De zoon van Kazan

Part 14

Chapter 144,069 wordsPublic domain

Het was het mooiste uur van den zomerdag—zonsondergang—toen hij dien bereikte. Hij bleef staan op ongeveer honderd meter afstand, toen hij den vijver nog niet zien kon, snoof de lucht op en luisterde. Want de _vijver_ lag daar. De welbekende reuk drong tot hem door. Maar Umisk en Gebroken Tand en de anderen? Zou hij hen weervinden? Hij scherpte zijn ooren, om een bekend geluid op te vangen en na een paar oogenblikken kwam dit—een licht plassen in het water. Hij ging bedaard tusschen de elzestruiken door en stond ten laatste dicht bij de plek, waar hij het eerst met Umisk had kennis gemaakt. De oppervlakte van het water was lichtelijk gerimpeld; twee of drie koppen kwamen boven; hij zag de torpedo-achtige golf, voortgebracht door een ouden bever, die een stok naar de overzijde stuwde—hij keek naar den dam en die was nog bijna precies als hij hem een jaar geleden verlaten had. Hij liet zich niet zien, in den beginne, maar bleef staan, verborgen achter de elzen. Hij voelde een onrust in zich groeien, een verslapping na de lange gespannenheid van de eenzame maanden, gedurende welke hij op Nepeese gewacht had. Met een diepen zucht legde hij zich neder tusschen de elzen, zijn kop zoo gericht, dat hij goed kon uitkijken. Terwijl de zon begon te dalen, kwam er leven in den vijver. Op den oever, waar hij Umisk eens gered had van den vos, kwam nu een nieuw geslacht jonge bevers—drie ervan waren dik en waggelend. Heel zacht jankte Baree.

Dien heelen nacht bleef hij tusschen de elzen liggen. De bevervijver werd weer zijn honk. De omstandigheden waren veranderd, natuurlijk, en naarmate de dagen weken werden, toonden de inwoners van Gebroken Tand's kolonie niet in het minst, dat zij den volwassen Baree bij zich duldden, zooals zij dat den kleinen Baree van lang geleden gedaan hadden. Hij was nu groot, zwart en wolfachtig—een langtandig en verschrikkelijk-uitziend beest en ofschoon hij geen geweld uitoefende, werd hij door de bevers met een diepgewortelde vrees en achterdocht gadegeslagen. Aan den anderen kant voelde Baree ook niet meer het jonge-hondjesachtig verlangen om met de kleine bevers mee te spelen en dus deed hun koele houding hem geen verdriet, zooals indertijd. Umisk was nu ook volwassen, een dikke, voorspoedige baas, die zich juist dit jaar een wijfje gekozen had en het op het oogenblik geweldig druk had met het inzamelen van zijn winterrantsoen. Het is volkomen aannemelijk, dat hij het groote zwarte dier, dat hij nu zag, niet in verband bracht met den kleinen Baree, wiens neus hij besnuffeld had, een heelen tijd geleden en het is ook heel waarschijnlijk, dat Baree Umisk niet herkende, tenzij als een onderdeel van de herinneringen, die hem bijgebleven waren.

De heele maand Augustus door maakte Baree den bevervijver tot zijn hoofdkwartier. Zoo nu en dan maakte hij tochten, waardoor hij twee of drie dagen wegbleef. Deze reisjes gingen altijd in noordelijke richting, soms een weinig oost- of westwaarts, maar nooit meer het zuiden in. En eindelijk in het laatst van September verliet hij den bevervijver voorgoed.

Vele dagen lang koos hij op zijn zwerftochten geen bepaalde richting. Hij ging op jacht, leefde voornamelijk op konijnen en op de domme patrijssoort, bekend onder den naam „het onnoozele hoen”. Dit diëet werd natuurlijk wel eens afgewisseld door andere gerechten, naarmate hij die op zijn weg aantrof. De wilde aalbessen en aardbeien waren aan het rijpen en Baree was er dol op. Hij hield ook van de bittere bessen van den bergesch, welke, evenals de zachte balsem- en sparrenhars, waaraan hij zoo nu en dan likte, een uitstekend geneesmiddel voor hem waren. In ondiep water ving hij wel eens een visch en een enkele maal bond hij zeer voorzichtig den strijd aan met een stekelvarken en als hij overwon, smulde hij van het fijnste en zoetste vleesch dat zijn menu kon opleveren. In September doodde hij tweemaal een ree. De terreinen, waarop groote boschbranden gewoed hadden, joegen hem nu geen vrees meer aan en in deze dagen van overvloed vergat hij den tijd, toen hij er hongerig rondgedwaald had. In October trok hij zoo ver naar het westen, dat hij de Geikie Rivier bereikte en toen naar het noorden tot aan het Wollaston Meer, hetwelk een goede honderd mijlen ten noorden lag van den Grijzen Fuut. In de eerste week van November sloeg hij weer naar het zuiden af, volgde de Kano Rivier een tijd lang en wendde zich daarop weer naar het westen, een kleine kreek volgend, die het kleine zwarte Beertje zonder staart heette.

Gedurende deze weken kwam Baree meer dan eens in den omtrek van den mensch, maar, met uitzondering van den Cree-jager aan het bovengedeelte van het Wollaston Meer, had niemand hem gezien.

Terwijl hij de Geikie Rivier volgde, lag hij driemaal in een kreupelboschje, terwijl er kano's langskwamen; in de stilte van den nacht snuffelde hij meermalen rondom hutten en tenten, waarin hij leven hoorde en éénmaal kwam hij zoo dicht bij den Hudson-Baai Compagnie Post, dat hij het blaffen van de honden en het schreeuwen van hun meesters hooren kon. En altijd zocht hij—zocht hij naar hetgeen uit zijn leven verdwenen was. Hij berook de drempels der hutten, draaide in een nauwen kring om de tenten heen, met den wind mee, keek vol hoop in alle kano's. Eens dacht hij, dat de wind hem den reuk van Nepeese aanvoerde en oogenblikkelijk voelde hij zijn pooten onder zich verzwakken en scheen zijn hart op te houden met kloppen. Het duurde maar een paar oogenblikken. Zij kwam uit een tent—een Indiaansch meisje met haar handen vol wilgetakken—en Baree sloop weer weg, ongezien.

Het was bijna December, toen Lerue, een halfbloed uit Lac Bain, Baree's voetsporen zag in de verschgevallen sneeuw en hem een oogenblik later tusschen het kreupelhout verdwijnen zag.

„Mon Dieu, ik verzeker u, hij had pooten zoo groot als mijn hand en hij is zoo zwart als een ravenvlerk, waar de zon op schijnt!” riep hij uit, in het magazijn van de Compagnie te Lac Bain. „Een vos? Neen! Hij is half zoo groot als een beer. Een wolf—ja! En zoo zwart als de duivel, m'sieus.”

Mc Taggart was onder degenen die hem hoorde. Hij was juist bezig zijn handteekening te plaatsen onder een brief, dien hij aan de Compagnie geschreven had, toen Lerue's woorden tot hem doordrongen. Hij bleef zoo plotseling steken, dat er een droppel inkt op den brief gespat werd. Er liep hem een vreemde siddering door de leden, terwijl hij naar den halfbloed keek. Juist op dit oogenblik kwam Marie binnen. Mc Taggart had haar opnieuw weggehaald van haar stam. Haar groote, donkere oogen hadden een treurige uitdrukking en er was nogal wat verloren gegaan van haar schoonheid.

„Hij was er vandoor in minder dan—dit!” zeide Lerue, met zijn vingers knippend. Hij zag Marie en bleef steken.

„Zwart, zeg je?” vroeg Mc Taggart achteloos, zonder zijn oogen op te slaan van zijn schrijfwerk. „Leek hij niet wat op een hond?”

Lerue haalde de schouders op.

„Hij was als de wind er van door, m'sieu. Maar het was een wolf.”

Zoo zacht, dat de anderen bijna geen geluid konden opvangen, had Marie iets in het oor van Mc Taggart gefluisterd en zijn brief opvouwend, stond Mc Taggart haastig op en verliet het magazijn. Hij bleef een uur weg. Lerue en de anderen verbaasden zich hierover. Het gebeurde niet dikwijls, dat Marie in het magazijn kwam, het kwam zelfs zelden voor, dat zij haar zagen. Zij bleef meestal verscholen in het houten huis van den agent en iederen keer, dat hij haar zag, verbeeldde Lerue zich, dat haar gezichtje weer wat magerder geworden was en dat haar oogen grooter waren en steeds hongeriger uitdrukking kregen. In zijn eigen hart was een groot verlangen. Menigen nacht ging hij onder het venstertje door, waaronder hij wist, dat zij lag te slapen; dikwijls tuurde hij naar boven, in de hoop een glimp van haar bleek gelaat te zien en het eenige geluk in zijn leven was, te weten, dat Marie hem begreep, en dat er een ander licht in haar oogen kwam, wanneer hun blikken elkander ontmoetten. Niemand anders wist er van. Het geheim bestond tusschen hen beiden—en geduldig wachtte Lerue en keek uit. „Eens,” hield hij zich voor. „Eens”, en dat was alles. Deze woorden besloegen een wereld vol hoop. Als die dag dan eindelijk aangebroken was, zou hij Marie regelrecht meenemen naar den zendeling, daarginds op Fort Churchill, en zij zouden zich daar laten trouwen. Dit was een droom—een droom, die maakte, dat hij de lange dagen en de nog langere nachten op de vallenlijn geduldig doormaakte. Nu waren zij nog beiden onder slavernij van de hen omringende Macht. Maar—eens—

Lerue dacht hieraan, toen Mc Taggart na verloop van een uur terugkwam. De agent kwam regelrecht op het half dozijn mannen af, die om de groote houtkachel[2] zaten en schudde met een geknor van voldoening de sneeuw van zijn schouders.

[2] Box-stove--houtkachel. Deze vierkante kachel heeft geen rooster, van voren is een deur, maar het heele bovenstuk, waarin kookdeksels, kan er worden afgenomen. Er kunnen korte stukken boomstam in gestookt worden.

„Pierre Eustach heeft het aanbod van het Gouvernement aangenomen en zal de kaartenmakers naar het Onvruchtbare Land brengen, dezen winter,” kondigde hij aan. „Je weet, Lerue,—hij heeft zoowat honderdvijftig klemmen en vallen uitgezet en een groot giftaas-terrein. Een goede lijn, hè? En ik heb haar van hem gehuurd, voor dit seizoen. Het zal me juist het werk in de buitenlucht geven, dat ik noodig heb—drie dagen heen en drie dagen terug. Nu, wat zeg je van zóó'n koop?”

„Het is een goede,” zeide Lerue.

„Ja, een goed plan,” zeide Roget.

„Een uitgestrekt vossenland,” zeide Mons Roule.

„En gemakkelijk te bereizen,” prevelde Valence, wiens stem wel die van een vrouw geleek.

XXIV.

Op het spoor.

De vallenlijn van Pierre Eustach liep dertig mijlen vlak westwaarts van Lac Bain. Zij was niet zoo lang als die van Pierrot geweest was, maar zij geleek de hartslagader, die door het hart van een rijk pelterij-terrein liep. Zij had aan Pierre Eustach's vader toebehoord, en aan zijn grootvader en aan zijn overgrootvader en vóór dien tijd had zij, naar Pierre beweerde, reeds aan een der oudste, edelste geslachten van Frankrijk toebehoord. De boeken op Mc Taggart's Post gingen niet verder terug dan tot den overgrootvader, daar de oudere bezit-bewijzen te Churchill berustten. Het was het mooiste wild-terrein tusschen Rendierland en het Onvruchtbare Land. In December kwam Baree hier aan.

Opnieuw trok hij naar het zuiden, op een langzame manier, voedsel zoekend in de diepe sneeuw. De _Kistisew kestin_ of Groote Storm was dezen winter vroeger gekomen dan andere jaren en een week daarna bewoog zich ternauwernood een dier. Baree begroef zich niet, zooals anderen dit deden, in de sneeuw, om te wachten tot de lucht opklaarde en zich een ijskorst vormde. Hij was groot en machtig en rusteloos. Bijna twee jaar oud, woog hij ruim tachtig pond. Zijn pooten waren breed en wolfachtig. Zijn borst en schouders geleken op die van een Malemoet en waren toch gespierd voor groote snelheid. Er was meer ruimte tusschen zijn oogen dan dat bij den wolfshond het geval is en zijn oogen waren grooter en geheel zonder _wuttooi_, het bloedvlies, dat den wolf kenmerkt en ook in zekeren graad den grooten hond uit het noorden. Zijn kaken waren als die van Kazan, misschien zelfs nog geweldiger. Die heele week lang, dat de storm voortduurde, trok hij voort, zonder voedsel. Vier dagen viel de sneeuw zwaar en woei er een scherpe wind, daarna kwamen drie dagen van doordringende koude, waarin elk dier in zijn warm holletje onder de sneeuw bleef. Zelfs de vogels hadden zich ingegraven. Men zou over de ruggen van kariboe's en elanden hebben kunnen loopen, zonder het te bemerken. Baree zocht een schuilplaats toen de storm het hevigst woedde, maar hij stond niet toe, dat de sneeuw op hem liggen bleef.

Elke vallenzetter, van Hudson Baai tot aan de streek der Athabasca, wist, dat de uitgehongerde pelsdieren na afloop van den Grooten Storm voedsel zouden gaan zoeken en dat er dan de meeste kans was van het heele jaar, dat de klemmen en vallen gevuld werden. Eenigen van hen trokken er den zesden dag op uit, anderen den zevenden en weer anderen den achtsten. Op den zevenden dag vertrok Bush Mc Taggart naar Pierre Eustach's lijn, die voor dit seizoen de zijne was. Hij had twee dagen noodig om de klemmen op te graven en ze van de sneeuw te ontdoen, de vallen weer op te zetten en het aas weer in orde te brengen. Den derden dag was hij weer terug te Lac Bain.

Juist op dezen dag kwam Baree bij de hut aan het einde van Mc Taggart's lijn. Mc Taggart's spoor was nog versch in de sneeuw rondom de hut en zoodra Baree er aan snoof, scheen elke droppel bloed hem plotseling sneller door het lichaam te jagen. Hij had misschien een halve minuut noodig om den reuk, die in zijn neusgaten drong in verband te brengen met het gebeurde van eenigen tijd geleden, maar toen hij het gedaan had rees er een diep en onheilspellend gegrom uit zijn borst. Een tijdlang bleef hij stilstaan, als een zwarte rots te midden van de sneeuw, en keek naar de hut.

Daarna begon hij er langzaam in een kring omheen te draaien, steeds naderbij komend, totdat hij ten laatste den drempel besnuffelde. Geen geluid of reuk was er binnen, maar hij kon den _ouden_ reuk van Mc Taggart herkennen. Toen keek hij de wildernis in, in de richting waarin de vallenlijnen terugvoerden naar Lac Bain. Hij rilde, zijn spieren trokken krampachtig. Hij jankte. Er verzamelden zich allerlei voorstellingen in zijn brein—het gevecht in de hut, Nepeese, de wilde jacht door de sneeuw naar den rand van den afgrond—zelfs de herinnering, nu al zoolang geleden, aan zijn worsteling, toen Mc Taggart hem in den konijnenstrik gevangen had. In dit gejank klonk een groot verlangen, bijna verwachting. Toen stierf het langzaam weg. Alles bijeengenomen, deze reuk in de sneeuw herinnerde hem aan iets, dat hij haatte en verlangde te dooden en niet aan iets, dat hij lief had. Het janken stierf weg om opnieuw plaats te maken voor dat onheilspellende gegrom.

Langzaam volgde hij het pad en een kwart mijl van de hut af kwam hij bij de eerste klem. De honger had zoo bij hem huisgehouden dat zijn flanken ingevallen waren. In de eerste klem had Mc Taggart bij wijze van lokaas het achterdeel van een sneeuwschoenkonijn geplaatst. Baree ging er voorzichtig op af. Hij had veel geleerd op Pierrot's vallenlijn; hij had geleerd wat het dichtknappen van een klem beteekende; hij had de wreede pijn van haar stalen kaken ondervonden; hij wist beter dan de sluwste vos, wat er gebeuren ging, wanneer een val was dichtgesprongen—en Nepeese in eigen persoon had hem geleerd, nooit een giftaas aan te raken. Daarom zette hij zacht zijn tanden in het konijnenvleesch en trok het weg, even handig als Mc Taggart zelf dit zou gedaan hebben. Hij bezocht nog vijf klemmen voor het duister inviel en at van alle vijf het lokaas op, ongedeerd. De zesde was een val. Hier bleef hij in een kring omheen draaien totdat hij een pad in de sneeuw gevormd had. Toen maakte hij zich een nachtleger in de warme balsemstruiken.

Den volgenden dag had het begin van de worsteling plaats, die nu volgde tusschen het brein van mensch en dier. Voor Baree beteekende het berooven van Mc Taggart's vallenlijn geen strijd, maar het ging om zijn levensonderhoud. Zij moest hem voedsel verschaffen, zooals Pierrot's lijn hem weken lang voedsel opgeleverd had. Maar hij gevoelde zeer goed, dat hij in dit geval een wetsovertreder was en tegen een vijand moest opwerken. Als het weer goed voor de jacht was geweest zou hij misschien verder getrokken zijn, want de onzichtbare hand, die zijn zwerftochten leidde, bracht hem, langzaam maar zeker, weer terug naar den ouden bevervijver en den Grijzen Fuut. Maar op 't oogenblik, nu de diepe, zachte sneeuw onder zijn pooten lag, zoo diep, dat hij er soms tot over zijn ooren inzonk, was Mc Taggart's vallenlijn als een pad vol manna, aangelegd voor zijn bijzonder gebruik. Hij volgde het spoor van de sneeuwschoenen van den agent en doodde in de derde klem een konijn. Toen hij dit verslonden had, lag er op de sneeuw niets dan wat haren en een paar bloedplekken. Hij had een waren wolvenhonger, daar hij in dagen niets gegeten had en voor de dag ten einde was had hij twaalf van Mc Taggart's klemmen leeggeplunderd. Driemaal kwam hij aan giftaas,—kariboevet, waarin een dosis strychnine verborgen was en telkens ontdekte zijn gevoelige neus het gevaar. Pierrot had meermalen het verwonderlijke feit opgemerkt, dat Baree de aanwezigheid van vergif ontdekte, zelfs al was dit nog zoo handig verstopt in het bevroren karkas van een hert. Vossen en wolven aten van vleesch, waarvan zijn bovenmate gevoelige zintuigen hem oogenblikkelijk zeiden, dat het vergiftigd was. Dus ging hij Mc Taggart's vergiftige lekkernijtjes voorbij, ze besnuffelend en de geschiedenis van zijn achterdocht achterlatend in zijn voetsporen. Waar Mc Taggart halt had gehouden om tegen den middag zijn maal te koken, had Baree diezelfde voorzichtige cirkelpassen beschreven.

Den tweeden dag, toen hij minder hongerig was en des te ontvankelijker voor den gehaten reuk van zijn vijand, at Baree minder, maar stuurde den boel des te erger in de war. Mc Taggart was er niet zoo knap in als Pierrot, den reuk van zijn handen af te houden van zijn klemmen en vallen en telkens drong Baree die reuk sterk in den neus. Dit bracht bij Baree een heftigen hartstocht te weeg, een steeds aangroeienden haat, terwijl hij een paar dagen tevoren dien haat al bijna vergeten was. Er gaat wellicht in het brein van het dier een berekeningsproces om, dat iets heeft van redeneering, het is dit niet geheel en al, maar toch ook niet zuiver instinkt te noemen. Baree telde niet twee en twee bij elkander op, om vier als slotsom te krijgen, hij ging niet stap voor stap terug om zichzelf te bewijzen, dat de man, aan wien deze vallenlijn toebehoorde, de oorzaak was van al zijn verdriet en moeilijkheden—maar met dat al werd hij bezeten door een hartgrondigen haat jegens hem. Mc Taggart was het eenige schepsel, buiten de wolven dan, dat hij ooit gehaat had. Mc Taggart had hem gepijnigd, hij had Pierrot gedood, door hem was hij zijn geliefde Nepeese kwijt geraakt—_en Mc Taggart was op deze vallenlijn_!

Als hij tevoren gedwaald had zonder einddoel of bestemming, nu had hij een roeping gevonden. Deze was, de vallen achtereenvolgens na te gaan, om zich met den inhoud ervan te voeden. En bovendien onder de hand zijn haat te kunnen luchten.

Den tweeden dag trof hij midden op een meer een dooden wolf aan, die gestorven was door het eten van giftaas. Een half uur lang mishandelde hij het beest, tot er van diens huid niets dan reepen over waren. Hij raakte zijn vleesch echter niet aan. Het was weerzinwekkend voor hem.

Maar het was zijn wraakneming op het wolvengebroed. Hij bleef stilstaan op een half dozijn mijlen van Lac Bain en keerde terug. Op deze plek namelijk kruiste het pad een bevroren stroompje, waarachter zich een vlakte uitstrekte en over die vlakte kwamen—als de wind in die richting was—de rook en de reuk van Lac Bain. Den tweeden nacht lag Baree met een volle maag in een boschje pijnboomen; den derden dag trok hij weer westwaarts, de vallenlijn langs.

Dezen morgen vertrok Bush Mc Taggart in de vroegte om zijn vangst te gaan inzamelen en toen hij het stroompje overstak, op zes mijlen afstands van Lac Bain, zag hij voor het eerst Baree's sporen. Hij bleef staan om ze te onderzoeken met een plotselinge en ongewone belangstelling, viel eindelijk op de knieën, stroopte den handschoen af van zijn rechterhand en raapte een enkel haar op.

„De zwarte wolf!”

Hij sprak deze woorden uit op een zonderlingen harden toon en onwillekeurig werden zijn oogen getrokken in de richting van den Grijzen Fuut. Daarna bekeek hij nog zorgvuldiger een der sporen in de sneeuw. Toen hij opstond, droeg zijn gelaat de uitdrukking van iemand die een onplezierige ontdekking gedaan heeft.

„Een zwarte wolf!” herhaalde hij en trok de schouders op. „Bah! Lerue is niet wijs. Het is een hond.” En na een oogenblik voegde hij er bij, nauwelijks luider dan een gefluister: „_Haar hond._”

Hij reisde verder, het spoor van den hond volgend. Een nieuwe opwinding maakte zich van hem meester, die niet alleen de opwinding van de jacht was. Daar hij een mensch was, genoot hij het voorrecht, twee en twee bij elkander te kunnen optellen en de samenvoeging van die twee en twee was—Baree. Hij twijfelde maar weinig. De gedachte er aan was dadelijk bij hem opgekomen, toen Lerue over den zwarten wolf gepraat had. Hij was er van overtuigd, nu hij de voetsporen gezien had. Het waren de indrukken van een hond en die hond was zwart. Toen kwam hij bij de eerste klem, die van haar lokaas beroofd was.

Hij vloekte binnensmonds. Het aas was verdwenen en de klem niet dichtgesprongen. De gepunte stok, waarmee het aas was vastgezet, was er keurig uitgetrokken.

Den heelen dag lang volgde Mc Taggart den weg waarlangs Baree gegaan was. Klem na klem trof hij ledig aan. Op het meer zag hij den mishandelden wolf liggen. Zijn ontstemming na de eerste ontdekking van Baree's tegenwoordigheid veranderde langzamerhand in woede en deze woede steeg, naarmate de dag vorderde. Hij was niet onbekend met de viervoetige beroovers van de vallenlijn, maar gewoonlijk plunderde een wolf of een vos of een hond, die handig geworden was in deze dieverij, slechts een aantal klemmen. Maar in dit geval was Baree van klem tot klem getrokken en zijn sporen in de sneeuw toonden aan, dat hij bij alle was blijven staan. Hij was, zoo kwam het Mc Taggart voor, met een bijna menschlijke duivelachtigheid te werk gegaan. Hij ontweek alle vergif. Geen enkele maal was hij met kop of poot op de plekken gekomen waar het gevaar was. Oogenschijnlijk om geen enkele reden had hij een prachtigen wezel totaal verminkt, wiens glanzende pels nu in waardelooze vodjes over de sneeuw verspreid lag. 's Middags bereikte Mc Taggart een val, waarin een lynx gedood was. Baree had de zilverige flanken van dit dier met zijn tanden opengereten totdat de vacht niet meer de helft van hare waarde had. Mc Taggart vloekte hardop en zijn adem was heet.

Tegen de schemering bereikte hij het hutje, dat Pierre Eustach halverwegen zijn vallenlijn had opgetrokken en nam een overzicht van de opbrengst van zijn pelswerk. Het was niet meer dan een derde deel van wat hij gewoon was; de lynx was half bedorven, de wezel eenvoudig in tweeën gerukt. Den tweeden dag vond hij nog grooter verwoesting, nog meer beroofde vallen. Hij werd als krankzinnig. Toen hij de tweede hut naderde, in den laten namiddag, waren Baree's voetsporen nog geen uur oud. Dien nacht hoorde hij den hond tot driemaal toe huilen.

Den derden dag keerde Mc Taggart nog niet naar Lac Bain terug, maar begon omzichtig jacht te maken op Baree. Er was tamelijk veel sneeuw gevallen en als om zijn vijand uit te tarten, had Baree in een straal van honderd meter om de hut heen, duidelijk zijn sporen gezet. Het duurde een half uur voor Mc Taggart de eigenlijke richting te pakken had en hij volgde Baree twee uur lang tot aan een dicht boschje. Baree liep met den wind mee. Nu en dan kreeg hij den reuk van zijn vervolger in den neus: wel tienmaal wachtte hij, totdat deze zoo dichtbij was, dat hij de takken onder zijn voeten kon hooren knappen of het metaalachtig getik van twijgen, die tegen zijn geweerloop sloegen. En toen draaide hij, met een plotselinge ingeving, die Mc Taggart opnieuw aan het vloeken bracht, in een wijden cirkel rond en keerde weer terug naar de vallenlijn. Toen de agent hier aankwam, ongeveer tegen twaalf uur 's middags, was Baree er al aan het werk geweest. Hij had een konijn gedood en opgegeten, hij had over den afstand van een mijl drie vallen leeggeplunderd en was nu weer regelrecht op weg naar den Post van Lac Bain.