en zijne makkers vatten hunne taak dan ook van de gemakkelijkste zijde op. Langzamerhand begonnen zij zich aan hunne lievelingsgenoegens over te geven. De jonge ingenieur verzamelde rotssoorten; Friedel herbariseerde en beweerde de eigenschappen der planten, die hij verzamelde, te herkennen aan hun uiterlijke kenteekenen; Hannibal Pantalucci plaagde of mishandelde hetzij Bardik, hetzij Li, en verwierf slechts genade van zijne reisgenooten voor zijne ongure grappen, door op de pleisterplaatsen een schotel overheerlijke macaroni te bereiden; James Hilton hield zich onledig met de karavaan van wildbraad te voorzien. Er gingen weinige dagen voorbij, waarin hij niet eenige dozijnen patrijzen, een overvloed van kwartels, soms een wild zwijn of een antiloop schoot.
Zoo den eenen dag vóór, den andere nà voorttrekkende, bereikte men eindelijk het Bosch-Veld. De hoeven werden weldra al meer en meer zeldzaam en werden later niet meer ontmoet. Men had de uiterste grenzen der beschaafde wereld bereikt.
Men moest van dat tijdstip af iederen avond kampeeren, groote vuren ontsteken, waaromheen menschen en dieren zich onder de hoede van een waakzame wacht konden ter ruste leggen.
De landstreek had een uiterst woest uitzicht aangenomen. Vlakten van geelachtig zand, boschjes van doornachtige struiken, hier en daar een beek, die door eene moerassige strook kronkelde, hadden het lachende groene landschap van het Banken-Veld afgewisseld. Soms moest er een aanmerkelijke omweg gemaakt worden om een wezenlijk woud van _thorn trees_ of doornboomen te ontwijken. Dat zijn boompjes van drie tot vijf meters hoog, die eene groote menigte horizontaal uitgestrekte takken dragen, gewapend met doornen van twee tot vier duim lang, zeer hard en scherp als een dolkmes.
Deze grensstrook van het Bosch-Veld wordt gewoonlijk Lion Veld of Leeuwen Veld genoemd; maar zij schijnt die schrikwekkende benaming niet te rechtvaardigen, want na drie dagen reizens had men nog geen van die wilde dieren gezien.
"Die naam zal slechts bij overlevering bestaan," mompelde Cyprianus bij zich zelven. "De leeuwen zullen meer naar den kant der woestijn getrokken zijn!"
Toen hij evenwel die meening in tegenwoordigheid van James Hilton uitte, begon deze luidkeels te lachen.
"Gij gelooft dus dat er geen leeuwen zijn?" vroeg hij, toen zijne lachbui over was. "Dat komt daar vandaan, dat gij er niet op geoefend zijt om ze te zien."
"Mooi zoo! Een leeuw te midden van die kale vlakte niet zien!" antwoordde Cyprianus op spottenden toon.
"Welnu, ik wed om tien pond," zei James Hilton, "dat vóór wij een uur verder zijn, ik er u een zal wijzen, dien gij niet opgemerkt zult hebben!"
"Uit beginsel wed ik nooit," antwoordde Cyprianus; "toch vraag ik niet beter dan door de ondervinding geleerd te worden."
Men trok nog gedurende vijf en twintig of dertig minuten voort, en niemand dacht meer aan leeuwen, toen James Hilton eensklaps uitriep:
"Heeren, kijkt toch dat mierennest, hetwelk daar ter rechterzijde wordt ontwaard!"
"Wat is daaraan te zien?" vroeg Friedel. "Sedert twee of drie dagen zien wij niets anders."
Inderdaad, niets komt in het Bosch-Veld meer menigvuldig voor dan die groote gele aardhoopen, die door ontelbare mieren opgeworpen zijn, en die van tijd tot tijd alleen met eenige doornstruiken of boschjes van magere mimosa's eenige afwisseling in de vreeselijke eentonigheid van de zich rondom uitstrekkende vlakte aanbrengen.
James Hilton lachte, maar stil en geheel voor zich.
"Mijnheer Méré," hernam hij, "laat uw paard een harden galop aannemen, tot in de nabijheid van die mierennesten.--Kijk dan in de richting van mijn vinger.--Ik beloof u dat gij zien zult wat gij verlangt te zien. Kom er evenwel niet te dicht bij, of het zou u kunnen berouwen."
Cyprianus gaf zijn paard de sporen, en reed naar de plek, die door James Hilton een mierennest genoemd werd.
"Het is een leeuwenfamilie, die daar gelegerd is!" zei de Duitscher, zoodra Cyprianus zich verwijderd had. "Ik durf tien tegen een wedden, dat die gele hoopen, die gij daar ziet, en die gij voor mierennesten aanziet, niets anders zijn!"
"_Per Bacco_!" riep Hannibal Pantalucci uit. "Gij hadt wel noodig om hem aan te bevelen er niet te dicht bij te komen!"
Maar bemerkende dat Bardik en Li naar hem luisterden, hernam hij, terwijl hij een draai aan zijne uitgedrukte gedachten gaf:
"De Franschman zou aardig verschrikt geworden zijn en wij zouden eens hartelijk gelachen hebben."
De Napolitaan vergiste zich. Cyprianus was er de man niet naar om zich te laten verschrikken, zooals hij zeide.
Toen deze op tweehonderd passen gekomen was van het doel, dat hem aangewezen was, herkende hij met welk schrikkelijk mierennest hij te doen had. Er waren daar een kolossale leeuw met zijne leeuwin en drie welpen, die in elkaar gerold op den grond lagen als katten, en gerust in de zon sliepen.
Toen het geluid van den hoefslag van Templar zijn oor bereikte, opende de leeuw zijne oogen, hief zijn overgroot hoofd op en geeuwde terwijl hij tusschen twee rijen vreeselijke tanden een afgrond liet ontwaren, waarin een kind van tien jaren met huid en haar kon verdwijnen. Toen keek hij den ruiter aan, die op twintig passen afstands zijn paard tot staan had gebracht.
Het wilde dier had gelukkig geen honger, anders had hij zich zoo onverschillig niet gedragen.
Cyprianus wachtte met de karabijn in de hand gedurende twee of drie minuten wat de leeuw zou gelieven te doen. Maar toen hij bemerkte, dat deze niet van zins was de vijandelijkheden te beginnen, had hij den moed niet om het vreedzame geluk van dat belangwekkende gezin te storen. Hij wendde zijn paard en kwam in een korten draf bij zijne makkers terug.
Dezen, verplicht om hem hulde te brengen wegens zijne koelbloedigheid en dapperheid, ontvingen hem met juichkreten.
"Ik zou de weddenschap verloren hebben, mijnheer Hilton," zei Cyprianus in allen eenvoud.
Dienzelfden avond kwam men bij den rechteroever der Limpopo aan, alwaar halt gemaakt werd. Friedel wilde van de gelegenheid gebruik maken om een vischzootje in die rivier te vangen. Hij zette dat plan, in weerwil van de waarschuwingen van James Hilton, stijfhoofdig door.
"Dat is zeer ongezond, kameraad," zeide deze. "Ik waarschuw u. In het Bosch-Veld moet men na zonsondergang noch langs de rivieroevers verwijlen, noch...."
"Kom, kom! Ik heb in mijn leven wel want anders bijgewoond!" antwoordde de Duitscher met de stijfhoofdigheid aan zijn natie eigen.
"Juist," riep Hannibal Pantalucci uit; "wat zou er daarenboven ongezonds in gelegen zijn, om gedurende een uur of twee op den oever der rivier te verwijlen? Het is mij wel gebeurd, dat ik, terwijl ik op de eendenjacht was, er halve en heele dagen doorbracht en ik daarbij tot aan de schouders nat was!"
"Maar dat is volstrekt niet hetzelfde," hernam James Hilton. "Pas op, Friedel!"
"Praatjes allemaal!" antwoordde de Napolitaan. "Mijn waarde Hilton, gij zoudt beter doen de bus met geraspte kaas op te zoeken om mijne macaroni klaar te kunnen maken, dan te pogen onze makkers te beletten een schotel visch machtig te worden. Drommels, die zou eene aangename afwisseling in onzen maaltijd brengen."
Friedel stapte op, zonder naar goeden raad te willen luisteren. Hij vermaakte zich zoodanig met hengelen, dat het stikdonkere nacht was, toen hij in de legerplaats terugkeerde.
Daar gebruikte de hartstochtelijke hengelaar zijn maaltijd met den meesten eetlust en deed van allen wel de grootste eer aan de visschen die hij zelf gevangen had. Toen hij evenwel zich in den wagen bij zijne makkers te slapen legde, klaagde hij over hevige huiveringen, die hem overvielen.
Toen den volgenden morgen de dag aanbrak en men opstond om te vertrekken, had Friedel eene hevige koorts en bevond hij zich in de volslagen onmogelijkheid om te paard te stijgen. Hij verlangde evenwel, dat men opbreken en de reis voortzetten zoude, verzekerende dat hij zeer goed op het stroo in den wagen lag. Men deed, zooals hij begeerde. Tegen het middaguur ijlde hij.
Toen het drie uur was, was hij dood.
Zijne ziekte was het gevolg van een bloedbederfkoorts van de ergste soort.
Bij dat plotselinge uiteinde kon Cyprianus de gedachte niet verbannen, dat Hannibal Pantalucci, door zijne slechte raadgevingen, in die gebeurtenis eene groote verantwoordelijkheid op zich geladen had. Maar niemand anders dan de Franschman dacht er aan, die opmerking te maken.
"Gij ziet nu, dat ik gelijk had toen ik gisteren beweerde, dat men bij het vallen van den avond niet op den oever eener rivier moet verwijlen," vergenoegde zich James Hilton op wijsgeerigen toon te herhalen.
Men stond gedurende eenigen tijd stil om het lijk te begraven, dat men toch niet ten prooi aan de wilde dieren kon laten.
Het was het lijk van een medeminnaar, van een vijand bijna, en toch gevoelde zich Cyprianus bij die laatste plechtigheid innig bewogen. Het gezicht van den dood, overal zoo treffend en zoo aangrijpend, scheen in de woestijn nog des te meer indruk te maken. In het aangezicht slechts van de natuur schijnt de mensch beter te begrijpen, dat de dood de onvermijdelijke eindpaal is van alles wat leeft. Verre van zijne verwanten, verre van allen, die hij liefhad, vlogen zijne gedachten in dit sombere uur met weemoed naar hen heen. Hij zei tot zich zelven, dat hij morgen wellicht op de onmetelijke vlakte zou neervallen om niet meer op te staan, dat hij dan ook onder een voet zand zou gestopt worden, dat ook boven zijn lijk een naakte steen zou gerold worden, en dat noch de tranen eener zuster of moeder, noch de weeklachten van een vriend hem tot bij zijne eenzame groeve zouden vergezellen. En een weinig van het medelijden, dat hem het lot van zijn makker inboezemde, op zijn eigen toestand overbrengende, was het hem, alsof een gedeelte van zijn eigen ik in dat graf besloten werd.
Daags na die treurige plechtigheid werd het paard van Friedel, dat vastgemaakt aan den wagen volgde, door de Veld-ziekte aangetast. Men moest het achterlaten en afmaken.
Het arme dier had zijn baas slechts weinige uren overleefd.
VEERTIENDE HOOFDSTUK.
TEN NOORDEN VAN DE LIMPOPO-RIVIER.
Er waren drie dagen van onderzoekingen en loodingen noodig om eene waadbare plaats dwars door de bedding van de Limpopo te vinden. En het was nog maar zeer twijfelachtig, of men haar gevonden zou hebben, wanneer niet eenige Macalaccasche Kaffers, die daar bij den oever der rivier rondzwierven, waren aangetroffen en zich hadden bereid verklaard om de karavaan tot gidsen te verstrekken.
De Kaffers van dat ras zijn arme domme duivels, die door de meer ontwikkelde Betjuanen in eene afzichtelijke dienstbaarheid gehouden worden. Zij worden, zonder op eenige belooning uitzicht te hebben, tot den meest zwaren arbeid gedwongen, en daarbij met hardheid en ruwheid behandeld. Wat meer zeggen wil: het is hun op straffe des doods verboden vleeschspijzen te eten. De rampzalige Macalaccassen kunnen zooveel wild dooden, als zij op hun pad ontmoeten, op voorwaarde dat zij het bij hunne heeren en meesters te huis brengen. En die laten hun niets anders dan de ingewanden over, zooals de Europeesche jagers ongeveer met hunne jachthonden handelen.
Een Macalaccasche Kaffer bezit niets in eigendom, zelfs de ellendige hut, niet, die hij bewoont, zelfs de kalabas niet, waaruit hij drinkt. Hij loopt nagenoeg naakt rond, is mager en zonder vleesch, en draagt buffeldarmen over den schouder, die men op eenigen afstand voor ellenlange zwarte worsten zoude kunnen houden en die in werkelijkheid niets anders zijn dan zeer oorspronkelijke ontvangers, waarin hij zijn voorraad water met zich voert.
De handelsgeest van Bardik openbaarde zich weldra in het volleerde kunststukje, waardoor hij die ongelukkigen tot bekentenis wist te brengen, dat zij in weerwil van hunne ellende eenige struisveeren bezaten, die zij zorgvuldig in naburige struiken verborgen hadden. Hij deed hen onmiddellijk den voorslag om ze te koopen, waartoe hij met hen des avonds op eene bepaalde plaats zou samenkomen.
"Gij hebt dus geld om hen in ruil daarvoor te geven?" vroeg Cyprianus tamelijk verwonderd.
Bardik haalde al lachende een handvol koperen knoopen te voorschijn, die hij sedert een paar maanden opgezameld had en die hij in een linnen zakje bij zich droeg.
"Dat's gekheid!" zeide Cyprianus. "Dat is geen gangbare munt, en ik mag niet toestaan, dat die arme drommels met eenige dozijnen knoopen gefopt worden!"
Hij had mooi praten; het was onmogelijk Bardik te doen begrijpen, dan in zoo'n handel iets berispelijks gelegen was.
"Wanneer de Macalaccassen mijne knoopen tegen hunne struisveeren willen inruilen," antwoordde hij in allen ernst, "wie zal er dan wat tegen te zeggen hebben? Gij weet zeer goed, dat de inzameling van die veêren hen niets gekost heeft. Zij hebben zelfs het recht niet om die te bezitten; zij durven ze slechts ter sluiks vertoonen! Een knoop daarentegen is een nuttig voorwerp, veel nuttiger dan een veer van een struisvogel! Waarom zou het mij dan verboden zijn hen een of twee dozijn van die nuttige knoopen in ruil voor een gelijk aantal veeren aan te bieden?"
Die redeneering was wel spitsvondig, maar toch niet eerlijk. Wat de Kaffer niet inzag was, dat de Macalaccassen zijne knoopen zouden aannemen niet zoozeer voor het gebruik, dat zij er van zouden kunnen maken, daar zij bijna geen kledingstukken aan het lijf droegen, maar wel voor de veronderstelde waarde, die zij aan die metalen schijfjes, welke zoozeer op muntstukken geleken, toekenden. Zoo beschouwd, was die ruil werkelijk bedrog.
Toch moest Cyprianus tot de erkenning komen, dat zijne redeneering te hoog was voor het begrip van dien wilde, die op het gebied van warenomzetting een ruim geweten had. Hij liet hem dus handelen zooals hij wilde.
De handelsoperatie van Bardik werd des avonds met fakkellicht volvoerd. De Macalaccassen waren klaarblijkelijk zeer bevreesd door hun opkooper bedrogen te worden. Zij vergenoegden zich dan ook niet met de lichten, die de blanken ontstoken hadden, maar zij brachten elk een bos maïs-stengels mede, die zij in den grond plantten en daarna aanstaken.
Vervolgens haalden die inboorlingen hunne struisveeren voor den dag en beijverden zich om de knoopen van Bardik te bezichtigen.
Toen begonnen zij onder een oorverdoovend geschreeuw, gepaard met buitensporige gebaren, een redetwist over den aard en de waarde van die metalen schijfjes.
Niemand verstond een woord van hetgeen zij in hunne snelsprakige taal vertelden, maar het was voldoende om hunne met bloed beloopen oogen, hunne welsprekende gebaren en hunnen toorn te zien, om te begrijpen, dat de woordentwist over een hoogst belangrijk vraagstuk voor hen liep.
Dit hartstochtelijke gekakel werd plotseling door eene onverwachte verschijning afgebroken.
Een neger van hooge gestalte, die zich waardiglijk in een leelijken mantel van rood katoen gewikkeld had en wiens voorhoofd getooid was met een soort van diadeem, die door de Kaffersche krijgslieden wordt gedragen en van schapendarmen vervaardigd is, trad uit het struikgewas te voorschijn, in welker nabijheid het loven en bieden geschiedde. Hij sloeg woest met den steel zijner lans op de Macalaccassen, die op heeter daad betrapt waren, zich met verboden handelszaken in te laten.
"Lopepo!...... Lopepo!......" schreeuwden de ongelukkige wilden, terwijl zij uit elkaar stoven als een troep overvallen ratten.
Een kring van zwarte krijgslieden kwam evenwel uit al de omliggende struiken te voorschijn en omgaf de schuldigen, die natuurlijk in hunne vlucht weerhouden werden.
Toen deed Lopepo zich al de knoopen overhandigen. Hij bekeek ze zeer zorgvuldig bij het schijnsel der toortsen en borg ze met een lach van vergenoegen in zijn leeren tasch. Daarna trad hij op Bardik toe, nam hem de reeds geleverde struisveêren uit de handen en eigende zich die ook toe, zooals hij met de knoopen gedaan had.
De blanken waren lijdzame toeschouwers van dat geheele tooneel gebleven. zij wisten niet, wat zij doen zouden, òf lijdzaam blijven òf tusschenbeiden komen. Lopepo hakte den knoop door. Hij trad hen te gemoet, en op eenige passen afstand van hen gekomen, maakte hij halt en hield eene aanspraak op zeer bevelenden toon, die voor allen, op een na, geheel onverstaanbaar was.
James Hilton evenwel, die eenige woorden van de Betjuanen-taal verstond, slaagde er in om den algemeenen zin van die redevoering te vatten en vertaalde haar voor zijn makkers. De grondtoon van die toespraak was, dat het Kaffer-opperhoofd er zich over beklaagde, dat men Bardik veroorloofd had handel te drijven met de Macalaccassen, die niets in eigendom mochten bezitten. De neger verklaarde bij het slot van zijn gebabbel, dat hij de verboden koopwaren benaderde, en vroeg of de blanken daartegen iets hadden in te brengen.
De meening van dezen omtrent de te kiezen partij was verdeeld. Hannibal Pantalucci was van oordeel, dat men dadelijk moest toegeven, om niet in twist met het Betjuanen-opperhoofd te geraken. James Hilton en Cyprianus erkenden wel, dat er iets goeds in die opvatting was, maar vreesden, dat wanneer men zich te meegaande in die zaak toonde; Lopepo daardoor overmoedig zoude worden en dan wellicht eischen zoude stellen, die tot eene onherroepelijke vredebreuk konden leiden.
Men hield spoedig raad met gedempte stem, waarin overeengekomen werd, dat men de knoopen aan de Betjuanen zou laten, maar dat zij de struisveeren moesten teruggeven.
James Hilton had alle moeite om dat door middel van gebaren en van eenige Kafferwoorden verstaanbaar te maken. Eerst vermeende Lopepo eene staatkundige houding te moeten aannemen en van aarzeling te doen blijken. Hij ontwaarde evenwel het glinsteren van de loopen der geweren in handen van de Europeanen; dat gaf den doorslag, zoodat hij de veeren teruggaf.
Maar van stonde af aan bleek dat opperhoofd, dat inderdaad zeer slim was, meer meegaande te zijn. Hij bood aan de drie blanken, aan Bardik en Li een snuifje uit zijne groote snuifdoos, en nam vervolgens in het bivouac plaats. De Napolitaan bood hem een glas brandewijn aan, hetgeen hem goed gemutst maakte. Eindelijk stond hij op, na daar anderhalf uur stom als een visch gezeten te hebben, en noodigde de karavaan uit om hem den volgenden dag een bezoek in zijne kraal te brengen.
Men deed hem de verlangde belofte, waarop hij vervolgens, na met allen een handdruk gewisseld te hebben, met deftigen stap heen ging.
Iedereen ging na zijn vertrek slapen, behalve Cyprianus, die, na zich in zijne dekens gewikkeld te hebben, bij het beschouwen der sterren wakend droomde. Het was nieuwe maan, maar de nacht was overheerlijk helder door het groot aantal sterren, dat zichtbaar was. Het wachtvuur was uitgegaan zonder dat de jeugdige ingenieur er op gelet had.
Hij dacht aan zijne verwanten, die waarlijk niet konden gissen dat hij in dit oogenblik door een zoodanig avontuur als hem voortjoeg, in de volle woestijn van Zuid-Afrika getrokken was; hij dacht aan de bekoorlijke Alice, die op hare beurt thans ook misschien naar de sterren keek; hij dacht, in één woord, aan al de wezens, die hem dierbaar waren. En zich door die zachte droomerijen latende vervoeren, welke door de stilte van die onmetelijke vlakten in een dichterlijk waas gehuld werden, was hij op het punt van in te dommelen, toen een hoefgetrappel, een zonderling leven, komende van den kant, waar de trekossen voor den nacht gestald waren, hem wakker maakte en hem deed opspringen.
Cyprianus meende toen in het duister eene gedaante te onderscheiden, die minder hoog en meer ineengedrongen was dan die der ossen en die al dat spektakel veroorzaakte.
Zonder zich recht rekenschap te geven, wat die gedaante eigenlijk was, greep Cyprianus eene zweep, die voor de hand lag, en schreed voorzichtig naar de plek, waar de ossen gestald waren.
Hij had zich niet vergist: er was daar in de nabijheid der trekdieren een vreemd beest, dat hun slaap gestoord had.
Nog niet geheel wakker, en zonder na te denken over hetgeen hij uitvoerde, hief Cyprianus zijne zweep omhoog en striemde den muil van den ongenoodigden gast met een fermen zweepslag.
Een verschrikkelijk gebrul was het antwoord op dien aanval!.... Het was waarachtig een leeuw, die door den jongen ingenieur als een stouten poedel behandeld was!
Onze Franschman had nauwelijks den tijd om een der revolvers ter hand te nemen, die hij steeds aan zijn gordel droeg, en om een zijsprong uit te voeren, toen het dier op hem toesprong zonder hem te bereiken, zich omwendde en andermaal op hem toevloog en zijn arm greep.
Cyprianus voelde de scherpe klauwen zijn vleesch verscheuren. Door den schok viel hij omver en rolde in het stof met het schrikkelijke wilde dier. Een schot knalde eensklaps! Het lichaam van den leeuw trilde onder eene laatste stuiptrekking, rekte zich uit en bleef bewegingloos liggen.
Cyprianus, die niets van zijne koelbloedigheid verloren had, had met de hand, die nog vrij gebleven was, den loop van de revolver in het oor van het monster geplaatst, wiens schedel door een ontplofbaren kogel verbrijzeld werd.
De slapende makkers van den ingenieur, door het gebrul van den leeuw en door den knal van het revolverschot gewekt, stonden naar het gevecht te zien. Men bevrijdde Cyprianus, die half verpletterd onder het gewicht van het overgroote dier lag; men onderzocht zijne wonden, die niets te beduiden hadden. Li verbond ze met eenige zwachtels met brandewijn bevochtigd; daarna werd de beste plaats in den wagen voor den dappere ingeruimd, en weldra was de geheele karavaan weer ingeslapen onder de hoede van Bardik, die tot het aanbreken van den dag wilde waken.
De dageraad vertoonde zich nauwelijks aan den hemel, toen de stem van James Hilton weerklonk, die zijne makkers smeekte hem te hulp te komen, en aldus een nieuw onheil aankondigde. James Hilton had zich geheel gekleed op het voorgedeelte van den wagen te slapen gelegd. Thans verried zijne stem den vreeselijksten angst, terwijl hij geene beweging durfde maken.
"Eene slang heeft zich rondom mijn rechterknie onder mijn broek gerold," zeide hij. "Beweegt u niet, of ik ben verloren! Wat moet er toch gedaan worden?"
Zijne oogen puilden uit hunne kassen van angst; zijn gelaat was met eene lijkkleur overtogen. Men ontwaarde inderdaad ter hoogte van zijn rechterknie, onder het blauwe linnen van zijn broek, de tegenwoordigheid van een vreemd lichaam--een soort kabel, die rondom het been gewikkeld was.
De toestand was ernstig. Zooals James Hilton zelf zeer te recht opmerkte, bij de eerste beweging, die hij deed, zou de slang niet nalaten hem te bijten!
Maar te midden van de algemeene verslagenheid nam Bardik op zich om te handelen.
Na het jachtmes van zijn meester, zonder gedruisch te maken, uit de scheede getrokken te hebben, naderde hij James Hilton met eene bijna onmerkbare beweging. Hij schoof vooruit als ware hij een worm. Toen bracht hij zijne oogen ter hoogte van de slang en onderzocht gedurende eenige seconden nauwkeurig de ligging van het gevaarlijke dier. Ongetwijfeld zocht hij zich rekenschap te geven van de plaats, waar de kop der slang zich bevond.