Part 5
„Neen, neen, dat kan niet. Kom—of hij zal ons ontsnappen!”
Pierrot was nu vol zelfvertrouwen. De kloof had zich vernauwd en Baree kon niet langs hen heen zonder gezien te worden. Drie minuten later kwam Baree aan het eind van de kloof—een steilen rotsmuur. De overvloedige vischmaaltijden en het vele slapen bij den bevervijver hadden bij hem vet aangezet en hij was bijna buiten adem, terwijl hij tevergeefs naar een uitgang zocht. Er was zelfs geen struik om zich achter te verbergen en Pierrot en Nepeese zagen hem opnieuw. Nepeese kwam regelrecht op hem af en Pierrot, voorziende wat Baree zou doen, plaatste zich ter linkerzijde.
Rondom en tusschen de rotsen zocht Baree haastig naar een uitweg. Binnen eenige oogenblikken bereikte hij het einde van de kloof.
Dit was een opening in den rotsmuur zoowat zestig voet wijd, die toegang gaf tot een natuurlijke gevangenis, ongeveer een hectare in omvang. Het was een mooi plekje. Aan de drie overige zijden was het door rotsen omringd. Aan het uiterste einde verbrokkelde een waterval zich in kleine huppelende stroompjes. Het gras was er welig en met bloemen bezaaid. In deze val had Pierrot meer dan eens een hert gedood. Er was van daaruit geen ontsnappen mogelijk zonder in het veld van zijn geweer te komen. Hij riep Nepeese, toen hij Baree daar binnen zag gaan en zij beklommen samen het rotsige pad.
Baree was bijna aan den rand van het weitje gekomen toen hij zoó plotseling zijn vaart inhield, dat hij in zittende houding terecht kwam en zijn hart hem in de keel scheen te springen.
Midden op zijn pad stond Wakayoo, de reusachtige zwarte beer.
Misschien een halve minuut lang weifelde hij tusschen de twee gevaren. Hij hoorde de stemmen van Pierrot en Nepeese. Hij hoorde de steenen kraken onder hun voet. En een groote angst vervulde hem. Toen keek hij naar Wakayoo. De groote beer had zich niet bewogen. Ook hij stond te luisteren. Maar bij hem waren het niet alleen de geluiden, die hem met onrust vervulden. Het was de reuk, dien hij in den neus had gekregen. De menschenlucht.
Baree, die hem gadesloeg, zag dat zijn kop langzaam heen en weer begon te zwaaien toen de voetstappen van Nepeese en Pierrot dichterbij kwamen. Het was voor de eerste maal dat hij tegenover den grooten zwarten beer kwam te staan. Hij had naar hem gekeken, wanneer hij stond te visschen. Hij was dik geworden door Wakayoo's arbeid. Hij had altijd een buitengewonen eerbied voor hem gehad. Maar nu had de beer iets over zich, dat Baree's vrees deed verdwijnen en plaats maakte voor een nieuw, wonderlijk gevoel. Wakayoo, groot en prachtig, zou niet wegloopen voor de tweebeenige dieren, die hem achterna zaten. Als hij maar eenmaal langs Wakayoo heen was, was hij veilig. Hij sprong terzijde en liep de open weide in. Wakayoo bewoog zich niet toen hij langs hem heenstoof—hij nam niet meer notitie van hem dan wanneer hij een konijn of een vogel geweest ware. Toen voerde de wind opnieuw de menschenlucht aan, ditmaal sterker. En dit deed hem ten slotte tot bezinning komen. Hij keerde zich om en begon Baree achterna te schommelen. En Baree, die omkeek, dacht, dat hij hem ook al achtervolgde. Nepeese en Pierrot kwamen juist voor den dag en zagen op hetzelfde oogenblik Wakayoo en Baree.
Toen zij door de opening kwamen zwenkte Baree sterk naar rechts. Hier was een groot rotsblok, aan den eenen kant de aarde niet heelemaal aanrakend; het scheen een prachtige schuilplaats en Baree kroop eronder.
Maar Wakayoo hield steeds het midden van de weide.
Van waar hij lag kon Baree zien wat er gebeurde. Ternauwernood was hij onder de rots gekropen toen Nepeese en Pierrot in de opening van den rotsmuur verschenen en bleven stilstaan. Het feit, dat zij bleven stilstaan, deed Baree sidderen. Zij waren bang van Wakayoo! De groote beer was nu voor twee derden de weide overgestoken. De zon scheen vol op hem, zoodat zijn huid glansde als zwart satijn. Pierrot bleef een oogenblik naar hem staren. Het was laat in het seizoen. Het bont was niet schitterend meer. Maar Wakayoo's vacht was nog prachtig! Pierrot doodde niet uit lust tot moorden. Noodzaak deed hem soms tot dooden overgaan, de dieren van het woud waren zijn voedsel, zijn kleeding, en Wakayoo zou, had hij een ruige vacht gehad of was hij aan het verharen geweest, veilig geweest zijn. Maar zooals de zaken nu stonden hief Pierrot zijn geweer op.
Baree zag deze handeling. Hij zag, een oogenblik later, iets spuiten uit den geweerloop en daarna hoorde hij dien oorverdoovenden knal, die vergezeld was gegaan van zijn eigen pijn, toen de kogel van de Wilg door zijn vleesch had gebrand. Hij wendde snel zijn oogen naar Wakayoo. De groote beer was gestruikeld. Hij lag nu op zijn knieën. Hij scharrelde overeind en waggelde verder. Het geraas van het geweer klonk opnieuw en voor de tweede maal zonk Wakayoo op den grond. Pierrot kon niet missen op dezen afstand. Wakayoo was een prachtige schietschijf. Het was eenvoudig een slachting en toch was het voor Pierrot en Nepeese een zaak van gewicht—voor hun levensonderhoud.
Baree lag te trillen. Het was meer van opwinding dan van angst, want hij dacht niet aan zijn eigen vrees in de tragedie van deze oogenblikken. Er rees een zacht gejank in zijn strot, toen hij naar Wakayoo keek, die nu stil was blijven staan voor zijn vijanden; hij had een gapende wond in zijn kaak, zijn kop slingerde langzaam heen en weer, zijn pooten verzwakten onder hem, terwijl het bloed door zijn verscheurde longen stroomde. Baree jankte, omdat Wakayoo voor hem gevischt had, omdat hij hem als een vriend was gaan beschouwen en omdat hij wist, dat het de dood was, die Wakayoo nu te wachten stond. Er knalde een derde schot. Dit was het laatste. Wakayoo zonk in elkaar. Zijn groote kop plofte tusschen zijn voorpooten. Baree hoorde hem een paar keer smartelijk janken. En toen heerschte er stilte.
Het was een bloedbad geweest—maar noodzakelijk voor Pierrot.
Een minuut later zeide Pierrot tot Nepeese, terwijl hij zich over Wakayoo boog:
„_Mon Dieu_, dàt is nog eens een mooie huid, _Sakahet_! Die is wel twintig dollars waard in Lac Bain!”
Hij trok zijn mes en begon het te slijpen op een steen, dien hij in den zak droeg. Nu had Baree weg kunnen kruipen van onder zijn rots en uit de kloof kunnen ontsnappen. Een poosje lang was men hem vergeten. Toen herinnerde Nepeese zich hem, terwijl haar vader de berenhuid begon af te stroopen en sprak met dienzelfden wonderlijken stemklank opnieuw het woord „Baree” uit.
Pierrot, die geknield op den grond lag, keek op.
„Waarom zeg je dat toch?” vroeg hij. „Waarom Nepeese?”
De oogen van de Wilg rustten onderzoekend op de weide.
„Om de ster op zijn borst en om zijn witte oor en omdat hij me niet gebeten heeft!” zeide zij.
Er flikkerde een nieuwe gloed in Pierrot's oogen, zooals het opvlammen van een vuur, dat bijna uitgebrand is.
„Neen, dat kan niet,” zeide hij toen, alsof hij die woorden tot zichzelf sprak, en boog weer over zijn werk.
Maar Nepeese bemerkte, dat de hand, waarin hij het mes hield, beefde.
Terwijl Nepeese naar den rotsigen muur van de kloof staarde, de gevangenis waarin zij Wakayoo en Baree gedreven hadden, keek Pierrot weer op van zijn werk en prevelde iets, dat niemand behalve hijzelf had kunnen hooren. „Neen, het is niet mogelijk,” had hij een oogenblik tevoren gezegd, maar voor Nepeese was zij wèl mogelijk—de gedachte die zij met zich omdroeg. Het was een wonderlijke gedachte. Ze deed haar ontroeren tot in het diepst van haar ongebreidelde, mooie ziel. Zij bracht een gloed in haar oogen en een dieper rood van opwinding in haar wangen en lippen. Zij fluisterde opnieuw het woord, dat Pierrot zoo ontroerd had. „Baree!” Waarom zou het niet mogelijk zijn?
Terwijl zij de weide onderzocht, om een spoor te vinden van het jonge hondje, vloden haar gedachten snel terug. Twee jaren geleden hadden zij haar moeder begraven onder de hooge sparren, dicht bij hun hut. Dien dag was Pierrot's zon voorgoed ondergegaan en haar eigen leven vervuld met een groote eenzaamheid. Er hadden er drie aan het graf gestaan, dien middag toen de zon onderging—Pierrot, zijzelf en Baree. Baree was een hond, een groot, ruig dier, met een witte ster op zijn borst en een wit vlekje aan zijn oor. Hij was de lieveling geweest van haar gestorven moeder, van zijn prilste jeugd af. Hij vormde haar lijfwacht—was altijd bij haar—liet zelfs zijn kop rusten op den rand van haar bed, toen zij lag te sterven. En dien nacht, den nacht volgende op den middag van haar begrafenis, was Baree verdwenen. Hij was verdwenen even stil en spoorloos als haar geest. Niemand had hem daarna ooit meer gezien. Het was vreemd en voor Pierrot een mirakel. Diep in zijn hart koesterde hij de overtuiging, dat Baree met zijn geliefde Wyola ten hemel gevaren was. Maar Nepeese had drie winters doorgebracht op de zendingsschool te Nelson House. Zij had daar veel geleerd over blanke menschen en den werkelijken God en zij wist, dat dit denkbeeld van Pierrot onbestaanbaar was. Zij geloofde, dat haar moeders Baree òf dood was, òf naar de wolven gegaan. Waarschijnlijk was hij naar de wolven gegaan. Daarom—was het niet onmogelijk, dat dit jong, waarop zij en haar vader jacht gemaakt hadden, van hetzelfde vleesch en bloed was als haar moeders lieveling! Het was heel wèl mogelijk. De witte ster op zijn borst, de witte vlek aan zijn oor—het feit, dat hij haar niet gebeten had, terwijl hij gemakkelijk zijn slagtanden had kunnen begraven in het weeke vleesch van haar armen! Zij was er zeker van. En terwijl Pierrot den beer vilde, begon zij jacht te maken op Baree.
Baree had zich geen duim bewogen onder zijn rotsblok. Hij lag alsof hij verdoofd was, met zijn oogen strak gericht op de plaats, waar de tragedie van zooeven zich in de weide had afgespeeld. Hij had iets gezien wat hij nooit meer vergeten zou—zooals hij nooit zijn moeder zou vergeten, of Kazan, of het oude hol onder de omgewaaide boomen. Hij was getuige geweest van den dood van een schepsel, dat volgens zijn meening oppermachtig geweest was. Wakayoo, de groote beer, had niet eens den strijd aangebonden. Pierrot en Nepeese hadden hem gedood _zonder hem aan te raken_ en nu sneed Pierrot in hem met een mes, dat zilveren stralen uitschoot in het zonlicht. En Wakayoo maakte geen enkele beweging. Het deed Baree rillen en hij kroop nog wat verder onder het rotsblok, waar hij al zoo stijf in elkaar gedrukt lag, alsof een krachtige hand hem er onder geschoven had.
Hij kon Nepeese zien. Zij ging staan dicht bij de opening in den rotswand en was nu niet meer dan twintig voet van de plaats, waar hij zich verborgen had. Nu zij op een plek stond, waar hij haar niet ontsnappen kon, begon zij haar glanzend haar in twee dikke vlechten te weven. Baree had zijn oogen van Pierrot afgewend en sloeg haar nieuwsgierig gade. Hij was nu niet bang. Zijn zenuwen tintelden. Er worstelde in hem een zonderling en groeiend verlangen, het raadsel op te lossen, waarom hij zich gedrongen voelde, van onder zijn rots te voorschijn te kruipen en dat wonderbaarlijke wezen te naderen, met haar schitterende oogen en glanzend haar. Hij voelde begeerte dit te doen. Het was als een onzichtbare snaar, die in hem trilde. Het was Kazan, en niet Wolvin, die iets in hem wakker riep, het was een roep, even oud als de Egyptische pyramiden en misschien nog tienduizend jaar ouder. Maar daartegenover verzette zich Wolvin, uit de eeuwenoude bosschen. Dit maakte, dat hij zich stil en onbeweeglijk hield. Nepeese keek om zich heen. Zij glimlachte. Een oogenblik wendde zij haar gelaat naar hem toe en zag hij de witte schittering van haar tanden en haar mooie oogen, die hem schenen toe te stralen.
En toen viel zij plotseling op haar knieën neer en tuurde onder de rots.
Hun oogen ontmoetten elkaar. Een halve minuut lang was er geen enkel geluid te hooren. Nepeese bewoog zich niet en haar ademhaling kwam zoo licht, dat Baree haar niet hooren kon.
En toen zeide zij, zoo zacht, dat het nauwelijks boven een gefluister uitkwam:
„_Baree! Baree! Upi Baree!_”
Het was de eerste maal, dat hij zijn eigen naam had gehoord en er was zoo iets zachts en geruststellends in den klank er van, dat hij er op antwoordde met een zacht gejank. De Wilg bracht langzaam haar arm naar voren. Deze was bloot en rond en zacht. Hij kon gemakkelijk er op afschieten en er zijn tanden in begraven. Maar er was iets, dat hem weerhield. Hij wist, dat zij geen vijand van hem was, hij wist, dat die stralende, donkere oogen geen verlangen uitdrukten, om hem kwaad te doen; en de stem, die zoo zacht tot hem kwam, was hem als ontroerende muziek.
„Baree! Baree! Upi Baree!”
Nog eens en nog eens riep de Wilg tot hem en trachtte verder onder de rots te kruipen. Zij kon hem niet bereiken. Zij kon zich niet verder naar binnen dringen. En toen zag zij, dat er aan den anderen kant van de rots een holte was, afgesloten door een steen. Als zij dien steen had weggeschoven en langs dien kant was binnengekomen—
Zij trok zich weer uit de opening terug en stond opnieuw in den zonneschijn. Haar hart sidderde. Pierrot was druk bezig met zijn beer en zij wilde hem niet roepen. Zij deed een poging om den steen van zijn plaats te krijgen, maar deze zat vastgeklemd. Toen begon zij te graven met een stok. Als Pierrot in de buurt geweest was, zouden zijn scherpe oogen de beteekenis gezien hebben van dien steen, die niet grooter was dan een wateremmer. Eeuwenlang had hij daar waarschijnlijk gelegen, door zijn steun het rotsblok tegenhoudend in zijn val, zooals het gewicht van een ons de weegschaal kan doen overslaan. Nog vijf minuten en zij zou den steen van zijn plaats kunnen brengen. Zij rukte er aan. Centimeter bij centimeter trok zij hem naar zich toe, tot hij ten laatste aan haar voeten lag. Toen keek zij opnieuw naar Pierrot. Hij was nog steeds bezig en zij lachte zachtjes, terwijl zij een grooten rood-en-witten halsdoek afdeed. Hiermee zou zij zich van Baree verzekeren. Zij viel op haar knieën, ging daarna plat op den grond liggen en begon in de opening te kruipen.
Baree had zich bewogen. Met zijn kop tegen de rots gedrukt, had hij iets gehoord, wat Nepeese niet gehoord had, had hij een langzame, aangroeiende drukking gevoeld en hij had zich aan die drukking onttrokken en die drukking was hem gevolgd. De rotsmassa begon te verschuiven! Nepeese zag niet en hoorde niet en begreep niet. Zij riep smeekend tegen hem:
„Baree! Baree! Baree!—”
Haar hoofd en schouders en beide armen waren nu onder de rots. De schittering van haar oogen was dicht bij Baree. Hij jankte. Een groot, naderend gevaar maakte hem onrustig. En toen—
Op dit oogenblik voelde Nepeese de drukking van de rots op haar schouders en een blik van ontzetting kwam in haar oogen. En toen stiet zij een kreet uit, die niet geleek op eenig geluid, dat Baree ooit in de wildernis gehoord had—een woesten kreet, doordringend, van vrees bezeten. Pierrot hoorde dien eersten kreet niet. Maar hij hoorde den tweeden en derden en daarna het aanhoudende geschreeuw, toen het teere lichaam van de Wilg langzaam verpletterd werd onder de verschuivende massa. Hij vloog er naar toe, snel als de wind.
De kreten werden zwakker, begonnen weg te sterven. Hij zag Baree van onder de rotsen uit komen worstelen en de kloof in rennen en op hetzelfde oogenblik zag hij een stukje van de japon van de Wilg en haar in mocassins gestoken voeten. De rest van haar lichaam was gevangen in deze doodsval. Als een krankzinnige begon Pierrot te graven. Toen hij Nepeese eenige oogenblikken later van onder de rotsblokken te voorschijn haalde, was zij wit en doodelijk stil. Haar oogen waren gesloten. Zijn hand kon niet ontdekken of zij nog leefde en een gekerm van angst steeg op uit zijn ziel. Maar hij wist hoe men vechten moest om iemands leven. Hij rukte haar japon open en bemerkte dat zij niet gekneusd was, zooals hij gevreesd had. Toen snelde hij weg om water te halen. Toen hij terugkwam, had de Wilg haar oogen geopend en snakte zij naar adem.
„Allen Heiligen zij dank!” snikte Pierrot, op zijn knieën naast haar vallend. „Nepeese, mijn Nepeese—”
Zij glimlachte tegen hem met haar beide handen op haar bloote borst en Pierrot drukte haar tegen zich aan, heelemaal het water vergetend, waarom hij zoo hard geloopen had.
Nog later, toen hij op zijn knieën ging liggen en onder de rots tuurde, werd hij doodsbleek en zeide:
„_Mon Dieu_, als die kleine holte in de aarde er niet geweest was, Nepeese—”
Hij huiverde en ging niet verder. Maar Nepeese, gelukkig over haar redding, maakte een beweging met haar hand en zeide glimlachend:
„Dan zou ik—_zóó_—geweest zijn. Ah, _mon père_, ik hoop, dat ik nooit een minnaar zal hebben, zooals die rots!”
Pierrot's gelaat werd somber, terwijl hij zich over haar heenboog.
„Neen!” zeide hij ontstuimig. „Neen! Nooit!”
Hij dacht weer aan Mc Taggart, den agent van Lac Bain, en hij balde zijn vuisten, terwijl zijn lippen het haar van zijn dochter aanraakten.
VIII.
Eindelijk vrienden.
Voortgedreven door het vreeselijke gillen van de Wilg en het gezicht van Pierrot, als een dolle op hem afstormend, terwijl hij het lijk van Wakayoo in den steek liet, bleef Baree doorrennen, tot hij volkomen ademloos was. Toen hij stilstond, was hij veilig de kloof uit en in de buurt van den bevervijver. Bijna een week lang was Baree niet bij den vijver geweest. Hij had Gebroken Tand en Umisk en de andere jonge bevertjes niet vergeten, maar Wakayoo en zijn dagelijksche vangst van versche visch was een te groote verleiding voor hem geweest. En nu was Wakayoo weg. Hij wist, dat de groote zwarte beer nooit meer zou visschen in de rustige poelen en schemerige draaikolken en dat er, waar vele dagen lang vrede en overvloed geheerscht hadden, nu groot gevaar dreigde en, zooals hij tevoren naar zijn oude hol zou gevlucht zijn om zich in veiligheid te brengen, zoo vluchtte hij nu in zijn wanhoop naar den bevervijver. Waarvoor hij zoo bang was, is moeilijk te zeggen, maar Nepeese was er zeker niet de oorzaak van. De Wilg had hem nagejaagd. Zij had zich op hem geworpen. Hij had den greep van haar handen gevoeld en het verstikkende gevoel van heur haren _en toch was hij van haar niet bang_! Als hij zoo nu en dan stil stond en omkeek, was het om te zien of Nepeese hem soms volgde. Hij zou niet hard weggeloopen zijn voor haar—_alleen_. Haar oogen, stem en handen hadden een ontroering in hem gewekt; hij was nu vervuld met een nog grooter verlangen en nog grooter eenzaamheid en dien nacht droomde hij benauwde droomen. Hij maakte zich een leger onder een sparrewortel dicht bij den bevervijver en dien heelen nacht lang was zijn slaap vervuld met onrustige droomen—droomen van zijn moeder, van Kazan, het oude hol onder de omgewaaide boomen, van Umisk—en Nepeese. Eens, toen hij wakker werd, dacht hij dat de sparrewortel Wolvin was en toen hij ontdekte, dat zij er niet was, zouden Pierrot en de Wilg hebben kunnen zeggen waarom hij begon te jammeren. Telkens en telkens had hij visioenen van de opwindende gebeurtenissen van dien dag. Hij zag de vlucht van Wakayoo over het weitje, hij zag hem weer sterven. Hij zag den glans van de oogen van de Wilg vlak bij de zijne, hoorde haar stem—zoo liefelijk en zacht, dat zij als vreemde muziek voor hem was—en hoorde opnieuw haar vreeselijk gegil.
Hij was blij toen de dag aanbrak. Hij ging niet op zoek naar voedsel, maar daalde af naar den vijver. Zijn houding duidde op weinig hoop of verwachting. Hij herinnerde zich, dat Umisk en zijn speelmakkertjes, zoo duidelijk als dit in de dierentaal maar mogelijk was, hem aan zijn verstand hadden gebracht, dat zij niets met hem te maken wilden hebben. En toch nam het feit, dat zij daar waren, al iets van zijn eenzaamheid weg. Niets was erger dan eenzaamheid. De wolvenaard in hem was overheerscht door de hondennatuur. En in dergelijke oogenblikken, wanneer zijn instinkten van wild dier sluimerden, werd hij gedrukt door het groeiende, schoon nog niet geheel geopenbaarde bewustzijn, dat hij niet zuiver van dat wilde bloed was, maar een vluchteling temidden der roofdieren en aan alle kanten door onbekende gevaren bedreigd.
Diep in de bosschen van het Noorden werkt en speelt de bever niet alleen in de duisternis, maar gebruikt den dag zelfs nog meer dan den nacht en verscheidene leden van Gebroken Tand's familie waren wakker, toen Baree lusteloos langs de oevers van den vijver begon te zoeken. De jonge bevertjes waren nog met hun moeders in de groote woningen, die er uitzagen als koepels van modder en stokken in het midden van het meer. Er waren drie van deze woningen en een er van was zeker wel twintig voet in doorsnee. Baree had eenige moeite, de zijde van den vijver te blijven volgen. Toen hij terugkeerde te midden van de wilgen, elzen en berken, kruisten dozijnen van kanalen zijn pad. Sommige van die kanalen waren een voet breed en andere drie of vier voet en alle waren vol water. Geen land ter wereld had ooit een beter verkeerssysteem dan dit bever-domein, waarlangs zij hun werkmaterialen en voedsel naar de hoofdbewaarplaats, den vijver, brachten. In een van de grootste kanalen verraste Baree een bever, die een stuk berkebast meesleepte, wel vier voet lang en in die eene lading een dozijn maaltijden met zich meevoerde. De schors van den berkeboom zou men het brood en de aardappelen van het bevermenu kunnen noemen, terwijl de hooger aangeschreven basten van den wilg en den jongen els de plaats innemen van vleesch en pastei. Baree rook nieuwsgierig aan den berkebast, nadat de oude bever dien bij een haastigen aftocht in den steek gelaten had en ging toen verder. Hij deed een poging, zich te verbergen, ditmaal, en ten minste een half dozijn bevers konden hem op hun gemak bekijken, voor hij de plaats bereikte waar de vijver zich vernauwde, bijna een halve mijl van den dam af. Toen liep hij weer terug. Dien heelen morgen dwaalde hij rond den vijver, zich openlijk vertoonend.
In hun groote vesting van modder en rijshout hielden de bevers krijgsraad. Zij wisten niet wat zij er van denken moesten. Er waren vier vijanden, die zij vreesden boven alle andere—de otter, die in den winter hun dammen vernielen kwam en hun den dood bezorgde door de koude en door hun waterstand zoo laag te maken, dat zij hun voedsel niet meer konden bereiken; de lynx, die loerde op allen, hetzij jong of oud, en de vos en de wolf, die uren lang in een hinderlaag konden liggen, om dan op de heel jonge bevers af te schieten, zooals Umisk en zijn speelmakkers. Wanneer Baree een van deze vier geweest was, zouden de slimme oude Gebroken Tand en zijn lotgenooten wel geweten hebben, wat hun te doen stond. Maar Baree was zeker geen otter en als hij een vos was, of een wolf, of een lynx, waren zijn handelingen tenminste zonderling te noemen. Een half dozijn malen had hij zijn prooi kunnen bespringen, als hij dat van plan was. Maar hij had in 't geheel geen voornemen getoond, hen kwaad te doen.
Het kan zijn, dat de bevers den toestand lang en breed met elkander bespraken. Het is mogelijk, dat Umisk en zijn speelmakkertjes hun ouders vertelden van hun avontuur en dat Baree geen beweging gemaakt had om hen kwaad te doen, terwijl hij hen toch gemakkelijk had kunnen vangen. Het is ook meer dan waarschijnlijk, dat de oudere bevers, die voor Baree op de vlucht gegaan waren, dien morgen een verslag uitbrachten van hun ondervindingen en den nadruk legden op het feit, dat de vreemdeling, hoewel hij hun grooten schrik aangejaagd had, geen neiging had vertoond, hen aan te vallen. Dit alles is zeer wel mogelijk, want als bevers een groot deel van de geschiedenis van het vasteland kunnen maken en ingenieurswerken aanleggen, alleen door dynamiet te verwoesten, is het redelijk, te veronderstellen, dat zij op de een of andere manier met elkaar praten.
Hoe het ook zij, de dappere oude Gebroken Tand nam het op zich, de onzekerheid op te heffen.