Part 4
Hij was nog steeds een zwerver—Pupamoo-tao noemen de Indianen dit. Deze zwerfgeest neemt een tijdlang bezit van elk schepsel, dat in de wildernis leeft, zoodra het oud genoeg is om voor zichzelf te zorgen—waarschijnlijk geeft zijn instinkt hem dat in om, wellicht gevaarlijke, al te nauwe familiebetrekkingen te voorkomen. Baree, die als een echte jonge wolf een nieuw jachtgebied zocht, zooals de jonge vos een nieuwe wereld zoekt te ontdekken, redeneerde niet bij deze zwerftochten. Hij was eenvoudig „aan het reizen”—steeds doortrekkend. Hij verlangde iets wat hij niet vinden kon. Het wolvengeluid bracht het hem aan. De sterren en de maan vervulden hem met verlangen ernaar. De verwijderde geluiden deden hem zijn eenzaamheid beseffen. En zijn instinkt deed hem begrijpen, dat hij alleen door zoeken vinden kon. Het was niet zoozeer Kazan en Wolvin die hij miste—niet zoozeer moederliefde en tehuis, als wel gezelschap. Nu hij de wolfswoede uitgevochten had in dezen strijd met Oohoomisew, kwam zijn hondennatuur weer boven. En dit waren zijn liefste eigenschappen. Hij verlangde zich te nestelen dicht tegen iets levends en bevriends, een klein dier, of het nu veeren of bont droeg, klauwen of hoeven had.
Hij was pijnlijk na de gevolgen van den kogel van de Wilg, ook was hij nog pijnlijk van zijn gevecht en tegen den ochtend ging hij liggen onder de beschutting van eenige elzen aan den rand van een tweede meertje en rustte daar tot aan den middag. Toen begon hij het riet te onderzoeken en liep dicht langs de waterlelies aan den kant, om voedsel te vinden. Hij vond een dooden snoek, gedeeltelijk opgegeten door een wezel, en verorberde de rest.
Zijn wond deed veel minder pijn in den middag en toen de avond weer inviel lette hij er nauwelijks meer op. Sedert hij bijna zoo tragisch aan zijn eind gekomen was door Nepeese's hand, had hij gereisd in een noordoostelijke richting, instinktmatig den loop van het water volgend, maar hij had geen groote vorderingen gemaakt en toen de duisternis neerdaalde was hij niet meer dan acht of tien mijlen verwijderd van het gat, waarin hij gevallen was, nadat de Wilg op hem geschoten had. Hij ging dezen nacht ook niet ver. Het feit, dat zijn wond gekomen was tegen de schemering en zijn gevecht met Oohoomisew nog later, vervulde hem met voorzorg. De ondervinding had hem geleerd, dat de donkere schaduwen en zwarte plekken in het bosch hinderlagen konden zijn, waar het gevaar huisde. Hij was niet bang meer, zooals vroeger, maar hij had voorloopig genoeg van het vechten en daarom vond hij het wijzer zich van de gevaren der duisternis te onthouden. Het was een vreemd instinkt, dat hem dreef, voor dezen nacht zijn leger te zoeken op den top van een groote rots, die hij met eenige moeite beklom.
Baree's rots was niet veel meer dan manshoogte. Zij was niet ver van den oorsprong van de kreek en het dennenbosch. De eerste uren sliep hij niet, maar lag met gespitste ooren te luisteren naar elk geluid, dat er in de duistere wereld rondom hem opsteeg. Er was vannacht in deze waakzaamheid van hem nog iets anders dan nieuwsgierigheid. Zijn opvoeding was in een bepaalde richting zeer veel uitgebreid—hij had geleerd, dat hij maar een heel klein deeltje was van de wonderbaarlijke wereld, die onder de sterren en de maan lag en de wensch was levendig in hem, haar beter te leeren kennen zonder verdere gevechten of wonden. Vannacht begreep hij wat het beteekende, wanneer hij nu en dan grijze schaduwen geruchtloos vanuit het bosch het maanlicht in zag drijven. Het waren uilen—monsters van hetzelfde ras als waarmee hij gevochten had. Hij hoorde het kletteren van hoeven en het vallen van zware lijven in de struiken. Hij hoorde opnieuw het loeien van elanden. Stemmen drongen tot hem door, die hij totnogtoe niet gekend had—het scherpe yap, yap, yap van een vos, de bovenaardsche, lachende kreet van een grooten fuut op een meer, een halve mijl verder weg het gekrijsch van een lynx, dat uit de verte kwam aangolven; het zachte gekras van de nachtvalken, tusschen hemzelf en de sterren. Hij hoorde zonderling gefluister in de toppen der boomen—het gefluister van den wind en eens temidden van een doodelijke stilte begon er, vlak achter zijn rots, een bok schel te fluiten, maar eindigde zoodra hij den wolvenreuk in den neus kreeg in een verschrikten uithaal en ging er als de wind vandoor.
Al deze geluiden hadden nu hun beteekenis voor Baree. Snel kwam hij thuis in de wetenschap der wildernis. Zijn oogen glinsterden. Zijn bloed klopte onstuimig. Soms bewoog hij zich bijna niet, minutenlang. Maar van al deze geluiden, die tot hem kwamen, ontroerde hem het meest het wolvengehuil. Steeds opnieuw luisterde hij er aandachtig naar. Soms was het ver weg, zoo ver, dat het wel een gefluister leek en bijna weggestorven voor het zijn ooren bereikte en dan weer kwam het tot hem uit volle borst, heet van jachtadem, hem oproepend tot de roode koorts van de jacht, tot het woeste festijn van uit elkaar gescheurd vleesch en stroomend bloed—roepend, roepend, roepend. Dàt was het, het riep hem tot zijn eigen ras, het was de roepstem van bloed tot bloed—van de woeste, verscheurende troepen van zijn moeder's stam. Het was de stem van Wolvin, naar hem zoekend in den nacht—Wolvin's bloed, dat hem uitnoodigde deel uit te maken van de Broederschap van den Troep. En hij sidderde terwijl hij er naar luisterde. Hij smoorde een beginnend gejank. Hij schoof tot aan den steilen rand van de rots. Hij verlangde erheen te gaan. De natuur spoorde hem aan te gaan. Maar zij stuitte bij hem op moeielijkheden, want er school veel van den hond in hem, met zijn geslachten van onderdrukte en sluimerende instinkten—en dien heelen nacht hield Baree's hondenaard hem gekluisterd aan de rots.
Den volgenden morgen vond Baree veel rivierkreeftjes langs den oever der rivier en hij smulde van hun sappig vleesch, tot hij het gevoel kreeg alsof hij nooit van zijn leven meer honger zou kunnen krijgen. Niets had hem meer zoo lekker gesmaakt, sedert hij dien patrijs opgegeten had, ontnomen aan Sekoosew den hermelijn.
Later in den middag kwam Baree in een gedeelte van het bosch waar het heel stil en vredig was. De kreek was dieper geworden. Op sommige plaatsen was zij buiten haar oevers getreden en had kleine vijvers gevormd. Twee keer had Baree een vrij grooten omweg moeten maken door die vijvers. Hij trok nu heel langzaam voort, luisterend en rondkijkend. Hij had zich, sedert dien noodlottigen dag waarop hij zijn oude hol verlaten had, nog nergens zoo op zijn gemak gevoeld. Hij verbeeldde zich, dat hij nu een land betrad dat hij kende en waar hij vrienden zou aantreffen. Hij had een wonderlijk gevoel. Hij snoof de lucht in, alsof hij daar bekende geuren rook. Het was maar een zuchtje, een niet te verklaren belofte, dat hem iets deed verwachten, iets geheimzinnigs.
Het bosch werd dichter. Het werd wonderlijk mooi. Er groeiden hier geen lage struiken en op deze wijze onder de boomen te loopen was alsof hij in een uitgestrekt hol liep, vol geheimenissen, terwijl van boven hier en daar zacht het daglicht doorsijpelde, nu en dan schitterend door een gouden straal van de zon. Een mijl lang trok Baree zoo stilletjes door het bosch. Hij zag niets dan een paar gevleugelde insekten of vogels; bijna geen geluid was hoorbaar. Toen kwam hij aan een nieuwen vijver, die tamelijk groot was. Rondom dezen vijver was een dicht gewas van elzen en wilgen. De groote boomen waren schaarscher geworden. Hij zag de namiddagzon in het water weerspiegeld—en toen hoorde hij plotseling leven.
De oude Gebroken Tand lag te dommelen op den grooten dam van modder en rijshout, waarvan hij de voornaamste aanlegger geweest was, toen Baree zachtjes een hooge zandbank beklom, dertig of veertig voet van hem af. Zoo geruchtloos had hij dit gedaan, dat geen van de bevers hem gehoord of gezien had. Hij ging plat op zijn buik liggen, verborgen achter een bos gras, en keek met gretige belangstelling toe. Gebroken Tand was wakker geworden. Hij bleef een oogenblik staan op zijn korte pootjes, daarna zette hij zich, stram en schrap als een soldaat in positie, op zijn breeden, platten staart rechtop en dook met een plotseling gefluit en met veel geplas in den vijver.
In een oogwenk scheen het Baree toe, dat de vijver wemelde van bevers. Koppen en lijven verschenen en verdwenen en schoten door het water op een manier, die Baree verbaasde en nieuwsgierig maakte. Dit was het avondpretje van de kolonie. Staarten sloegen op het water of het planken waren. Vreemd gefluit steeg op temidden van al het geplas—en toen, even plotseling als het begonnen was, eindigde het spelletje. Er waren misschien twintig bevers bijeen, de jongen niet meegerekend, en, alsof zij een gemeenschappelijk signaal gekregen hadden—Baree had niets gehoord—werden zij plotseling zoo stil, dat er bijna geen geluid meer uit den vijver opsteeg. Een paar van hen zonken onder water en verdwenen totaal, maar de meesten kon Baree zien, toen zij aan land klommen. Zonder tijd verloren te laten gaan trokken zij aan het werk en Baree sloeg hen gade, zonder zelfs maar een sprietje te bewegen van het gras, dat hem verborg.
Hij probeerde te begrijpen. Hij trachtte deze vreemde en gemoedelijk-uitziende dieren te rangschikken onder een categorie die hij kende. Zij hadden hem geen vrees aangejaagd. Hij was niet verontrust door hun aantal of grootte. Dat hij zich zoo stilhield was geen uiting van takt, maar een verlangen beter bekend te raken met deze vreemde, vierpootige broeders van hem, in den vijver. Zij hadden het groote bosch al minder eenzaam voor hem gemaakt. En toen, vlak onder hem—niet verder dan tien voet waar hij lag—zag hij iets, wat bijna zijn smachtend verlangen naar gezelschap vervulde.
Daar, onder hem, op een effen gedeelte van den oever, waggelde de dikke kleine Umisk en drie van zijn speelmakkers. Umisk was ongeveer van Baree's leeftijd, misschien een paar weken jonger. Maar hij was zeker even zwaar en bijna zoo breed als hij lang was. Er bestaat geen aardiger viervoetig diertje dan een jong bevertje—of het zou een jonge beer moeten zijn—en Umisk zou zeker den eersten prijs behaald hebben op elke jonge bevertentoonstelling ter wereld. Zijn drie makkertjes waren wat kleiner. Zij kwamen aanwaggelen achter een lagen wilg uit, zonderling klokkende geluidjes makend en hun kleine platte staartjes als sleetjes achter zich aan sleepend. Zij waren dik en goed in hun bont en zagen er voor Baree's oogen heel goedaardig uit en zijn hartje begon sneller te hameren van blijdschap. Maar hij bewoog zich niet. Hij ademde ternauwernood. En toen wierp Umisk zich onverwachts op een van zijn vriendjes en deed hem omver rollen. Oogenblikkelijk lagen de twee anderen boven op Umisk en de vier kleine bevers tuimelden om en om, schoppend met hun korte pootjes en slaande met hun staartjes, terwijl zij voortdurend kleine, piepende geluiden uitstieten. Baree voelde, dat dit geen vechten was, maar spelen. Hij ging overeind staan. Hij vergat waar hij was—vergat alles in de wereld behalve, die donzige, stoeiende ballen. Al de lessen die hij van de natuur ontvangen had, was hij plotseling kwijt. Hij was geen vechtersbaas meer. Ook geen jager. Hij was een jong hondje en er groeide een verlangen in hem, sterker dan honger. Hij verlangde af te dalen naar de plek waar Umisk en zijn vriendjes waren en mee te ravotten. Hij verlangde hun te vertellen—als dit mogelijk ware—dat hij zijn moeder kwijt geraakt was en zijn tehuis en dat hij daarna een heeleboel narigheid gehad had en dat hij nu zoo erg graag bij hen zou willen blijven en bij hun vaders en moeders als dat mocht.
Hij jankte héél even, maar zoo zacht, dat Umisk en zijn speelmakkers het niet hoorden. Zij hadden het veel te druk met elkaar.
Voorzichtig deed Baree een stap in hun richting. En toen nog een—en eindelijk stond hij niet meer dan zes voet van hen af. Zijn puntige oortjes stonden naar voren en hij kwispelstaartte zoo hard hij maar kon en elke spier in zijn lijfje trilde van spanning.
Toen pas zag Umisk hem en hij werd plotseling zoo onbeweeglijk als een steen.
„Hallo!” zeide Baree, zijn heele lijfje heen en weer wiegelend en zoo duidelijk sprekend als een menschentong maar zou kunnen doen. „Vinden jullie het goed, dat ik meedoe?”
Umisk gaf geen antwoord. Zijn drie kameraadjes hadden nu ook Baree in het oog gekregen. Zij maakten geen enkele beweging. Zij waren verstijfd van verbazing. Vier paar stralende, verbaasde oogen waren op den vreemdeling gevestigd.
Baree wendde een nieuwe poging aan. Hij strekte zijn voorpooten uit, steeds met staart en achterlijf wiegelend en, in de lucht snuivend, greep hij een stokje met zijn tanden vast.
„Kom—laat me meedoen,” drong hij aan. „Ik kan goed spelen!”
Hij wierp den stok in de lucht als om te bewijzen wat hij gezegd had en gaf een kort blafje.
De vier bevertjes leken wel opgezet.
En toen kreeg plotseling nog een ander Baree in 't oog. Het was een groote bever, die den vijver doorzwom met een stuk berkestam, dat voor den aanleg van een nieuwen dam moest dienst doen. Oogenblikkelijk liet hij zijn last vallen en toen, alsof er een geweer afging, volgde de knal van zijn grooten, platten staart, op het water slaande—het waarschuwingssignaal van den bever, dat bij stillen nacht wel een halve mijl in het rond gehoord kan worden.
„Gevaar!” waarschuwde het. „Gevaar—gevaar—gevaar!”
Nauwelijks was dit signaal weggestorven, toen er aan alle kanten staarten begonnen te knallen, in den vijver, in hun verborgen kanalen en tusschen de wilgen en elzen. Voor Umisk en zijn makkertjes beteekende dit:
„Loop wat je loopen kunt!”
Baree stond nu op zijn beurt verstijfd en bewegingloos. In verbazing zag hij de vier bevertjes in den vijver plonsen en verdwijnen. Hij hoorde het geluid van nog zwaardere bevers, die in het water doken. En daarop volgde een vreemde en verontrustende stilte. Zachtjes begon Baree te janken en het was bijna een gesnik. Waarom waren Umisk en zijn vriendjes van hem weggeloopen? Wat had hij toch misdaan, dat zij geen vriendschap met hem wilden sluiten? Een groote eenzaamheid wierp zich op hem—nog grooter eenzaamheid dan hij gevoeld had dien eersten nacht dat hij van zijn moeder was weggeloopen. De laatste stralen, van de zon vervaagden terwijl hij daar zoo stond. Donkerder schaduwen gleden over den vijver. Hij keek naar het bosch, waar de nacht aansloop—en met een laatsten smartelijken kreet ging hij er binnen. Hij had de vriendschap niet gevonden. Hij had geen speelmakkers kunnen krijgen. En zijn hartje was gebroken.
VII.
Wakayoo's einde.
Gedurende twee of drie dagen brachten Baree's onderzoekingstochten naar voedsel hem hoe langer hoe verder van den vijver af, waar hij Gebroken Tand had gezien en kleinen Umisk en al die andere bevers, die aan het spelen waren. Maar tegen den middag keerde hij er altijd weer terug—tot op den derden dag, toen hij een nieuwe kreek ontdekte, en Wakayoo. Deze kreek was volle twee mijlen dieper het bosch in. Het was een heel andere stroom dan de eerste. Zij zong vroolijk, al glijdend over een bedding van kiezelsteenen en tusschen rotskloven. Zij vormde diepe poelen en schuimende draaikolken en op de plek waar Baree haar het eerst naderde klonk het verwijderde gedonder van een waterval. Zij was veel aardiger dan die donkere, stille Bever-vijver. Er scheen leven in te huizen en het gedruisch en de beweging hiervan—het zingen en klotsen van het water—gaf Baree geheel nieuwe gewaarwordingen. Hij liep er langzaam en behoedzaam langs en omdat hij zich zoo langzaam en voorzichtig voortbewoog kwam hij plotseling en onopgemerkt Wakayoo, den grooten zwarten beer, overvallen, die druk aan het visschen was.
Wakayoo stond tot aan zijn knieën in een poel en had een buitengewoon goede vangst. Juist op het oogenblik dat Baree zich wilde terugtrekken, terwijl hem de oogen uit den kop puilden bij den aanblik van dit monster, dat hij nog maar eens in zijn leven gezien had, in den nacht, wierp Wakayoo's groote klauw een straal water hoog de lucht in en een visch kwam terecht op den steenachtigen oever. Eenigen tijd tevoren waren de karpers bij aantallen de rivier opgezwommen om kuit te schieten en door het snelle vallen van het water waren zij in die kleine poelen gevangen geraakt. Wakayoo's vet, glanzend lijf gaf getuigenis van het voordeel dat hij van deze omstandigheid getrokken had. Ofschoon het al over het „eerste” seizoen was voor berenhuiden was Wakayoo's vacht nog prachtig dicht en zwart. Een kwartier lang bleef Baree toekijken hoe hij de visschen uit den vijver sloeg. Toen hij eindelijk ophield lagen er twintig of dertig visschen op de steenen, sommige waren dood, andere spartelden nog. Van de plek waar hij lag, plat tusschen twee rotsen, kon Baree het kraken van de graten hooren, terwijl de beer zijn maal verslond. Het klonk _prettig_ en de doordringende lucht van versche visch vervulde hem met een begeerte, die nooit in hem opgewekt was door eenige rivierkreeft of zelfs patrijs.
In weerwil van zijn dikte en zijn omvang was Wakayoo geen gulzigaard en nadat hij zijn vierden visch verorberd had klauwde hij al de overige op een hoop, bedekte ze gedeeltelijk met zand en steenen en voleindigde zijn verbergingswerk door een jongen balsemstruik af te knakken en er overheen te leggen, zoodat de visschen geheel onzichtbaar waren. Toen waggelde hij langzaam weg, in de richting van den gonzenden waterval.
Twintig sekonden nadat Wakayoo's achterlijf om een bocht van de kreek verdwenen was zat Baree onder den balsemstruik. Hij sleepte een visch voor den dag, waar nog wat leven inzat. Dien at hij op tot de laatste graat en het smaakte hem verrukkelijk.
Baree was van oordeel, dat Wakayoo nu het voedselvraagstuk voor hem had opgelost en hij keerde dien dag niet terug naar den bevervijver; den volgenden evenmin.
De groote beer was zonder ophouden aan het visschen en dag na dag hernam Baree zijn feestmaal. Het viel hem niet moeilijk Wakayoo's opslagplaatsen te vinden. Al wat hij te doen had was langs den stroom te loopen en goed te snuffelen. Sommige van die opslagplaatsen waren van ouden datum en haar geur allesbehalve aangenaam voor Baree's neusgaten. Deze ontweek hij dan ook. Maar hij wist zich vrij regelmatig tweemaal daags op deze manier aan eten te helpen. Een week lang duurde dit gemakkelijke leventje. Toen kwam het einde.
Dit einde kwam toen Baree, op zekeren dag om een rots heen loopend, dicht bij den waterval, tegenover Pierrot, den jager kwam te staan—en Nepeese, zijn dochter, het ster-oogige meisje, dat, vele dagen geleden, in die vlakte op hem geschoten had. Haar zag hij het eerst. Als hij Pierrot het eerst gezien had zou hij snel omgekeerd zijn. Maar het hondenbloed van zijn vader klopte heftig in hem. Hij bleef stilstaan. Nepeese was niet meer dan twintig voet van hem af. Zij zat op een rots, in het volle licht van de vroege morgenzon en was bezig haar prachtig haar uit te borstelen. Zooals zij daar zat bedekte het haar bijna tot aan den grond, het glansde nog meer dan Wakayoo's fluweel-zwarte vacht en temidden van deze donkere omlijsting keek zij strak naar Baree. Haar lippen gingen vaneen. Haar oogen begonnen te schitteren als sterren. In haar eene hand hield zij gitzwarte lokken. Zij herkende hem. Zij zag de witte ster op zijn borst en het witte tipje aan zijn oor en zij fluisterde:
„Uchi Moosis”—het jonge hondje! Het was de wilde hond, waarop zij geschoten had en die, naar zij gemeend had, gestorven was! Er was geen vergissing mogelijk. Hij was geheel en al hond, zooals hij daar naar haar stond te kijken.
Den avond tevoren hadden zij zich een schuilplaats gebouwd van balsemstruiken achter de groote rots en op een plek wit zand lag Pierrot geknield over een vuur en maakte het ontbijt gereed, terwijl de Wilg heur haar in orde bracht. Hij lichtte het hoofd op om tot haar te spreken en zag Baree. Op dit oogenblik werd de betoovering verbroken. Baree zag het manbeest en hij maakte beenen. Als een pijl uit den boog ging hij er vandoor.
Maar hij kreeg ternauwernood eenigen voorsprong op Nepeese.
„Pache, _mon père_!” riep zij. „Het jonge hondje! Gauw!—”
In de golvende wolk van heur haar snelde zij Baree achterna. Pierrot volgde haar en greep onder het loopen zijn geweer op. Het kostte hem moeite de Wilg bij te houden. Zij leek wel een geest, haar kleine met moccasins geschoeide voeten raakten nauwelijks het zand, terwijl zij langs den oever liep. Het was verrukkelijk haar soepele, lichte bewegingen te zien en dat prachtige haar glanzend in de zon.
Zelfs nu, in dit oogenblik vol opwinding, deed het Pierrot denken aan Mc Taggart, den agent van de Hudson Baai Compagnie, te Lac Bain en aan wat deze gisteren gezegd had. Den halven nacht had Pierrot wakker gelegen, tandeknarsend terwijl hij er aan dacht, en dezen morgen, vóór Baree was gekomen, had hij Nepeese nauwkeuriger bekeken dan ooit te voren in zijn leven. Zij _was_ mooi. Zij was zelfs nog bekoorlijker dan Wyola, haar moeder van vorstelijken bloede, die gestorven was. Dat haar—de mannen staarden ernaar alsof zij hun oogen niet vertrouwen konden! Die oogen—gelijk vijvers met schitterend sterrenlicht gevuld! Haar slank, buigzaam lichaam als van een bloem! En Mc Taggart had gezegd—
Er golfde een opgewonden kreet naar hem terug.
„Gauw Nootawe! Hij is de doodloopende kloof ingegaan. Nu kan hij ons niet meer ontsnappen!—”
Zij hijgde toen hij haar ingehaald had. Het Fransche bloed in haar dreef een levendig rood naar haar wangen en lippen. Haar witte tanden glinsterden.
„Daarin—” en zij wees ernaar.
Zij gingen erin.
Voor hen uit rende Baree om zijn leven te redden. Hij werd bezeten door angst voor het man-beest. Dit was een vrees, die hem alle oordeel des onderscheids ontnam. Een vrees, afwijkend van alle andere gevoelens, die de natuur in hem vermocht op te wekken.
Zooals de beer, de wolf, de lynx—zooals alle dieren van het woud, gehoefd en geklauwd—begreep hij instinktmatig, dat deze wonderbaarlijke, tweebeenige schepsels, die hij daareven gezien had, oppermachtig waren. En zij zetten hem achterna! Hij kon hen hooren. Nepeese liep bijna even hard als hij. Plotseling kwam hij terecht in een gleuf tusschen twee rotsen en zijn weg werd twintig voet versperd en hij rende weer terug. Toen hij weer de kloof insprong, was Nepeese geen twaalf meter achter hem en hij zag Pierrot bijna aan haar zijde. De Wilg uitte een kreet.
„Mana—Mana—daar is hij!”
Zij hield haar adem in en sprong in een boschje jonge balsemstruiken, waarin zij Baree had zien verdwijnen. Als een breed web bleven haar losse haren tusschen de takken gespannen en met een aanvurenden kreet naar Pierrot bleef zij stilstaan om het over haar schouder te schudden en hij snelde langs haar heen. Zij liet niet meer dan een paar oogenblikken verloren gaan en zette hem achterna. Plotseling schreeuwde Pierrot een waarschuwing. Baree was teruggekeerd. Hij kwam langs hetzelfde paadje terug en regelrecht op de Wilg af. Hij zag haar niet intijds om zijn vaart in te houden of opzij uit te schieten en Nepeese wierp zich op den grond. Hij voelde de massa van heur haar en den greep van haar handen. Die lange haren, aan alle kanten om haar heen hangende, speelden Nepeese parten, zij greep mis en Baree ging er met een ruk vandoor en verdween opnieuw in de doodloopende kloof.
Nepeese sprong overeind. Zij hijgde—en lachte. Pierrot kwam terughollen en de Wilg weer achter hem.
„Ik had hem—_en hij heeft me niet gebeten_!” zeide zij, snel ademend. Zij wees nog steeds naar de kloof en herhaalde: „Ik had hem en hij heeft me niet gebeten, Nootawe!”
Dat was merkwaardig. Zij had iets roekeloos' begaan en Baree had haar niet gebeten! En toen, terwijl haar groote oogen schitterden en de glimlach langzaam van haar lippen verdween, sprak zij zacht en bijna eerbiedig het woord „Baree” uit.
Dit woord had de uitwerking van een schot op Pierrot. Hij klemde zijn lenige handen ineen. Hij bleef Nepeese een oogenblik met groote oogen aanstaren. Toen riep hij: