De Zuidster, het land der diamanten

Chapter 10

Chapter 103,604 wordsPublic domain

John Watkins begaf zich dan ook naar de hut van Cyprianus, die, daar het vroeg in den morgen was, nog thuis was.

"Welnu, mijn jonge vriend," zei hij op een zekeren toon van opgeruimdheid. "Hoe hebt gij dezen nacht doorgebracht.... dien eersten nacht na uwe grootsche ontdekking?"

"Wel, zeer goed, mijnheer Watkins, zeer goed!" antwoordde de jonkman koeltjes.

"Wat? Hebt gij kunnen slapen?"

"Zoo als gewoonlijk! Waarom niet?"

"Al die millioenen, die uit dat fornuis daar te voorschijn getreden zijn," hernam Mr. Watkins, "hebben dus uwen slaap niet gestoord?"

"Waarachtig niet," antwoordde Cyprianus, "in geenen deele. Begrijp dan toch goed, mijnheer Watkins, die diamant zou slechts millioenen waard zijn, wanneer hij door de natuur en niet door een scheikundige voortgebracht ware."

"Jawel.... jawel.... mijnheer Méré! Maar zijt gij overtuigd een anderen of meer anderen te kunnen vervaardigen? Zoudt gij dat durven verzekeren?"

Cyprianus aarzelde. Hij begreep beter dan iemand hoeveel teleurstellingen bij een arbeid als deze kunnen ondervonden worden.

"Gij ziet het!" hernam John Watkins! "Gij durft het niet bevestigen. Dus zal die diamant, totdat gij bij eene volgende proef geslaagd zult zijn, zijne overgroote waarde behouden!".... En dat aangenomen, waarom zoudt gij dan gaan vertellen, althans voorshands, dat het een kunstmatige steen is?"

"Ik herhaal, wat ik u vroeger reeds gezegd heb," antwoordde Cyprianus; "dat ik de oplossing van zoo'n belangrijk vraagstuk wetenschappelijk niet geheim kan houden."

"Jawel!.... jawel!.... ik begrijp dat," hernam John Watkins terwijl hij den jonkman met een gebaar tot zwijgen uitnoodigde, alsof hij bevreesd ware, dat hun gesprek buiten gehoord kon worden. "Jawel!.... jawel!.... wij zullen daarover later wel praten!.... Maak u evenwel niet ongerust over Pantalucci en de overigen!.... Zij zullen omtrent uwe ontdekking niets vertellen, dewijl hun belang medebrengt dat zij daarover zwijgen!.... Geloof, mij.... wacht!.... en denk er wel om dat mijne dochter en ik zeer gelukkig zijn over uwe ontdekking!.... Ja, zeker, zeer gelukkig!.... Maar, zou ik dien prachtigen diamant nog eens mogen zien?.... Ik heb gisteren ternauwernood tijd gehad om hem aandachtig te bekijken!.... Wilt gij mij dus andermaal veroorloven...."

"Ik heb hem niet meer!" antwoordde Cyprianus.

"Gij hebt hem naar Frankrijk gezonden?" riep John Watkins uit, die alleen door de gedachte daaraan zich vernietigd gevoelde.

"Neen.... nog niet!.... In zijn ruwen toestand kon niet over zijne schoonheid geoordeeld worden. Dus gij kunt gerust zijn."

"Aan wien hebt gij hem dan ter hand gesteld? Bij alle heiligen van Engeland, aan wien?"

"Aan Jacobus Vandergaart, om hem te slijpen. Ik weet niet of hij hem heeft medegenomen."

"Gij hebt zoo'n diamant aan dien ouden gek toevertrouwd?" riep John Watkins woedend uit. "Maar dat is waanzin, mijnheer! Inderdaad waanzin!"

"Bah!" antwoordde Cyprianus. "Wat wilt gij dat Jacobus of wie ook ter wereld met zoo'n diamant, wiens waarde voor hen, die met zijne afkomst onbekend zijn, op minstens vijftig millioenen geschat moet worden, zal uitvoeren? Zoudt ge denken dat het gemakkelijk zou zijn hem heimelijk aan den man te brengen?"

John Watkins scheen getroffen door dat argument. Neen! een diamant van die waarde zou niet gemakkelijk van de hand te doen zijn. Toch was de pachter niet gerust, en had veel willen geven, ja zeer veel, indien Cyprianus hem niet aan den ouden diamantslijper had toevertrouwd.... of tenminste dat de oude diamantslijper reeds in Grikwaland teruggekeerd ware met dien kostbaren steen!

Maar Jacobus Vandergaart had een maand tijd bedongen, en hoe ongeduldig John Watkins ook was, hij was wel verplicht te wachten.

Het was buiten kijf dat zijne gewone huisbezoekers, als Hannibal Pantalucci, Herr Friedel, de jood Nathan niet nalieten den doodeerlijken diamantslijper te belasteren. Bij afwezigheid van Cyprianus spraken zij veel over hem en merkten dan steeds op, dat de tijd voorbijvlood en dat Jacobus Vandergaart niet terugkwam.

"En waarom zou hij in Grikwaland terugkeeren?" vroeg Friedel, "daar het hem zoo gemakkelijk is dien diamant, die zoo'n overgroote waarde heeft en welker fabriekmatige afkomst nog nergens bekend is, voor zich te behouden?"

"Omdat hij geen kooper er voor zal vinden!" antwoordde John Watkins, die hetzelfde argument van den jeugdigen ingenieur te berde bracht, dat hem evenwel volstrekt niet gerust stelde.

"Een mooie reden!" grinnikte Nathan.

"Ja, waarachtig! een mooie reden," vulde Hannibal Pantalucci aan. "Geloof mij, die oude kaaiman is reeds ver op dit oogenblik! Wat is er gemakkelijker, vooral voor hem, dan dien steen geheel onherkenbaar te maken? Gij kent zijne kleur zelfs niet! Wie zal hem beletten dien zwaren diamant in vier of zes deelen te verdeelen, waardoor er door kloving verscheidene steenen bekomen worden, die toch nog een eerbiedwaardige afmeting zullen hebben?"

Die gesprekken verontrustten het gemoed van John Watkins zeer. Hij begon ook te gelooven, dat Jacobus Vandergaart zich niet meer zou laten zien.

Cyprianus alleen was stellig overtuigd omtrent de eerlijkheid van den oudere diamantslijper. Hij verkondigde openlijk, dat de oude op den gestelden dag tegenwoordig zou zijn, en hij had gelijk.

Jacobus Vandergaart kwam zelfs tweemaal vier en twintig uren vroeger terug. Hij had zich zoodanig gehaast en zoo veel ijver bij den arbeid betoond, dat hij den diamant in zeven en twintig dagen geslepen had. Hij keerde tegen den avond terug om hem op de schijf te polijsten, zoodat de grijsaard zich in den morgen van den negen en twintigsten dag bij Cyprianus vervoegen kon:

"Hier is de steen," zei hij op eenvoudigen toon, terwijl hij een kleine houten doos op de tafel plaatste.

Cyprianus opende de doos en werd verblind.

Op een kussentje van witte katoenvlokken vertoonde zich een overgroote zwarte kristal met ruitvormige twaalfvlakken, die zulke prismatische lichtbundels uitstraalde, dat het geheele laboratorium verlicht scheen.

Die combinatie van eene gitzwarte kleur met eene uiterst volmaakte diamantachtige doorzichtigheid en met een weergaloos straalbrekingsvermogen, bracht het meest wonderlijke en meest verrassende effect te weeg. Men gevoelde zich tegenover dien diamant als tegenover een waarlijk eenig verschijnsel, dat als een speling der natuur kon beschouwd worden, dat zijne wederga niet had. Zelfs als men ieder denkbeeld aan waarde ter zijde stelde, dan nog blonk de heerlijkheid van dat kleinood ten volle uit.

"Het is niet alleen de zwaarste diamant, die er op de wereld bestaat," zei Jacobus Vandergaart hoogst ernstig en met een soort van vaderlijken trots; "maar het is ook de fraaiste. Hij weegt vier honderd twee en dertig karaten! Gij kunt u vleien, mijne jonge vriend een kunststuk uitgevoerd te hebben. Uw proefstuk is een meesterstuk."

Cyprianus had op die complimenten van den ouden diamantslijper niets geantwoord. Wat hem betreft, hij beschouwde zich als de uitvinder van eene zeldzame aardigheid, niets meer, niets minder. Vele anderen hadden zich beijverd de oplossing van het vraagstuk te vinden, zonder te slagen. Het was hem gelukt op dat terrein der anorganische scheikunde de bestaande moeielijkheden te overwinnen. Maar welke nuttige gevolgen zou de menschheid uit de vervaardiging van kunstmatigen diamant trekken? Zij zou ontwijfelbaar al diegenen ten gronde richten, die van den handel in edelgesteenten leefden, zonder iemand te verrijken of ook maar te bevoordeelen.

Die beschouwing verdreef wel ietwat de droombeelden, waaraan de jonge ingenieur zich in de eerste dagen na zijn ontdekking had overgegeven. Ja, nu verscheen hem die diamant, hoe bewonderenswaardig hij ook genoemd moest worden, nadat hij uit de handen van Jacobus Vandergaart gekomen was, slechts als een waardelooze keisteen, die niet eens de zinsbegoocheling der zeldzaamheid bezat.

Cyprianus greep het doosje, waarin de onvergelijkelijke steen bevat was, drukte den grijzen diamantslijper de hand en begaf zich naar de woning van John Watkins.

De pachter bevond zich in zijn benedenvertrek. Hij was steeds ongerust over de terugkomst van Jacobus Vandergaart. die hem als zeer onwaarschijnlijk voorkwam. Zijne dochter was bij hem en trachtte hem zooveel mogelijk gerust te stellen.

Cyprianus opende de deur en bleef een oogenblik op den drempel staan.

"Welnu?".... vroeg John Watkins met levendige stem, terwijl hij vlug van zijn stoel opsprong.

"Welnu, de trouwhartige Jacobus Vandergaart is heden ochtend aangekomen," antwoordde Cyprianus.

"Met den diamant?"

"Ja, met den diamant, dien hij bewonderenswaardig geslepen heeft. Deze weegt nog vier honderd twee en dertig karaten."

"Vier honderd twee en dertig karaten!" riep John Watkins uit, "En gij hebt hem bij u?"

"Hier is hij."

De pachter greep het doosje, deed het open en bekeek den diamant met oogen, die bijna evenzeer fonkelden als het edelgesteente zelf. Hij was als met stomheid geslagen en had het uiterlijk van een verrukte!

Vervolgens, toen het hem vergund was, om de kolossale waarde, die de diamant vertegenwoordigde, onder dien tegelijkertijd lichten, draagbaren, kostbaren en schitterenden vorm tusschen de vingers te mogen houden, toen verkreeg zijn verrukking een graad van overdrijving, die hem uiterst bespottelijk maakte.

John Watkins had tranen in de oogen en sprak den diamant aan alsof het een bezield wezen ware geweest.

"O! die schoone, die prachtige, die schitterende steen!...." riep hij uit. "Gij zijt dus teruggekomen, mijn liefste!.... Wat zijt ge schitterend!.... Wat zijt ge zwaar!.... Hoevele klinkende schijven zult ge wel waard zijn?.... En wat zal men met u aanvangen, mijn overschoone?.... O, eerst wordt ge naar de Kaapstad, later naar Londen gezonden, om daar gezien en bewonderd te worden!.... Maar wie zal rijk genoeg zijn om u te koopen? De Koningin zelve kan zich zulk eene weelde niet veroorloven!.... Haar geheele inkomen van twee of drie jaren zou daarmee heengaan!.... Er zal een votum van het Parlement noodig zijn, of beter nog een nationale inschrijving!.... O! men zal die in het leven roepen, wees daaromtrent gerust.... En gij zult rusten in Londen's Toren naast den _Koh-i-noor_, die zich slechts als een klein kind naast u zal vertoonen!.... Wat zoudt gij wel waard zijn, mijn hartedief?"

En na een oogenblik in stilte berekend te hebben, vervolgde hij:

"De diamant van den Czaar is door Katharina II met een millioen roebels comptant betaald geworden, terwijl daarenboven nog eene jaarlijksche lijfrente van acht en veertig duizend gulden aan den verkooper verleend werd. Er zal niets overdrevens in gevonden worden, wanneer voor dezen steen een millioen pond sterling gevraagd wordt en eene eeuwigdurende rente van twee honderd vijftig duizend gulden!"

En plotseling door een invallende gedachte getroffen:

"Mijnheer Méré," vroeg hij, "zoudt gij niet denken dat men den eigenaar van een zoodanigen steen tot het pairschap zoude verheffen? Alle soorten van verdiensten hebben recht om in de pairskamer zitting te nemen, niet waar? En zoo'n diamant van zulken omvang te bezitten, zou geen geringe verdienste zijn!.... Kijk dan toch, mijn dochter, kijk!.... Men heeft aan zijne twee oogen niet genoeg, om zoo'n steen te bewonderen!...."

Miss Watkins bekeek voor de eerste maal van haar leven een diamant met eenige belangstelling.

"Hij is waarlijk zeer schoon! Hij glinstert als een stuk kool, wat hij ook is, maar als een gloeiende kool!" zeide zij, terwijl zij den diamant voorzichtig van zijn leger van watten nam.

Vervolgens naderde zij met instinctmatige beweging, die ieder jong meisje in hare plaats ondervonden zou hebben, den spiegel, die boven den schoorsteen prijkte, en plaatste het bewonderenswaardige kleinood op haar voorhoofd te midden van haren rijken blonden haardos.

"Eene ster in goud gevat!" zei Cyprianus galant en liet zich daarbij tegen zijne gewoonte tot het zeggen van eene geestigheid verleiden.

"Dat 's waar!.... Waarlijk, men zou zeggen eene ster!" riep Alice uit, terwijl zij vroolijk in de handen klapte. "Welnu, die diamant moet dien naam behouden. Laten wij hem de _Zuidster_ doopen!.... Wilt ge, mijnheer Cyprianus? Is onze ster niet zwart als de inlandsche schoonen van dit land en is zij niet schitterend als het prachtig gesternte van onzen Zuidelijken hemel?"

"Goed! de _Zuidster_!" zei John Watkins, die aan den naam slechts luttel hechtte. "Maar pas op, laat hem niet vallen!" hernam hij met schrik, toen het jonge meisje een plotseling beweging maakte. "Hij zou als glas breken!"

"Waarlijk?.... Is zoo'n steen zoo bros?" antwoordde Alice, terwijl zij den diamant met vrij wat geringschatting in zijn doosje legde. "Arme ster, gij zijt dus eene valsche ster, niets anders dan de stop eener karaf."

"De stop eener karaf!" riep John Watkins woedend uit. "De kinderen eerbiedigen niets meer!"....

"Juffrouw Alice," hernam toen de jeugdige ingenieur, "gij zijt het, die mij aangemoedigd hebt om de kunstmatige vervaardiging van het diamant te zoeken! Aan u is deze steen zijn bestaan verschuldigd!"

".... In mijn oogen evenwel is dat een kleinood, dat zoodra men zijne herkomst zal kennen, geene handelswaarde hoegenaamd meer zal bezitten!.... Uw vader zal mij dan ook ongetwijfeld veroorloven, u dien steen aan te bieden als eene herinnering aan uwen gezegenden invloed op mijne werkzaamheden!"

"Hé! wat!" riep John Watkins uit, die onmogelijk in dit oogenblik kon bemantelen, wat in zijn binnenste omging bij die.... onverwachte aanbieding.

"Juffrouw Alice," hernam Cyprianus, "die diamant behoort u!.... Ik bied u hem aan, ik geef hem u!"

Miss Watkins antwoordde niet, maar zij reikte den jonkman hare hand, die deze teederlijk in de zijne drukte.

ELFDE HOOFDSTUK.

DE ZUIDSTER.

Het nieuwtje van den terugkeer van Jacobus Vandergaart had zich bliksemsnel verspreid. Een menigte bezoekers stroomde dan ook naar de hoeve, om het wonder van de Kopjes-mijn te bewonderen. Men vernam weldra dat de diamant aan miss Watkins toebehoorde, maar dat haar vader meer dan zij zelve daar de bezitter van was. Daardoor ontstond eene algemeene nieuwsgierigheid ten opzichte van dien diamant, die niet door de natuur, maar door een menschenhand gemaakt was.

Wij moeten hier evenwel doen opmerken, dat nog niets uitgelekt was omtrent den kunstmatigen oorsprong van den diamant in kwestie. Van den eenen kant waren de mijnwerkers van Grikwaland, die met dien oorsprong bekend waren, niet dwaas genoeg geweest, om een geheim rond te kraaien, dat hun onmiddellijken ondergang kon bewerken. Van zijn kant had Cyprianus, die van het toeval niet afhankelijk wilde zijn, ook gezwegen en besloten zijne memorie betreffende de _Zuidster_ niet te verzenden, alvorens zijn welslagen bevestigd te hebben gezien door een tweede proef. Hij wilde zeker zijn datgene, wat hij eens vervaardigd had, ook een tweede maal te kunnen voortbrengen.

Aller nieuwsgierigheid was dan ook ten hoogste gespannen en John Watkins had onmogelijk een gevoeglijke reden kunnen uitdenken, om aan die nieuwsgierigheid niet te voldoen, te meer niet daar zij zijne ijdelheid zeer streelde. Hij plaatste dus de _Zuidster_ op een kussen van watten op eene kleine wit marmeren kolom, die midden op den schoorsteen zijner spreekkamer prijkte en den geheelen dag bleef hij daar op wacht, gezeten in zijn grooten armstoel, om het onvergelijkelijk kleinood zorgvuldig in het oog te houden en het aan het publiek te vertoonen.

James Hilton was de eerste persoon, die hem op het gevaarlijke van zulk eene handelwijze opmerkzaam maakte. Hield hij wel rekening met de gevaren, die hij als het ware over zijn hoofd uitlokte, door de overgroote waarde, welke hij in zijne woning huisvestte, zoo voor aller blikken ten toon te stellen? Het was volgens Hilton volstrekt noodzakelijk, om van Kimberley eene speciale wacht van politieagenten te ontbieden; deed hij dat niet, dan zou de eerstvolgende nacht niet zonder noodlottige gebeurtenissen voorbijgaan.

John Watkins, uiterst verschrikt over dat vooruitzicht, haastte zich dien welgemeenden raad van zijn gast op te volgen en was niet eerder gerust dan toen hij tegen den avond een troep bereden politiedienaren zag aankomen. Die vijf en twintig man werden in de bijgebouwen van de hoeve gehuisvest.

De toevloed van nieuwsgierigen bleef de volgende dagen steeds aangroeien en de faam van de _Zuidster_ had weldra de grenzen van het mijndistrict overschreden om zich tot de meest verwijderde streken uit te strekken. De dagbladen in de kolonie wijdden artikel op artikel aan de beschrijving van den omvang, van den vorm, van de kleur en van den glans van den bewonderenswaardigen diamant. Langs den telegraafkabel werden al die bijzonderheden over Zanzibar en Aden eerst naar Azië en Europa, vervolgens naar Noord- en Zuid Amerika en Australië overgeseind. Photografen smeekten om de eer, van den prachtigen steen eene afbeelding te mogen nemen. Speciale teekenaars kwamen uit naam der geïllustreerde tijdschriften er eene schets van maken. In één woord, die diamant stelde een wereldgebeurtenis daar.

De legende werd er zelfs mede gemoeid. Er werden in de vereenigingen der mijnwerkers fantastische verhalen gefluisterd over de geheimzinnige eigenschappen welke men dien steen toeschreef. Men zei met gedempte stem, dat een zwarte diamant niet anders dan ongeluk kon aanbrengen! Ervaringsvolle lieden schudden het hoofd en verklaarden volmondig, dat zij dien duivelssteen liever bij Watkins aan huis dan bij zich zagen. In het kort, het kwaadspreken en zelfs de laster, die aan iedere beroemdheid als het ware kleven, ontbraken ook aan de _Zuidster_ niet, die er zich natuurlijk niets van aantrok; maar:

Geheele bundels prachtvolle lichtstralen Op die lasteraars liet nederdalen!

Anders was het evenwel met John Watkins gesteld, die over die oude-wijven-praatjes verwoed was. Het was hem te moede, alsof al dat geklets iets van de waarde van dien steen ontnam en hij werd er door aangedaan als door persoonlijke beleedigingen. Sedert dat de gouverneur der kolonie, de officieren der naburige garnizoensplaatsen, al de magistraten, de beambten, de geconstitueerde lichamen en firma's hunne hulde hadden komen bewijzen aan zijn kleinood, zag hij eene heiligschennis schier in iedere vrije gedachtenwisseling die er over gevoerd werd.

Om dan ook een tegenwicht tegenover al dat gezwets te stellen, en ook om aan zijne zucht tot lekkerbekken te voldoen, besloot hij een groot diner ter eere van dien lieven diamant te geven, dien hij hoopte, in weerwil van wat Cyprianus er van denken mocht, en wat ook de wensen zijner dochter, om hem in den diamantvorm te behouden, mocht zijn, weldra tegen klinkende munt verwisseld te zien.

Helaas! zoodanig is in den regel de invloed van de maag op de meeningen van het meerendeel der menschen, dat de aankondiging van het diner voldoende was om de uitgesproken openbare meening in het kamp van de Vandergaart-Kopjesmijn van den eenen dag tot den anderen geheel te wijzigen. Men hoorde toen lieden, die de meest boosaardige taal ten opzichte van de _Zuidster_ uitgeslagen hadden, plotseling een geheel anderen toon aanslaan en beweren, dat die steen geheel onschuldig was aan den boozen invloed, die hem toegeschreven werd, waardoor zij eene uitnoodiging van John Watkins hoopten te verwerven.

O, men zal nog lang van dat feestmaal in het bekken van de Vaalrivier gewagen! Dien dag zaten tachtig gasten aan de tafel, die gedekt was onder eene tent, welke opgeslagen was langs de lange zijde van de spreekkamer, welker buitenmuur men voor die gelegenheid omver gehaald had. Een "koninklijke _baron_", zoo werd een kolossaal braadstuk genoemd, dat uit de geheele ruggestreng van een os bestond, besloeg het midden der tafel. Dat braadstuk werd door heele gebraden schapen en door allerhande soorten wild van die streek geflankeerd. Bergen van groenten en vruchten, alsmede geheele tonnen bier en geheele vaten wijn, die opengeslagen en op gelijke onderlinge afstanden geplaatst waren, completeerden het samenstel van dit diner, hetwelk op kolossale verhoudingen kon bogen.

De _Zuidster_, op haar voetstuk geplaatst en door brandende waskaarsen omgeven, prijkte achter John Watkins en presideerde eigenlijk dat diner, hetwelk ter harer eere gegeven werd.

De bediening aan tafel geschiedde door een twintigtal kaffers, die voor deze gelegenheid ingehuurd waren. Zij stonden onder opzicht van Makatit, die zich, na daartoe verlof van zijn baas bekomen te hebben, aangeboden had om hen te leiden en aan te voeren.

Er waren daar genoodigd, behalve de brigade politiedienaren, waaraan John Watkins dank voor hunne waakzaamheid verschuldigd was, al de voornaamste personen van het kamp en zijne omstreken. Zoo waren daar Matthijs Pretorius, Nathan, James Hilton, Hannibal Pantalucci, Friedel, Thomas Staal en vijftig anderen.

Zelfs de dieren van de hoeve: de ossen, de honden, maar vooral de struisvogels van miss Watkins trachtten hun deel van het feest te krijgen en kwamen om de kliekjes en den afval bedelen.

Alice had aan het uiteinde der tafel vlak tegenover haren vader plaats genomen en hield de eer des huizes met hare gewone bevalligheid op. Zij was evenwel heimelijk bedroefd, omdat noch Cyprianus Méré, noch Jacobus Vandergaart dat diner bijwoonden; ook omdat zij de redenen van die terughouding begreep.

De jeugdige ingenieur had steeds, zooveel hem maar mogelijk was, het gezelschap der Friedels, der Pantalucci's en soortgelijke vermeden. Hij droeg bovendien kennis van hunne weinig welwillende stemming jegens hem, sedert hij zijn grootste ontdekking gedaan had en had meermalen hunne bedreigingen gehoord jegens den uitvinder van die kunstmatige vervaardiging, die hen geheel en al ten gronde kon richten. Hij had dus geen aanleiding gevonden, om dien maaltijd bij te wonen. Wat Jakobus Vandergaart betreft, bij wien John Watkins ijverige pogingen had laten aanwenden, om eene verzoening te bewerken, deze had iedere toenadering met trots van de hand gewezen.

Het maal liep op zijn einde. De grootste orde had daarbij geheerscht, maar dat was te danken aan de tegenwoordigheid van miss Watkins, die een voldoend dekorum aan de meest woeste mijnwerkers had opgelegd, hoewel zij niet had kunnen verhoeden dat Matthijs Pretorius zooals altijd, ten doelwit had gestaan aan de zoutelooze snakerijen van Hannibal Pantalucci. Deze liet den ongelukkigen Boer de dolste uien slikken. Zoo zou er een vuurwerk onder tafel afgestoken worden!.... Zoo werd er slechts gewacht, dat miss Watkins zich zou verwijderd hebben, om den diksten man van het gezelschap te noodzaken achter elkander twaalf flesschen jenever uit te drinken!.... Zoo zou ook uitgemaakt zijn, dat na het diner het feest zou bekroond worden met een algemeen vuistgevecht, terwijl men eindelijk elkander met revolverpistolen zou beschieten!

Gelukkig werd aan al die akelige grappen een einde gemaakt door John Watkins, die in zijne hoedanigheid van president van het feest, met het hecht van zijn mes op de tafel sloeg, om de traditioneele heildronken aan te kondigen.

Toen er genoegzame stilte ingetreden was, verhief de gastheer zijn lange gestalte, leunde met zijne beide duimen op het tafellaken en begon zijne toespraak met eenigszins dubbelslaande tong, ten gevolge van te veel in zijn glas gekeken te hebben.