De zoon van Kazan

Part 7

Chapter 74,100 wordsPublic domain

„Hij komt morgen, _ma chérie_”, zeide hij, zijn oogen gevestigd houdend op den rooden gloed van de ondergaande zon. „Wat moet ik hem antwoorden?”

De lippen van de Wilg waren rood. Haar oogen straalden. Maar zij keek niet op naar haar vader.

„Niets, Nootawe—zeg hem alleen maar, dat ik degene ben, naar wie hij toe moet komen—voor hetgeen hij zoekt.”

Pierrot boog zich voorover en betrapte haar op een glimlach. De zon ging onder. En zijn hart zonk tegelijkertijd in hem, koud als lood.

* * * * *

Van Lac Bain tot Pierrot's hut liep er een pad tot op een halve mijl van den bevervijver, een dozijn mijlen van de plaats, waar Pierrot verblijf hield en hier, bij een bocht van de kreek, waarin Wakayoo voor Baree visch had gevangen, sloeg Bush Mc Taggart zijn kamp op voor den nacht. Daar slechts twintig mijlen van de reis per kano gemaakt konden worden en Mc Taggart het laatste gedeelte te voet aflegde, was zijn kamp opslaan de eenvoudigste zaak ter wereld,—een stuk-of-wat afgekapte balsemstruiken, een dunne deken, een klein vuur. Voor hij zijn avondmaal gereed maakte, haalde de agent een aantal koperdraadstrikken uit zijn pak voor den dag en besteedde er een half uur aan, deze uit te zetten op de paadjes, die naar konijnenholen leidden. Deze methode om zich vleesch te verschaffen was heel wat minder vermoeiend dan met warm weer een geweer te moeten meesleepen en zij gaf vrij veel zekerheid. Een half dozijn strikken leverden tenminste drie konijnen op en een van deze drie was stellig wel jong en malsch genoeg voor de braadpan. Nadat hij zijn strikken had uitgezet, plaatste Mc Taggart een pannetje met spek boven het vuur en begon zijn koffie te koken.

Van alle geuren, die een kamp verspreiden kan, reikt die van gebakken spek het verst, in het bosch. Hij heeft geen wind noodig. Hij drijft vanzelf weg. Als het een stille nacht is, kan de vos hem op een mijl afstands opsnuiven. Deze speklucht drong tot Baree door in zijn holletje bovenop den beverdam. Hij werd naar hem toe gedreven op een zacht windje, dat heerlijk koel was na den heeten dag en na een poosje ging Baree overeind zitten en snoof de verlokking er van op. Sedert zijn ondervinding, in de kloof opgedaan, en na Wakayoo's dood, was het hem niet al te best gegaan. Uit voorzorg was hij in de buurt van den vijver gebleven en hij had bijna alleen van rivierkreeften geleefd. Deze nieuwe, heerlijke geur, die door den nachtwind naar hem toe werd gedreven, wekte zijn honger op. Maar hij was grillig, die geur, nu eens kon hij hem opsnuiven, het volgende oogenblik was hij verdwenen. Hij verliet den dam en begon den oorsprong te zoeken van deze heerlijkheid, in het bosch, tot hij hem, na een tijdje, heelemaal kwijt was. Mc Taggart was klaar met het bakken van zijn spek en zat het nu op te eten.

Het was een schitterende nacht, die nu volgde. Misschien zou Baree zijn blijven doorslapen in zijn warm leger op den beverdam, als die speklucht geen nieuwen honger in hem had wakker geroepen. Na zijn avontuur in de kloof had hij angst gekregen om zich in het hartje van de bosschen te wagen, vooral bij nacht. Maar deze nacht geleek wel een bleeke, gouden dag.

Hij was zonder maan. Maar de sterren flonkerden als een millioen lampjes in de verte en overstroomden de wereld met een zachten, golvenden lichtglans. Een zacht windgefluister maakte vriendelijke geluiden in de toppen der boomen. Voor het overige was alles stil, want het was Puskowepesim—Ruimaand—en de wolven gingen niet op jacht, de uilen hadden hun stem verloren, de vossen slopen als schaduwen voorbij en zelfs de bevers waren begonnen hun werk te staken. Het gewei van de elanden, herten en kariboe's had een fluweelzacht omhulsel en zij namen niet veel beweging en vochten in het geheel niet. Het was in het laatst van Juli, de Ruimaand van de Cree's en de Stille Maand van de Chippeway's.

Temidden van deze stilte ging Baree op jacht. Hij joeg een heel nest half volwassen patrijzen op, maar zij wisten hem te ontsnappen. Hij achtervolgde een konijn, dat vlugger was dan hij. Een uur lang liep alles hem tegen. Toen hoorde hij een geluid, dat elke droppel bloed in hem sneller deed vloeien. Hij was dicht bij Mc Taggart's kamp en wat hij gehoord had, was een konijn, dat in een van Mc Taggart's strikken geraakt was. Hij kwam terecht bij een open plek, vol sterrenlicht en zag daar het konijn een allermerkwaardigste pantomime ten beste geven. Het verbaasde hem en hij bleef staan, waar hij stond. Wapoos, het konijn, was met zijn wolligen kop in den strik terecht gekomen en door zijn eersten verschrikten sprong was het jonge boompje, waaraan het koperdraad bevestigd was, teruggeveerd, zoodat hij nu half in de lucht hing, alleen nog met zijn achterpooten den grond rakende. En daar danste hij nu als een bezetene, terwijl de strik om zijn nek hem langzaam worgde. Baree gaf een soort snik van verbazing. Hij kon in 't geheel niet begrijpen, welke rol het koperdraad en het jonge boompje speelden in dit zonderlinge spel. Al wat hij er uit op kon maken, was dat Wapoos spartelde en danste op zijn achterpooten op een zonderlinge manier, zooals hij dat van een konijn niet gewend was. Misschien dacht hij wel, dat het een soort van spelletje was. Maar in dit oogenblik beschouwde hij Wapoos niet zooals hij Umisk had beschouwd. Ondervinding en instinkt zeiden hem, dat Wapoos een heerlijk hapje was en na een paar oogenblikken van aarzeling sprong hij op zijn prooi toe.

Wapoos, al meer dood dan levend, worstelde bijna niet meer en onder den glans der sterren maakte Baree hem af en smulde een half uur lang.

Bush Mc Taggart had geen enkel geluid gehoord, want de strik, waarin Wapoos geraakt was, was het verst van zijn nachtverblijf verwijderd. Bij zijn smeulend vuurtje zat hij, met zijn rug tegen een boom, zijn zwart pijpje te rooken en begeerig over Nepeese te mijmeren, terwijl Baree zijn nachtelijken zwerftocht voortzette. Baree verlangde nu niet meer te jagen. Daarvoor had hij zijn buikje te rond gegeten. Maar hij snuffelde rond op allerlei plekjes en genoot ontzaglijk van de rust en het gouden maanlicht. Hij volgde een konijnenspoor, tot hij op een plek kwam, waar twee stukken hout een opening vrij lieten, niet wijder dan zijn eigen lichaam. Hij wrong er zich doorheen, er snoerde zich iets om zijn keel, een knap!—en Baree werd zoo plotseling van den grond gelicht, dat hij geen tijd had om zelfs maar te gissen wat er met hem gebeurde. De schreeuw, dien hij uiten wilde, stierf in zijn strot weg tot een gegorgel en het volgende oogenblik bood hij denzelfden aanblik als Wapoos zooeven, die zich nu in zijn maag op hem wreekte. Baree kon onmogelijk laten te springen en te dansen, terwijl het koperdraad vaster en vaster om zijn keel knelde. Wanneer hij er naar hapte en het heele gewicht van zijn lichaam tegen den grond wierp, gaf het gewillig mee, maar dan kreeg hij bij den terugslag een ruk, die hem geheel van den grond lichtte. Woedend worstelde hij. Het was een wonder, dat het dunne draad tegen al dat geweld bestand was. In een paar oogenblikken zou het moeten knappen, maar Mc Taggart hoorde hem! De agent greep zijn deken en wapende zich met een zwaren stok, voor hij naar den strik snelde. Een konijn kon zooveel lawaai niet maken—dat wist hij. Misschien was het een marter, een lynx, een vos, een jonge wolf—

Hij dacht het eerst aan een wolf, toen hij Baree aan het eind van het koperdraad zag. Hij liet de deken vallen en hief den knuppel in de hoogte. Als de hemel bewolkt was geweest, of de sterren minder schitterend, zou Baree het leven er bij gelaten hebben, even onvermijdelijk als Wapoos had moeten sterven. Maar terwijl hij den knuppel boven zijn hoofd hief, zag Mc Taggart nog net bijtijds de witte ster, het witte vlekje aan zijn oor en de gitzwarte kleur van Baree's huid.

Met een snelle beweging verruilde hij den knuppel voor de deken.

XI.

Gekastijd, maar niet onderworpen.

Een half uur later vlamde Bush Mc Taggart's vuur weer helder op. In den gloed er van lag Baree, ingepakt als een Indiaansche papoes[1], tot een ballonvormigen bal gebonden met een leeren riem, zijn kop alleen stekend door een gat, dat zijn overweldiger voor hem in de deken gemaakt had. Hij was een hopelooze gevangene, zoo stijf gebonden, dat hij ternauwernood een spier kon bewegen. Eenige passen van hem verwijderd was Mc Taggart bezig, een bloedende hand te baden in een kom water. Er liep ook een straaltje rood opzij van Mc Taggart's stierennek.

[1] Zuigeling.

„Jou kleine duivel!” snauwde hij tegen Baree. „Jou kleine duivel!”

Hij boog zich voorover en gaf Baree's kop een hevigen slag met zijn zware hand.

„Ik moest eigenlijk je kop kapot ranselen en ik geloof dat ik het doen ga ook!”

Baree keek naar hem, terwijl hij een stuk hout naast zich opraapte—een stuk brandhout. Pierrot had jacht op hem gemaakt, maar voor het eerst was hij dicht genoeg bij het man-monster, om den rooden gloed in zijn oogen te zien. Zij waren niet als de oogen van dat mooie wezentje, dat hem bijna in den sluier van heur haren gevangen had en dat hem onder het rotsblok achterna was gekropen. Het waren de oogen van een beest. Zij maakten, dat hij in elkaar kromp en trachtte zijn kop onder de bescherming van de deken te trekken, toen de stok opgeheven werd. Maar tegelijkertijd gromde hij. Zijn witte slagtanden glinsterden bij het vuurlicht. Zijn ooren lagen plat op zijn kop. Hij verlangde zijn tanden in die roode keel te zetten, waaruit hij al bloed had laten sijpelen.

De stok kwam neer en nog eens en nog eens en toen Mc Taggart ophield, lag Baree half versuft; zijn oogen waren gedeeltelijk gesloten door de slagen en er liep bloed uit zijn bek.

„Dat is de goede manier om den duivel uit een wilden hond te krijgen,” grauwde Mc Taggart. „Ik denk, dat je dat bijt-kunstje nu wel niet meer zoo gauw probeeren zult, hè, baasje? Alle duivels—het scheelde maar weinig, of je had tot op het been van mijn hand doorgebeten!”

Hij begon de wond opnieuw uit te wasschen. Baree's tanden waren diep doorgedrongen en de agent keek bezorgd. Het was Juli. Een kwade maand voor beten. Uit zijn reismand haalde hij een kleine kruik met whisky voor den dag en droppelde wat van dezen sterken drank op de wond, op Baree vloekende, toen hij in zijn vleesch brandde. Baree's halfgesloten oogen bleven strak op hem gevestigd. Hij wist, dat hij nu eindelijk zijn doodsvijand ontmoet had. En toch was hij niet bang. De knuppel in Bush Mc Taggart's hand had zijn temperament niet gedood. Hij had zijn vrees gedood. Hij had een haat in hem gewekt, zoo heftig als hij nog niet gekend had—zelfs niet toen hij met Oohoomisew, den uilenvrijbuiter, vocht. De wraakgierige kracht van den wolf brandde nu in hem, vereenigd met den woesten moed van den hond. Hij deinsde niet terug, toen Mc Taggart hem opnieuw naderde. Hij probeerde op te staan, om dat man-monster aan te vliegen. Bij deze poging rolde hij om, ingewikkeld als hij was in de deken en lag daar nu als een lachwekkend bundeltje. De aanblik hiervan werkte op Mc Taggart's lachspieren en hij lachte. Hij ging weer zitten met zijn rug tegen den boom en stopte zijn pijp.

Baree hield geen oog van hem af terwijl hij rookte. Hij keek naar hem, toen hij zich op den kalen grond uitstrekte en ging slapen. Hij luisterde nog later naar het afschuwelijke gesnork, dat het monster voortbracht. Telkens opnieuw gedurende dien langen nacht trachtte hij zich vrij te maken. Hij zou dien nacht nooit meer vergeten. Het was afschuwelijk. In de dikke, warme plooien van de deken werden zijn ledematen zoo verstikt, dat het bloed hem haast stilstond in de aderen. Toch jankte hij niet. Maar toen de morgen aanbrak, lag zijn kop plat op den grond. Mc Taggart merkte dit feit met voldoening op.

„Ik denk, dat je ons nu wel geen moeite meer geven zult op weg naar Pierrot,” bromde hij.

Zij begonnen te reizen, nog vóór zonsopgang, want al stond Baree's bloed bijna stil, dat van Mc Taggart stroomde wild van begeerte en verwachting. Hij maakte zijn laatste plannen, terwijl hij vlug door het bosch liep, met Baree onder den arm. Hij zou Pierrot dadelijk naar Vader Grotin sturen in het Zendelingenstation, zeventig mijlen naar het Westen. Hij wilde Nepeese trouwen. Dat zou Pierrot streelen. En hij zou _alleen_ zijn met Nepeese, terwijl Pierrot op weg was naar den zendeling. Deze gedachte deed zijn bloed branden als heete whisky. In zijn verhit, onredelijk brein kwam geen oogenblik de gedachte op, aan wat Nepeese er van zeggen mocht, of wat zij er van denken zou. Hij bekommerde zich niet om haar ziel. Het was haar vleesch en haar bloed, dat hij verlangde, haar prachtig lichaam, hare schoonheid, die zijn grove ziel vervuld hadden met razernij. Zijn vuist balde zich en hij lachte wreed, toen even het denkbeeld bij hem opkwam, dat Pierrot haar misschien niet zou willen afstaan. Pierrot! Bah! Het zou niet de eerste maal zijn, dat hij een man uit den weg ruimde. De tweede ook niet. Een moord was zoo moeilijk niet, als men het maar goed aanlegde. Niemand zou het weten. Het zou eenvoudig een verdwijning zijn—hij zou op zekeren dag zijn hut verlaten en er nooit weer in terugkeeren. Hij lachte opnieuw en stapte nog vlugger door. Er bestond geen kans dat hij verliezen zou—geen kans voor Nepeese om van hem af te komen. Hij—Bush Mc Taggart—was heer van deze wildernis, meester van zijn bewoners, heerscher over hun lot. Hij verpersoonlijkte de Macht—en de Wet. En Nepeese zou met hem teruggaan naar Lac Bain, al zou hij er ook Pierrot's graf voor moeten delven.

De zon stond al een heel eind aan den hemel, toen Pierrot, voor de deur van zijn hut staande met Nepeese, naar een helling van het voetpad wees, een vierhonderd meter weg, waar Bush Mc Taggart juist verscheen.

„Daar komt hij—”

Hij keek naar Nepeese, zijn gelaat scheen in dezen nacht verouderd te zijn. Weer zag hij den donkeren glans in haar oogen en het diepere rood op haar lippen en zijn hart deed hem pijn van vrees. Was het mogelijk—

Zij wendde zich naar hem toe met schitterende oogen en trillende stem.

„Denk er aan, Nootawe—u moet hem naar mij toesturen voor zijn antwoord,” riep zij snel en verdween in de hut.

Met een koud, grauwbleek gelaat stond Pierrot tegenover Bush Mc Taggart.

XII.

Mc Taggart ontvangt zijn antwoord.

Achter het venster, haar gelaat verborgen door de plooien der gordijnen, die zij er zelf voor gemaakt had, zag de Wilg, wat er buiten gebeurde. Nu glimlachte zij niet. Haar adem ging snel en zij rekte haar lichaam uit; Bush Mc Taggart bleef stilstaan, een paar meter van haar venster af en drukte Pierrot, haar vader, de hand. Zij hoorde Mc Taggart's ruwe stem, zijn luidruchtige begroeting en zag hem Pierrot toonen wat hij onder den arm droeg. Zij verstond duidelijk zijn verhaal, hoe hij het dier gevangen had in een konijnenstrik. Toen wikkelde hij de deken los. Nepeese uitte een kreet van verbazing. In een oogwenk stond zij buiten, naast hen. Zij keek niet naar Mc Taggart—liet haar oogen geen sekonde rusten op zijn rood gelaat, gloeiend van voldoening en opwinding.

„Het is Baree!” riep zij.

Zij nam het bundeltje uit Mc Taggart's arm en wendde zich tot Pierrot.

„Vertel hem, dat Baree van mij is,” zeide zij.

Zij haastte zich weer naar binnen. Mc Taggart keek haar na, verstomd van verbazing. Toen keek hij naar Pierrot. Zelfs een halfblinde had kunnen zien, dat deze even verbaasd was als hijzelf. Nepeese had niet tegen hem gesproken, tegen hem, den agent van Lac Bain! Zij had zelfs niet naar hem _gekeken_! En zij had den hond van hem afgenomen met even weinig omslag, alsof hij een man van hout geweest was. Zijn gelaat werd hoe langer hoe rooder, terwijl hij van Pierrot naar de deur keek, waardoor zij verdwenen was en die zij achter zich gesloten had.

Op den vloer van de hut viel de Wilg op haar knieën en maakte de deken heelemaal open. Zij was niet bang van Baree. Haar oogen lachten. Haar lippen waren geopend. En toen, terwijl Baree als een in elkaar gekromd hoopje over den grond rolde, zag zij, dat zijn oogen dicht zaten en dat er geronnen bloed kleefde aan zijn kaken en het licht verdween van haar gelaat even snel als wanneer de zon door een wolk verduisterd wordt.

„Baree,” riep zij zachtjes. „Baree, Baree!—”

Zij lichtte hem met beide handen van den grond. Baree's kop zakte machteloos opzij. Zijn lichaam was zoo stijf, dat hij zich bijna niet bewegen kon. Zijn pooten waren gevoelloos. Hij kon nauwelijks uit zijn oogen kijken. Maar hij hoorde haar stem! Het was dezelfde stem, die tot hem gekomen was, dien dag, dat hij gewond was; de stem, die hij gehoord had, toen hij zich omstrikt had gevoeld door heur haren in de kloof—dezelfde stem, die hem had willen overreden, onder het rotsblok uit te komen! Zij deed hem beven. Zij scheen het trage bloed opnieuw op te jagen door zijn aderen en hij opende zijn oogen wijder en zag weer die prachtige sterren, die hem zoo zacht tegengeglansd hadden op den dag van Wakayoo's dood. Een der lange vlechten van de Wilg viel over haar schouder en hij snoof weer den geur van heur haar op, terwijl zij hem streelde en tegen hem praatte.

Toen stond zij plotseling op en verliet hem en hij bewoog zich in 't geheel niet, terwijl hij op haar wachtte. Zij was dadelijk weer terug met een kom warm water en een doek. Zacht waschte zij hem het bloed uit oogen en bek. En Baree verroerde zich nog steeds niet. Hij ademde nauwelijks. Maar Nepeese zag, dat er huiveringen door zijn lichaam schoten, terwijl haar hand hem aanraakte, als elektrische schokken.

„Hij heeft je met een knuppel geranseld,” prevelde zij, haar donkere oogen vlak bij die van Baree. „Hij heeft je geslagen! Zoo'n beest!”

Zij werden gestoord. De deur ging open en Mc Taggart stond naar hen te kijken, met een grijns op zijn roode tronie. Oogenblikkelijk liet Baree blijken, dat er nog leven in hem zat. Hij sprong van onder Nepeese's hand uit met een plotselingen snauw en keerde zich naar zijn vijand. Het haar op zijn rug stond overeind als een borstel, zijn tanden glinsterden dreigend en zijn oogen gloeiden als kolen vuur.

„Er zit iets duivelsch in hem,” zeide Mc Taggart. „Hij is woest—uit de wolven geboren. Je moet voorzichtig zijn, of hij zal je hand afbijten, _Ka Sakahet_!” Het was de eerste maal, dat hij haar dezen liefkoozenden naam gaf, die in de Cree-taal „liefste” beteekent! Haar hart klopte onstuimig. Zij boog een oogenblik het hoofd over de samengeklemde handen, en Mc Taggart, die dit gebaar voor verlegenheid aanzag, legde zijn hand liefkoozend op heur haar. Door de open deur had Pierrot het woord verstaan en nu zag hij de streeling en hij hief de hand op, als om een ontheiliging uit zijn gezicht te verbannen.

„_Mon Dieu!_” hijgde hij.

Het volgende oogenblik uitte hij een kreet van verbazing, die vermengd werd met een gil van pijn, door den agent geuit. Snel als het weerlicht was Baree naar voren gesprongen en had zijn tanden in Mc Taggart's been geklemd. Zijn scherpe tanden beten diep in het vleesch, voor deze zich door een geweldigen schop wist te bevrijden. Met een vloek trok hij zijn revolver uit den bolster. De Wilg was hem echter voor. Zij sprong met een lichten kreet op Baree toe en nam hem in haar armen. Toen zij naar Mc Taggart opkeek, waren haar zachte hals en half ontbloote schouder vlak bij Baree's slagtanden. Haar oogen bliksemden den agent tegen.

„U hebt hem geslagen!” riep zij. „Hij haat u—haat u!”

„Laat hem loopen!” schreeuwde Pierrot in doodsangst. „_Mon Dieu!_—hoor je me niet!—laat hem los of hij zal je verscheuren!”

„Hij haat u—haat u—haat u!” herhaalde de Wilg nog steeds in het gezicht van den verstelden Mc Taggart. Toen, plotseling, wendde zij zich tot haar vader. „Neen, hij zal me niet verscheuren,” riep zij. „Kijk! Het is Baree. Heb ik het u niet gezegd? Het is Baree! Is het niet het beste bewijs, dat hij mij verdedigde—_tegen hem_!”

„Tegen mij?” hijgde Mc Taggart, terwijl zijn gelaat betrok.

Pierrot trad naar voren en legde zijn hand op Mc Taggart's arm. Hij glimlachte.

„Laten we het hen maar tusschen hen beiden laten uitvechten, M'sieu,” zeide hij. „Het zijn twee kleine heethoofden, die twee en wij zijn hier niet veilig. Als zij gebeten wordt—”

Hij haalde de schouders op. Er was een groote last van hem afgewenteld. Zijn stem was zacht en overredend. En nu was de boosheid geweken van het gezichtje van de Wilg. Zij wierp Mc Taggart eerst een blik toe, vol coquetterie en zij glimlachte even tegen hem, toen zij tegen haar vader sprak.

„Ik kom dadelijk bij u, mon père,—bij u en M'sieu den agent van Lac Bain!”

Er waren twee onmiskenbare kleine duiveltjes in haar oogen, dacht Mc Taggart—duiveltjes, die hem vol toelachten, terwijl zij dit zeide, zij zetten zijn hersens in brand en deden zijn bloed golven. Die oogen—vol dansende heksen! Wat zou hij ze temmen en er mee spelen—nu al heel spoedig! Hij volgde Pierrot, geheel onder de bekoring van deze vrouw, die spoedig zijn eigendom zou zijn. In zijn opwinding voelde hij de pijn van Baree's tanden niet meer.

„Ik zal u mijn nieuwe dog-cart laten zien, die ik in elkaar getimmerd heb voor van den winter, M'sieu,” zeide Pierrot, terwijl hij de deur achter hen sloot.

* * * * *

Een half uur later kwam Nepeese de hut in. Zij kon zien, dat Pierrot en de agent over iets gepraat hadden, wat haar vader onaangenaam was. Zijn gelaat stond strak. Zij ontdekte in zijn oogen een gloed, dien hij trachtte te dooven, zooals men vlammen onder een deken smoort. Mc Taggart's kaken waren op elkaar geklemd, maar zijn oogen flikkerden van blijdschap, toen hij haar zag. Zij wist, waar het om ging. De agent van Lac Bain had Pierrot's antwoord gevraagd en Pierrot had hem gezegd, op haar aandringen—dat hij daarvoor bij _haar_ moest zijn! En nu zou hij komen! Zij keerde zich om, terwijl haar hart sneller klopte en haastte zich een klein paadje af. Zij hoorde Mc Taggart's stappen achter zich en wierp hem over haar schouder een vluchtigen glimlach toe. Maar zij klemde haar tanden op elkaar. Haar nagels waren in haar handpalmen gedrukt.

Pierrot bleef onbewegelijk staan. Hij keek hoe zij verdwenen aan den zoom van het bosch, Nepeese nog steeds eenige passen voor Mc Taggart uit. Er steeg een zucht uit zijn borst op.

„Par les mille cornes du diable!” vloekte hij binnensmonds. „Is het mogelijk, dat zij glimlacht, van harte glimlacht tegen dien ellendeling? Neen! dat kan zij niet meenen. En toch, als het eens zoo was....”

Een van zijn bruine handen klemde zich krampachtig om het hoornen heft van het mes, dat aan zijn gordel hing en langzaam begon hij hen te volgen.

Mc Taggart maakte geen haast om Nepeese in te halen. Zij volgde een smal paadje, dat tot diep in het bosch doorliep en daar was hij blij om. Zij zouden alleen zijn—ver van Pierrot af. Hij bleef tien passen achter haar en opnieuw glimlachte de Wilg tegen hem, over haar schouder. Zij bewoog haar lichaam met snelle golvende bewegingen. Zij mat voortdurend den afstand tusschen hen beiden, maar Mc Taggart giste niet, dat zij daarom telkens zoo naar hem omkeek. Het was hem voldoende als zij maar door bleef loopen. Toen zij van het smalle weggetje afweek en een zijpad insloeg, dat nog ternauwernood gebaand was, sprong zijn hart op van verwachting. Als zij zoo doorging, zou hij haar heel spoedig voor zich alleen hebben—op geruimen afstand van de hut. Het bloed vloog hem naar het gezicht. Hij zeide geen woord, uit vrees, dat zij zou blijven stilstaan. Voor zich uit hoorde hij het gekabbel van water. Het was de kreek, die door den afgrond stroomde.