Part 15
Den vijfden dag keerde Mc Taggart naar zijn standplaats terug. Hij was in een kwade bui. Van de vier Franschen trof hij alleen Valence aan en Valence hoorde zijn verhaal aan en hoorde hem ook naderhand Marie uitschelden. Zij kwam, wat later, in het magazijn, grootoogig en angstig, één van haar wangen zag donkerrood, waar Mc Taggart haar geslagen had. Terwijl de magazijnmeester het blikje zalm voor haar opzocht, waarmede Mc Taggart zijn maal wenschte te doen, vond Valence de gelegenheid, haar zacht iets in het oor te fluisteren.
„M'sieu Lerue heeft een zilvervos gevangen,” zeide hij met lichten triomf. „Hij, _mon ami_, heeft je lief en hij zal tegen het voorjaar een prachtige vangst gemaakt hebben—en hij zendt je deze boodschap, uit zijn hut bij het kleine zwarte Beertje zonder Staart: „_Houd je gereed om te vluchten, zoodra de zachte sneeuw valt!_””
Marie keek hem niet aan, maar zij had hem verstaan en haar oogen straalden zóó als sterren, toen de jonge magazijnmeester haar de zalm overreikte, dat hij na haar vertrek tot Valence zeide.
„Zij kwijnt langzaam weg, maar zij kan toch zoo nu en dan nog wel mooi zijn, Valence!”
En Valence knikte toestemmend met een eigenaardigen glimlach.
XXV.
Baree maakt het Mc Taggart lastig.
Tegen het midden van Januari was de strijd tusschen Baree en Bush Mc Taggart meer dan een voorval geworden—meer dan een voorbijgaand avontuur voor het dier en meer dan een ergerniswekkende gebeurtenis voor den man. Hij maakte voorloopig eenvoudig de reden van hun bestaan uit. Baree bleef steeds in den omtrek van de vallenlijn. Hij bezocht haar steeds alsof hij een ronddwalende geest was en iederen keer, dat hij opnieuw den reuk van den agent van Lac Bain opsnoof, voelde hij te sterker, dat hij zich op zijn doodsvijand wreekte. Telkens opnieuw verschalkte hij Mc Taggart; hij ging er mee voort, de klemmen en vallen van hun lokaas te berooven; de stemming om te verwoesten verergerde, telkens als hij bij een pelsdier kwam; zijn grootste genoegen lag niet in het verslinden van het aas, maar in het verwoesten er van. Het vuur van zijn haat vlamde steeds hooger op, tot hij ten laatste tegen de sneeuw begon te grauwen en er in te bijten, wanneer Mc Taggart er overheen geloopen had. En al dien tijd had hij, onafhankelijk van deze razernij, een visioen van Nepeese, dat hoe langer hoe duidelijker scheen te worden.
Die groote eenzaamheid—die eenzaamheid gedurende de lange dagen en nog langere nachten, toen hij wachtte en zocht in den omtrek van den Grijzen Fuut, drukte hem weer, zooals zij hem gedrukt had in de eerste dagen na haar verlies. In sterren- en maannachten zond hij opnieuw zijn jammerkreten voor haar de lucht in en er liep Bush Mc Taggart, wanneer hij deze hoorde, een vreemde huivering over den rug.
De haat van den man verschilde van dien van het dier, maar was misschien nog onverzoenlijker. Bij Mc Taggart was het niet alleen haat. Er was een onbeschrijfelijke en bijgeloovige vrees in gemengd, waarom hij lachte en waarover hij vloekte, maar die hem bijbleef, even zeker als de reuk van zijn eigen voetspoor in Baree's neusgaten drong. Het was Baree niet alleen, waarmee hij te maken had, maar _Baree nam het voor Nepeese op bovendien_. Deze gedachte zette zich steeds meer bij Mc Taggart vast. Er ging nooit een dag voorbij, waarin hij niet aan de Wilg dacht, nooit kwam en verstreek er een nacht, waarin hij haar gelaat niet duidelijk voor zich zag. Hij verbeeldde zich zelfs, op een stormachtigen nacht, dat hij haar stem hoorde in het geweeklaag van den wind—nauwelijks een minuut later hoorde hij flauwtjes een gehuil in het bosch. Dien nacht was zijn hart vervuld met een loodzware vrees. Hij trachtte haar van zich af te zetten. Hij rookte pijpen, totdat de kamer in zijn hut in een blauwen nevel gehuld was. Hij schold op Baree en den storm, maar hij bezat den overbluffenden moed van vroeger niet meer. Hij had niet opgehouden Baree te haten—hij haatte hem nog steeds, heviger dan hij ooit een mensch gehaat had—maar hij had nu een nog grooter reden, hem dood te wenschen. Eerst kwam zij tot hem in den slaap, in een onrustigen droom en daarna leefde de gedachte voor hem, leefde de gedachte, _dat Nepeese's geest Baree geleidde bij het verwoesten van zijn vallenlijn_!
Na een poosje praatte hij niet meer op den Post over den zwarten wolf, die zijn gebied plunderde. Het pelswerk, door Baree's tanden beschadigd, hield hij apart en hij bewaarde zijn geheim. Hij leerde elke list en uitvinding, die de jagers gebruikten om vossen en wolven te dooden in het Onvruchtbare Land. Hij probeerde drie verschillende vergiften, waarvan er één, zoo sterk was, dat een droppel er van den dood bracht; hij bracht strychnine aan in capsules van gelatine, in hertenvet, in kariboevet, in elandslever en zelfs in het vleesch van het stekelvarken. Ten laatste doopte hij bij het bereiden der vergiften en vóór het aanraken van het vleesch zijn handen in beverolie, zoodat er geen menschenreuk bij kon komen. Vossen, wolven, ja zelfs wezels en hermelijnen stierven er aan, maar Baree kwam er altijd dichtbij, maar toch nooit dicht genoeg. In Januari vergiftigde Mc Taggart het aas van al zijn vallen. Dit had tenminste één goed resultaat voor hem. Van dien dag af raakte Baree nooit meer aan het lokaas, maar at alleen de konijnen op, die hij doodde in de klemmen. In Januari kreeg Mc Taggart voor het eerst Baree te zien. Hij had zijn geweer tegen een boom geplaatst en was er juist een paar meter vandaan. Het leek wel of Baree dit wist en speciaal kwam om hem te tarten, want toen de agent onverwacht opkeek, stond Baree nog geen twintig meter van hem af, een eind buiten de dwergsparretjes; zijn witte tanden glinsterden en zijn oogen brandden als kolen vuur. Even bleef Mc Taggart naar hem staren of hij versteend was. Het was Baree wel degelijk. Hij herkende de witte ster, het witgevlekte oor en zijn hart bonsde in zijn borst als een hamer. Heel langzaam begon hij naar zijn geweer toe te kruipen. Hij strekte er de hand naar uit, toen Baree verdween, snel als het weerlicht.
Dit bracht Mc Taggart op een nieuw denkbeeld. Hij baande zich een anderen weg door het bosch, die evenwijdig liep met zijn vallenlijn, maar op ten minste vijfhonderd meter afstand. Maar overal waar hij een klem of val had uitgezet maakte dit tweede pad een scherpen hoek, zooals de punt van een V, zoodat hij de oude vallenlijn onopgemerkt kon bereiken. Door deze list geloofde hij, dat hij den een of anderen dag den hond onder schot zou kunnen krijgen. Het was de man, die redeneerde, en de man, die verslagen werd. Den eersten dag dat Mc Taggart dit nieuwe pad volgde, deed Baree het eveneens. Eerst begreep hij niet, wat dit te beteekenen had. Driemaal maakte hij een verbindingspad tusschen de oude en de nieuwe lijn. Daarna weifelde hij niet langer. Het nieuwe pad was het laatst beloopen en hij volgde de voetstappen van den agent van Lac Bain. Mc Taggart vermoedde niet wat er gebeurde voor hij terugkeerde en het in de sneeuw aangetoond zag. Baree had een bezoek gebracht aan elke klem en zonder uitzondering was hij elken keer genaderd langs de omgekeerde V. Na een week van nutteloos achternajagen, van op wacht liggen, van besluipen uit iedere richting—gedurende welk tijdsverloop Mc Taggart zich bijna razend gevloekt had, kreeg hij weer een ander plan. Het was een ingeving, dit laatste plan, en zóó eenvoudig, dat het onbegrijpelijk was, dat hij er niet vroeger aan gedacht had.
Twee dagen later was Mc Taggart weer terug, bij het aanbreken van den dag. Ditmaal droeg hij een pak, waarin een half dozijn stevige wolfsklemmen zaten, pas in beverolie gedoopt, en een konijn, dat hij den vorigen nacht gestrikt had. Nu en dan keek hij angstig naar de lucht. Deze bleef helder tot in den laten namiddag, toen donkere wolkenbanken uit het oosten kwamen aandrijven. Een half uur later begonnen er een paar sneeuwvlokken te vallen. Mc Taggart liet er een op zijn want vallen en bekeek haar nauwkeurig. Zij was zacht en donzig en hij gaf uiting aan zijn voldoening. Het was juist wat hij verlangde. Vóór den volgenden morgen zou er een decimeter sneeuw liggen en alles bedekken. Hij bleef staan bij de eerste val en ging snel aan het werk. Eerst wierp hij het vergiftigde lokaas weg en verving het door het konijn. Toen begon hij zijn wolfsklemmen uit te zetten. Drie er van plaatste hij vlak bij het deurtje van de val, waardoor Baree zijn kop zou moeten steken om het aas te bereiken. De overblijvende negen verspreidde hij op afstanden van een voet ongeveer, zoodat, toen hij klaar was, een heele linie van klemmen de val omringde. Hij maakte de kettingen niet vast, maar liet ze los in de sneeuw liggen. Als Baree in de eene klem kwam, raakte hij vanzelf in de volgende en hij behoefde haar dus niet eens vast te leggen. Nadat hij zijn werk afgedaan had, haastte Mc Taggart zich door de zich verdichtende schemering naar zijn hutje terug. Hij was buitengewoon in zijn schik. Ditmaal kon er geen sprake zijn van een mislukking. Hij had elke klem over zijn heelen weg naar Lac Bain dicht laten springen en Baree zou nergens iets vinden om te eten voordat hij den „kring” der wolfsklemmen bereikte.
Dien nacht vier er veel sneeuw en de heele wereld scheen in een prachtig wit gewaad gehuld. De sneeuw hing als golven van veeren aan de boomen en struiken; zij gaf hooge witte mutsen aan de rotsen en zij was zoo week onder de voeten, dat een patroon, die men uit de hand liet vallen, er in wegzonk tot op den grond. Baree was al vroeg op de vallenlijn. Hij was voorzichtiger, dezen morgen, want de reuk van Mc Taggart's sneeuwschoenspoor was er niet, om hem den weg te wijzen. Hij bereikte de eerste klem ongeveer halfweg Lac Bain en het hutje, waarin de agent in afwachting gebleven was. Zij was dichtgesprongen en er zat niets in. Klem na klem zocht hij op en alle zaten dicht en waren zonder lokaas. Hij snoof argwanend de lucht in, te vergeefs trachtend rook of menschenlucht te ontdekken. Tegen den middag naderde hij den „klemmenkring”—de twaalf verraderlijke klemmen, die met gapende kaken op hem wachtten, een halven voet diep onder de sneeuw. Een volle minuut lang bleef hij staan, buiten het gevaarlijke terrein, snuivend en luisterend. Hij zag het konijn en zijn kaken klapten hongerig dicht. Hij kwam een stap dichterbij. Nog steeds was hij achterdochtig—om de een of andere onverklaarbare reden vermoedde hij gevaar. Gretig zocht hij er naar, met oogen, neus en ooren. En rondom heerschte groote stilte en vredigheid. Zijn kaken klapten opnieuw op elkaar. Hij jankte zacht. Wat verontrustte hem toch? Waar was dan het gevaar, dat hij zien noch ruiken kon? Langzaam cirkelde hij om de val heen, driemaal, en bij elken cirkel, dien hij beschreef, kwam hij wat dichterbij—totdat zijn pooten bijna de uiterste klemmenlinie aanraakten. Nog even bleef hij stilstaan, ondanks den heerlijken geur van het konijn in zijn neusgaten, trok er hem iets vandaan. Bijna was hij er vandoor gegaan, maar plotseling kwam er vlak van achter de val een heftig rat-achtig gepiep en het volgende oogenblik zag Baree een hermelijn, nog witter dan de sneeuw, dat hongerig aan het konijnevleesch rukte. Hij vergat dat zonderlinge voorgevoel van gevaar. Hij gromde woedend, maar zijn moedige kleine mededinger liet zijn buit niet los.
En toen sprong hij middenin den vallenkring, dien Bush Mc Taggart voor hem aangelegd had.
XXVI.
Mc Taggart's triomf.
Den volgenden morgen hoorde Bush Mc Taggart een gerammel van kettingen, toen hij nog wel een kwart mijl van den vallenkring verwijderd was. Was het een lynx? Was het een marter? Was het een wolf of een vos? _Of was het Baree?_ Hij legde den overigen afstand rennend af en toen hij eindelijk op een punt kwam, vanwaar hij zien kon, sprong zijn hart op van blijdschap, toen hij bemerkte, dat hij zijn vijand gevangen had. Hij kwam naderbij, zijn geweer gereed houdend om te vuren, voor het geval de hond zich mocht weten te bevrijden.
Baree lag op zijn zijde, hijgend van uitputting en rillend van pijn. Een heesche kreet van vreugde ontsnapte Mc Taggart's lippen, toen hij dichterbij kwam en naar de sneeuw keek. Zij lag stijf vastgetrapt om den val heen, waar Baree had liggen worstelen, en zag rood van bloed. Het bloed was meerendeels uit Baree's bek gevloeid. Die droop er nog van, terwijl hij zijn vijand aangluurde. De stalen kaken hadden hun onbarmhartig werk goed verricht, verborgen onder de sneeuw. Een van zijn voorpooten was stevig vastgekneld, tot aan het eerste gewricht toe, zijn beide achterpooten zaten eveneens gevangen; een vierde klem had zich om een zijner flanken gesloten en in zijn worsteling om zich ervan te bevrijden had een stuk huid losgelaten ter grootte van Mc Taggart's halve hand. De sneeuw deed het verhaal van zijn wanhopigen strijd den heelen nacht lang; zijn bloedende kaken toonden hoe hij te vergeefs getracht had zich met zijn tanden van het omklemmende staal te ontdoen. Hij hijgde naar adem. Zijn oogen waren met bloed doorloopen. Maar zelfs nu, na al deze uren van ellende, was zijn moed, noch geestkracht gebroken. Toen hij Mc Taggart zag, probeerde hij met een ruk overeind te komen, maar viel bijna oogenblikkelijk weer in de sneeuw neer. Maar hij zette zijn voorpooten schrap. Hij hield kop en borst op en de grauw, dien hij voortbracht, was tijgerachtig in zijn woestheid.
Hier stond nu eindelijk en ten laatste, niet meer dan een paar meter van hem af, het eenige wezen in de heele wereld, dat hij heftiger haatte dan het wolvengebroed. En weer was hij hulpeloos, zooals hij indertijd hulpeloos was geweest in den konijnenstrik.
De woestheid van zijn grauwen wekte ditmaal geen angst bij Bush Mc Taggart. Hij zag dat de ander volkomen aan zijn genade was overgeleverd en met een lach van voldoening zette hij zijn geweer tegen den boom aan, trok zijn wanten uit en begon zijn pijp te stoppen. Dit was de triomf, waarnaar hij verlangd had, de marteling, waarnaar hij had uitgezien. Er was een haat in zijn ziel, even doodelijk als die van Baree, de haat dien een man kon voeden tegenover een anderen man. Hij had zich eerst voorgenomen, den hond een kogel door den kop te jagen. Maar dit was nog beter—hem langzamerhand te zien sterven, hem te kwellen zooals hij een menschelijk wezen gekweld zou hebben, om hem heen te loopen, zoodat hij het gerammel van den ketting hoorde en het versche bloed te zien vloeien als Baree zijn gemarteld lijf en ledematen wrong om hem met de oogen te kunnen blijven volgen. Het was een schitterende wraakneming. Hij was er zoo in verdiept, dat hij de nadering van sneeuwschoenen achter zich niet hoorde. Het was een stem, een mannenstem, die hem plotseling deed omkijken.
De man was een vreemdeling en wel tien jaar jonger dan Mc Taggart. Ten minste, hij zag er niet ouder uit dan vijf- of zes-en-dertig, ondanks zijn blonden, kortgeknipten baard. Hij had een voorkomen, dat in het algemeen iedereen aangenaam moest aandoen; hij had iets jongensachtigs en was toch volkomen een man; met heldere oogen keek hij vrij onder den rand van zijn bonten muts uit, zijn lichaam was lenig als dat van een Indiaan en zijn gelaat droeg niet de harde lijnen, in de wildernis opgedaan. Toch wist Mc Taggart, nog vóór hij gesproken had, dat deze man in de wildernis thuis hoorde, dat hij er met hart en ziel deel van uitmaakte. Zijn muts was van marterbont. Hij droeg een jas, tegen weer en wind bestand, van zacht gelooid kariboeleer, om het middel opgehouden door een lange ceintuur, op Indiaansche manier met franje versierd. Zijn jas was met bont gevoerd. Hij droeg een broek van zwarte stof, zooals de inwoners van Hudson Baai dragen, en had mocassins aan. Hij reisde op lange, slanke sneeuwschoenen, speciaal gemaakt voor het houtland; zijn ransel op de schouders gebonden, was klein en stevig samengepakt en hij droeg zijn geweer in een laken overtrek. En van het hoofd tot de voeten zag hij er verreisd uit. Mc Taggart zou op den gis gezegd hebben, dat hij in de laatste paar weken wel duizend mijlen afgelegd had. Deze gedachte was het echter niet, die hem een plotselinge siddering door de leden joeg, maar de vrees, dat op geheimzinnige wijze een gefluister van de waarheid zijn weg gevonden mocht hebben, ver naar het zuiden—de ware lezing van hetgeen er voorgevallen was bij den Grijzen Fuut—en dat deze vreemdeling onder zijn kariboeleeren jas het insigne van de Koninklijke Noordwestelijke Bereden Politie droeg. Deze angst maakte zich eenige oogenblikken van hem meester en hij bleef sprakeloos staan.
De vreemdeling had alleen een verbaasden uitroep geslaakt. Nu zeide hij met zijn oogen op Baree gevestigd: „God zegen' ons, u hebt dien armen drommel daar leelijk in 't nauw gebracht, niet?”
Er was iets in zijn stemklank, dat Mc Taggart geruststelde. Er klonk geen achterdocht in en hij kon zien, dat de vreemdeling meer belang stelde in het dier dan in hem. Hij haalde diep adem.
„Een vallendief,” zeide hij.
De vreemdeling bekeek Baree nog scherper. Hij stak zijn geweer ondersteboven in de sneeuw en kwam naderbij.
„Hemel nog toe, het is een hond!” riep hij uit.
Achter hem stond Mc Taggart en keek naar hem met oogen als van een fret.
„Ja, een hond,” antwoordde hij. „Een wilde hond, ten minste voor de helft wolf. Hij heeft me zeker voor duizend dollars bestolen dezen winter.”
De vreemdeling hurkte bij Baree neer, zijn handen, in wanten gestoken, rustten op zijn knieën en zijn witte tanden glinsterden in een halven glimlach.
„Arme bliksem!” zeide hij medelijdend. „Zoo ben jij nu een vallendief? Een vogelvrij verklaarde? En—de politie heeft je te pakken gekregen? En—'t is me wat moois—ze heeft je geen mooie poets gebakken, hoor!”
De vreemdeling stond op en keek Mc Taggart aan.
„Ik moest wel een heeleboel klemmen uitzetten om hem te vangen,” verdedigde de agent zich, een weinig blozend onder den strakken blik van de blauwe oogen van den vreemdeling. Plotseling kwam zijn verbittering weer boven. „En hij zal hier sterven. Ik zal hem hier doodpijnigen en in de klemmen laten vergaan als straf voor wat hij uitgehaald heeft.” Hij nam zijn geweer op en voegde er bij, met zijn oogen op den vreemdeling gevestigd en zijn vinger aan den trekker: „Ik ben Bush Mc Taggart, de agent van Lac Bain. Trekt u dezen weg langs, m'sieu?”
„Een paar mijl nog maar. Ik trek door naar daarginds, het Onvruchtbare Land.”
Mc Taggart voelde weer die zonderlinge onrust.
„Gouvernement?” vroeg hij.
De vreemdeling knikte.
„Van—de politie misschien,” hield Mc Taggart aan.
„Zeker, ja—natuurlijk—van de politie,” zeide de vreemdeling, den agent strak aankijkend. „En nu, m'sieu, ga ik u verzoeken, als een groote gunst aan de Wet toegestaan, om een kogel te jagen door den kop van dat dier, vóór wij verder gaan. Wilt u? Of zal ik het doen?”
„Het is de wet van de vallenlijn,” zeide Mc Taggart, „om een vallendief in zijn eigen val te laten vergaan. En dit beest was een duivel. Luister eens—”
Snel, en toch geen enkele kleinigheid weglatend, vertelde hij van de worsteling tusschen hem en Baree, die weken en maanden geduurd had, van de krankzinnig makende nutteloosheid van al zijn listen en plannen en van de nog verwonderlijker slimheid van het dier, dat hij eindelijk en ten laatste had weten te vangen.
„Hij was een duivel—wat listigheid aangaat,” riep hij heftig, toen hij zijn verhaal geëindigd had. „En zegt u me nu eens zelf—zoudt u hem neerschieten, of hem langzaam laten sterven, zooals zijn verdiende loon is?”
De vreemdeling keek nog steeds naar Baree. Hij wendde zijn gelaat van Mc Taggart af. Hij antwoordde:
„Ik geloof, dat u gelijk hebt. Laat hem maar vergaan. Als u in de richting van Lac Bain gaat, m'sieu, ga ik een eindje met u mee. Het zal me een paar mijlen kosten om weer in mijn koers te komen.”
Hij raapte zijn geweer op. Mc Taggart ging vooruit. Na een half uur bleef de vreemdeling staan en wees naar het noorden.
„Daar moet ik heen—nog een goede vijfhonderd mijl,” zeide hij, luchtig sprekend, alsof hij dienzelfden avond nog zijn tehuis dacht te bereiken. „Ik ga u hier verlaten.”
Hij maakte geen gebaar om hem de hand te geven. Maar onder het weggaan zeide hij:
„U zult misschien wel willen rapporteeren, dat John Madison langs gekomen is.”
Daarna trok hij recht naar het noorden voort, een halve mijl lang door het dichte bosch. Toen sloeg hij af naar het Westen, maakte een scherpen hoek naar het Zuiden en een uur nadat hij Mc Taggart verlaten had zat hij weer gehurkt, bijna op armslengte van Baree af.
En hij zeide, alsof hij tegen een menschelijk gezel sprak:
„Zoo, ben jij dat geweest, ouwe jongen? Een vallendief, hè? Een _vogelvrij verklaarde_ ben je dus? En ben je hem twee maanden lang de baas gebleven bij dat spelletje? En om die reden, omdat je een beter beest bent dan hij in zijn soort, wou hij je zoo langzaam mogelijk doodmartelen. Een _vogelvrij verklaarde_!” Hier barstte hij uit in een hartelijken lach—een lach, die ieder goeddoet, zelfs een beest. „Dat is grappig. We staan precies gelijk, jongen—voor den drommel, dat doen we! Jij bent ontembaar, zegt hij. Nu, ik ook. 'k Heb hem verteld dat ik John Madison heette. Maar dat is niet zoo. Ik ben Jim Carvel. En, Heer!—ik zei alleen maar: „van de politie”. En dat was een goede zet. Het was geen leugen. Ik ben een lieveling van de politie—elke agent tusschen de Hudson Baai en de Mackenzie Rivier verlangt er naar, mij in handen te krijgen. Houd je ferm, kerel. We zijn in hetzelfde schuitje en het doet me plezier dat ik je ontmoet heb!”
XXVII.
Vriendschap.
Jim Carvel strekte zijn hand uit en de grauw, die in Baree's strot was, stierf weg. De man stond op. Hij bleef staan kijken in de richting waarin Mc Taggart verdwenen was en grinnikte op een eigenaardige, voldane wijze. Er klonk vriendelijkheid uit dat gegrinnik. Er was ook vriendelijkheid in zijn oogen en in de glinstering van zijn tanden toen hij weer naar Baree keek. Hij had iets opwekkends over zich, dat den grijzen dag scheen te verhelderen, dat de koude lucht scheen te verwarmen—een vreemde gloed ging er van hem uit, vroolijkheid en hoop en kameraadschap uitstralend, zooals een kachel warmte uitstraalt. Baree voelde dit. Voor de eerste maal sedert de twee mannen bij hem gekomen waren, verloor zijn door de klemmen gemarteld lijf iets van zijn gespannenheid; zijn rug boog door; zijn tanden klapperden toen hij rilde in zijn pijn. Aan dezen man verried hij zijn zwakheid. In zijn met bloed beloopen oogen was een hongerende blik toen hij Jim Carvel gadesloeg—die evenals hij vogelvrij verklaard was—naar hij bekend had. En Jim Carvel hield opnieuw zijn hand uit—ditmaal veel dichterbij.
„Arme bliksem,” zeide hij, terwijl de glimlach van zijn gelaat week. „Arme bliksem!”
Deze woorden waren als een liefkoozing voor Baree—de eerste, die hij ondervond sedert het verlies van Nepeese en Pierrot. Hij liet zijn kop vallen tot hij plat in de sneeuw lag. Carvel kon langzaam het bloed uit zijn bek zien droppelen.
„Arme bliksem!” herhaalde hij.
Er was geen vrees in de manier waarop hij zijn hand uitstrekte. Het gebeurde in het vertrouwen van groote oprechtheid en diep medelijden. Zij raakte Baree's kop aan en beklopte dien broederlijk en daarna ging zij—langzaam en wat behoedzamer—naar de klem, waarin Baree's voorpoot gevangen zat. In zijn halve verdoofdheid deed Baree zijn uiterste best, dit alles te begrijpen en de waarheid drong tot hem door toen hij de stalen kaken van de klem open voelde gaan en zijn verminkten poot er uit trok. Toen deed hij iets, wat hij nooit bij eenig schepsel buiten Nepeese gedaan had. Heel even schoot zijn heete tong uit en likte Carvel's hand. De man lachte. Met zijn krachtige handen opende hij de overige klemmen en Baree was vrij.