De zoon van Kazan

Part 16

Chapter 164,042 wordsPublic domain

Eenige oogenblikken bleef hij liggen zonder zich te bewegen en met zijn oogen op den man gevestigd. Carvel was gaan zitten op een met sneeuw bedekten berkestam en stopte zijn pijp. Baree keek er naar, hoe hij deze aanstak; hij keek met een nieuwe belangstelling naar de eerste purperen rookwolk, die Carvel's mond verliet. De man was niet meer dan twee vallenkettingen-lengten van hem verwijderd—en hij grinnikte tegen Baree.

„Kom, flink wat, ouwe jongen,” moedigde hij hem aan. „Geen beenderen stuk. Alleen een beetje stijf. Misschien doen we maar beter—weg te gaan.”

Jim wendde zijn gelaat in de richting van Lac Bain. Hij argwaande, dat Mc Taggart terug zou keeren. Misschien vermoedde Baree hetzelfde, want toen Carvel weer naar hem keek, was hij opgestaan, wat wankelend op zijn pooten om zijn evenwicht te bewaren. Het volgende oogenblik zwaaide Carvel zijn ransel van de schouders af en opende hem. Hij trok er een stuk rood, rauw vleesch uit.

„Vanmorgen geschoten,” legde hij aan Baree uit. „Een éénjarige stier, zoo malsch als een patrijs—en dit is een zwezerik, zoo lekker als zoo'n dier hem maar kan hebben. Proef maar eens!”

Hij wierp het vleesch naar Baree toe. Er viel niet aan te twijfelen hoe deze het ontvangen zou. Baree was uitgehongerd—en het vleesch werd hem toegeworpen door een vriendenhand. Hij zette er zijn tanden in. Zijn kaken vermaalden het. Er kwam nieuw vuur in zijn bloed, terwijl hij zich te goed deed, maar geen oogenblik verlieten zijn roodgeworden oogen het gelaat van den ander. Carvel gespte den ransel weer op zijn rug. Hij stond op, nam zijn geweer op, gleed in zijn sneeuwschoenen en keek het noorden in.

„Kom mee, jongen,” zeide hij, „we moeten er vandoor.”

Het was een zakelijke uitnoodiging, alsof zij al langen tijd samen gereisd hadden. Het was misschien niet alleen een uitnoodiging, maar half een bevel. Baree begreep er niets van. Een halve minuut bleef hij onbeweeglijk staan en keek naar Carvel's rug, terwijl deze naar het noorden toeschreed. Carvel keek niet om. Een plotselinge kramp trok door Baree heen; hij draaide zijn kop in de richting van Lac Bain, daarna keek hij weer naar Carvel en een gejank, nauwelijks boven zijn ademhaling uitkomend, rees uit zijn strot. De man was juist op het punt om in het dichte sparrenbosch te verdwijnen. Hij stond stil en keek om.

„Kom je, jongen?”

Zelfs op dezen afstand kon Baree hem vriendelijk zien grinniken; hij zag de uitgestrekte hand en de stem wekte nieuwe gewaarwordingen bij hem op. Zij was niet als Pierrot's stem. Hij had nooit van Pierrot gehouden. Ook was zij niet zacht en vriendelijk, zooals die van Nepeese. Hij had in zijn leven maar een paar menschen leeren kennen en hen allen met wantrouwen beschouwd. Maar deze stem ontwapende hem. Zij was verlokkend in haar vraag. Hij verlangde er op te antwoorden. Hij kreeg een groot verlangen, geheel onverwachts, om den vreemdeling op de hielen te volgen. Voor het eerst in zijn leven verlangde hij naar de vriendschap van een man. Hij zette zich niet in beweging voor Jim Carvel het sparrenbosch binnenging. Toen begon hij te volgen.

* * * * *

Dien nacht kampeerden zij in het dichte gewas van ceders en balsemstruiken, tien mijlen ten noorden van Mc Taggart's vallenlijn. Het had een paar uren gesneeuwd en hun voetspoor was bedolven. Het sneeuwde nog voortdurend, maar geen witte vlok drong het dichte baldakijn van takken door. Carvel had zijn kleine zijden tent opgezet en een houtvuur gebouwd; hun avondmaal was afgeloopen en Baree lag op zijn buik, den vogelvrij verklaarde aan te kijken, bijna binnen het bereik van diens hand. Met zijn rug tegen een boom zat Carvel heerlijk te rooken. Hij had zijn muts en jas afgeworpen en in den warmen vuurgloed zag hij er bijna jongensachtig jeugdig uit. Maar zelfs in dezen gloed verloor zijn gelaat niets van zijn scherpe lijnen, noch zijn oogen van hun heldere levendigheid.

„'t Lijkt wel eens prettig om met iemand te kunnen praten,” zeide hij tegen Baree. „Tegen iemand, die je begrijpt en toch zijn mond houdt. Heb jij wel eens verlangd om te huilen, terwijl je niet durfde? Nu, zoo is 't bij mij 't geval. Soms heb ik op het punt gestaan te barsten, omdat ik met iemand praten wou en niet durfde.”

Hij wreef zijn handen en hield die toen bij het vuur. Baree keek naar elke beweging, die hij maakte en luisterde aandachtig naar ieder geluid, dat hij voortbracht. Zijn oogen verrieden nu een soort vereering, zijn blik verwarmde Carvel's hart en deed hem de uitgestrekte eenzaamheid en ledigheid van den nacht vergeten. Baree had zich dichter naar de voeten van den man toegesleept en eensklaps boog Carvel over en klopte hem op den kop.

„Ik ben slecht, ouwe jongen,” grinnikte Carvel. „Maar jij neemt het me niet kwalijk—geen sikkepit. Wil je weten wat er gebeurd is?” Hij wachtte een oogenblik en Baree staarde hem strak aan. Toen vervolgde Carvel, alsof hij tegen een mensch sprak: „Laat eens zien—het is nu vijf jaar geleden, in December, juist tegen Kerstmis. Had een vader. Een knappe ouwe man, die vader van me. Geen moeder—alleen dien vader maar, en als je ons bij mekaar optelde, vormden we maar Eén. Begrepen? En toen kwam er een schoelje, Hardy heette hij, en heeft hem neergeschoten op een goeien dag, omdat Vader hem tegengewerkt had in de politiek. Niks meer of minder dan moord was 't. En zij hebben dien schoelje er niet voor opgehangen! Neen, m'n waarde, ze hebben hem niet opgehangen. Daarvoor had hij te veel geld en te veel vriendjes bij zijn politieke partij en ze hebben hem alleen maar twee jaar hechtenis gegeven. Maar hij is niet in de gevangenis terecht gekomen. Nee—waarachtig niet!”

Carvel wrong zijn handen zoo hevig, dat de gewrichten kraakten. Een vroolijke glimlach verhelderde zijn gelaat en zijn oogen gingen weer naar het vuur. Baree slaakte een diepen zucht, puur toevallig, maar het oogenblik was er spannend genoeg voor.

„Nee, hij is niet in de gevangenis terecht gekomen,” vervolgde Carvel, Baree weer strak aankijkend. „Ondergeteekende wist wel, wat dat te beteekenen had, ouwe jongen. Hij zou binnen het jaar gratie gekregen hebben. En daar lag mijn vader, de grootste helft van mezelf, in zijn graf. Daarom ging ik op dien schoelje af, waar alle rechters en advocaten bij waren en al zijn dierbare familieleden en vrienden—_en vermoordde hem_! En toen ontsnapte ik. Was al uit 't raam gesprongen vóór ze bekomen waren van hun verbazing, maakte, dat ik de bosschen in kwam en heb sinds dien tijd geleefd van het wild, dat ik vangen kon. En ik denk zoo, dat God me goedgezind was, kerel. Want hij deed een merkwaardig ding om me te helpen, voorverleden zomer, juist toen de Beredene me op de hielen zat en 't er kwaad voor me uitzag. Een man werd verdronken gevonden in het Rendierland, juist op een plek waar ze dachten mij in 't nauw gedreven te hebben, en nu had de goede God het zóó beschikt, dat die man zooveel op mij leek, dat ze hem onder mijn naam begraven hebben. Dus daarom ben ik nu officieel dood, ouwe jongen. Ik hoef nergens meer bang voor te zijn, zoolang ik me niet te veel onder de menschen begeef, den eersten tijd, en nu heb ik zoo bij mezelf uitgemaakt, dat God nogal met me op heeft, omdat hij me op die manier uit de klem heeft geholpen. Wat denk jij er van, hè?”

Hij boog zich voorover, als om een antwoord te ontvangen. Baree had naar hem geluisterd. Misschien had hij zelfs gedeeltelijk begrepen. Maar er was een ander geluid dan Carvel's stem, dat hem nu in de ooren klonk. Met zijn kop dicht bij den grond hoorde hij het duidelijk. Hij jankte en het janken eindigde in een grauw, zoo zacht, dat Carvel maar heel even de waarschuwing er in opmerkte. Hij nam een strakkere houding aan. Toen stond hij op en keek het zuiden in. Baree stond naast hem, met gespannen pooten en alle haren op zijn rug overeind.

Na een oogenblik van diepe stilte zeide Carvel:

„Familie van jou, ouwe jongen. Wolven.”

Hij ging de tent binnen om zijn geweer en patronen te halen.

XXVIII.

De lokstem van het Zuiden.

Baree stond, stokstijf, alsof hij uit steen gehouwen was, toen Carvel de tent weer uitkwam en eenige oogenblikken bleef Carvel zwijgend naast hem staan en sloeg hem nauwlettend gade. Zou de hond antwoorden op de stem van den troep? Hoorde hij er bij? Zou hij weggaan—nu? De wolven kwamen nader. Zij trokken niet in kringen voort, zooals een kariboe of hert dat gedaan zou hebben, maar recht vooruit—zij kwamen in een rechte lijn op hun kamp af. De beteekenis van dit feit was voor Carvel duidelijk genoeg. Dien heelen middag door hadden Baree's pooten een reuk van bloed in zijn spoor nagelaten en de wolven hadden dit spoor ontdekt in het diepst van het bosch, waar de sneeuw het niet bedekt had. Carvel ontstelde niet. Meer dan eens had hij in die vijf jaren zwervens tusschen de Noordpool en den Kop van het Land, dit spelletje met de wolven te spelen gekregen. Eens had hij bijna verloren, maar dat was op de vlakte geweest, in het Onvruchtbare Land. Vannacht had hij een vuur en voor het geval hij geen hout genoeg had om het brandende te houden, waren er nog altijd boomen, waarin hij klimmen kon. Zijn bezorgdheid gold op het oogenblik voornamelijk: Baree. Als de hond wegliep, zou hij weer alleen achterblijven. Daarom zeide hij, zijn stem zoo gewoon mogelijk houdend:

„Je gaat toch niet weg, zeg, ouwe jongen?”

Baree gaf geen blijken, hem verstaan te hebben. Maar Carvel, die hem nog steeds nauwkeurig bekeek, zag, dat het haar op zijn rug borstelig opstond en toen hoorde hij—langzaam zwellend in Baree's strot—een grommen, waaruit woeste haat sprak. Het was een dergelijk gegrom als datgene, dat den agent van Lac Bain achteruit had doen gaan en Carvel, den grendel van zijn geweer openend, om te zien of alles in orde was, grinnikte blij. Misschien hoorde Baree dit. Het kan zijn, dat hij er een beteekenis aan gaf, want hij draaide plotseling zijn kop om en keek zijn metgezel aan; zijn ooren lagen plat op zijn kop.

De wolven waren stil geworden. Carvel wist, wat dit beduidde en was op zijn hoede. In de stilte klikte de veiligheidsdop op zijn geweer met metaalachtige scherpte. Minutenlang hoorde hij niets dan het knapperen van het vuur. Plotseling schenen Baree's spieren te kraken. Hij sprong achteruit en bleef staan, gewend in de richting waarheen Carvel's rug gedraaid was; zijn kop ter hoogte van zijn schouders, zijn centimeterslange slagtanden glinsterden toen hij grauwde tegen de donkere spelonken van het bosch, juist achter den rand van het vuur. Carvel had zich omgedraaid met de snelheid van een schot. Het was wel schrikaanjagend, wat hij te zien kreeg. Een paar oogen, brandend van groenachtig vuur, en toen nog een paar en daarna zooveel paren, dat hij ze niet had kunnen tellen. Hij hijgde naar adem. Zij geleken op kattenoogen, maar waren veel grooter. Sommige, door het licht van het vuur ten volle beschenen, waren rood als vurige kolen, andere vlamden blauw en groen op—levende voorwerpen, zonder bijbehoorend lichaam. Met een snellen blik keek hij den zwarten boschrand langs. Zij waren daar ook, maar op de plek waar hij ze het eerst gezien had, was hun aantal het grootst. In deze eerste oogenblikken was hij Baree vergeten en onder den indruk, aan verstomming grenzend, van deze monster-linie van oogen, den dood voorspellend, die hen omringde.

Er waren zeker vijftig, misschien wel honderd wolven daarginds, nergens bang voor, behalve voor vuur. Zij waren genaderd zonder het geringste geluid van zachtgezoolde pooten of knappende twijgen. Als zij later gekomen waren en zij in slaap geweest waren en het vuur gedoofd—

Hij huiverde en een oogenblik werkte dit denkbeeld op zijn zenuwen. Hij was niet van plan geweest te schieten, tenzij uit noodzaak, maar ineens was zijn geweer bij zijn schouder en zond hij een stroom van vuur op de plek waar de oogen het dichtst waren. Baree wist wat schieten beteekende en, bezeten door het razend verlangen, een van zijn vijanden naar de keel te springen, rende hij hun richting uit. Carvel gaf een schreeuw van schrik toen hij hem zag gaan. Hij zag Baree's lichaam vooruitschieten, zag het verdwijnen in de duisternis en hoorde op hetzelfde oogenblik het doodaanbrengend geklik van slagtanden en den schok van lijven op elkaar. Een wilde opwinding maakte zich van hem meester.

De hond had den aanval in zijn eentje gewaagd en de wolven hadden hem afgewacht. Er was slechts één afloop mogelijk. Zijn viervoetige kameraad was regelrecht in de kaken van den dood geloopen!

Hij kon het woedende dichtklappen van kaken hooren, daarginds in de duisternis. Het was griezelig. Zijn hand greep fluks de automatische revolver, die aan zijn gordel hing en wierp zijn afgeschoten geweer op de sneeuw. Met de groote revolver van 38 m.M. kaliber voor zijn oogen wierp hij zich de duisternis in en uit zijn mond kwam een geschreeuw, dat op een mijl afstands gehoord kon worden. Tegelijk met dit geschreeuw spatte een gestadige stroom van vuur te midden der vechtende dieren. Er zaten elf schoten op de revolver en niet voordat hij deze alle gebruikt had, hield Carvel met zijn geschreeuw op en trok zich weer terug in de bescherming van het vuur. Hij luisterde, diep ademend. Hij zag geen oogen meer in de duisternis en hoorde ook geen geluid meer van bewegende lijven. De onverwachtheid en woede van dezen aanval had de wolvenhorde op de vlucht gedreven. Maar de hond! Hij hield zijn adem in en keek zoo scherp mogelijk uit. Een schaduw sleepte zich in den lichtcirkel. Het was Baree. Carvel rende op hem toe, sloeg zijn armen onder de schouders om hem heen en bracht hem bij het vuur.

Een tijdlang was er een vragend licht in Carvel's oogen. Hij herlaadde geweer en revolver, deed nieuwe brandstof op het vuur en haalde uit zijn bagagepak een stuk linnen voor den dag, waarmee hij drie of vier van de ergste kwetsuren in Baree's pooten verbond. En telkens vroeg hij op een peinzende manier:

„Maar wat drommel, waarom deed je dat toch, ouwe jongen? Wat heb _jij_ nu tegen de wolven?”

En dien nacht sliep hij in 't geheel niet, maar hield de wacht.

* * * * *

Hun ondervinding met de wolven verbrak het laatste restje onzekerheid, dat er tusschen man en hond bestaan kon hebben. Dagen er na, terwijl zij langzaam naar het noordwesten trokken, verpleegde Carvel Baree, zooals hij het een ziek kind gedaan zou hebben. Ter wille van de kwetsuren van den hond, legden zij niet meer dan een paar mijlen per dag af. Baree begreep het en er groeide sterker en sterker een groote liefde in hem voor den man, wiens handen even zacht waren als die van de Wilg en wiens stem hem verwarmde met een onmetelijke vriendschap. Hij voelde geen vrees of achterdocht meer voor hem. En Carvel, van zijn kant, deed waarnemingen. De uitgestrekte ledigheid van de wereld rondom hem gaf hem de gelegenheid, over onbelangrijke kleinigheden na te denken en iederen dag sloeg hij Baree nauwkeuriger gade. Hij deed ten slotte een ontdekking, die hem veel belang inboezemde. Altijd, wanneer zij stilstonden, bleef Baree naar het zuiden kijken; wanneer zij hun kamp opgeslagen hadden, snoof hij het veelvuldigst de lucht op uit het zuiden. Dit was heel natuurlijk, dacht Carvel, want zijn oude jachtterrein lag in die richting. Maar terwijl de dagen verstreken, begon hij nog andere dingen op te merken. Nu en dan jankte Baree zachtjes, kijkend in de richting vanwaar zij gekomen waren en zoo'n dag was hij vervuld met een groote onrust. Hij gaf er geen blijk van, dat hij Carvel wilde verlaten, maar meer en meer begon Carvel te begrijpen, dat de een of andere geheimzinnige aantrekkingskracht voor hem bestond, in het zuiden.

Het was het voornemen van den zwerver, af te slaan naar de streek van den Grooten Slaaf, een goede achthonderd mijlen naar het noordwesten, vóór de natte sneeuwval kwam. Daar vandaan—het water ontdooide er in de lente—wilde hij per kano naar het westen trekken, naar de Mackenzie en ten slotte naar de bergen van Britsch-Columbia. Zijn plannen veranderden echter in Februari. Zij werden aan de plaats geboeid door een grooten sneeuwstorm in Wholdaia-Meerland en juist toen de fortuin hun het ongunstigst toescheen, kwam Carvel aan een hut, midden in het dichte sparrenbosch en in die hut lag een doode man. Hij was blijkbaar al verscheidene dagen dood en stijf bevroren. Carvel hakte een gat in de aarde en begroef hem.

Deze hut werd een schat voor Carvel en Baree, voornamelijk voor den man. Blijkbaar had zij geen anderen bewoner bezeten dan den man, die gestorven was; zij was vol gemakken en ruim van voorraad voorzien; en meer dan dat, haar eigenaar had een prachtigen buit aan pelterijen gemaakt, voor de vorst zijn longen aangreep en hij stierf. Carvel onderzocht het bont zorgvuldig en met groote blijdschap.

Het was wel duizend dollar waard op elken handelspost en hij zag niet in, waarom dit alles nu voortaan niet aan hem zou toebehooren. Binnen een week had hij de door sneeuw bedolven vallenlijn van den doode weer duidelijk zichtbaar gemerkt en gebruikte die voor eigen jacht.

Dit was tweehonderd mijlen ten noordwesten van den Grijzen Fuut en Carvel merkte al spoedig op, dat Baree niet recht naar het zuiden keek, in de oogenblikken, waarin de zonderlinge lokstem tot hem kwam, maar naar het zuidoosten. En nu, terwijl de zon iederen dag wat hooger rees, werd het al warmer in de lucht, de sneeuw werd weeker en de lente was in aantocht. Toen kwam het oude verlangen weer in Baree, het verlangen naar de eenzame graven, daarginds bij den Grijzen Fuut, naar het verlaten hutje in den omtrek van den poel—en naar Nepeese. In zijn slaap zag hij van dit alles visioenen. Hij hoorde weer haar zachte, lieve stem, voelde de aanraking van haar hand, was weer met haar aan het spelen tusschen de donkere schaduwen van het bosch—en Carvel zat naast hem en keek naar hem, terwijl hij de beteekenis trachtte te begrijpen van hetgeen hij zag en hoorde.

In April bracht Carvel zijn verzameling pelswerk op zijn schouders naar den post van de Hudson-Baai Compagnie te Lac la Biche, dat nog noordelijker lag. Baree ging tot halfweg met hem mee en toen—tegen zonsondergang—ging hij plotseling terug. Na een week keerde Carvel naar de hut terug en trof hem daar aan. Hij was zoo overvol van blijdschap, dat hij den kop van den hond in zijn armen nam en hem liefkoosde. Zij bleven in de hut wonen tot Mei. De knoppen begonnen toen te zwellen en de geur van groeiende planten steeg uit de aarde op.

Carvel vond op zekeren dag de eerste vroege blauwe bloemen.

Dien avond begon hij te pakken.

„Het wordt onze tijd om verder te gaan reizen,” kondigde hij Baree aan. „En ik ben een beetje van plan veranderd. We gaan terug—dien kant uit.”

En hij wees naar het zuiden.

XXIX.

Het einde van den zoektocht.

Een vreemde gril had zich meester gemaakt van Carvel, toen hij zijn reis naar het zuiden begon. Hij geloofde niet in voorteekens, goede noch kwade. Het bijgeloof had een kleine rol in zijn leven gespeeld, maar hij bezat nieuwsgierigheid en lust in het avontuurlijke en de jaren van eenzaam zwerven hadden hem een merkwaardig heldere visie gegeven in sommige gevallen, wat men een zeer werkzame verbeeldingskracht zou kunnen noemen. Hij wist, dat de een of andere onweerstaanbare kracht Baree naar het zuiden trok—dat hij erheen getrokken werd, niet alleen langs een zekere streek van het kompas, maar naar een bepaald punt ervan. Om geen reden in het bijzonder begon het geval hem meer en meer belang in te boezemen en daar zijn tijd waardeloos was en hij geen vaste bestemming voor oogen had, begon hij zijn proef te nemen.

De eerstvolgende paar dagen gaf hij de leiding aan Baree over, en gedurende dien tijd registreerde hij de richting, die de hond nam, volgens het kompas. Zij gingen recht het zuidoosten in. Den derden morgen sloeg Carvel met opzet scherp af naar het westen. Hij merkte snel de verandering in Baree op—zijn onrust in den beginne en daarna de terneergeslagen houding, waarin hij hem op de hielen volgde. Tegen den middag veranderde hij zijn richting weer naar het zuidoosten en bijna oogenblikkelijk herkreeg Baree zijn oude opgewektheid en rende voor zijn meester uit.

Daarna, dag in, dag uit, volgde Carvel den hond.

„Ik lijk eigenlijk wel gek, ouwe jongen,” verdedigde hij zich op zekeren avond. „Maar 't is toch nogal grappig—en ik moet in de buurt van de spoorlijn komen, voor ik de bergen over kan. Dus wat doet het er toe? Ik ben tot je beschikking—zoolang je me niet terugbrengt naar dien kerel van Lac Bain. Maar—wat duivel! Wil je naar de vallenlijn om af te rekenen? Als dat zoo is—”.

Hij blies een rookwolk uit zijn pijp, terwijl hij Baree aankeek en Baree, met zijn kop tusschen zijn voorpooten, keek hem eveneens aan.

Een week later antwoordde Baree op Carvel's vraag door naar het westen af te slaan en daardoor een heel eind uit de buurt van Lac Bain te blijven. De middag was al half verstreken, toen zij het pad overstaken, waarlangs Bush Mc Taggart zijn klemmen en vallen uitgezet had. Baree bleef zelfs geen oogenblik stil staan. Hij trok voortdurend naar het zuiden en wel zoo snel, dat Carvel hem soms uit het gezicht verloor. Een onderdrukte maar hevige opwinding maakte zich van hem meester en hij begon te janken, zoodra Carvel maar even stil bleef staan om te rusten—altijd de lucht opsnuivend in zuidelijke richting. Het voorjaar, de zoete geuren in de lucht brachten hem dat groote Gisteren weer terug, toen hij aan Nepeese behoord had. In zijn onberedeneerd brein bestond de winter niet meer. De lange maanden van koude en honger waren voorbij, waren vergeten, nu nieuwe droomen hem vervulden. De vogels en de bloemen en de blauwe luchten waren teruggekomen en tegelijk hiermee moest de Wilg stellig ook teruggekeerd zijn en zij zou op hem wachten, daarginds, vlak achter den zoom van dat groene bosch.

Er begon zich iets van Carvel meester te maken, belangrijker dan eenvoudige nieuwsgierigheid. De gril van een oogenblik werd tot een vaste en diepere gedachte vervormd en wekte ten slotte een verwachting, die met onderdrukte opwinding vergezeld ging. Toen zij den ouden bevervijver bereikten, had het mysterie van dit zonderlinge avontuur ook vat op hem gekregen. Na Gebroken Tand's kolonie bezocht te hebben, leidde Baree hem naar de kreek, waarlangs Wakayoo, de groote zwarte beer, gevischt had en vandaar regelrecht naar den Grijzen Fuut.

Het was in den vroegen namiddag en prachtig weer. Het was zoo stil rondom, dat het kabbelende water der lente, zingend in duizend beekjes en stroompjes, de bosschen vervulde met een gonzende muziek. In de warme zon gloeide bloedrood de bakneesh. Op de open plekken geurden blauwe bloemen. In de boomen en struiken bouwden de vogelpaartjes hun nestje. Na den langen winterslaap arbeidde de Natuur weer in al haar glorie. Het was _Unekepesim_—paarmaand—en Baree ging naar huis terug. Enkel en alleen maar om Nepeese te vinden. Hij wist, dat zij daar nu was, misschien vlak aan den rand van den afgrond, waar hij haar het laatst gezien had. Zij zouden samen gaan spelen, zooals zij gisteren gespeeld hadden en eergisteren en vooreergisteren en in zijn blijdschap blafte hij naar Carvel op en zette hem aan tot grooter spoed. Toen kwamen zij aan de open plek en weer stond Baree zoo onbewegelijk als een rots. Carvel zag de verkoolde overblijfselen van de verbrande hut en even later de twee graven, onder de hooge sparren. Hij begon te begrijpen en zijn oogen gingen langzaam naar den hond, luisterend in afwachtende houding. Er zwol aandoening in zijn keel en na eenige oogenblikken zeide hij zacht en met moeite:

„Jongen, ik geloof, dat je hier thuis bent.”