De zoon van Kazan

Part 17

Chapter 173,059 wordsPublic domain

Baree hoorde hem niet. Met opgeheven kop en zijn neus in de lucht stond hij te snuiven. Wat was er toch, dat hem zoo aandeed in de geuren van bosch en weide? Waarom beefde hij zoo, terwijl hij daar stond? Wat zat er dan in de lucht? Dit vroeg Carvel zich af en zijn onderzoekende blik trachtte deze vragen te beantwoorden. Niets. Hier heerschte de dood—dood en verlatenheid, dat was al. En toen, geheel onverwacht, gaf Baree een schreeuw—bijna menschelijk in zijn uiting—en ging er vandoor als de wind.

Carvel had het pak van zijn schouders afgeworpen. Hij wierp er nu ook zijn geweer naast en volgde Baree. Hij rende. Recht over de open plek, tusschen de dwerg-balsemstruiken en over het pad, eens uitgesleten door de vele voetsporen, waar nu gras tierde. Hij rende tot hij naar adem hijgde en bleef toen stilstaan om te luisteren. Hij kon geen gerucht van Baree hooren. Maar dat verwaarloosde pad liep door onder de boomen van het bosch en hij volgde het.

Dicht bij den diepen, donkeren poel, waarin de Wilg en hij zich zoo dikwijls vermaakt hadden, was Baree blijven staan. Hij kon het kabbelen van het water hooren en zijn oogen schitterden, terwijl hij uitkeek naar Nepeese. Hij verwachtte haar daar te zien, haar slank, blank lichaam te zien glanzen in de schaduw van de overhangende sparretakken, of te zien blinken, wit als sneeuw, in de warme zonlichtplekken. Zijn oogen zochten haar op hun oude schuilplaatsen; de groote gespleten rots aan den overkant, de glooiende zandbank vanwaar zij als otters naar beneden plachten te duiken, de sparretakken, die zich voorover bogen tot zij het wateroppervlak raakten en waartusschen de Wilg haar naakt lichaam zoo gaarne placht te verstoppen, terwijl hij den poel afzocht om haar te ontdekken. En eindelijk drong het tot hem door, dat zij hier niet was, dat hij nog verder zou moeten gaan.

Hij ging verder, naar het hutje toe. De kleine open plek, waar hun verborgen tepee stond, was overstroomd met zonneschijn, brekend door een open plek van het bosch. Het hutje was er nog. Het scheen voor Baree niet veel veranderd. En opstijgend van den grond, vlak vóór het hutje, zag hij, wat hij al flauwtjes geroken had in de stille lucht—den rook van een klein vuur. Er boog zich iemand over dit vuur en het kwam Baree heelemaal niet verwonderlijk of onverwacht voor, dat die iemand twee glanzende vlechten op haar rug droeg. Hij jankte en bij dit janken van hem scheen zij plotseling te verstijven en draaide zij zich langzaam om.

Zelfs toen leek het hem de natuurlijkste zaak der wereld, dat zij Nepeese bleek te zijn en niemand anders. Hij had haar pas gisteren verloren. Vandaag vond hij haar terug. En in antwoord op zijn gejank welde een snik regelrecht uit de ziel van de Wilg.

* * * * *

Carvel vond hen daar, eenige minuten later; de Wilg had den kop van den hond tegen haar borst geklemd en schreide—schreide als een klein kind, haar gezicht afgewend van hem op Baree's nek. Hij stoorde hen niet, maar wachtte; en terwijl hij stond te wachten scheen een zeker iets in haar snikken en in de stilte van het bosch rondom hem een gedeelte der geschiedenis toe te fluisteren van de verbrande hut en de beide graven en de beteekenis van de Roepstem, die tot Baree gekomen was, uit het zuiden.

XXX.

De rekening wordt vereffend.

Dien nacht brandde er een nieuw kampvuur op de open plek. Het was geen klein vuur, opgebouwd in de vrees dat anderen het zouden zien, maar een vuur, dat zijn vlammen hoog de lucht inzond. In den gloed er van stond Carvel. En zooals het vuur deze verandering had ondergaan van een kleine vlammenmassa, waarboven de Wilg haar middagmaal gekookt had, zoo was ook Carvel, de officieel dood verklaarde balling, veranderd. Hij droeg geen baard meer; hij had zijn kariboeleeren jas afgeworpen; zijn mouwen waren tot aan de ellebogen opgestroopt en er lag een gloed op zijn gelaat, een blos, die niet alleen aan de inwerking van weer en wind moest toegeschreven worden en een glans in zijn oogen, die er in vijf jaren niet in geweest was en misschien wel nooit tevoren. Zijn oogen waren op Nepeese gevestigd. Zij zat dicht bij het vuur, een weinig voorover leunend, haar prachtig haar glanzend in den gloed. Carvel bewoog zich niet, zoolang zij in deze houding bleef. Hij scheen nauwelijks te ademen. De glans in zijn oogen werd dieper—de vereering van een man voor een vrouw. Plotseling keerde Nepeese zich om en zag hem aan, voor hij den blik af kon wenden. In haar eigen oogen lag evenmin iets om te verbergen. Er sprak, gelijk uit haar gezicht, hoop en hernieuwde blijdschap uit. Carvel ging naast haar zitten op den berkestam en nam een der dikke vlechten in zijn hand en liefkoosde die onder het praten. Aan hun voeten lag Baree en keek naar hen.

„Morgen of overmorgen ga ik terug naar Lac Bain,” zeide hij, met een ondertoon van bitterheid in zijn stem van halve vereering. „En ik kom niet terug voor ik hem gedood heb.”

De Wilg keek strak in het vuur. Een tijdlang werd de stilte alleen verbroken door het knapperen van de vlammen en in die stilte weefden Carvel's vingers de zijden haarstrengen van de Wilg dooreen. Zijn gedachten gingen terug. Wat een prachtige kans was hij misgeloopen, dien dag op Mc Taggart's vallenlijn—als hij het toen maar geweten had! Zijn kaken werden op elkander geklemd, toen hij, in het roodgloeiende hart van het vuur turend, zich de gebeurtenissen van den dag te binnen bracht, waarop de agent van Lac Bain Pierrot gedood had. Zij had hem de heele geschiedenis verteld. Haar vlucht. Haar sprong in het ijskoude water van den afgrond, waarin zij zoo zeker gedacht had, den dood te zullen vinden. Hoe zij zich, wonderbaarlijk genoeg, had weten te redden—en hoe zij gevonden was, bijna dood, door Tuboa, den tandeloozen ouden Cree, wien Pierrot uit medelijden toegestaan had, in een gedeelte van zijn gebied te jagen.

Hij voelde scherp de wanhoop en schrik van dit ééne uur, waarin de zon voorgoed was ondergegaan in de wereld van de Wilg, en in de vlammen kon hij den trouwen ouden Tuboa zien, die zijn laatste krachten had ingespannen om Nepeese te dragen, al die lange mijlen, die tusschen den afgrond en zijn hut lagen; hij zag de weken van honger en nijpende koude voor zich, die hierop gevolgd waren, waarin het leven van de Wilg aan een zijden draad gehangen had. En ten laatste, toen de sneeuw het hoogst lag, was Tuboa gestorven. Carvel's vingers klemden Nepeese's vlecht steviger. Een diepe zucht rees uit zijn borst en hij zeide, nog steeds in het vuur starend:

„Ik ga morgen naar Lac Bain.”

Een oogenblik bleef Nepeese nog zwijgen. Zij keek eveneens in de vlammen. Toen zeide zij:

„Tuboa was van plan, hem te dooden, zoodra de lente kwam en hij zou kunnen reizen. Toen Tuboa stierf wist ik, dat ik hem nu zelf zou moeten dooden. Daarom ben ik hier gekomen, met Tuboa's geweer. Het is opnieuw geladen, gisteren. En—M'sieu Jeem.—Zij keek naar hem op, een glans van triomf in de oogen, terwijl zij er bij voegde, bijna fluisterend: „Je moet niet naar Lac Bain gaan. _Ik heb een boodschapper gestuurd._””

„Een boodschapper.”

„Ja, Ookimow Jeem—een boodschapper. Twee dagen geleden. Ik heb laten weten, dat ik niet dood was, maar hier—en op hem wachtte—en dat ik _iskwao_ wilde zijn, zijn vrouw. O—o—hij zal komen, Ookimow Jeem—zoo gauw hij kan. En je moet hem niet vermoorden. _Non!_” Zij glimlachte tegen hem en Carvel's hart klopte als met hamerslagen. „Het geweer is geladen,” zeide zij zacht. „_Ik_ zal schieten.”

„Twee dagen geleden,” zeide Carvel. „En van Lac Bain is het—”

„Hij zal morgen hier zijn,” antwoordde Nepeese hem. „Morgen, als de zon ondergaat, zal hij de vlakte oversteken, daarginds. Ik weet het. Mijn bloed heeft het den heelen dag gezongen. Morgen—morgen—want hij zal zich haasten, Ookimow Jeem. Ja, hij zal spoedig komen.”

Carvel had het hoofd gebogen. De zachte vlechten tusschen zijn vingers werden aan zijn lippen gebracht. De Wilg, die weer in het vuur staarde, zag dit niet. Maar zij _voelde_ het—en haar ziel fladderde, als door vogelwieken bewogen.

„Ookimow Jeem,” fluisterde zij—het was een zuchtje, een beweging der lippen, zoo zacht, dat Carvel geen geluid hoorde.

* * * * *

Als de oude Tuboa er dien nacht geweest was, had hij misschien vreemde waarschuwingen gehoord in den wind, die nu en dan in de boomtoppen fluisterde. Want het was zulk een nacht; een nacht, waarin de Roode Goden zacht onder elkander fluisteren, een carnaval van heerlijkheid, waarin zelfs de schaduwen en de hooge sterren schijnen te huiveren van leven in hun machtige taal. Het is heel waarschijnlijk, dat de oude Tuboa, met zijn negentig jaren achter zich, iets zou begrepen hebben, of ten minste vermoed, van hetgeen Carvel in zijn jeugd en goed vertrouwen niet zag. Morgen—hij zal morgen komen! De Wilg in haar blijdschap, had dit gezegd. Maar aan ouden Tuboa zouden de boomen toegefluisterd hebben, _waarom niet vannacht_?

Het was middernacht toen de volle maan boven de open plek in het bosch stond. In het hutje sliep de Wilg. In de schaduw van balsemstruiken achter het vuur sliep Baree en nog verder weg, bij een sparrenboschje, lag Carvel. Hond en man waren vermoeid. Zij hadden dien dag veel en hard geloopen en geen geluid drong tot hen door.

Maar zij hadden niet zooveel, noch zoo hard geloopen als Mc Taggart. Tusschen zonsopgang en middernacht had hij veertig mijlen afgelegd, toen hij de kleine vlakte naderde, waar Pierrot's hutje gestaan had. Aan den zoom van het bosch had hij tweemaal geroepen en nu, daar hij geen antwoord kreeg, bleef hij stilstaan en luisterde, in het maanlicht. Nepeese had gezegd, hier op hem te zullen wachten. Hij was vermoeid, maar de uitputting vermocht niet het vuur te dooven, dat in zijn bloed brandde. Den heelen dag had het opgevlamd en nu—zoo dicht bij de verwezenlijking van zijn wensch en zijn triomf—golfde de oude hartstocht als bedwelmende wijn in zijn aderen. Op de een of andere plek, dicht in de buurt waar hij nu stond, _wachtte Nepeese op hem_. Opnieuw riep hij en zijn hart klopte van heftige verwachting terwijl hij luisterde. Er volgde geen antwoord. Hij hield een oogenblik den adem in. Hij snoof de lucht op—en flauwtjes kwam de rook van een vuur in zijn neusgaten.

Met het instinkt van den man, die in de wildernis leeft, zocht hij de windrichting op. Hij riep niet meer, maar haastte zich de open plek over. Nepeese moest daarginds zijn—slapend naast haar vuur en een zachte kreet rees er bij hem op, vol blijdschap. Hij bereikte den zoom van het bosch; het toeval deed hem zijn schreden richten naar het begroeide pad, hij volgde het en de rooklucht drong sterker tot hem door.

Het was weer het instinkt van den man der wildernis, dat hem behoedzaam deed naderen. Voorzichtig, in de doodsche stilte van den nacht. Er knapten geen takken onder zijn voeten. Hij werkte zich zoo handig door het struikgewas, dat geen geluid hem verraadde. Toen hij eindelijk de open plek bereikte, waar Carvel's vuur nog steeds een spiraal, naar sparren geurenden, rook de lucht inzond, deed hij dit zoo zacht sluipend, dat zelfs Baree er niet door gewekt werd. Misschien sluimerde er nog iets van den ouden achterdocht in hem; misschien deed hij het, omdat hij haar wilde naderen terwijl zij sliep. Het gezicht van het hutje deed zijn hart sneller kloppen. Het was bijna zoo licht als overdag, toen hij daar in het maanlicht stond en hij zag eenige vrouwenkleeren buiten hangen. Hij naderde, zachtvoetig als een vos en stond een oogenblik later aan den ingang der hut, met gebogen hoofd luisterend of hij ook maar het geringste geluidje op kon vangen. Hij kon haar ademhaling hooren. Even wendde hij zijn gelaat zóó, dat het door het maanlicht beschenen werd. Er blonk een vuur van razernij in zijn oogen. Toen, heel zacht, sloeg hij den voorhang bij de deur weg.

Het kon geen gerucht geweest zijn, dat Baree wekte, zooals hij verborgen lag in de schaduw der struiken, een twaalftal passen van de deur der hut. Misschien was het de reuk. Zijn neusgaten bewogen zich eerst, toen ontwaakte hij. Een paar sekonden bleven zijn oogen rusten op de gebogen figuur aan den ingang der hut. Hij wist, dat het Carvel niet was. De oude reuk—de reuk van het _mensch-beest_ vulde zijn neusgaten als een gehaat vergif. Hij sprong op en bleef staan, zijn vier pooten stevig geplant en zijn lippen langzaam wegtrekkend van zijn lange slagtanden. Mc Taggart was verdwenen. Maar binnen in de hut klonk een geluid; een plotseling bewegen van lichamen; de verschrikte uitroep van iemand, die uit den slaap ontwaakte—en daarna een kreet, een half gesmoorde verschrikte kreet, en in antwoord hierop schoot Baree onder de balsemstruiken uit, met een geluid in zijn strot, dat den dood voorspelde.

Aan den rand van het sparrenbosch rolde Carvel zich onrustig in zijn slaap heen en weer. Vreemde geluiden deden hem ontwaken, die in zijn oververmoeidheid tot hem kwamen als in een droom. Ten slotte ging hij overeind zitten en in plotselinge ontzetting sprong hij op en rende naar het huisje toe. Nepeese stond buiten en riep den naam, dien zij hem gegeven had—„_Ookimow Jeem—Ookimow Jeem—Ookimow Jeem!_” Zij stond daar, blank en tenger, haar oogen hadden den glans der sterren en toen zij Carvel zag, strekte zij de armen uit, nog steeds roepend:

„Ookimow Jeem—O—o,—Ookimow Jeem—”

In het hutje hoorde hij het razen van een dier en gekreun van een mensch. Hij vergat, dat hij pas den avond te voren gekomen was en met een kreet trok hij de Wilg aan zijn borst en de armen van de Wilg klemden zich om zijn hals, terwijl zij kreunde:

„Ookimow Jeem—het is het mensch-beest, daarbinnen! Het mensch-beest van Lac Bain—en Baree—”

De waarheid schoot door Carvel's brein en hij nam Nepeese in zijn armen op en liep met haar buiten het gehoor van de geluiden, die afschuwelijk werden. In het sparrenboschje zette hij haar neer. Haar armen waren nog stijf om zijn hals geklemd; hij voelde de ontzetting rillen in haar lichaam, haar adem kwam snikkend en haar oogen hingen aan zijn gelaat, en plotseling drukte hij haar gelaat tegen het zijne en voelde een oogenblik haar warme lippen tegen de zijne. En hij hoorde haar fluisteren met zachte, trillende stem:

„O—o, _Ookimow Jeem—_”

* * * * *

Toen Carvel naar de hut terugkeerde, alleen, met zijn revolver in de hand, stond Baree er voor en wachtte hem op. Carvel raapte een stuk brandend hout op en trad het hutje binnen. Toen hij weer buiten kwam, was zijn gezicht wit als een doek. Hij wierp het stuk hout in het vuur en ging naar Nepeese terug. Hij had haar in zijn dekens gewikkeld, en nu knielde hij naast haar neer en sloeg zijn armen om haar heen.

„Hij is dood, Nepeese.”

„Dood, Ookimow Jeem?”

„Ja, Baree heeft hem gedood.”

Hij voelde haar adem bijna niet meer gaan. Zachtjes, met zijn lippen in heur haar, fluisterde Carvel haar zijn plannen in voor hun toekomstig paradijs.

„Niemand zal het weten, mijn lieveling. Vannacht zal ik hem begraven en het hutje verbranden. Morgen gaan wij naar Nelson House, waar een zendeling is. En daarna—zullen wij terugkomen—en ik zal een nieuwe hut bouwen, op de plek waar de oude is afgebrand. _Heb je me lief, Ka Sakahet?_”

„_Oui_—ja—Ookimow Jeem—ik heb je lief—”

Plotseling werden zij gestoord. Baree slaakte eindelijk en ten laatste zijn triomfkreet. Die kreet rees naar de sterren; galmde over het bladerdak uit en den stillen nachthemel in—een wolfachtig gehuil van uitbundige blijdschap, van triomf, van wraak, die volbracht was. De echo er van stierf langzaam weg en er heerschte opnieuw stilte. Een groote vredigheid fluisterde in den zachten adem van de kruinen der boomen. In het noorden klonk de paringskreet van een fuut. De armen van de Wilg klemden zich vaster om Carvel's hals. En Carvel dankte God uit den grond van zijn hart.

+--------------------------------------------------------+ | | | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | | | | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden | | aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. | | Voetnoten zijn verplaatst naar het eind van de alinea | | met de verwijzing. | | | | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel | | zijn gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn | | behouden: met/zonder koppelteken, met/zonder extra | | spatie. | | | | De volgende correcties zijn in de tekst aangebracht: | | | | Bron (B:) -- Correctie (C:) | | | | B: deed kloppen als een | | C: deden kloppen als een | | B: vol konijnebout. Toen hij tot | | C: vol konijnebonut. Toen hij tot | | B: „Het jonge hondje! Gauw!— | | C: „Het jonge hondje! Gauw!—” | | B: niet meer ontsnappen!— | | C: niet meer ontsnappen!—” | | B: was de reuk. dien hij in den | | C: was de reuk, dien hij in den | | B: hij ontstuimig „Neen! Nooit!” | | C: hij ontstuimig. „Neen! Nooit!” | | B: woningen af en vedween. Vijf | | C: woningen af en verdween. Vijf | | B: zijn rug tegen een boom, zij | | C: zijn rug tegen een boom, zijn | | B: verhit, onredeijk brein kwam | | C: verhit, onredelijk brein kwam | | B: eind aan den hemell, toen Pierrot, | | C: eind aan den hemel, toen Pierrot, | | B: zij zachtjes. Baree, Baree!—” | | C: zij zachtjes. „Baree, Baree!—” | | B: oogen bliksemden den agent tegen | | C: oogen bliksemden den agent tegen. | | B: Baree!” fluisterde zij, zijn | | C: „Baree!” fluisterde zij, zijn | | B: de controleur, Bush Mc. Taggart's | | C: de controleur, Bush Mc Taggart's | | B: van het ranke Cree-meisje, en Mc. | | C: van het ranke Cree-meisje, en Mc | | B: Als hij mij haat, zal hij | | C: „Als hij mij haat, zal hij | | B: eigenaardigen lach. dien zij plotseling | | C: eigenaardigen lach, dien zij plotseling | | B: gedood door Pierrots' giftaas. De lynx | | C: gedood door Pierrot's giftaas. De lynx | | B: Marie en bleef steken | | C: Marie en bleef steken. | | B: besnuffelend en de geschiednis van zijn | | C: besnuffelend en de geschiedenis van zijn | | B: zoodra de zachte sneeuw valt!_” | | C: zoodra de zachte sneeuw valt!_”” | | B: Mc. Taggart zich bijna | | C: Mc Taggart zich bijna | | B: Carvel op en zete hem aan | | C: Carvel op en zette hem aan | | B: heb een boodschapper gestuurd._” | | C: heb een boodschapper gestuurd._”” | | | +--------------------------------------------------------+