Part 2
In de opwinding van het gevecht had hij niet het rumoer van het stroomende water onder hen gehoord en over een kleine rots heen tuimelden Papayuchisew en hij tezamen in de kreek. Het kille water smoorde een laatsten snauw en een laatst gesis van de twee kleine vechtersbazen.
III.
Een nacht vol angst.
Wat Papayuchisew betreft, voor hem was, na de eerste gulp water, die hij binnenkreeg, de stroom bijna even veilig als de lucht, want hij zeilde over de oppervlakte met de luchtigheid van een meeuw, zich verbazend in zijn langzaam-werkend brein, waarom hij zich zoo gemakkelijk en prettig bewoog, zonder dat hij er zelf moeite voor behoefde te doen.
Maar voor Baree was het een andere zaak. Hij zonk naar beneden als een steen. Een geweldig gebulder vervulde zijn ooren, het was donker, benauwend, afschuwelijk. Hij werd om en om geworpen. Hij was twintig voet diep onder water. Toen steeg hij naar de oppervlakte en begon wanhopig met zijn pooten te slaan. Het hielp hem niet veel. Hij kreeg alleen maar den tijd om een paar maal met de oogen te knippen en wat lucht in zijn longen te halen, toen hij in een kolk verdween, die als een molentocht tusschen twee boomstammen draaide en eenigen tijd lang konden de scherpste oogen huid noch haar van hem ontdekken. Toen kwam hij weer boven bij een miniatuur Niagara en vijftig of zestig meter lang werd hij als een harige bal in het rond geworpen. Daarna werd hij in een ijskouden poel gesmeten en toen, half dood, krabbelde hij, op een steenige zandbank, uit het water.
Langen tijd bleef hij daar liggen in een vloed van zonneschijn, zonder zich te bewegen. Zijn oor deed hem pijn en toen hij eindelijk zijn neus ophief, was deze heelemaal ontstoken en voelde zoo branderig aan, alsof hij hem in vuur gestoken had. Zijn pooten en lichaam waren pijnlijk en toen hij zich over den steenigen zandbodem rond begon te sleepen, was hij het rampzaligste jonge hondje ter wereld. Hij was ook totaal den weg kwijt. Tevergeefs keek hij rond naar een herkenningsteeken—naar het een of ander, dat hem den weg naar huis terug kon wijzen. Maar alles was hem even vreemd. Hij wist niet, dat het water hem aan land geworpen had aan den verkeerden kant van de kreek en dat hij, om het hol onder de omgevallen boomen te bereiken, deze weer zou moeten oversteken. Hij jankte halfluid om zijn moeder. Wolvin had hem niet kunnen hooren als hij geblaft had, want haar hol was meer dan twee honderd vijftig meter stroomopwaarts. Maar het wolveninstinkt legde Baree al vanzelf het zwijgen op na dit zachte gejank.
Langs den oever loopend, begon hij den stroom te volgen. Elke stap, dien hij in deze richting deed, bracht hem nu verder van huis. Telkens bleef hij stilstaan om te luisteren. Het bosch werd dichter. Het werd hoe langer hoe donkerder en geheimzinniger. De stilte ervan was schrikaanjagend. Na verloop van een half uur zou hij zelfs Papayuchisew met blijdschap verwelkomd hebben. En hij zou hem toen niet bevochten hebben. Hij zou hem, zoo dit mogelijk ware geweest, den weg naar huis hebben gevraagd.
Hij was volle driekwart mijl van zijn hol gekomen, toen de kreek zich splitste in twee kanalen. Hij kon er maar één kiezen om te volgen—het stroompje, dat een weinig zuidoostwaarts liep. Dit gedeelte liep niet zoo snel. Het was niet gevuld met glinsterende rotsblokken, waardoor het water zong en schuimde. Het was zoo zwart als het bosch. Het was geruchtloos en diep. Plotseling bevond Baree zich aan den rand van een diepen, donkeren poel, waarin het water zoo roerloos lag als olie en zijn hartje sprong hem naar de keel, toen een sluik, glimmend beest te voorschijn sprong, bijna vlak onder zijn neus uit en met een geweldig geplas in het midden van den poel terecht kwam. Het was Nekik, de otter. Hij had Baree niet gehoord en een oogenblik later werd hij gevolgd door Napanekik, zijn wijfje, met drie jongen achter zich aan, die vier sporen achterlieten in het olieachtig-uitziende water. Wat er daarna voorviel, deed Baree bijna vergeten, dat hij verdwaald was. Nekik was onder de oppervlakte verdwenen en steeg weer naar boven, vlak onder zijn nietsvermoedend wijfje, met zoo'n kracht, dat zij half uit het water gelicht werd. Oogenblikkelijk verdween hij weer en Napanekik zette hem woedend achterna. Voor Baree zag het er niet uit als spel. Twee van de jonge otters hadden zich op den derden gestort en het leek, alsof deze zich wanhopig verweerde. Baree voelde geen kou en geen pijn meer. Zijn bloed stroomde hem opgewonden door de aderen, hij kon zich niet meer inhouden en er ontsnapte hem een blaf. In een oogwenk waren de otters verdwenen. Eenige minuten lang was het water in beroering en dat was alles. Na een poosje trok Baree zich in de struiken terug en vervolgde zijn weg.
Het was ongeveer drie uur in den namiddag en de zon behoorde nog hoog aan den hemel te staan. Maar het werd gestadig donkerder en het vreemde hiervan en de angst gaf aan Baree's pooten grooter spoed. Hij bleef telkens stilstaan om te luisteren en bij een van deze tusschenpoozen hoorde hij een geluid, dat hem een vroolijk jankend antwoord ontlokte. Het was een verwijderd gehuil—een wolvengehuil, recht voor hem uit.
Baree dacht niet aan wolven, maar aan Kazan en hij bleef door het sombere bosch rennen, tot hij buiten adem was. Het wolvengehuil werd echter niet meer hoorbaar.
In plaats daarvan rolde er van uit het westen een somber gerommel aan. Door de toppen der boomen flitste een heftige bliksemstraal. Een kreunend gefluister van den wind deed dienst als voorrijder van den storm en een tweede bliksemstraal scheen Baree's schuilplaats te willen uitvorschen, terwijl hij daar stond te huiveren onder een baldakijn van hooge sparren. Dit was zijn tweede storm. De eerste had hem een vreeselijken angst aangejaagd en hij was weggekropen tot in den versten hoek van het hol. Het beste wat hij nu kon vinden, was een kuil onder een grooten boomwortel en daar kroop hij in en begon zachtjes te huilen. Het was een kinderlijk huilen om zijn moeder, om zijn tehuis, om warmte, om iets zachts en beschermends, waartegen hij zich zou kunnen aannestelen en terwijl hij daar lag te huilen, barstte de storm los over het woud.
Baree had nooit tevoren zooveel lawaai gehoord en hij had nooit het weerlicht in zulke stralen zien neerschieten, zooals bij dit noodweer in Juni gebeurde. Het leek van tijd tot tijd wel, of de heele wereld in brand stond en de aarde scheen te trillen onder de geweldige donderslagen. Hij hield op met jammeren en maakte zich zoo klein mogelijk onder den boomwortel, die hem gedeeltelijk beschermde tegen den striemenden regen, die in stroomen neerviel. Het was nu zoo pikdonker, dat, behalve wanneer het hemelvuur groote lichtgaten in de lucht reet, hij de boomstammen op twintig voet afstands niet kon onderscheiden. Een veertig voet van Baree af stond een groote, doode boomstronk, die elken keer, wanneer de bliksemstralen door de lucht kliefden, daartegen afstak met de somberheid van een geest, alsof hij die vlammende handen daarboven uitdaagde om toe te slaan—en eindelijk sloeg er een toe! Een blauwe tong van knetterend vuur gleed langs den ouden stam en toen hij de aarde aanraakte, ontstond er een geweldige ontploffing boven de boomtoppen. De massieve stronk sidderde en brak toen door, als geveld door een reusachtige bijl. Hij smakte neer, zoo dicht bij Baree, dat er aarde en takjes bovenop hem vielen en hij uitte een heftigen schreeuw van schrik en trachtte zich nog dieper in het nauwe holletje onder den boomwortel te wringen.
Met de verwoesting van den ouden ceder schenen donder en bliksem hun kwaadwilligheid botgevierd te hebben. De donder trok verder, naar het zuiden en oosten, met het gerommel van tienduizend zware karrenwielen over het bladerdak en de bliksem volgde hem. De regen viel gestadig. Nog wel een uur, nadat Baree den laatsten bliksemstraal gezien had, bleef hij onafgebroken neervallen. Het gat, waarin hij een schuilplaats gezocht had, was drijfnat. Hij was geheel doorweekt. Zijn tanden klapperden, terwijl hij afwachtte wat er verder gebeuren zou.
Hij kreeg een langen wachttijd. Toen de regen opgehouden was en de lucht wat opgeklaard, viel de nacht in. Door de toppen der boomen heen zou Baree de sterren hebben kunnen zien, als hij naar boven had gekeken. Maar hij kwam zijn hol niet uit. Uur na uur verstreek. Uitgeput, half verdronken, pijnlijk en hongerig bleef hij onbeweeglijk liggen. Ten laatste viel hij in een onrustigen slaap, een slaap, waarin hij telkens droevig jankte om zijn moeder. Toen hij zich eindelijk buiten zijn schuilhoek waagde, was het morgen en de zon scheen.
Eerst kon Baree ternauwernood staan. Hij had kramp in zijn pooten, elke pees in zijn lichaam scheen verrekt, zijn oor was stijf van geronnen bloed en toen hij probeerde, zijn gewonden neus te rimpelen, gaf hij een scherp blafje van pijn. Als zoo iets mogelijk ware, zag hij er nog ellendiger uit dan hij zich voelde. Zijn haar was gedroogd in modderige klonters, hij was vuil van kop tot staart en terwijl hij gisteren nog mollig en glanzend van huid was geweest, zag hij er nu zoo mager en ongelukkig uit als het noodlot maar had kunnen bewerken. En hij was zoo hongerig daarenboven. Hij had nooit tevoren geweten, wat het beteekende, werkelijk honger te hebben.
Toen hij verder ging, in dezelfde richting loopend als den vorigen dag, bewoog hij zich ontmoedigd voort. Kop en ooren liet hij hangen en hij was heelemaal niet nieuwsgierig meer. Hij was niet alleen hongerig naar voedsel. Hij hongerde bovenal naar moederliefde. Hij verlangde naar zijn moeder, zooals hij nog nooit naar iets verlangd had. Hij verlangde zijn huiverend lijfje tegen haar aan te kunnen vlijen en haar liefkoozende tong te voelen. Hij verlangde naar haar liefkoozend moederlijk geteem. Ook verlangde hij naar Kazan en het oude hol onder de omgevallen boomen en die groote blauwe plek in den hemel, recht er boven. Hij zeurde er om als een klein kind, dat pruilt en hij begon weer den oever van de kreek te volgen.
Het bosch werd na eenigen tijd minder dicht en dit wekte hem een beetje op. En de warmte der zon deed de pijn uit zijn lichaam verdwijnen. Hij werd hoe langer hoe hongeriger. Hij was totnogtoe ten opzichte van voedsel geheel afhankelijk geweest van Wolvin en Kazan.
Baree's ouders hadden hem, in sommige opzichten, te veel als een onmondig jong behandeld. Voor een deel was Wolvin's blindheid hiervan de oorzaak; sedert Baree's geboorte was zij niet meer met Kazan op de jacht gegaan en het was dus heel natuurlijk, dat Baree zich het meeste aan haar gehecht had, ofschoon hij meer dan eens een vurig verlangen had gevoeld om Kazan te volgen. De natuur deed nu al haar best, deze nadeelige eigenschap te verbeteren. Zij deed al haar best, Baree aan zijn verstand te brengen, dat hij nu voortaan zelf voor zijn voedsel moest gaan zorgen. Dit feit drong langzaam maar zeker tot hem door en hij begon te denken aan de drie of vier oesters, die hij eens bij de kreek, in de nabijheid van het ouderlijk hol, verorberd had. Hij herinnerde zich ook de open mossel, die hij gevonden had en hoe heerlijk van smaak het zachte beetje daar binnenin geweest was. Een nieuwe opwinding maakte zich van hem meester. Hij werd, van den beginne af aan, een jager.
Naarmate het bosch minder dicht werd, versmalde zich ook de kreek. Zij begon weer over zandplaten en steenen te stroomen en Baree ging langs den oever snuffelen. Een tijdlang had hij hiermee geen succes. De weinige oesters, die hij ontdekte, waren buitengewoon goed in leven en gesloten en al de mosselen hielden hun schelpen zóó vast op elkaar geklemd, dat zelfs Kazan's geweldige kaken moeite zouden gehad hebben, ze te verpletteren. Het was bijna middag, toen hij zijn eerste rivierkreeftje ving, een beestje ongeveer zoo groot als de voorvinger van een man. Hij verslond het met woede. De smaak van voedsel gaf hem nieuwen moed. Hij ving nog twee van deze kreeftjes, in den loop van den middag. De schemering begon al in te vallen, toen hij een jong konijn opjoeg van uit zijn schuilplaats onder het hooge gras. Als hij een maand ouder geweest was, had hij het kunnen vangen. Hij had nog steeds ergen honger, want drie rivierkreeftjes, verdeeld over een heelen dag, hadden er niet veel toe bijgedragen, de leegte te vullen, die er in zijn maag gestadig begon aan te groeien.
Bij het aanbreken van den nacht keerden zijn angsten en zijn gevoel van eenzaamheid terug. Vóór het daglicht geheel was weggestorven, had hij een schuilplaats gevonden onder een groote rots, waar een warm, zacht bedje van zand lag. Sedert zijn gevecht met Papayuchisew had hij een heel eind gereisd en de rots, waar hij zich voor dien nacht legerde, was ten minste acht of negen mijlen verwijderd van het hol onder de omgevallen boomen. Het was dicht bij den oorsprong van de kreek, met het donkere bosch van sparren en ceders aan weerszijden en toen de maan opkwam en de sterren den hemel vulden, kon Baree uitkijken en het water van den stroom in den maneglans zien glinsteren, alsof het helder dag was. Vlak tegenover hem, afgaande naar den oever, lag een breed karpet van wit zand. Over dit zand trad een half uur later een groote zwarte beer. Voor Baree de otters in de kreek had zien spelen, was zijn voorstellingsvermogen omtrent de afmetingen der dieren niet verder gegaan dan die van zijn eigen ras en zulke kleinere wezens als uilen, konijnen en kleine vogels. De otters hadden hem niet veel vrees aangejaagd, omdat hij nog steeds alles beoordeelde volgens de grootte en Nekik was niet half zoo groot als Kazan. Maar de beer was een monster, waarbij vergeleken Kazan een dwerg was. Hij _was_ dan ook groot. Als de natuur het noodzakelijk vond, Baree te doen begrijpen, dat er dieren in het bosch huisden van grooter belang dan wolven en honden en uilen en rivierkreeften, legde zij er wel wat al te erg den nadruk op. Want Wakayoo, de beer, woog zeshonderd pond, zoo zeker als wat. Hij was dik en rond, na een maand lang van visch gesmuld te hebben. Zijn glanzende huid leek wel zwart fluweel in het maanlicht en hij liep met een zonderlingen, waggelenden gang, zijn kop hing laag bij den grond. Het vreeselijkste van alles was, dat hij staan bleef midden op het zandtapijt, niet meer dan tien voet van de rots verwijderd, waaronder Baree lag te rillen, alsof hij de koorts had.
Klaarblijkelijk had Wakayoo hem geroken. Baree kon hem hooren snuiven, hij kon hem hooren ademen; hij zag het sterrenlicht schitteren in zijn roodbruine oogjes, toen deze argwanend naar de groote rots gekeerd werden. Als Baree had kunnen weten, dat _hij_—zijn eigen onbeduidend persoontje—dit monster hevig zenuwachtig maakte, zou hij een luiden blaf van blijdschap gegeven hebben. Want Wakayoo was, in weerwil van zijn lichaamsgrootte, tamelijk laf, als het op wolven aankwam. _En Baree verspreidde den wolvenreuk!_ Deze drong sterker in Wakayoo's neusgaten en juist op dit oogenblik, als om de onrust in hem nog te doen aangroeien, kwam er van uit de bosschen achter hem een lang en klagelijk gehuil. Met een hoorbaar geknor ging Wakayoo er van door. Wolven waren een ware plaag, redeneerde hij. Zij wilden niet behoorlijk vechten. Zij bleven uren aan een stuk achter je aan janken en naar je hielen happen en waren zoo vlug als de wind buiten je bereik, wanneer je je naar hen omdraaide. Waarom hier te blijven rondhangen als er wolven in de buurt waren op zulk een mooien avond? Hij ging er vastberaden vandoor. Baree kon hem zwaar door het water van de kreek hooren plassen.
Toen eerst waagde hij het, adem te halen. Het was bijna een verzuchting. Maar de avonturen waren voor dien nacht nog niet geëindigd. Baree had zijn bed uitgekozen op een plek, waar de dieren gewoon waren te komen drinken en waar zij elkaar kruisten op hun wegen. Niet lang nadat de beer verdwenen was, hoorde hij het zand zwaar kraken en hoefgekletter tegen de steenen en een elandstier, met een geweldig vertakt gewei, trad over een open vlakte in het maanlicht. Baree's oogen puilden hem haast uit den kop, want wanneer Wakayoo zeshonderd pond gewogen had, dit reusachtige dier, welks pooten zoo lang waren, dat het op stelten scheen te loopen, woog zeker tweemaal zooveel. Een wijfjeseland volgde. En daarop een jong. Dit jong scheen enkel en alleen uit pooten te bestaan. Dit was te veel voor Baree en hij kroop hoe langer hoe verder weg onder de rots, totdat hij eindelijk in elkaar gerold lag als een sardine in een blikje. En daar bleef hij liggen tot aan den morgen.
IV.
Een hongerig zwerver.
Toen Baree zich bij het aanbreken van den volgenden dag van onder zijn rots uit waagde, was hij een heel wat ouder wolfshondje dan toen hij Papayuchisew, den jongen uil, op zijn pad ontmoet had, dicht bij zijn oude hol. Als ondervinding de plaats van ouderdom in kan nemen, was hij gedurende de vier en twintig uur maanden ouder geworden. Het is een feit, dat hij nu bijna volwassen was geworden. Hij ontwaakte met een nieuwe en veel duidelijker voorstelling van de wereld. Het was een uitgestrekte plaats. Zij was vol voorwerpen, waaronder Kazan en Wolvin lang niet de eerste plaats innamen.
De monsters, die hij op dat door de maan verlichte zandplekje gezien had, hadden een nieuwe voorzorg in hem gewekt en een van de grootste en eerste instinkten—het begrip, dat de sterke aast op den zwakke. Totnogtoe had hij, wat zeer natuurlijk was, kracht gemeten naar lichaamsgrootte en ook den omvang van het gevaar schatte hij daarnaar. En zoo was de beer dus schrik-aanjagender voor hem dan Kazan en de elandstier was weer vreeselijker dan de beer. Het was maar heel gelukkig voor hem, dat zijn instinkt nog niet dadelijk tot aan de grenzen ging en hem duidelijk maakte, dat zijn eigen ras—de wolf—het meest gevreesde dier was in de wildernis, van alle gehoefde, geklauwde en gevederde schepselen, die er huisden. Anders zou het hem wel eens hebben kunnen vergaan als den kleinen jongen, die zich verbeeldde te kunnen zwemmen nog vóór hij den slag te pakken had, te diep dook en er het leven bij liet.
Heel opmerkzaam, terwijl al het haar van zijn rug overeind stond en onderdrukt grommende, berook hij de groote voetsporen van den beer en den eland, die hij gisteren op zijn zwerftochten ontmoet had. Dat berenspoor maakte hem aan het brommen. Hij volgde het tot aan den oever van de kreek. Daarna vervolgde hij zijn tocht en ook zijn jacht op voedsel.
Twee uren lang was zijn zoeken vergeefsch, hij vond niets, zelfs geen rivierkreeft. Daarna kwam hij van het groene bosch uit aan den zoom van een verbrand gedeelte. Hier was alles zwart. De boomstammen leken wel verkoolde stokken. Het was een groote boschbrand geweest, die op deze plaats gewoed had, den vorigen herfst, en de asch was nog zacht onder Baree's pooten. Recht door deze verbrande streek stroomde de kreek en er boven stond de blauwe lucht, waarin de zon scheen.
Het was een heele verzoeking voor Baree. De vos, de wolf, de eland en de kariboe zouden teruggekeerd zijn uit dit doode land. Over een jaar zou het een goed jachtveld zijn, maar nu was het volkomen levenloos. Zelfs de uilen zouden hier niets eetbaars hebben kunnen vinden. Maar het waren de blauwe hemel en de zon en de zachte grond onder zijn pooten, die Baree verlokten. Het was hier prettig reizen, na zijn pijnlijke ondervindingen van den vorigen dag. Hij ging voort, den stroom te volgen, ofschoon er weinig kans was, dat hij er iets van voedsel vond. Het water was donker en modderig geworden en hier en daar versperd door houtafval, die er in was geraakt en de oevers waren ook modderig en week. Na een poosje, toen Baree stilstond om eens rond te kijken, zag hij het groene bosch niet langer. Hij was geheel alleen in die troostelooze wildernis van verkoolde boomlijken. Er heerschte ook doodsche stilte. Geen vogelgetjilp verbrak de stilte. In de zachte asch kon hij zijn eigen bewegingen niet hooren. Maar hij was niet bang. Hij voelde de rust hier van veiligheid.
Als hij maar iets eetbaars kon vinden! Dit was de hoofdgedachte, die hem beheerschte. Zijn instinkt had hem nog niet meegedeeld, dat alles, wat hij om zich heen zag, de dood was. Hij liep voort, vol hoop naar voedsel zoekend. Maar ten laatste, terwijl de uren verstreken, begon de moed hem te begeven. De zon zonk in het westen. De hemel werd minder blauw, een zachte wind begon over de toppen van de boomen te rijden en nu en dan viel er een met veel gekraak.
Baree kon niet verder loopen. Een uur voor het donker was, lag hij in de vlakte uitgestrekt, zwak en uitgeput. De zon verdween achter het bosch. De maan klom naar boven, vanuit het oosten. De hemel glinsterde van sterren en gedurende dien heelen nacht lag Baree zoo roerloos alsof hij dood was. Toen de morgen aanbrak, sleepte hij zich naar den stroom, om eens te drinken. Met zijn laatste krachten liep hij nog wat verder. Het was zijn wolvenbloed, dat hem dwong, te worstelen voor zijn leven. Zijn hondenhart zou hem aangedreven hebben te gaan liggen en te sterven. Maar de wolf was het sterkst in hem. En dit gedeelte van zijn karakter won het. Een halve mijl verder bereikte hij het groote groene bosch weer.
In het bosch, zoowel als in de groote steden, heeft het lot vele grillen. Als Baree zich een half uur later het bosch in had gesleept, zou hij dood geweest zijn. Hij was al veel te ver weg om naar een rivierkreeft te visschen of zelfs maar den zwaksten vogel te dooden. Maar hij kwam juist op het oogenblik, waarop Sekoosew, de hermelijn—de meest bloeddorstige kleine vrijbuiter ter wereld—zijn prooi aan 't bespringen was.
Dit gebeurde ruim honderd meter van de plek af, waar Baree onder een sparreboom lag uitgestrekt, gereed om den geest te geven. Sekoosew was een machtig jager in zijn soort. Zijn lichaam was zoowat anderhalven decimeter lang, zijn klein staartje eindigde in een zwarte punt en hij woog misschien vijf ons. Een klein-kinderhandje had hem overal tusschen zijn vier pooten kunnen omsluiten en zijn scherp kopje met zijn zwarte kraaloogjes kon gemakkelijk door het kleinste gaatje. Eeuwen lang had Sekoosew meegeholpen, de geschiedenis te vormen. Hij was het, die—toen zijn huid honderd dollars in het goud des Konings waard was—de eerste scheepslading van Heeren Avonturiers over zee lokte, met Prins Rupert aan het hoofd; het was de kleine Sekoosew, die de aanleiding werd van de vorming van de groote Hudson Baai Compagnie en de ontdekking van half een werelddeel; bijna drie eeuwen lang had hij om zijn bestaan gevochten met den strikkenzetter. Hij was de slimste, de meest woeste en onbarmhartigste van alle dieren, waaruit zijn wereld bestond.
Terwijl Baree daar onder zijn boom lag, was Sekoosew bezig zijn prooi te besluipen. Zijn doel was een flink, vet patrijshoen, dat onder een wilden kruisbessenstruik stond. Geen levend schepsel had eenig geluid kunnen hooren van Sekoosew's bewegingen. Hij leek wel een schaduw—nu eens een grijs hoopje bont hier, dan een voorbijschietend streepje daar—nu eens was hij verborgen achter een stok, niet dikker dan een manspols, kwam het eene oogenblik voor den dag, om het volgend oogenblik te verdwijnen alsof hij nooit bestaan had. Op deze manier was hij van vijftig tot drie voet genaderd. Dit was zijn geliefde mik-afstand. Zonder mis te rekenen wierp hij zich aan de keel van den slaperigen patrijs en zijn naaldfijne tandjes zonken door de veeren in zijn vleesch. Sekoosew was voorbereid op wat er nu volgde. Het gebeurde altijd, wanneer hij Napanao, den woudpatrijs aanviel. Hij bezat machtige vleugels en zijn eerste aandrift, wanneer hij hem aanviel, was te vluchten. Hij steeg nu recht naar boven met een geweldig vleugelgedonder. Sekoosew klemde zich stevig vast, zijn tandjes begroeven zich diep in zijn vleesch en zijn kleine klauwtjes omsloten hem als handen. Door de lucht snorde hij met hem, steeds dieper doorbijtend, totdat Napanao, honderd meter vanaf de plek, waar dat verschrikkelijke moordwerktuig zich aan zijn keel had vastgeklemd, weer op den grond neersmakte.