De Zuidster, het land der diamanten

Chapter 11

Chapter 113,764 wordsPublic domain

Hij verzekerde, dat die dag de grootste herinneringsdag van zijn leven als mijnwerker en als landbouwer zou zijn. Na al de beproevingen, die hij sedert zijne jeugd doorstaan had, zag hij zich thans in het rijke Grikwaland gevestigd en was hij thans omringd door tachtig vrienden, om met hem feest te vieren over het bezit van den grootsten diamant der wereld. Zoo iets verschaft eene onvergetelijke vreugde!.... Het is waar, dat een der eerzame mijnwerkers, die thans om hem gezeten waren, morgen een nog grooteren steen kon vinden!.... Maar dat was juist het pikante en de dichterlijke zijde van het mijnwerkersleven!.... (_Levendige toejuiching_). Dat geluk wenschte hij zijne gasten van harte toe!.... (_Gelach en handgeklap_). Hij meende evenwel te kunnen verzekeren, dat hij slechts moeielijk te voldoen was, die met zoo'n diamant niet tevreden was!.... Om kort te gaan, hij noodigde zijne gasten om te drinken op Grikwalands welvaren, op de bestendigheid der marktprijzen van de diamanten, welke mededinging zij ook te duchten mogen hebben,--eindelijk op de goede reis, welke de _Zuidster_ ging ondernemen, om eerst in de Kaapstad en vervolgens in Engeland in alle hare heerlijkheid te gaan schitteren!

"Maar," zei Thomas Staal, "is het niet gevaarlijk een steen van die waarde naar de Kaapstad te verzenden?"

"O! hij zal goed geëskorteerd worden!...." antwoordde John Watkins. "Veel, zeer veel diamanten hebben onder die omstandigheden de reis gemaakt en de veilige haven bereikt."

"Zelfs de diamant van den heer Durieux de Sancey," zei Alice, "en toch zonder de toewijding en opoffering van zijn knecht...."

"Hé! wat is er dan toch buitengewoons gebeurd met dien diamant?" vroeg James Wilton.

"Ziehier het verhaal van het gebeurde" antwoordde Alice zonder zich te laten bidden:

"Mijnheer de Sancey was een Fransch-edelman, tot de hofhouding van Hendrik III behoorende. Hij bezat een beroemden diamant, die thans nog zijn naam draagt. Die diamant--het zij hier tusschen twee haakjes gezegd,--had reeds talrijke avonturen beleefd. Zoo had hij bij voorbeeld aan Karel den Stouten toebehoord, die hem bij zich droeg, toen hij onder de wallen van Nancy gedood werd. Een Zwitsersch soldaat vond den steen op het lijk van den hertog van Bourgondië en verkocht hem voor een gulden aan een armen priester, die hem voor vijf of zes gulden aan een jood overdeed. Ten tijde dat hij in het bezit was van den heer de Sancey, verkeerde de Koninklijke Schatkist in groote ongelegenheden. Toen stemde de heer de Sancey er in toe, om zijn diamant in onderpand te geven om de waarde daarvan aan den Koning voor te schieten. De geldschieter bevond zich te Metz. Men moest dus het kleinood aan een dienaar toevertrouwen om het over te brengen.

"Vreest gij niet dat die man met zijn schat naar Duitschland zal ontvluchten?"" vroeg men den heer de Sancey.

"Neen, ik stel ten volle vertrouwen in hem."

"Toch kwam in weerwil van dat vertrouwen, noch de man, noch de diamant ter gewenschte plaats aan. Het geheele hof lachte den heer de Sancey hardop uit.

""Toch blijft mijn vertrouwen in mijn bediende ongeschokt,"" antwoordde deze. ""Hij moet ergens vermoord zijn.""

"En inderdaad, toen men zocht en goed zocht, vond men het lijk in een sloot langs den weg.

""Snijd hem open,"" zei de heer de Sancey, ""de diamant moet zich in zijn maag bevinden.""

"Men voldeed aan zijn verlangen en zijn vermoeden werd volkomen bevestigd. De nederige held, wiens naam hem zelfs niet overleefd had, was zijnen plicht en der eer tot in den dood getrouw gebleven. "Hij overvleugelde door zijne schitterende daad het kleinood, dat hij droeg," verzekerde een oude kroniekschrijver uit die dagen.

"Het zou mij zeer bevreemden," voegde Alice tot slot van haar verhaal er bij, "wanneer _de Zuidster_ bij voorkomende gelegenheid gedurende hare reis niet eene dergelijke toewijding zou opwekken."

Een algemene kreet van instemming begroette die woorden van miss Watkins. Tachtig handen hieven tachtig glazen omhoog en aller oogen wendden zich instinctmatig naar den schoorsteen, om daadwerkelijk hulde te brengen aan den onvergelijkelijken diamant.

Maar.... _de Zuidster_ was niet meer op haar voetstuk, waarop zij zoo even nog achter John Watkins prijkte.

De verbazing, op tachtig aangezichten uitgedrukt, was zoo duidelijk, dat de gastheer zich plotseling omkeerde, om er de oorzaak van te ontdekken.

Nauwelijks had hij die ontwaard, of hij viel verlamd op zijn leuningstoel neer, als ware hij door den bliksem getroffen.

Men vloog naar hem toe, men maakte zijn das los, men wierp hem water op het hoofd.... Eindelijk ontwaakte hij uit zijne bezwijming.

"De diamant!...." bulderde hij met donderende stem. "De diamant!.... Wie heeft den diamant genomen?"

"Heeren, dat niemand het vertrek verlate!" zei de chef der politie-brigade, terwijl hij al de uitgangen deed bezetten.

Al de gasten keken elkander met verlegenheid aan en wisselden hunne meeningen al fluisterend. Het was nog geen vijf minuten geleden, dat allen den diamant nog gezien of gemeend hadden hem te zien. Maar men moest zijne oogen wel gelooven: de diamant was weg.

"Ik verlang dat alle hier tegenwoordige personen aan den lijve worden onderzocht, alvorens zij het vertrek verlaten!" stelde Thomas Staal met zijne gewone rondborstigheid voor.

"Ja!.... ja!".... antwoordde de vergadering, met eene zoo het scheen eenparige stem.

Dat voorstel liet een glimp van hoop voor John Watkins schemeren.

De politie-beambte deed diensvolgens al de gasten langs een der zijden van de zaal op eene rij plaats nemen en begon zich het eerst aan de geëischte behandeling te onderwerpen. Hij keerde zijne zakken het binnenste buiten, hij deed zijne schoenen uit en liet zijne kleederen bevoelen en betasten door wien maar wilde. Vervolgens onderwierp hij ieder zijner ondergeschikten aan hetzelfde onderzoek. Eindelijk kwamen de gasten een voor een voor en ondergingen opvolgend het meest nauwkeurige onderzoek.

Helaas! dat alles gaf niets!

Al de hoekjes en gaatjes van de feestzaal werden met de meeste zorg doorgesnuffeld.... men vond zelfs geen spoor van den diamant!

"Nu de Kaffers, die met het bedienen der tafel belast waren!" zei de politiebeambte, die de zaak nog niet wilde opgeven.

"Dat's juist!.... De Kaffers zijn de schuldigen!" kreeg hij tot antwoord. "Zij zijn diefachtig van aard genoeg, om dat schelmstuk uitgevoerd te hebben!

De arme drommels hadden evenwel het vertrek reeds verlaten, vóór dat John Watkins zijn toast uitbracht, daar hunne diensten niet meer benoodigd waren. Zij zaten buiten neergehurkt rondom een groot vuur, dat in de open lucht ontstoken was. Zij hadden lekkertjes gesmuld van de kliekjes vleeschspijzen, die van het feestmaal waren overgeschoten en waren juist op het punt een echt Kaffersch concert te beginnen. Zij hadden reeds hunne guitaren gegrepen, die van een kalabas vervaardigd waren, hunne fluiten, waarin zij met de neusgaten bliezen, hunne schelklinkende tamtams, van verschillende grootte, en waren reeds begonnen dat helsch rumoer te laten hooren, hetwelk iedere muziekuitvoering der inboorlingen van Zuid-Afrika voorafgaat.

Die Kaffers begrepen waarachtig niet volkomen, wat men van hen verlangde, toen men hen naar binnen riep om hen te betasten en hunne spaarzame kleedingstukken te onderzoeken. Zij kwamen eindelijk op de hoogte, dat het den diefstal van een diamant van groote waarde gold.

Evenals de voorgaande onderzoekingen waren deze ook nutteloos en vruchteloos.

"Wanneer de dief onder de Kaffers schuilt--wat voor mij aan geen twijfel onderhevig is"--zei een der gasten "dan heeft hij tienmaal meer tijd gehad dan noodig is, om het gestolene op eene veilige plaats te bergen!"

"Dat's buiten eenige twijfel," zei de politiebeambte, "en er is maar één middel om hen te noodzaken zich zelven te verraden, en dat is om zich tot een toovenaar of waarzegger van hun ras te wenden. Die lokt soms verrassende uitkomsten uit."

"Als gij het toestaat," zei Makatit, die zich nog bij zijne reisgenooten bevond, "dan kan ik de proef leiden!"

Dit aanbod werd terstond aangenomen. De gasten rangschikten zich aaneengesloten rondom de Kaffers, waarop Makatit, die in de rol van toovenaar geheel en al te huis was, zijne voorbereidselen trof, om zijn onderzoek te beginnen.

Vooraf nam hij twee of drie snuifjes fijne tabak uit een hoornen snuifdoos, die hij steeds bij zich droeg, en snoof die krachtig op.

"Ik zal thans de proef met de stokjes nemen!" zei hij toen dat snuiven afgeloopen was.

Hij ging bij een naburigen struik een twintigtal stokken afhakken, die hij nauwkeurig afmat en op gelijke grootte, namelijk van twaalf Engelsche duimen sneed. Toen deelde hij die aan de Kaffers uit, die op een gelid gerangschikt stonden en behield er een voor zich.

"Gij kunt u gedurende een kwartier uurs verwijderen, waarheen gij wilt," zeide hij op plechtigen toon tegen zijne makkers, "maar gij moet terugkomen, wanneer gij den tam-tam hoort weêrklinken! Wanneer de dief onder u schuilt, dan zal zijn stokje drie vingers langer geworden zijn."

De Kaffers, zeer onthutst door die toespraak, verspreidden zich, maar gevoelden zich niet op hun gemak, daar zij zeer goed wisten, dat met de korte en afdoende rechtspleging in Grikwaland iemand al heel spoedig als verdacht opgepakt, maar nog sneller gehangen werd.

De gasten van John Watkins, die de bijzonderheden van dat comediespel met alle aandacht gadegeslagen hadden, deelden elkander natuurlijk hunne gevoelens mede.

"De dief, wanneer hij zich onder die menschen bevindt, zal zich wel wachten terug te keeren," zei de een.

"Welnu, dat zou hem juist verraden!" antwoordde de ander.

"Bah! Hij zal slimmer zijn dan Makatit en zal zich vergenoegen met drie vingerlengten van zijn stokje af te snijden, om de gevreesde verlenging te bezweren!"

"Dat is het waarschijnlijk juist wat de toovenaar hoopt. Want die onhandige verkorting zou genoegzaam den schuldige aanwijzen."

Toen de vijftien minuten verloopen waren, sloeg Makatit plotseling op den tam-tam om zijne rechtsonderhoorigen terug te roepen.

Zij kwamen allen tot den laatste toe terug, rangschikten zich voor hem en reikten hem hunne stokjes over.

Makatit nam ze, vormde er een bundel van en bevond dat ze allen even lang waren. Hij wilde ze reeds weggooien en verklaren dat de proef afdoende de eerlijkheid zijner landgenooten had aangetoond, toen hij van gedachte veranderende, de stokjes, die men hem aangereikt had met dat hetwelk hij behield, vergeleek.

Allen waren drie vingeren korter.

De arme drommels hadden het voorzichtig geoordeeld, dien voorzorgsmaatregel te nemen tegen eene verlenging, die volgens hun bijgeloovig verstand, zeer goed plaats kon grijpen. Dat duidde nu wel op geen volmaakt zuiver geweten, en waarschijnlijk had ieder hunner in den loop van den dag den een of anderen diamant gestolen.

Een schaterlach begroette die onverwachte uitkomst. Makatit sloeg de oogen neer en scheen geheel ter neergeslagen en vernederd, dat een middel, hetwelk hem in zijne kraal zoo dikwerf bijzonder goed gediend had, nu in het beschaafde leven geheel waardeloos gebleken was.

"Mijnheer, er blijft ons niets over dan onze onmacht te bekennen!" zei toen de politiebeambte met een beleefden groet tot John Watkins, die op zijn leuningstoel in zijn wanhoop verdiept, was blijven zitten. Misschien zullen wij morgen gelukkiger zijn, wanneer wij eene groote belooning zullen uitloven aan hem die ons op het spoor van den dief zal brengen!"

"De dief," riep Hannibal Pantalucci eensklaps uit. "Maar waarom zal hij dat niet zijn, wien gij opgedragen hadt zijne gelijken te beoordeelen?"

"Wat wilt gij daarmee zeggen?" vroeg de officier van politie.

"Welnu.... die Makatit, die daar de rol van toovenaar op zich nam, heeft kunnen hopen alle verdenking van zich af te wenden!"

Wie in dat oogenblik aandachtig op Makatit gelet had, zou hem een leelijk gezicht hebben zien trekken, en hem de zaal hebben zien verlaten om op een drafje naar zijne hut te snellen.

"Ja," hernam de Napolitaan, "hij was steeds bij diegenen zijner makkers die den dienst binnenskamers verrichten!.... Hij liep heen en weer!.... Dat is een schurk, een schoft, wien mijnheer Méré zeer genegen is, men weet waarachtig niet waarom."

"Makatit is eerlijk! Daar durf ik voor instaan!" riep miss Watkins uit, die gereed was voor den bediende van Cyprianus in de bres te springen.

"Wat weet jij er van?" grauwde John Watkins zijne dochter ruw toe. "Ja....! hij is in staat om den diamant gestolen te hebben!"

"Hij kan niet heel ver zijn," hernam de politiebeambte. "Binnen weinige oogenblikken zullen wij hem doorzocht hebben. Als de _Zuidster_ in zijn bezit gevonden wordt, dan zal hij net zooveel zweepslagen ontvangen, als zij karaten zwaar is en als hij vóór dien tijd nog niet bezweken is, zal hij na den vierhonderd twee en dertigsten slag opgeknoopt worden!"

Miss Watkins ijsde bij het vernemen van die wreede taal. Al die half wilde mannen klapten in de handen bij het hooren van die afschuwelijke uitspraak van den politiebeambte. Maar wat te doen tegenover die woeste naturen, die geen wroeging noch medelijden kenden?

John Watkins bevond zich met zijne gasten een oogenblik later voor de hut van Makatit en zij braken de deur open.

Makatit was er niet en te vergeefs wachtte men hem gedurende den geheelen nacht op.

Den volgenden morgen was hij nog niet terug. Men moest toen wel erkennen dat hij de Vandergaart-Kopjesmijn verlaten had.

TWAALFDE HOOFDSTUK.

TOEBEREIDSELEN TOT VERTREK.

Toen Cyprianus den volgenden morgen al heel vroeg vernam, wat den vorigen avond gedurende het diner plaats gegrepen had, was zijne eerste daad om dadelijk te protesteeren tegen de zware beschuldiging, die tegen zijn bediende ingebracht was. Hij kon onmogelijk aannemen dat Makatit zulken diefstal zoude gepleegd hebben, en Alice deelde dien twijfel volkomen met hem. Hij zou eerder Hannibal Pantalucci, Herr Friedel, Nathan of ieder ander van die wezens, die voor hem slechts menschen van twijfelachtig allooi waren, verdacht hebben!

Het was evenwel zeer onwaarschijnlijk dat een Europeaan zich aan dien diefstal had schuldig gemaakt. Voor allen, die met den oorsprong van de _Zuidster_ onbekend waren, was zij een natuurlijke diamant, en bezat bijgevolg eene waarde, die het zeer moeilijk moest maken, hem van de hand te zetten.

"En toch," herhaalde Cyprianus bij zich zelven, "is het niet mogelijk, dat Makatit de dader is!"

Maar dan kwam toch weer twijfel bij hem op; dan herinnerde hij zich enkele kleine diefstallen, waaraan de Kaffer zich in zijn dienst had schuldig gemaakt. In weerwil van de vermaningen zijns meesters, had hij, zijner geaardheid getrouw--die omtrent het mijn en het dijn zeer zonderlinge en zeer ruime opvattingen had--, zich nimmer van die ergerlijke gewoonte kunnen ontdoen. Het gold destijds, wel is waar, slechts kleinigheden, min kostbare zaken, maar dat was toch voldoende om de eerlijkheid van Makatit niet geheel en al boven iedere verdenking verheven te achten.

Daarenboven kwam er nog bij, dat de tegenwoordigheid van den Kaffer in de feestzaal overeenstemde met het verdwijnen van den diamant als bij tooverslag; dan nog die zonderlinge omstandigheid, dat hij weinige oogenblikken later in zijn hut niet meer te vinden was geweest; eindelijke zijne vlucht--want weg was hij, dat was duidelijk, die toch hare redenen meest hebben.

Cyprianus wachtte inderdaad den geheelen morgen op Makatit, terwijl hij nog steeds iedere gedachte aan de schuld van zijn bediende verwierp. Maar deze kwam niet terug. Hij moest zelfs erkennen, dat de zak, waarin deze zijne spaarpenningen, zijn gereedschappen, zoo onmisbaar voor iemand, die de woeste streken van Zuid-Afrika wil doorreizen, geborgen had, uit de hut verdwenen was. Ja, toen was geen twijfel meer mogelijk.

Zoo omstreeks tegen tien uur begaf de jeugdige ingenieur, die eigenlijk meer bedroefd was over het gedrag van Makatit, dan over het verlies van den diamant, zich naar de hoeve van John Watkins.

Hij vond daar den bewoner der hoeve, Hannibal Pantalucci, James Hilton en Friedel in een druk gesprek gewikkeld. Alice, die hem had zien komen, trad met hem de zaal binnen, waarin haar vader en zijne drie makkers met heftigheid zaten te redetwisten over de maatregelen, die genomen moesten worden, om weer in het bezit van den diamant te geraken.

"Men moet dien Makatit nazetten, men moet hem achterhalen!" riep John Watkins met hevige woestheid uit. "En wanneer men den diamant niet bij hem vindt, dan moet men hem den buik opensnijden, om te zien of hij hem niet ingeslikt heeft!.... O! mijn dochter, wat hebt ge goed gedaan met ons gisteren die geschiedenis te verhalen!.... Men zal dien diamant tot in de ingewanden van dien schoft zoeken!"

"Maar,.... maar...." antwoordde Cyprianus op spottenden toon, die den Engelschman volstrekt niet beviel, "om een steen van die dikte te kunnen inslikken, zou Makatit een struisvogelmaag moeten bezitten!"

"Is een Kaffermaag niet tot alles in staat.... mijnheer Méré?" vroeg John Watkins. "En vindt gij het gepast in dit oogenblik en over dat onderwerp te lachen en te spotten?"

"Ik lach of spot niet, mijnheer Watkins," antwoordde Cyprianus op hoog ernstigen toon. "Wanneer ik evenwel het verlies van dien diamant betreur, dan is het alleen, omdat gij mij toegestaan hadt hem aan juffrouw Alice aan te bieden...."

"En ik ben er u dankbaar voor, mijnheer Cyprianus," zei miss Watkins, "even dankbaar alsof ik hem nog in mijn bezit had."

"Daar heb je nu een staaltje van het vrouwenverstand!" riep Watkins uit. "Even dankbaar alsof zij hem nog in haar bezit had, een diamant, die zijn weerga in deze wereld niet heeft!...."

"Inderdaad, dat is niet geheel en al hetzelfde, miss Watkins!" merkte James Hilton op.

"Neen, waarachtig niet!" vulde Friedel aan.

"Jawel, het is volkomen hetzelfde!" antwoordde Cyprianus, "daar ik, nu ik dezen diamant vervaardigd heb, wel weer een andere zal kunnen maken!"

"O mijnheer de ingenieur," sprak Hannibal Pantalucci met eene bedreigingsvolle stem, "ik geloof dat gij wèl zult doen wanneer gij uwe proeven staakt.... wèl in het belang van Grikwaland.... voorzichtig in uw eigen belang!"

"Waarlijk, mijnheer!" antwoordde Cyprianus, "mijne meening is, dat ik u dienaangaande geen verlof te vragen heb!"

"Het oogenblik is bij mijne ziel goed gekozen om daarover te twisten," riep John Watkins uit. "Is mijnheer Méré ook wel verzekerd van bij eene tweede proefneming te zullen slagen? Zou de tweede diamant, die in zijne werkplaats zou ontstaan, dezelfde kleur, hetzelfde gewicht en derhalve dezelfde waarde als de eerste hebben? Kan hij zelfs verzekeren geen anderen steen te kunnen vervaardigen, al ware het ook een van mindere waarde? Zou hij durven beweren dat het niet een groot toeval, louter toeval is geweest?"

Wat John Watkins daar sprak, was te redelijk om niet de gedachten van den jeugdigen ingenieur te treffen! Dat kwam daarenboven geheel en al overeen met de tegenwerpingen, die hij zich zelven meermalen gemaakt had. Zijne wijze van werken kwam voorzeker geheel en al overeen met de gegevens, die hij uit de nieuwere scheikunde geput had; maar was het toeval hem niet bovenal behulpzaam geweest bij dat eerste welslagen? En was hij verzekerd, dat hij bij een tweede poging andermaal slagen zou?

Onder die omstandigheden was het noodzakelijk, dat de dief, maar wat nog beter zou zijn, het gestolene achterhaald werd.

"Heeft men geen spoor van Makatit gevonden?" vroeg John Watkins.

"Geen enkel," antwoordde Cyprianus.

"Heeft men al de omstreken van het kamp doorzocht?"

"Ja, en goed doorzocht ook," zei Friedel. "De schurk is waarschijnlijk gedurende den nacht verdwenen en het zal moeilijk, zoo niet onmogelijk zijn, te bepalen waarheen hij gevlucht is!"

"Heeft de politiebeambte zijne hut doorzocht?"

"Ja," antwoordde Cyprianus; "maar hij heeft niets ontdekt, wat hem op het spoor van den vluchteling kon brengen."

"O!" riep John Watkins uit, "ik zou vijfhonderd, ik zou duizend pond sterling willen geven, wanneer men den schoft vatte."

"Dat geloof ik wel, mijnheer Watkins," zei Hannibal Pantalucci. "Ik vrees echter dat gij uwen diamant en ook den dief nimmer wederziet!"

"Waarom dat?"

"Omdat Makatit, eenmaal aan het loopen, zoo dom niet zal zijn om onderweg op te houden! Hij zal de Limpopo-rivier oversteken, hij zal de woestijn doortrekken, hij zal naar Zambessa of naar het meer Tanganayki, of naar de Boschjesmannen gaan, als hij dat noodig oordeelen zal."

Deelde de spitsvondige Napolitaan, door zoo te spreken, openhartig zijne gedachten mede? Of poogde hij aldus te beletten dat men de vervolging van Makatit ondernam, om die zorg later zelf op zich te nemen? Die vraag stelde Cyprianus zich, terwijl hij hem aandachtig waarnam.

Maar John Watkins was de man niet om eene onderneming op te geven eenig en alleen omdat zij moeilijk in de uitvoering was. Hij zou werkelijk zijn geheel vermogen opgeofferd hebben om weer in het bezit van den onvergelijkelijken steen te geraken, en door het geopende raam boorden zijne woedende blikken ongeduldig tot bij de groenende zomen der Vaalrivier, alsof hij hoop had daar bij dien boschrand den vluchteling te ontdekken.

"Neen!" riep hij, "dat kan zoo niet toegaan!.... Ik moet mijn diamant terug hebben!.... Die schoft moet achterhaald worden!.... O! als ik maar niet aan het pootje leed, dan zou dat spoedig genoeg geschied zijn, dat verzeker ik!"

"Vaderlief!...." kwam Alice tusschenbeide, om hem tot kalmte te stemmen.

"Kom, wie belast er zich mede?" riep John Watkins uit, terwijl hij den blik rondom zich liet waren. "Wie wil zich met de vervolging van den Kaffer belasten? De belooning zal flink zijn, daarop geef ik mijn woord!"

En daar niemand antwoordde:

"Kijk heeren," hernam hij, "gij zijt alle vier jonge mannen, die naar de hand mijner dochter dingen! Welnu, brengt mij den dief met mijn diamant terug"--hij zei thans reeds "mijn diamant"--"en op de eer van een Watkins, hij die mij den steen terugbrengt, zal mijne dochter krijgen!"

"Aangenomen!" riep James Hilton.

"Ik doe meê!" verklaarde Friedel.

"Wie zou niet trachten een zoo kostbaren prijs te winnen!" mompelde Hannibal Pantalucci met een akeligen grijnslach om de lippen.

Alice's gelaat was hoogrood van schaamte; zij gevoelde zich uiterst vernederd, zich zoo tot inzet van zulk eene partij gesteld te zien, en dat nog wel in tegenwoordigheid van den jongen ingenieur. Zij trachtte te vergeefs hare verlegenheid te verbergen.

"Miss Watkins!" fluisterde haar Cyprianus toe, terwijl hij zich eerbiedig voor haar boog, "ik zou mij wel als mededinger willen opdoen, maar mag, kan ik dat zonder uwe toestemming?"

"Die hebt gij, mijnheer Cyprianus," antwoordde zij levendig, "en ik voeg er mijne beste wenschen bij."

"Dan ben ik bereid om naar het uiteinde der wereld te reizen," zei hij terwijl hij zich tot John Watkins wendde.

"Bij mijne ziel, waarschijnlijk zult gij niet ver van de wijs zijn", meende Hannibal Pantalucci, "en ik geloof dat die Makatit ons een aardig eindje ver zal voeren. Als hij goed doorgeloopen heeft, kan hij morgen te Potchefstroom zijn en zal hij de bovenlanden bereikt hebben, alvorens wij onze woningen zullen hebben verlaten!"

"Maar, wat belet ons om heden nog.... om dadelijk te vertrekken?" vroeg Cyprianus.

"O, ik waarachtig niet, als gij daarin trek hebt!" antwoordde de Napolitaan. "Maar, wat mij betreft, ik scheep mij nooit in zonder mondvoorraad. Een degelijke wagen met een dozijn ossen bespannen en twee rijpaarden, dat is wel het allerminst wat noodig kan geacht worden voor een tocht als deze. En dat alles is slechts te Potchefstroom te verkrijgen."