Part 9
Naakt stond zij in den rooden gloed van het vuur. Zij was wonderbaar slank en blank—schoon als een zeenimf, die, om een oogenblik adem te scheppen, uit de groene golven van den oceaan was komen opduiken, en een tijd lang bleef zij staan, het hoofd achterover gebogen en met uitgestrekte armen, alsof daar hoog tusschen de sterren een of andere geest huisde, dien zij toewenkte, zwijgend. En toen, terwijl Baree naar haar keek en de warmte van het vuur kleine stoomwolkjes uit haar kleeren deed trekken, begon zij haar doornatte vlechten los te maken. Zij vormden een prachtig gewaad van schitterend git om haar lichaam en bedekten haar tot de knieën, behalve dat er soms een glimp van haar armen en borst te zien kwam, wanneer zij het rondom zich schudde, opdat het gauwer drogen zou. De regen had de lucht afgekoeld en de verkwikking daarvan, vermengd met den zoeten geur van balsemstruiken en sparren, deed het bloed van de Wilg dansen in haar aderen. Zij vergat de ongemakken van den stortregen. Zij vergat den agent van Lac Bain en wat haar vader haar over hem verteld had. Alles bijeengenomen, zij was als een vrije vogel uit de bosschen, met mooie bloemen onder haar bloote voeten; en in de heerlijkheid van de uren, die nu volgden, kon zij niets zien en aan niets denken, dat haar zou kunnen schaden. Zij danste om Baree heen, en schudde haar zee van haren, waardoor haar naakte lichaam heenglansde, haar oogen schitterden, haar lippen lachten in uitzinnige blijdschap—de blijdschap, te leven, de geuren van het bosch in haar longen te kunnen drinken, de sterren en den prachtigen hemel boven zich te zien. Zij bleef voor Baree stilstaan en riep lachend, terwijl zij de armen uitstrekte:
„Heisa, Baree—als jij eens zoo gemakkelijk je huid af kon gooien als ik het mijn kleeren doe!”
Zij haalde diep adem en haar oogen straalden door een nieuwe ingeving. Langzaam vormde zij haar mond tot een roode, ronde O en zich nog meer naar Baree toebuigend fluisterde zij:
„Het zal diep zijn—en heerlijk—vanavond. _Ninga_—ja, we zullen gaan!”
Zij riep hem zachtjes, terwijl zij in haar natte mocassins slipte en het beekje volgde, het bosch in. Een honderd meter van de open plek af bereikte zij een poel. Hij was diep en boordevol, dezen avond driemaal zoo vol als hij vóór het noodweer geweest was. Zij kon het murmelen van het inloopende water hooren. In zijn woelige oppervlakte weerspiegelden zich de sterren. Een paar oogenblikken stond zij op een rots te overwegen, met de koele diepte een paar meter beneden zich. Toen wierp zij heur haar naar achteren en schoot als een slanke witte pijl door het sterrenlicht naar beneden. Baree zag haar gaan. Hij hoorde den plons van haar lichaam. Een half uur lang lag hij aan den rand van den poel naar haar te kijken. Soms was zij vlak onder hem en dreef geluidloos voort, terwijl heur haren een wolk vormden donkerder dan het water rondom haar, dan doorkliefde zij de oppervlakte bijna zoo snel als hij dat van de otters gezien had, en dan dook zij plotseling naar beneden en verdween, zoodat Baree's hart sneller begon te kloppen, terwijl hij wachtte tot zij terug zou komen. Eens bleef zij geruimen tijd onder water. Toen jankte hij. Hij wist, dat zij geen familie was van den bever of van den otter en hij was ontzaglijk opgelucht toen zij weer boven kwam.
Op deze wijze ging hun eerste nacht tezamen voorbij—de storm, die koele, diepe poel, het groote vuur, en later, toen de kleeren van de Wilg en de deken gedroogd waren, een paar uur slaap. Bij zonsopgang keerden zij terug naar de hut. Zij slopen voorzichtig er naar toe. Er kwam geen rook uit den schoorsteen. De deur was gesloten. Pierrot en Bush Mc Taggart waren vertrokken.
XV.
Nepeese laat zich gelden.
Het was begin Augustus—„Uitvliegmaand”—toen Pierrot van Lac Bain terugkeerde, en over drie dagen zou Nepeese haar zeventienden verjaardag vieren. Hij bracht van allerlei voor Nepeese mee—haarlinten, echte schoenen, die zij zoo nu en dan droeg, in navolging van de twee Engelsche vrouwen, die in Nelson House woonden en—het mooiste van alles—een lap prachtig rood goed voor een japon! In de drie winters, die zij op de Zendingsschool had doorgebracht, hadden deze vrouwen zich veel met Nepeese bemoeid. Zij hadden haar leeren naaien, zoowel als schrijven, lezen en bidden en er waren tijden, dat de Wilg aandrift kreeg, te doen zooals zij. Zij werkte daarom dan ook drie dagen lang hard aan haar nieuw gewaad en op haar verjaardag vertoonde zij zich aan Pierrot's oogen in een kleederdracht, die hem deed verstommen van bewondering. Zij had heur haar in groote glanzende torsades en in vlechten op de kruin van haar hoofd gelegd, zooals Yvonne, de jongste der Engelsche vrouwen, haar dit geleerd had en in het rijke gitzwart daarvan was een takje van de gloedroode vuurbloem half verborgen. Hieronder en onder den gloed van haar oogen en den rooden blos van haar wangen en lippen, kwam de nieuwe roode japon, aansluitend aan haar sierlijk, slank lichaam volgens een model, dat twee jaar geleden mode geweest was op Nelson House. En onder die japon, die ternauwernood tot over haar knieën reikte—Nepeese had heelemaal vergeten welke lengte ze hebben moest, of anders had zij te weinig stof gehad—stak de _coupe de maître_ van haar toilet uit, echte kousen en de prachtige schoentjes met hooge hakken!
Nepeese was een visioen, bij het zien waarvan de boschgoden in verrukking geweest zouden zijn. Pierrot draaide haar om en om, zonder een woord te zeggen, al maar glimlachend. Maar toen zij hem verliet, een beetje kreupel loopend door de nauwsluitendheid van haar schoenen, door Baree gevolgd, werd die glimlach van zijn gelaat weggevaagd en was dit bleek en strak.
„_Mon Dieu!_” prevelde hij, met een gedachte, die hem pijn deed. „Zij is niet van haar moeders bloed—neen. Zij is Fransch. Zij ziet er uit als een—als een engel.”
Er was een verandering over Pierrot gekomen. Gedurende de drie dagen waarin zij aan haar japon naaide, was Nepeese te opgewonden geweest om deze verandering te bemerken en Pierrot had zijn best gedaan, haar voor haar verborgen te houden. Hij was tien dagen weggebleven op zijn uitstapje naar Lac Bain en hij had Nepeese het heuglijk nieuws meegebracht, dat M'sieu Mc Taggart heel ziek was van de _pechipoo_—de bloedvergiftiging—nieuws, waarover de Wilg van blijdschap in de handen geklapt had. Maar hij wist, dat de agent beterende was en dat hij weer terug zou komen in hun hut bij den Grijzen Fuut. En als hij nu kwam—
Het was deze gedachte, die hem zoo ongerust deed kijken. En hij kon haar niet van zich afzetten op dezen dag, terwijl haar lach tot hem kwam als een vogellied. _Dieu!_ In weerwil van haar zeventien jaren was zij nog heelemaal een kind! Zij kon zijn vreeselijke visioenen niet vermoeden. En de vrees, haar voor altijd op te wekken uit die mooie kinderdroomen, weerhield hem, haar de heele waarheid te vertellen, zoodat zij alles zou begrijpen. Neen,—dat zou niet gebeuren. Zijn ziel was vervuld van een groote, zachte liefde voor haar. Hij, Pierrot Du Quesne, zou over haar waken. En zij zou lachen, en zingen, en spelen en geen deel hebben aan de zwarte voorgevoelens, die zijn leven kwamen bederven.
Vandaag kwam uit het zuiden Mac Donald, de Gouvernements-kaartenmaker. Hij was een grijze man, met een frisschen lach en een rein hart. Twee dagen bleef hij bij Pierrot. Hij vertelde Nepeese over zijn dochters, thuis; over haar moeder, wie hij een grooter vereering toedroeg, dan welk schepsel ook ter wereld; en voor hij terugkeerde van zijn onderzoek naar den groei van een zekere dennensoort, nam hij fotografieën van de Wilg, zooals hij haar voor het eerst gezien had op haar verjaardag, met hoog kapsel, de roode japon en de hooggehakte schoentjes. Hij nam de negatieven met zich mee en beloofde Pierrot, dat hij er hem op de een of andere wijze een afdruk van zou laten bezorgen. Aldus gaat het Lot te werk, op zijn zonderlinge en oogenschijnlijk onschuldige wijze, terwijl het web van zijn tragediën gespannen wordt.
Er volgden nu weken van kalmte en rust bij den Grijzen Fuut. Het waren heerlijke dagen voor Baree. In het begin was hij achterdochtig tegenover Pierrot. Na een poosje duldde hij hem en eindelijk begon hij hem te beschouwen als een deel van de hut en van Nepeese. Hij werd letterlijk de schaduw van de Wilg. Pierrot merkte deze aanhankelijkheid met groote voldoening op.
„Ah! nog maar een paar maanden—als hij dan M'sieu den agent naar de keel vloog!” prevelde hij op zekeren dag.
In September, toen hij zes maanden oud was, was Baree bijna even groot als Wolvin—zijn beendergestel was zwaar, zijn slagtanden lang, zijn borst breed, en met zijn kaken kon hij een been verbrijzelen alsof het een stok was. Nepeese bewoog zich nooit zonder dat hij bij haar was. Zij zwommen samen in de twee poelen—den poel in het bosch en den poel tusschen de rotsige wanden van de kloof. In het begin was Baree geschrokken als Nepeese van de rots sprong, waarvan zij Mc Taggart naar beneden had geduwd, maar na afloop van een maand had zij hem geleerd, haar na te springen. Laat in Augustus zag Baree voor het eerst leden van zijn eigen geslacht, buiten Kazan en Wolvin. Gedurende den zomer liet Pierrot zijn honden vrij rondloopen op een eilandje, in het midden van een meer, twee of drie mijlen verwijderd, en twee keer per week zette hij zijn netten uit om visch voor hen te vangen. Nepeese vergezelde hem op een van deze uitstapjes en nam Baree mee. Pierrot droeg zijn lange kariboedarmzweep. Hij verwachtte een gevecht. Maar er kwam er geen. Baree vloog met den troep mee op de visch af en at met hen mee. Dit beviel Pierrot.
„Hij zal een pracht van een sledehond zijn,” grinnikte hij. „Het zou het beste zijn, hem een week met den troep samen te laten, Nepeese.”
Weerstrevend gaf Nepeese haar toestemming. Terwijl de honden nog druk aan hun visch bezig waren, trokken zij er stilletjes tusschenuit. Hun kano was al een heel eind weg, toen Baree ontdekte welke poets zij hem gespeeld hadden. Oogenblikkelijk sprong hij het water in en zwom hen achterna en de Wilg hielp hem in de kano te komen.
In het begin van September gaf een voorbijreizende Indiaan Pierrot bericht van Bush Mc Taggart. De agent was heel ziek geweest. Hij was op den dood af geweest door bloedvergiftiging, maar nu was hij weer beter. Bij het begin van den herfst drukte een nieuwe vrees Pierrot. Maar hij zeide er niets van aan Nepeese. De Wilg was den agent van Lac Bain bijna vergeten, want de heerlijkheid van den herfst zat haar in het bloed. Zij ging met Pierrot mee op lange tochten en hielp hem, een nieuwe vallenlijn aanleggen, die in gebruik zou genomen worden bij het vallen der eerste sneeuw en op deze tochten werd zij altijd door Baree vergezeld. Het meerendeel van haar vrijen tijd gebruikte zij om hem op te leiden voor sledehond. Zij begon met een leeren riem en een stok. Het kostte haar een heelen dag voor zij er Baree toe kreeg, den stok achter zich aan te sleepen, zonder dat hij zich ieder oogenblik omkeerde om er naar te bijten of te grommen. Daarna maakte zij nog een tweeden riem aan hem vast en liet hem twee stokken voortsleepen. Op deze wijze bereidde zij hem voor op het sledetuig, totdat, na veertien dagen, hij alles achter zich aansleepte, wat zij verkoos aan hem vast te binden. Pierrot bracht twee honden van het eiland mee naar huis en Baree werd met deze aan het oefenen gezet en hielp mee, de ledige dog-car voorttrekken. Nepeese was verrukt. Toen de eerste sneeuw viel klapte zij in de handen en riep tot Pierrot:
„Over een paar maanden zal ik den besten hond van den troep aan hem hebben, _mon père_!”
Nu was de tijd voor Pierrot aangebroken om te zeggen wat hij op het hart had. Hij glimlachte. _Diantre_—wat zou die gemeene agent van Lac Bain woedend zijn als hij merkte hoe hij er tusschen genomen was! En toch—
Hij probeerde zijn stem gewoon en kalm te doen klinken.
„Van den winter stuur ik je weer naar school op Nelson House, _ma chérie_,” zeide hij. „Baree zal helpen je er heen te trekken, door de eerste zware sneeuw.”
De Wilg was bezig een knoop te leggen in Baree's riem en zij kwam langzaam overeind en keek Pierrot aan. Haar oogen waren groot en donker en kalm.
„Ik ga daar niet heen, _mon père_!”
Het was voor het eerst, dat zij Pierrot tegensprak—op deze manier. Het ontroerde hem. En hij had moeite haar blik uit te houden. Hij was niet knap in het overbluffen. Zij zag, waar hij aan dacht,—zij scheen in zijn hart te lezen—het leek of zij grooter werd. Haar adem kwam sneller en hij zag haar borst hijgen, Nepeese wachtte zijn antwoord niet af.
„Ik ga daar niet heen, _mon père_!” herhaalde zij met nog grooter beslistheid en boog zich opnieuw over Baree.
Schouderophalend sloeg hij haar gade. Alles bijeengenomen, had hij geen reden om blij te zijn? Zou het zijn hart geen pijn gedaan hebben als zij blij geweest was, bij de gedachte, hem te verlaten? Hij kwam naast haar staan en legde met groote teederheid zijn hand op haar glanzend haar. De Wilg glimlachte naar hem op. Zij hoorden het geklik van Baree's tanden, toen hij zijn snoet op den arm van de Wilg deed rusten. Voor het eerst sedert weken was de wereld met zonneschijn voor Pierrot vervuld. Toen hij naar de hut terugkeerde hield hij zijn hoofd hooger. Nepeese wilde hem niet verlaten! Hij lachte zachtjes. Hij wreef zich de handen. Zijn vrees voor den agent van Lac Bain was verdwenen. Staande bij de deur der hut keek hij nog eens om naar Nepeese en Baree.
„Alle Heiligen zijn geloofd!” mompelde hij. „Nu—_nu_—weet Pierrot Du Quesne wat hem te doen staat!”
XVI.
De stem van zijn ras.
Tegen het eind van September kwam Mac Donald, de kaartenmaker, in Lac Bain. Tien dagen lang was Gregson, de controleur, Bush Mc Taggart's gast geweest op den Post en in dien tijd was tweemaal het denkbeeld bij Marie opgekomen hem in zijn slaap te overvallen en te vermoorden. De agent zelf nam weinig notitie van haar, den laatsten tijd, een feit, dat haar gelukkig gemaakt zou hebben als Gregson er niet geweest was. Deze was bekoord door de schoonheid van het ranke Cree-meisje, en Mc Taggart, zonder jaloersch te zijn, moedigde hem aan. Hij had genoeg van Marie. Hij zeide dit aan Gregson. Hij zou graag van haar af willen en als Gregson haar soms met zich mee kon nemen, zou hij hem daarmee een grooten dienst bewijzen. Hij legde hem uit, waarom. Over een poosje, als de zware sneeuw zou beginnen te vallen, zou hij de dochter van Pierrot du Quesne gaan halen. In de vertrouwelijkheid van hun liederlijke vriendschap vertelde hij hem van zijn bezoek, van de manier, waarop hij ontvangen was, van het voorval bij de kloof. Maar ondanks dit alles, verzekerde hij Gregson, zou Pierrot's meisje spoedig te Lac Bain haar intrek nomen. Juist in dezen tijd kwam Mac Donald. Hij bleef maar één nacht over en zonder te weten, dat hij voedsel gaf aan een vuur, dat al gevaarlijk aan het gloeien was, liet hij het portretje achter, dat hij van Nepeese gemaakt had. Het was een uitstekende gelijkenis.
„Als u het soms aan het meisje kunt laten bezorgen zult u mij een groot plezier doen,” had hij tot Mc Taggart gezegd. „Ik heb er haar een afdruk van beloofd. Haar vader heet Du Quesne—Pierrot Du Quesne. U kent hem misschien wel. En het meisje—”
Mac Donald maakte zich warm bij de beschrijving hoe mooi zij er dien dag had uitgezien in dat roode japonnetje, dat er op de fotografie zwart uitzag. Hij vermoedde niet, hoe dicht bij het kookpunt Mc Taggart's bloed was. Den volgenden dag vertrok Mac Donald naar Norway House. Mc Taggart liet het portretje niet aan Gregson zien. Hij verborg het en, dien nacht, bij het schijnsel der lamp, bekeek hij het met gedachten, die hem met koortsachtige onrust vervulden en—een groeiende vastberadenheid. Er was maar één manier. Hij had dit plan al weken met zich omgedragen en dit portretje gaf den doorslag. Hij durfde zijn geheim zelfs Gregson niet toefluisteren. Maar het was de eenige manier. Zij zou hem Nepeese geven. Maar—hij zou moeten wachten op de zware sneeuw, tot het midden in den winter was. Deze sneeuw begraaft tragediën het diepst. Hij was blij, toen Gregson den kaartenmaker naar Norway House volgde. Uit beleefdheid begeleidde hij hem een dagreis ver. Toen hij terugkwam, kwam hij tot de ontdekking, dat Marie hem ontvlucht was. Daar was hij ook blij om. Hij zond een renbode met een vracht presenten naar haar familie en de boodschap: „Sla haar niet. Houd haar bij u. Zij is vrij.”
Tegelijk met de drukte en de beweging, die de aanvang van het vallen-seizoen meebracht, begon Mc Taggart zijn huis in orde te maken voor Nepeese's komst. Hij kende haar smaak, waar het netheid en een paar andere kleinigheden betrof. Hij liet de muren wit schilderen met de verf, die voor zijn booten bestemd was geweest. Sommige gedeelten werden afgebroken, andere nieuw opgetrokken; de Indiaansche vrouw van zijn voornaamsten boodschapper maakte gordijnen voor de ramen en hij sleepte een kleine gramofoon in de wacht, die doorgezonden had moeten worden naar Lac la Biche. Hij koesterde geen twijfel en telde de dagen.
Daarginds bij den Grijzen Fuut hadden Pierrot en Nepeese het druk met allerlei zaken tegelijk, zoo druk, dat Pierrot dikwijls zijn vrees voor den agent van Lac Bain vergat en de Wilg er heelemaal niet meer aan dacht. Het was Jachtmaand en het winterjachtseizoen naderde. Nepeese drenkte zorgvuldig een honderdtal vallen in kokend kariboevet, met bevervet vermengd, terwijl Pierrot nieuwe klemmen gereedmaakte en uitzette. Als hij langer dan een dag uit de hut dacht weg te blijven nam hij haar altijd met zich mee. Maar in de hut zelf viel ook heel wat te doen, want Pierrot, zooals de gewoonte was bij al zijn broeders in het noorden, begon niet aan zijn toebereidselen voor de herfst in de lucht zat. De sneeuwschoenen moesten hersteld worden, hout gehakt, om het bij de hand te hebben tegen het aanbreken van den winterstorm; de hut goed nagezien worden en dichtgestopt, nieuw tuig gemaakt, de messen, die bij het afstroopen van huiden gebruikt werden, opnieuw geslepen en winter-mocassins vervaardigd—honderd-en-één zaken moesten geregeld worden, zoo bijvoorbeeld ook het vleeschrooster in orde gemaakt, aan de achterzijde der hut, waar, van het invallen der koude af tot aan het einde toe, de bouten van het wildbraad, van den kariboe en den eland zouden hangen, als winterprovisie voor hun gezinnetje en later, als de visch schaarscher zou worden, ook het rantsoen voor de honden. In de drukte van dit alles kon Nepeese onmogelijk zooveel aandacht aan Baree schenken als in de voorafgegane weken. Zij speelden niet zoo veel, ook zwommen zij niet meer samen, want elken morgen lag er ijzel op den grond en ook het water werd ijskoud; zij dwaalden niet meer tot diep in de bosschen, op zoek naar bloemen en bessen. Urenlang lag Baree nu aan de voeten van de Wilg en keek hoe haar slanke vingers de sneeuwschoenen verstelden en nu en dan hield Nepeese op en boog zich voorover om haar hand op zijn kop te leggen en even tegen hem te praten—soms in haar zoetvleiend Cree, soms in het Engelsch of in haar vader's Fransch. Het was haar _stem_, die Baree had leeren begrijpen en de beweging van haar lippen, haar gebaren, de houding van haar lichaam, haar veranderende stemmingen, die schaduw of zonlicht op haar gelaat teweeg brachten. Hij wist, wat het beteekende, wanneer zij glimlachte; hij schudde zich en sprong soms vroolijk in het rond, wanneer zij lachte; haar geluk was een deel van hem en een bestraffend woord van haar erger dan een slag. Twee keer had Pierrot hem geslagen en beide malen was Baree achteruit gesprongen en had hem met een woedenden grauw en ontbloote slagtanden geantwoord, terwijl de haren op zijn rug als een borstel overeind stonden. Als een van de andere honden hem dit geleverd had zou Pierrot hem half vermoord hebben. Het zou opstand beteekend hebben en de man moest het gezag in handen hebben. Maar Baree was altijd veilig voor hem. Een lichte aanraking van Nepeese's hand, een enkel woord van haar en de haren op zijn rug zegen weer neer en het grommen in zijn strot bedaarde.
Pierrot was er volstrekt niet boos om.
„_Dieu!_ ik zal nooit zoo ver gaan om te probeeren dàt uit hem te ranselen,” mompelde hij. „Hij is en blijft een woesteling—een wild dier—en toch haar slaaf. _Voor haar zou hij een moord begaan!_”
En zoo kwam het dus door Pierrot zelf—en zonder dat hij er de reden voor opgaf—dat Baree niet tot een sledehond opgevoed werd. Hij mocht zijn vrijheid behouden. Hij werd nooit vastgebonden zooals de anderen. Nepeese was er blij om, maar zij giste haar vader's beweegreden niet. Pierrot grinnikte in zichzelf. Zij zou nooit weten, waarom hij er voor zorgde, dat Baree altijd achterdocht voor hem bleef koesteren, die aan haat grensde. Het had veel overleg en slimheid van zijn zijde tot grondslag. Hij redeneerde aldus:
„Als hij mij haat, zal hij alle andere _mannen_ haten. _Mey-oo!_ Dat is best.”
Zoo keek hij in de toekomst—voor Nepeese.
En toen brachten de laatste herfstnachten en de eerste vriesnachten van de Jachtmaand de groote verandering bij Baree teweeg. Het was onvermijdelijk. Pierrot wist, dat het gebeuren zou en den eersten nacht toen Baree zijn kop achterover wierp en omhoog huilde tegen de maan bereidde hij er Nepeese op voor.
„Hij is een wilde hond, Nepeese,” zeide hij tot haar. „Hij is een halve wolf en hij zal hun neigingen krijgen. Hij zal het bosch in willen en nu en dan zal hij er van door gaan. Maar we moeten hem niet vastleggen. Hij zal terugkomen. Ja,—hij zal terugkomen!” En hij wreef zich in het maanlicht de handen tot zijn gewrichten kraakten.
De roepstem kwam tot Baree, zooals een dief langzaam en voorzichtig naar een verboden plaats toesluipt. Hij begreep haar eerst niet. Zij maakte hem zenuwachtig en rusteloos, zoo zenuwachtig, dat Nepeese hem meermalen in zijn slaap zachtjes hoorde huilen. Hij wachtte op _iets_. Wat was het? Pierrot wist het en glimlachte op zijn ondoorgrondelijke manier. En toen gebeurde het. Het was nacht—een prachtige nacht, vol maan- en sterrenlicht en de aarde werd met een vlies van ijs overdekt. En heel uit de verte drong zij tot hem door—_de roepstem van den troep_! Nu en dan, gedurende den zomer had hij het gehuil gehoord van een eenzamen wolf, maar dit was _de troep_—en toen dit gehuil op hem af kwam golven, door de uitgestrekte stilte en de geheimzinnigheid van den nacht als een woeste zang, die bij elke Jachtmaand gedurende ontelbare eeuwen was teruggekomen, wist Pierrot, dat voor Baree eindelijk en ten laatste datgene was gekomen, waarop hij gewacht had. In een oogwenk besefte Baree het. Zijn spieren spanden zich strak als dikke koorden toen hij zich oprichtte en in het maanlicht stond, kijkend in de richting, vanwaar dit geheimzinnige en opwindende geluid gekomen was. Zij konden hem zachtjes hooren janken en Pierrot, zich voorover buigend om zooveel mogelijk van het licht van den nacht gebruik te kunnen maken, kon hem zien rillen.
„Het is _mee—koo_!” sprak hij fluisterend tot Nepeese.
Dàt was het—de stem des bloeds, die tot Baree sprak; niet alleen de stem van het tegenwoordige geslacht, maar die van Kazan, Wolvin en van tallooze van hun voorzaten. Het was de stem van zijn _geslacht_. Dit had Pierrot gefluisterd en hij had gelijk. In den gouden nacht wachtte de Wilg, want zij had het hoogste ingezet en zij zou dus het meeste winnen of verliezen. Zij gaf geen geluid, antwoordde niet op het gezegde van haar vader, op zachten toon geuit, maar hield haar adem in en sloeg Baree gade toen hij langzaam, voetje voor voetje, in de schaduw weggleed. Een paar oogenblikken later was hij verdwenen. Toen wierp zij het hoofd in den nek en, terwijl haar oogen met de sterren wedijverden in glans, riep zij:
„Baree! Baree! Baree! Baree!”