De zoon van Kazan

Part 6

Chapter 64,068 wordsPublic domain

Het was vroeg in den namiddag, toen Baree voor de derde of vierde maal een wandelingetje ging maken op den dam. Deze dam had een lengte van ruim tweehonderd voet, maar op geen enkele plaats spoelde het water er overheen, daar het overtollige vocht een uitweg vinden kon door nauwe sluisjes. Een paar weken tevoren had Baree over dien dam den vijver kunnen oversteken, maar nu waren aan het andere einde Gebroken Tand en zijn ingenieurs bezig een nieuw stuk aan den dam toe te voegen, en om hun werk gemakkelijker te kunnen verrichten, hadden zij ruim vijftig meter van den grond, waarop zij bezig waren, doen onderloopen. Deze voornaamste dam had een groote aantrekkingskracht voor Baree. Hij droeg den bevergeur in sterke mate. De bovenkant er van was hoog en droog en er waren dozijnen kleine uithollingen in, waarin de bevers hun zonnebaden hadden genomen. In een van deze holten strekte Baree zich uit, met zijn oogen op den vijver gevestigd. Geen rimpeling verbrak zijn fluweelige oppervlakte. Geen geluid verstoorde de slaperige middagrust. De bevers hadden dood kunnen zijn of slapend, zoo weinig beweging maakten zij. En toch wisten zij, dat Baree op den dam was.

Waar Baree lag, bescheen de zon hem met vollen gloed en hij voelde zich zoo lekker, dat het hem na een poosje moeite kostte, zijn oogen open te houden. Toen viel hij in slaap.

Hoe Gebroken Tand dit merkte, is een raadsel. Vijf minuten later kwam hij bedaard, zonder eenig geluid of geplas, tot op vijftig meter afstands van Baree. Eenige oogenblikken bewoog hij zich ternauwernood in het water. Daarna zwom hij heel langzaam evenwijdig met den dam den vijver over. Aan den overkant klauterde hij aan wal en bleef een tijdje zitten, zoo onbeweeglijk als een steen, met zijn oogen gevestigd op dat gedeelte van den dam, waar Baree lag. Geen der andere bevers bewoog en het was al gauw klaarblijkelijk, dat Gebroken Tand maar één ding op het oog had—Baree eens van naderbij te bekijken. Toen hij het water weer inging, zwom hij vlak langs den dam voort. Tien voet beneden Baree begon hij aan land te klimmen. Hij deed dit uiterst langzaam en voorzichtig. Eindelijk bereikte hij den top van den dam.

Een paar meter van hem af lag Baree, geheel in de holte verborgen. Gebroken Tand kon slechts een klein gedeelte van zijn glanzend, zwart lichaam ontdekken. Om beter te kunnen kijken, spreidde de oude bever zijn platten staart uit en verhief zich tot een zittende houding op zijn achterdeelen, terwijl hij zijn twee voorpooten over zijn borst liet hangen als een eekhoorn. In deze houding was hij ruim drie voet hoog. Hij woog waarschijnlijk veertig pond en hij deed denken aan een goedigen, ouden, weerzinwekkenden hond. Maar zijn brein werkte met verbazingwekkende snelheid. Plotseling gaf hij met zijn staart een enkelen klap op de modder van den dam—en Baree zat rechtop. Oogenblikkelijk zag hij Gebroken Tand en bleef hem aanstaren. Gebroken Tand keek hem ook strak aan. Een halve minuut lang bewoog geen van beiden zich ook maar een haarbreedte. Toen stond Baree op en kwispelstaartte.

Dat was genoeg. Op zijn voorpooten neervallend, waggelde Gebroken Tand op zijn doode gemak naar den waterkant en liet er zich overheen glijden. Hij was nu niet voorzichtig meer en haastte zich ook niet.

Hij maakte veel beweging in het water en zwom stoutmoedig onder Baree heen en weer. Toen hij dit verscheidene malen gedaan had, ging hij regelrecht op de grootste van de drie woningen af en verdween. Vijf minuten na Gebroken Tand's heldendaad was het onder de kolonie algemeen verspreid: de vreemdeling—Baree—was geen lynx. Hij was geen vos. Hij was ook geen wolf. Daarbij kwam nog, dat hij heel jong was en onschadelijk. Het werk kon weer voortgezet worden. Ook het spel. Er dreigde geen gevaar. Zoo luidde Gebroken Tand's uitspraak. Als iemand deze feiten in de bevertaal met een roeper geschreeuwd had, had het antwoord niet sneller kunnen gegeven worden. Opeens leek het Baree, of de vijver stampvol bevers was. Hij had er nooit tevoren zooveel bij elkaar gezien. Zij kwamen aan alle kanten opduiken en sommige zwommen doodbedaard vlak onder hem heen en weer en keken nieuwsgierig naar hem op. Misschien vijf minuten lang schenen de bevers niets in 't bizonder van plan te zijn. Toen stevende Gebroken Tand op den dam af en klom naar boven. Anderen volgden hem. Een half dozijn van zijn werklieden begaven zich in het struikgewas van de wilgen en elzen. Verlangend keek Baree uit naar Umisk en zijn vriendjes. Eindelijk zag hij hen—zij kwamen uit een van de kleinere woningen zwemmen. Zij klommen weer op hun speelplaats van den vorigen dag. Baree kwispelstaartte zoo hard, dat zijn heele lijfje er van schudde, toen haastte hij zich langs den dam naar beneden.

Toen hij op het vlakke gedeelte van den oever kwam, trof hij daar Umisk alleen aan; hij knabbelde aan zijn avondmaal, een versch afgeknaagd stuk wilgebast. De andere jonge bevers waren in de elzestruiken verdwenen.

Ditmaal liep Umisk niet weg. Hij keek op. Baree hurkte neer, zich wringend op zijn allervriendelijkste manier. Eenige oogenblikken bleef Umisk hem aankijken. Er viel nu niets te vreezen. Wat dit ook voor een raar beest mocht wezen, het was jong en onschadelijk en scheen werkelijk graag goede maatjes te willen worden bovendien. Hij staarde Baree oplettend aan.

Toen zette hij heel rustig zijn avondmaal voort.... En Baree wist, dat hij niet langer zonder vrienden was.

IX.

De redding van Umisk.

Juist zooals in het leven van ieder mensch een groote beperkende factor is, hetzij in goede of kwade richting, zoo was in Baree's leven de bevervijver van grooten invloed op zijn lot. Waarheen hij gegaan zou zijn, als hij dezen niet gevonden had, kan men slechts gissen. Maar de plek trok hem onweerstaanbaar aan. Zij begon de plaats bij hem in te nemen van het oude hol onder de omgevallen boomen, dat eens zijn tehuis geweest was, en de bevers werden hem een gezelschap, dat hem eenigszins het verlies van Kazan en Wolvin vergoedde. Dat wil zeggen, zij waren hem tot gezelschap, in zekeren graad. Met elken nieuwen dag die verstreek, gewenden de oude bevers er meer aan, Baree te zien. Na afloop van twee weken zouden zij Baree gemist hebben, als hij was weggegaan, maar niet in dezelfde mate als waarin Baree de bevers zou gemist hebben. Het was van hun kant eenvoudig goedhartige verdraagzaamheid. Maar met Baree was het een andere kwestie. Hij was nog altijd „uskahis”, zooals Nepeese Pierrot het genoemd zou hebben; hij had feitelijk nog moederzorg noodig; hij had nog de verlangens van het heel jonge dier, want hij had nog geen tijd gehad, daar bovenuit te groeien en als de nacht aanbrak, zou hij het liefst in de groote beverwoning zijn gekropen, bij Umisk en zijn kameraadjes, en daar geslapen hebben.

Wel veertien dagen lang na die heldendaad van Gebroken Tand op den dam gebruikte Baree zijn maaltijden bij de kreek, zoowat een mijl verderop, waar volop rivierkreeft zat. Maar de vijver was zijn tehuis. 's Nachts was hij daar altijd te vinden en ook een groot gedeelte van den dag. Hij sliep aan het uiteinde van den dam, of, bij bizonder heldere nachten, er bovenop en de bevers ontvingen hem als voortdurenden gast. Zij werkten in zijn tegenwoordigheid alsof hij niet bestond. Baree was geboeid door dit werk en werd nooit moede er naar te kijken. Het wekte zijn belangstelling en verbazing op. Dag aan dag zag hij hen hout vlot maken en snel door het water stuwen naar den nieuwen dam. Hij zag den dam steviger worden onder hun zwoegen. Op zekeren dag lag hij op twaalf voet afstands van een ouden bever, die bezig was een boom te vellen van anderhalven decimeter doorsnee. Toen de boom viel en de oude bever haastig maakte, dat hij wegkwam, ging Baree ook op den loop. Later kwam hij terug en ging snuffelen op de plek, waar de boom doorgeknaagd was, nieuwsgierig, waarvoor dit diende en waarom Umisk's oom, of grootvader, of tante zich zooveel moeite op den hals haalde.

Hij kon nog altijd Umisk en de andere jonge bevers er niet toe krijgen, hem mee te laten spelen en nadat hij daar eenige keeren moeite voor gedaan had, staakte hij zijn pogingen. Om de waarheid te zeggen, hun spel verbaasde hem al evenzeer als het dammen-maken van de oudere bevers. Umisk bijvoorbeeld was er dol op, in de modder te spelen aan den rand van den vijver. Hij was net een kleine jongen. Terwijl zijn familieleden boomstammen van een voet in doorsnee naar hun grooten dam stuwden, bracht Umisk takjes en twijgjes van geen grooter omvang dan een potlood naar zijn speelterrein en bouwde een kinder-dammetje voor zijn eigen plezier. Hij kon een uur lang aan dezen speel-dam werken, met evenveel ijver als zijn vader en moeder aan den grooten dam werkten en Baree lag dan plat op zijn buik, niet ver van hem af, naar hem te kijken, in de grootst mogelijke verbazing. En door de half droge modder groef Umisk ook zijn miniatuurkanalen, precies zooals een kleine jongen zijn rivieren zou gegraven hebben en zijn zee, door roovers bevolkt, ergens op een ondergeloopen stuk land. Met zijn scherpe tandjes velde hij zijn boomstammen—wilgeloten, nooit meer dan een paar centimeter dik—en wanneer deze takjes naar beneden tuimelden, voelde hij ongetwijfeld een even groote voldoening als Gebroken Tand, wanneer hij een berk van zeventig voet krakend in den vijver had doen storten. Baree kon het grappige hiervan niet inzien. Hij begreep, dat er reden kon zijn om aan stokken te knabbelen—hij hield er zelf ook van, zoo nu en dan eens zijn tanden te scherpen—maar hij vond het al heel raar, dat Umisk zoo zorgvuldig de schors van den stam afschilde en ze daarna inslikte.

Een andere manier van spelen ontmoedigde Baree nog sterker bij zijn poging tot toenadering. Op kleinen afstand van de plek, waar hij Umisk het eerst gezien had, helde de oever tien of twaalf voet naar het water af en deze oever werd door de jonge bevers als glijbaan gebruikt. Hij was glad en hard geworden door veelvuldig gebruik. Umisk had de gewoonte, den oever te beklimmen op een plek, waar hij niet al te steil was. Bovenaan de glijbaan gekomen, spreidde hij zijn staart plat achter zich uit en, zich afzettend, schoot hij de helling af en kwam met een grooten plons in het water terecht. Bij tijden waren er wel zes of tien jonge bevers met deze sport bezig en nu en dan kwam een van de ouderen naar boven waggelen en gleed eens een baantje mee met de jongelui. Op zekeren middag, toen de glijbaan buitengewoon nat en glibberig was, omdat zij pas gebruikt was, klom Baree langs het beverpaadje naar boven en stelde een onderzoek in. Nergens had hij de beverlucht zoo sterk geroken als op die glijbaan. Hij begon ze op te snuiven en was zoo onvoorzichtig, zich te ver te wagen. In een oogwenk schoten zijn pooten onder hem uit en met een enkelen woesten schreeuw vloog hij pijlsnel de helling af. Voor de tweede maal in zijn leven worstelde hij onder de oppervlakte van het water en toen hij zich een paar minuten later door de weeke modder naar land sleepte, had hij zeer zeker een goed beschrijfbare opvatting gekregen van het spelen der bevers. Misschien had Umisk hem gezien. Het is ook mogelijk, dat al heel spoedig het verhaal van zijn avontuur bekend was bij al de inwoners van Bever-Stad. Want toen Baree Umisk dien avond naderde, terwijl deze zijn avondmaal gebruikte van elzebast, week hij geen duimbreed van zijn plaats en voor het eerst beroken zij elkanders neuzen. Tenminste Baree snoof hoorbaar en de dappere kleine Umisk zat als een rolronde sfinx. Dit was de bevestiging van hun vriendschap—van Baree's kant. Hij ravotte eenige oogenblikken buitensporig in het rond en vertelde Umisk, hoeveel hij van hem hield en dat ze groote vrienden zouden zijn. Umisk praatte in 't geheel niet. Hij maakte geen beweging, voor hij weer doorging met zijn maal. Maar met dat al zag hij er uit als een gezellig klein baasje en Baree had zich sedert den dag, waarop hij zijn hol verlaten had, niet zoo gelukkig gevoeld.

Deze vriendschap, hoewel zij uiterlijk geheel van één kant leek te komen, was bepaald een groot belang voor Umisk. Wanneer Baree bij den vijver was, bleef hij altijd zoo dicht mogelijk in Umisk's buurt.

Op zekeren dag lag Baree half slapend in het gras terwijl Umisk druk bezig was met eenige elzespruiten, dicht bij hem. Hij werd gewekt door het waarschuwend knallen van een beverstaart en toen hoorde hij het nog eens en nog eens, het leken wel pistoolschoten. Hij sprong op. Aan alle kanten renden de bevers naar den vijver toe. Juist op dit oogenblik kwam Umisk uit het struikgewas voor den dag en haastte zich, zoo vlug als zijn korte, dikke pootjes hem dragen konden, naar het water. Hij had bijna de modder bereikt, toen iets roods als een lichtstraal langs Baree's oogen schoot in de middagzon en een oogenblik later had Napakasew—de mannetjesvos—zijn scherpe tanden in Umisk's keel geklemd. Baree hoorde den doodelijk verschrikten schreeuw van zijn vriendje; hij hoorde het waanzinnige _flap, flap, flap_ van vele staarten en zijn bloed klopte heftig van opwinding en woede. Even bliksemsnel als de roode vos aangevallen had, schoot hij te hulp. Hij was even groot en zwaar als de vos en toen hij Napakasew aanviel, deed hij dit met een grauw, dien Pierrot aan den anderen kant van den vijver had kunnen hooren en zijn tanden zonken als messen in den schouder van Umisk's belager. De vos was van een struikrooversgeslacht, die hun slachtoffer in den rug overvallen en dooden. Hij zou nooit een gevecht tegenover elkaar aanbinden, tenzij hij in een hoek gedreven was en Baree's aanval was zoo woest en onverwacht geweest, dat hij op de vlucht sloeg, bijna even snel als hij Umisk overvallen had. Baree zette hem niet achterna. Hij ging naar Umisk toe, die half in de modder lag en op een zonderlinge manier jammerde en snoof. Zachtjes besnuffelde Baree hem en na eenige oogenblikken krabbelde Umisk overeind op zijn gezwemvliesde pootjes, terwijl zeker wel twintig of dertig bevers een geweldig spektakel maakten in het water bij den oever.

Na dien tijd leek de bevervijver voor Baree meer dan ooit op zijn tehuis.

X.

Gepakt!

Terwijl Baree hoe langer hoe meer een familiestuk werd bij den bevervijver en Pierrot en Nepeese aan den anderen kant er van allerlei bedachten om hem te vangen, omdat zij door de witte ster op zijn borst en het vlekje aan zijn oor herinnerd werden aan een anderen Baree, waarvan zij veel gehouden hadden, smeedde Bush Mc Taggart zijn eigen plannetje, daarginds op den post te Lac Bain, ongeveer veertig mijlen naar het noordwesten. Mc Taggart was al zeven jaar lang agent op Lac Bain geweest. In de annalen van de Compagnie te Winnipeg stond hij geboekt als iemand, die buitengewoon veel voordeel aanbracht. De uitgaven van zijn handelspost waren beneden het gemiddelde en zijn halfjaarlijksch rapport omtrent de opbrengst van het bont stond altijd in de eerste rijen. Achter zijn naam, die aan een snoer bewaard werd in het hoofdkantoor, stond één aanteekening: „Weet van een dollar meer te maken dan ieder ander, hier ten noorden van het Meer.” De Indianen wisten wel waarom. Zij hadden hem den naam gegeven „Napao Wetikoo”—den „mensch-duivel”. Maar zij zeiden dit nooit hardop, zij fluisterden het woord somber in den gloed van hun kampvuren of zóó zacht, dat zelfs de wind het niet tot aan Mc Taggart's ooren had kunnen overwaaien. Zij vreesden hem. Zij haatten hem. Zij kwamen om, onder zijn bewind, door honger en ziekten en hoe vaster Mc Taggart hen in zijn ijzeren greep klemde, hoe gewilliger bogen zij voor zijn wil, naar het hem voorkwam. Hij had een benepen ziel, zetelende in het lichaam van een bruut, die zich verlustigde in het uitoefenen van macht. En hier—met de onherbergzame wildernis aan vier kanten—kende zijn macht geen grenzen. De groote Compagnie was hem altijd tot steun. Zij had hem tot koning uitgeroepen van het domein, waarin weinig wetten waren, buiten zijn eigene. En in ruil gaf hij de Compagnie balen vol pelterijen, boven haar verwachting. Het was niet aan haar, verdenkingen te koesteren. Zij was tienduizend mijlen of nog meer van hem verwijderd en elke dollar was er één.

Gregson zou uit de school hebben kunnen klappen. Gregson was de controleur van het distrikt, die Mc Taggart eens op een jaar bezocht. Hij zou hebben kunnen vertellen, dat de Indianen Mc Taggart „Napao Wetikoo” noemden, omdat hij hen maar half geld voor de geleverde huiden gaf; hij zou de Compagnie ronduit hebben kunnen zeggen, dat hij het volk aan de vallenlijn op het randje van den hongerdood hield, den heelen winter lang; dat hij hen letterlijk op hun knieën neergedrukt hield met zijn hand aan hun keel—om het zoo maar eens zacht uit te drukken—en dat hij altijd een vrouw of een meisje, Indiaansche of halfbloed, op den post bij zich had. Maar Gregson was te veel gesteld op dat bezoek aan Lac Bain. Altijd kon hij rekenen op twee weken van walgelijke uitspatting en bovendien droeg zijn eigen vrouwvolk thuis later een schat van bont, hem op een achterbaksche manier door Mc Taggart in handen gespeeld.

Op zekeren avond zat Mc Taggart bij het schijnsel van een olielamp in zijn „magazijn”. Hij had zijn Engelsch klerkje, wiens gezicht zoo gerimpeld was als een pippeling, naar bed gezonden en hij was nu alleen. Zes weken lang werd hij al bezeten door een groote onrust. Het was juist zes weken geleden dat Pierrot Nepeese voor de eerste maal mee had genomen bij zijn bezoek aan Lac Bain, voor het eerst sedert Mc Taggart daar agent was. Hij had naar adem gehijgd, toen hij haar bekoorlijke gestalte voor het eerst zag. Sedert dien tijd had hij aan niets anders meer kunnen denken dan aan haar. In die zes weken was hij twee keer naar Pierrot's hut gereisd. Morgen zou hij weer gaan. Marie, het slanke Cree-meisje, daarginds in zijn hut, was hij totaal vergeten, juist zooals, vóór Marie, een dozijn anderen uit zijn geheugen geslipt waren. Nu bestond alleen Nepeese voor hem. Hij had nooit iets gezien, zoo volmaakt mooi als Pierrot's dochter.

Hardop schold hij Pierrot uit, terwijl hij naar een vel papier onder zijn hand keek, waarop hij al wel een uur lang aanteekeningen had zitten maken, uit veel gebruikte en stoffige grootboeken der Compagnie. Die Pierrot stond hem in den weg. Volgens deze aanteekeningen was Pierrot's vader een volbloed Franschman geweest. Dus was Pierrot nog half Fransch en Nepeese voor een vierde deel, hoewel zij zoo mooi was, dat hij zou willen zweren, dat er niet meer dan twee droppels Indiaansch bloed door haar aderen stroomden. Als zij geheel en al Indiaansch was geweest, van den stam der Chippeway's, Cree's, Ojibway's Honden Rib's of wat ook maar—zouden er zich geen moeilijkheden hebben voorgedaan bij deze zaak. Hij zou hen onder zijn macht gebogen hebben en Nepeese zou haar intrek in zijn hut genomen hebben, zooals Marie het zes maanden geleden gedaan had. Maar die vervloekte Fransche afkomst! Pierrot en Nepeese waren niet als die anderen. En toch—

Hij glimlachte wreed en balde zijn vuisten. Was, alles welbezien, zijn macht niet toereikend? Zou zelfs Pierrot hem durven weerstreven? Als Pierrot tegenwerpingen maakte, zou hij hem uit het land verbannen—uit de vallen-streek, die als erfenis op hem was overgegaan, na het beheer van zijn vader en grootvader. Zelfs lang vóór dien tijd was zij familiebezit geweest. Hij zou een zwerver van Pierrot maken en een banneling, zooals hij zwervers en bannelingen had gemaakt van een aantal anderen, die uit zijn gunst waren geraakt. Geen andere post zou ooit meer aan Pierrot verkoopen of van hem koopen, als _la bête_—het zwarte kruis, achter zijn naam gezet werd. Daarin bestond zijn macht—de wet der agenten, die door alle eeuwen heen gehandhaafd was. Het was een geweldige macht—ten kwade. Zij had hem Marie bezorgd, het slanke, zwartoogige Cree-meisje, dat hem haatte en niettegenstaande haar haat, „zijn huishouden deed”. Dit was de nette manier om haar tegenwoordigheid uit te leggen, als er ooit een verklaring noodzakelijk was. Een huishoudster!

Bush Mc Taggart keek opnieuw naar de aanteekeningen, die hij op het vel papier gemaakt had.

Pierrot's vallen-distrikt, zijn eigendom volgens de wet der wildernis, bracht veel geld op. Gedurende de afgeloopen zeven jaar had hij gemiddeld duizend dollars per jaar ontvangen voor de levering van pelzen, want Mc Taggart had er niet in kunnen slagen, Pierrot zoo af te zetten als de Indianen.

Duizend dollars per jaar! Pierrot zou zich nog wel tweemaal bedenken, voor hij dat opofferde. Mc Taggart grinnikte, terwijl hij het papier in zijn hand verkreukelde en zich gereed maakte, het licht uit te draaien. Onder zijn borstelige haar gloeide zijn roodachtig gelaat, verhit door het vuur, dat in zijn bloed woedde. Het was een onaangenaam gezicht om naar te kijken—het leek wel van staal en droeg een onbarmhartige uitdrukking, de uitdrukking, die hem den bijnaam „Napao Wetikoo” bezorgd had. Zijn oogen glinsterden en hij haalde snel adem, terwijl hij het licht doofde. Hij grinnikte opnieuw, toen hij door de duisternis den weg zocht naar de deur. Nepeese was al zoo goed als zijn eigendom. Hij wilde haar bezitten, ten koste desnoods van—_Pierrot's leven_. En _waarom niet_? Het was allemaal zoo gemakkelijk. Een schot in het eenzame vallengebied, een enkele messteek en wie zou het navertellen? Wie zou gissen waar Pierrot gebleven was? En het zou allemaal Pierrot's eigen schuld zijn. Want de laatste maal, dat hij hem ontmoette, had hij hem een eerlijk voorstel gedaan. Hij wilde Nepeese _trouwen_. Ja, dàt wilde hij zelfs doen. Hij had het Pierrot voorgesteld. Hij had Pierrot ook gezegd, dat hij hem, wanneer hij zijn schoonvader was, het dubbele voor zijn huiden zou geven van den tegenwoordigen prijs. En Pierrot had hem verstomd van verbazing aangestaard. Hij had naar hem gestaard met een zonderlingen, verglaasden blik, als van een man, die verdoofd is door den slag van een knuppel.

En dus—wanneer hij Nepeese niet kreeg zonder zwarigheden—zou het allemaal Pierrot's eigen schuld zijn. Morgen zou hij opnieuw vertrekken naar de landstreek van den halfbloed. En den volgenden dag zou Pierrot hem zijn antwoord geven. Bush Mc Taggart grinnikte opnieuw, toen hij naar bed ging. Dit deed Marie huiveren. Mc Taggart voelde—in den grond van zijn hart—dat Pierrot's antwoord leven of dood beteekende, op den langen duur—voor Pierrot.

* * * * *

Tot op één na den laatsten dag zeide Pierrot aan Nepeese niets van wat er tusschen hemzelf en den agent van Lac Bain verhandeld was. Toen vertelde hij het haar.

„Hij is een beest—een duivel in menschengedaante,” zeide hij, toen hij zijn verhaal geëindigd had. „Ik zag je nog liever daarginds—naast haar, dood—” en hij wees naar den hoogen spar, waaronder haar moeder, de prinses, begraven lag.

Nepeese had geen klank geuit. Maar haar oogen waren grooter geworden en donkerder en er steeg haar een blos naar de wangen, zooals Pierrot er nooit tevoren een gezien had. Zij stond op, toen hij geëindigd had en zij scheen hem plotseling langer geworden. Nooit had zij zooveel op een volwassen vrouw geleken en Pierrot's oogen werden verduisterd door vrees en bange voorgevoelens, toen hij haar gadesloeg, terwijl zij tuurde naar het Noordwesten—naar Lac Bain. Zij was prachtig om te zien, dit heel jonge meisje, dat hij nog meer aanbad dan zijn God. Haar schoonheid beangstigde hem. Hij had den blik in Mc Taggart's oogen gezien. Hij had de opwinding in Mc Taggart's stem gehoord. Hij had de woeste begeerte en den dierlijken lust op Mc Taggart's gelaat gelezen. Dit had hem ontzetting aangejaagd, in het begin. Maar nu—nu was hij niet ontsteld meer. Hij was onrustig—maar hij had zijn handen tot vuisten gebald. Er smeulde een vuur in zijn hart. Nepeese keerde zich ten laatste om en kwam weer bij hem zitten, aan zijn voeten. Pierrot legde een van zijn harige handen op haar hoofd. Hij deed dat graag. Hij vond het heerlijk, de warme liefkoozing te voelen van haar zijden lokken tusschen zijn vingers.