De zoon van Kazan

Part 3

Chapter 33,950 wordsPublic domain

De plek waar hij viel was geen tien voet van Baree af. Een paar oogenblikken lang bleef hij kijken naar die worstelende veerenmassa, nog niet volkomen begrijpend, dat er eindelijk en ten laatste voedsel binnen zijn bereik kwam. Napanao lag te sterven, maar hij worstelde nog steeds krampachtig met de vleugels. Baree stond omzichtig op en, na een oogenblik, waarin hij al zijn nog overgebleven krachten verzamelde, rende hij op hem toe. Hij begroef zijn tanden in zijn borst—en toen ontdekte hij Sekoosew pas. De hermelijn had zijn kopje opgeheven, na den doodelijken greep in Napanao's keel te hebben losgelaten en zijn woeste roode oogjes staarden één oogenblik lang in die van Baree. Hier zag hij iets, te groot voor hem om te dooden en met een woedenden schreeuw ging hij er van door. Napanao's vleugels vielen neer en hij gaf een laatsten snik. Hij was dood. Baree hield hem stijf vast, totdat hij daar volkomen zeker van was. Toen begon hij zijn festijn.

Met moordlust in zijn hartje bleef Sekoosew in de buurt, overal rondsnorrend, maar nooit naderbij komend dan een half dozijn voet tot de plaats, waar Baree lag. Zijn oogjes waren rooder dan ooit.

Baree at een derde deel van den patrijs op en de overblijvende twee derden verborg hij heel zorgvuldig aan den voet van een grooten spar. Toen haastte hij zich naar de kreek om te drinken. De wereld had nu een heel ander aanzien voor hem gekregen. Alles bijeengenomen hangt iemand's geschiktheid om geluk te voelen veel af van de diepte van het ongeluk, dat hij tevoren gehad heeft. Zoo ging het met Baree. Acht en veertig uur tevoren zou een volle maag hem geen tiende part zoo gelukkig gemaakt hebben als hij nu was. Toen was zijn grootste verlangen naar zijn moeder geweest. Sedert dien tijd had een veel grooter begeerte hem vervuld—de begeerte naar voedsel. In zeker opzicht was het gelukkig voor hem, dat hij bijna van uitputting en honger was omgekomen, want deze ondervinding had meegeholpen om een man van hem te maken—of een volwassen wolfshond—al naar men het noemen wil. Hij zou nog langen tijd zijn moeder blijven missen. Maar hij zou haar nooit meer zoo hevig missen als deze laatste twee dagen.

Dien middag deed hij een flinken dut, vlak bij zijn bewaarplaats. Daarna groef hij den patrijs weer op en deed zijn avondmaal. Toen voor de vierde maal de nacht aanbrak, verborg hij zich niet, zooals hij de drie vorige nachten gedaan had. Hij was wonderlijk goed wakker. Onder de maan en de sterren dwaalde hij rond bij den zoom van het bosch en in het sombere zwarte gedeelte er van. Hij luisterde met een nieuwe opwinding naar het wolvengehuil, dat in de verte weerklonk. Het was een troep, die op jacht was.

Nog een dag en een nacht bleef Baree in de nabijheid van zijn bewaarplaats. Toen het laatste been was af gekloven, trok hij verder. Hij betrad nu een streek, waar zijn levensonderhoud geen raadsel meer voor hem was. Hier hielden de lynxen huis en waar er lynxen rondzwerven, daar zijn ook veel konijnen. Wanneer de konijnen schaarscher worden, verhuizen de lynxen naar een beter terrein. Daar het sneeuwschoenkonijn het heele jaar door jongen werpt, bevond Baree zich in een land van belofte. Het kostte hem geen moeite, de jonge konijnen te vangen en te dooden. Een week lang deed hij zich te goed en werd met den dag dikker en sterker. Maar al dien tijd trok hij, gedreven door dien zoekenden, onrustigen geest, nog steeds hopend zijn vroeger tehuis en zijn moeder te vinden, naar het noorden en oosten.

Hij had het heimwee en voelde zich alleen en zijn hartje dorstte naar de warmte van gezelschap en den troost van moederliefde. Alleen in de wereld te zijn was allerminst een gewenschte staat van zaken. Soms beving Baree zoo'n heimwee naar het gezicht van Wolvin's grijzen snoet en Kazan's prachtig lichaam, dat het _pijn deed_.

Op dit oogenblik werd de wolf in hem overheerscht door den hond. Hij was alleen maar een bedroefd klein hondje. En zijn tehuis, met Wolvin en Kazan, leek ver, ver weg.

Wanhopig dwaalde hij verder, het Onbekende in....

V.

De wolf in hem spreekt.

Pierrot had, tot vóór twee jaren, gemeend, dat hij een van de gelukkigste menschen was in de uitgestrekte wildernis. Dat was vóór La Mort Rouge—de Roode Ziekte—uitbrak. Hij was een halve Franschman en had de dochter getrouwd van een opperhoofd der Cree's en in hun houten hut bij de Grijze Fuut hadden zij vele jaren geleefd in grooten voorspoed en geluk. Pierrot was trotsch op drie zaken in zijn onmiddellijke omgeving, hij was ontzaglijk trotsch op Wyola, zijn vrouw van koninklijken bloede; hij was trotsch op zijn dochter en hij was trotsch op zijn reputatie als jager. Totdat de Roode Ziekte kwam, was het leven volmaakt voor hem geweest. Daarna—nu twee jaren geleden—was zijn vrouw aan de pokken gestorven. Hij bleef wonen in zijn hutje bij de Grijze Fuut, maar hij was een andere Pierrot geworden. Zijn hart was zwaar in hem. Hij zou gestorven zijn, als zijn dochter er niet geweest was, Nepeese. Zijn vrouw had haar Nepeese genoemd, wat beteekent „de Wilg”. Nepeese was waarlijk opgegroeid als een wilg, slank en buigzaam als een riet en met al haar moeders wilde schoonheid had zij toch ook zichtbaar Fransch bloed in de aderen. Zij was bijna zeventien jaar, had groote, prachtige, donkere oogen en haar zoo weelderig, dat een agent van een maatschappij uit Montreal, die in hun buurt was gekomen, het eens had willen koopen. Het viel in twee glanzende vlechten, elk van de dikte van een manspols, bijna tot aan haar knieën.

„Non, M'sieu,” had Pierrot gezegd, terwijl er iets schitterde in zijn oogen, toen hij de uitdrukking op het gelaat van den agent gewaar werd. „Ze zijn niet te koop.”

Baree geraakte op zijn zwerftochten op het gebied, waar Pierrot zijn vallen uitzette, en bleef daar. Het was een ideale plek om te jagen. Twee dagen later kwam Pierrot thuis met een bekommerd gezicht.

„Er is een beest in de buurt, dat de jonge bevers doodt.” vertelde hij in het Fransch aan Nepeese. „Een lynx of een wolf. Morgen....” Hij haalde zijn magere schouders op en glimlachte tegen haar.

„Wij gaan op de jacht,” lachte Nepeese vroolijk, in haar zacht klinkend Indiaansch.

Wanneer Pierrot op deze manier tegen haar glimlachte en begon met „morgen”, beteekende dit altijd, dat zij met hem mee mocht gaan op avontuur.

Nog een dag later, tegen het eind van den middag, stak Baree de Grijze Fuut over, over een bruggetje van drijfhout, dat zich gevormd had tusschen twee boomstammen. Dit lag in noordelijke richting. Vlak tegenover dit bruggetje was een kleine open vlakte en aan den rand hiervan bleef Baree stilstaan, om naar de laatste stralen van de ondergaande zon te kijken. Zooals hij daar bewegingloos stond en luisterde met gespitste oortjes, hangenden staart en den reuk van het onbekende gebied opsnuivend, was er geen enkele boschbewoner, die hem niet voor een wolvejong zou hebben gehouden.

Achter een boschje jonge balsemstruiken, een honderd meter verder, hadden Pierrot en Nepeese hem het bruggetje over zien gaan. Nu was het tijd en Pierrot legde zijn geweer aan. Toen pas raakte Nepeese zacht zijn arm aan. Zij haalde opgewonden adem, terwijl zij fluisterde:

„Nootawe, laat mij schieten. Ik kan hem ook wel raken!” Met een zacht gegrinnik gaf Pierrot haar zijn geweer over. Hij rekende het jong al dood. Want Nepeese kon op dezen afstand een kogel zenden in een doelpunt van een centimeter in het vierkant. En Nepeese, zorgvuldig mikkend op Baree, trok met haar bruinen wijsvinger stevig aan den trekker.

Terwijl zij dit deed, maakte Baree een luchtsprong. Hij voelde de kracht van den kogel, nog vóór hij het geweer hoorde afgaan. Hij viel ervan om en rolde door alsof hij een verschrikkelijken slag met een knuppel ontvangen had. In 't eerste oogenblik voelde hij geen pijn. Toen sneed zij door hem heen als een mes van vuur en door die pijn overheerschte zijn hondenhart al zijn overige gevoelens en hij liet een klagelijk jongehondjesgejank hooren terwijl hij om en om tuimelde.

Pierrot en Nepeese waren van achter de balsemstruiken te voorschijn gekomen. De mooie oogen van de Wilg straalden van trots over de juistheid van haar schot. Maar plotseling hield zij haar adem in. Krampachtig omklemde zij den loop van haar geweer. Het gegrinnik van voldoening bestierf Pierrot op de lippen, toen Baree's jammerkreten de lucht vervulden.

„Uchi Moosis!” hijgde Nepeese in haar eigen taal.

Pierrot nam zijn geweer terug.

„Wat! Een hond! Een jong hondje!” riep hij uit.

Hij zette Baree achterna. Maar in hun verbazing hadden zij een paar sekonden verloren laten gaan en Baree's verdoofde zintuigen hadden zich hersteld. Hij zag hen duidelijk zooals zij daar over de vlakte kwamen—een nieuw soort bosch-monsters! Met een afscheidsjank sprong hij in de schaduw van de boomen.

De zon was nu bijna onder en hij haastte zich naar het donkere bosch in de nabijheid van de kreek. Hij had gerild bij het gezicht van den beer en den eland, maar voor de eerste maal begreep hij nu de werkelijke beteekenis van het gevaar. En het was hem op de hielen. Hij hoorde het gedruisch, dat die tweepootige dieren maakten, terwijl zij hem achtervolgden; vreemde kreten klonken vlak achter hem—en toen plofte hij onverwachts in een gat. Het gaf hem een schok toen hij zoo plotseling den grond onder zich voelde wegglijden, maar hij jankte niet. Hij was nu weer geheel en al wolf. Hij kreeg de aandrift zich niet te bewegen, geen geluid te geven, ternauwernood te ademen. Hij hoorde de stemmen nu vlak boven zich, de vreemde voeten trapten bijna in het gat waar hij lag. Uitkijkend uit zijn donkeren schuilhoek kon hij een van zijn vijanden zien. Het was Nepeese, de Wilg. Zij stond zoo, dat de laatste zonnestralen op haar gelaat vielen. Baree kon zijn oogen niet van haar afhouden. Hij werd, ondanks zijn pijn, wonderlijk geboeid.

En toen bracht het meisje de beide handen aan den mond en met een stem die zacht en klagelijk en wonderlijk troostend was voor zijn verschrikt hartje riep zij:

„Uchimoo—Uchimoo—Uchimoo!”

En toen hoorde hij een andere stem en ook deze was lang zoo verschrikkelijk niet als de meeste geluiden, die hij in het bosch gehoord had.

„Wij kunnen hem niet vinden, Nepeese,” zeide hij. „Hij is weggekropen om te sterven. Hij is zwaar gewond. Kom maar mee.”

Op de plek waar zij Baree hadden zien staan hield Pierrot even stil en wees naar een berkeboompje, waarvan de stam doorboord was door het schot van de Wilg. Nepeese begreep hem. Het stammetje, niet dikker dan haar duim, had de richting van den kogel een weinig doen veranderen en daardoor Baree gered van een onmiddellijken dood.

Zij keerde zich nochmaals om en riep:

„Uchimoo—Uchimoo—Uchimoo!”

In haar oogen stond nu geen moordlust meer te lezen.

„Hij zou dat toch niet begrijpen,” zeide Pierrot, doorloopende. „Hij is verwilderd—stamt van de wolven af. Misschien is hij wel een jong van die teef van Koomo, die verleden winter weg is geloopen om met de wolven mee op jacht te gaan.”

„En nu zal hij sterven—”

„Ayetun—ja, hij zal sterven.”

Maar Baree dacht er niet over om dood te gaan. Hij was veel te taai om doodelijk gewond te worden door een kogel, die het zachte vleesch van zijn voorpoot doorboorde. Want dat was gebeurd. De kogel was tot op het been toe doorgedrongen, maar het been zelf was niet geraakt. Hij wachtte tot de maan was opgekomen voor hij het gat uitkroop.

Zijn poot was nu stijf geworden; hij bloedde niet meer, maar zijn heele lijf werd gemarteld door een vreeselijke pijn. Bij elke beweging die hij maakte, flitste die door hem heen en toch bleef hij zich bewegen. Instinktmatig begreep hij, dat hij door uit deze streek weg te gaan buiten gevaar raakte. En het was maar goed ook, dat hij dit deed, want een tijdje later kwam er een stekelvarken langs, op zijn dwaze manier tegen zichzelf babbelend en viel met een harden plof in het gat. Als Baree erin gelegen had, zou hij zóó vol stekelvarkenspennen geraakt zijn, dat hij er zeker aan gestorven was.

En in een ander opzicht was de beweging goed voor hem. Het gaf zijn wond geen gelegenheid om te „ustao”, zooals Pierrot het zou hebben uitgedrukt, want in waarheid was zij meer pijnlijk dan gevaarlijk. Gedurende de eerste honderd meter hobbelde hij op drie pooten voort en naderhand bemerkte hij, dat hij den vierden ook wel kon gebruiken als hij er wat voorzichtig mee was. Hij volgde een halve mijl lang de kreek. Wanneer er een struik of plant langs zijn wond schuurde, grauwde hij daar woedend tegen en wanneer hij weer zoo'n pijnscheut kreeg, begon hij te grommen en te tandenknarsen in plaats van te janken, zooals in het begin. Nu hij uit het gat was gekropen, had het schot van de Wilg elken droppel van zijn wolvenbloed in beroering gebracht. Er groeide iets in hem—een gevoel van woede, niet tegen een voorwerp in het bizonder, maar tegen alles. Het was niet de sensatie, waarmee hij Papayuchisew, den jongen uil, bevochten had, dien dag, dat hij er voor het eerst alleen op uit getrokken was. Dezen nacht was zijn hondennatuur geheel ingesluimerd. Een opeenstapeling van ongelukken was over hem gekomen en door deze ongelukken—waarbij de pijn, die hij nu had, kwam—was de wolf in hem opgestaan, woest en wraakzuchtig. Het was voor het eerst dat hij bij nacht reisde. Hij was, op dit oogenblik bang voor niets, wat er uit de duisternis te voorschijn zou kunnen komen. De zwartste schaduwen hadden hun griezeligheid verloren. Zijn eerste groote gevecht tusschen de twee naturen, die in hem waren, den hond en den wolf, was geleverd en de wolf had overwonnen. Nu en dan bleef hij stilstaan om zijn wond te likken en onder het likken gromde hij, alsof hij die wond een persoonlijken wrok toedroeg. Als Pierrot hem had kunnen zien zou hij spoedig begrepen hebben wat dit beteekende en hij zou gezegd hebben: „Laat hem maar doodgaan. De knuppel zal er dien duivel bij hem toch niet uitkrijgen.”

In deze stemming bereikte Baree een uur later, uit het donkere bosch bij de kreek komend, het meer open gedeelte van een kleine vlakte, die langs een heuvelrug liep. In deze vlakte jaagde Oohoomisew. Oohoomisew was een groote sneeuwuil. Hij was de patriarch van alle uilen in Pierrot's vallengebied. Hij was zoo oud, dat hij zoo goed als blind was. Daarom ging hij niet op de jacht zooals andere uilen dat doen. Hij verborg zich niet in de toppen der donkere dennen of balsemstruiken, noch dreef hij zachtjes door de nachtlucht, gereed in een oogwenk neer te schieten op zijn prooi. Zijn gezicht was zoo armzalig, dat hij uit den top van een boom een konijn heelemaal niet zou hebben kunnen zien en hij zou een vos voor een muis gehouden hebben. Daarom verschanste de oude Oohoomisew, door ondervinding wijs geworden, zich in een hinderlaag. Hij placht op den grond neer te hurken, met Jobsgeduld te wachten tot er iets zijn kant uitkwam, dat hem als voedsel kon dienen. Nu en dan beging hij een fout. Twee keer had hij een lynx aangezien voor een konijn en in den tweeden aanval had hij er een poot bij verspeeld, zoodat hij, wanneer hij overdag te dommelen zat, zich met één poot aan zijn tak vast moest klemmen. Hoewel kreupel, bijna blind en zoo oud, dat hij al lang geleden de bosjes veeren over zijn ooren verloren had, was Oohoomisew toch nog een reus van kracht en wanneer hij boos was, was het snappen van zijn snavel op twintig meter afstand te hooren.

Drie nachten lang was hij onfortuinlijk geweest en vannacht al buitengewoon. Twee konijnen waren langs hem gekomen en hij had beiden aangevallen. Het eerste had hij heelemaal niet te pakken kunnen krijgen; het tweede was hem ontsnapt, na hem een snavelvol haar achter te hebben gelaten—en dat was al. Hij was totaal uitgehongerd en scherpte in een allerslechtst humeur zijn snavel toen hij Baree hoorde naderen. Zelfs al had Baree onder den struik kunnen kijken en Oohoomisew in zijn schuilhoek zien loeren, valt het te betwijfelen of hij wel veel opzij gegaan zou zijn. Zijn eigen vechtlust was ontwaakt. Hij, eveneens, was bereid tot den strijd, zoo hij zijn vijand maar even aan kon.

Heel onduidelijk zag Oohoomisew hem door de kleine vlakte naderkomen. Hij kromp in elkaar. Zijn veeren gingen overeind staan tot hij een bal geleek. Zijn bijna lichtlooze oogen gloeiden als twee blauwachtige vuurpoelen. Tien voet van hem af stond Baree stil om zijn wond te likken. Oohoomisew wachtte, uit voorzorg. Baree liep door en ging bijna rakelings den struik langs. Met een snel gehuppel en een plotseling gedonder van zijn machtige wieken was de groote uil boven op hem.

Ditmaal gaf Baree geen geluid van pijn of schrik. De wolf is „kipichimao”, zooals de Indianen zeggen. Geen jager heeft ooit een in de val geraakten wolf om genade hooren huilen als hij den kogel ontving of met den knuppel werd afgemaakt. Hij sterft, terwijl hij zijn slagtanden toont. Oohoomisew viel dezen nacht het jong van een wolf aan en geen hondenjong. De eerste aanval van den uil deed Baree omver tuimelen en een oogenblik werd hij half gesmoord onder de uitgespreide, groote vleugels, terwijl Oohoomisew, hem onder houdend, al zijn best deed hem met zijn eenigen goeden klauw te pakken te krijgen en er met zijn snavel heftig op los hakte. Eén houw van dien snavel ergens in zijn kop en een konijn zou dood geweest zijn, maar Oohoomisew kwam al dadelijk tot de ontdekking, dat het geen konijn was, dat hij daar onder zijn vleugels hield. Een snauw, die hem het bloed deed verstijven, was het antwoord, dat hij kreeg en Oohoomisew herinnerde zich den lynx, zijn verloren poot en de moeite, die hij gehad had om te ontkomen. De oude vrijbuiter had den aftocht kunnen blazen, maar Baree was niet langer de onervaren kleine Baree van toen hij Papayuchisew bevocht. Ondervinding en ontberingen hadden hem gehard en wijzer gemaakt: zijn kaken en tanden waren snel van den been-likleeftijd tot den been-vermorzelleeftijd gegroeid—en vóór Oohoomisew er vandoor kon gaan (zoo hij er al over dacht) sloten Baree's kaken zich met een geduchten knauw om zijn eenigen goeden poot.

In de stilte van den nacht weerklonk er een nog veel krachtiger vleugelgedonder en eenige oogenblikken moest Baree de oogen dichthouden om niet verblind te worden door Oohoomisew's woedende slagen. Maar hij hield stevig vast en toen zijn tanden in het vleesch sneden van den ouden vrijbuiter leek zijn nijdig gegrom Oohoomisew een onheilspellende uitdaging toe. Een gelukkig toeval had gemaakt, dat hij dien poot te pakken had gekregen en Baree wist, dat overwinning of nederlaag ervan afhing of hij dien wist vast te houden.

De oude uil had geen anderen klauw om hem mee in bedwang te houden en het was hem onmogelijk—door de wijze waarop hij werd vastgehouden—Baree met zijn snavel te wonden. Daarom bleef hij maar steeds doorslaan met zijn vleugels, die vier voet spanning hadden. Zij maakten wel veel lawaai, maar deden Baree geen pijn. Hij beet nog dieper door. Hij begon hoe langer hoe nijdiger te grommen, toen hij Oohoomisew's bloed proefde en meer en meer groeide de begeerte in hem, dit monster van den nacht te dooden, alsof hij door de vernietiging van dit dier de gelegenheid kreeg zich te wreken voor al de pijn en al de ontberingen, die hij geleden had nadat hij zijn moeder verloren had. En het was merkwaardig, dat Oohoomisew nooit tevoren zoo'n grooten angst gevoeld had. De lynx had maar eens naar hem gehapt en had hem met één poot achtergelaten. Maar de lynx had niet op zoo'n wolvenmanier tegen hem gegromd en had zich niet aan hem vastgeklemd. Duizend en één nacht had Oohoomisew geluisterd naar het wolvengehuil en zijn instinkt had hem de beteekenis ervan verteld. Hij had den troep snel voort zien glijden in de duisternis en altijd wanneer zij langs kwamen had hij zich in de zwartste schaduwen verborgen. Voor hem, evenals voor alle andere wilde schepselen, stond dat wolvengehuil gelijk met den dood. Maar nu, nu Baree's tanden om zijn poot geklemd waren, begreep hij pas ten volle den angst voor den wolf. Die had jaren noodig gehad om in zijn dommen suffen kop door te dringen—maar nu hij begreep, was hij erdoor bezeten als nooit tevoren door iets in zijn leven. Plotseling hield hij op met zijn geklapwiek en wierp zich de lucht in. Als reusachtige waaiers sloegen zijn machtige vleugels door de lucht en Baree voelde zich plotseling de hoogte ingaan.

Maar hij hield vast en een oogenblik later kwam hij met een smak weer neer.

Oohoomisew probeerde het nog eens. Ditmaal slaagde hij beter en steeg volle zes voet op met Baree. Zij vielen opnieuw terug. Een derde maal trachtte de oude bandiet zich te bevrijden van Baree's greep en daarna, uitgeput, bleef hij liggen, met zijn reusachtige vleugels uitgespreid, sissend en klappend met zijn snavel. Onder deze vleugels werkte Baree's brein met het snelle instinkt van den moordenaar. Plotseling veranderde hij van taktiek en begroef zijn tanden in het onderlijf van Oohoomisew. Zij zonken diep in de veeren. Behendig als Baree geweest was, Oohoomisew was er even snel bij, om gebruik te maken van zijn voordeel. In een oogwenk steeg hij opwaarts. Een hevige ruk, veeren, die naar alle kanten neervielen—en Baree bleef alleen op het slagveld achter.

Hij had niet gedood, maar hij had toch de overwinning behaald. Zijn eerste groote dag—of nacht—was gekomen. De wereld was vol beloften voor hem. En na een oogenblik ging hij rechtop zitten, snoof den reuk in van zijn verslagen vijand en toen—als om het gevederde monster, dat hij zoo goed zijn deel gegeven had, uit te dagen terug te komen en het gevecht voort te zetten tot den dood toe—hief hij zijn spits snuitje op naar de sterren en zond zijn eerste baby-wolfsgehuil den nacht in.

VI.

De kreet van het eenzame hart.

Zijn gevecht met Oohoomisew was een goed geneesmiddel voor Baree. Het gaf hem niet alleen groot zelfvertrouwen, maar deed ook die leelijke koorts in zijn bloed verdwijnen. Hij gromde en beet niet langer naar de voorwerpen waarlangs hij heenging. Het was een prachtige nacht. De maan straalde helder en de hemel was bezaaid met sterren, zoodat het op de open plekken wel dag leek, alleen was het licht zachter en mooier. Het was heel stil. Er speelde geen windje door de toppen der boomen en het scheen Baree toe, dat zijn gehuil wel tot het andere eind der wereld was doorgedrongen. Nu en dan hoorde hij een geluid—en altijd bleef hij dan staan, luisterend en oplettend. In de verte hoorde hij het gerekte, zachte geloei van een wijfjeseland; hij hoorde een groot geplas in het water van een klein meertje, dat hij naderde, en eens drong het scherpe gekraak van hoorn tegen hoorn tot hem door—het waren twee bokken, die een verschil van meening aan het beslechten waren, op een kwart mijl afstands. Maar het was altijd opnieuw het wolvengehuil dat hem deed neerzitten en het langste luisteren, terwijl zijn hart klopte met een vreemde opwinding die hij nog niet ten volle begreep. Het was de roepstem van zijn eigen geslacht, die hem zoo ontroerde; langzaam, maar voortdurend drong die tot hem door.