Part 13
De sneeuw viel nog steeds en Mc Taggart was naar de hut teruggekeerd. Na een poosje begon Baree het voetspoor van den man te volgen langs den afgrond, en waar Mc Taggart stil was blijven staan, om over den rand te kijken, hield Baree ook even op. Een tijdlang werd zijn haat onderdrukt door het verlangen, de Wilg te vinden en hij bleef langs het water voortgaan tot op een kwart mijl waar de agent het laatst was blijven staan; toen kwam hij aan een nauw paadje, waar Nepeese en hij dikwijls op zoek geweest waren naar boschviooltjes. Het kronkelende paadje, dat naar de rots leidde, was geheel volgesneeuwd, maar Baree baande er zich een weg door, tot hij ten laatste bij het nog onbevroren stroompje stond. En Nepeese was hier evenmin. Hij jankte en blafte opnieuw, maar ditmaal was er een ongeruste klank in zijn roep aan haar, alsof hij wel verwachtte, geen antwoord te krijgen. Daarna bleef hij wel vijf minuten lang in de sneeuw zitten, onbeweeglijk als een rots. Wat er uit de sombere geheimzinnigheid van het water tot hem kwam, welk geestgefluister der natuur hem de waarheid deed begrijpen, blijft onverklaarbaar. Maar hij bleef luisteren en toekijken en zijn spieren bewogen zich krampachtig, terwijl het begrip van de waarheid in hem groeide; en ten laatste hief hij langzaam den kop op, totdat zijn zwarte snoet naar den hemel wees, waaruit nog steeds een gordijn van sneeuw zakte en uit zijn strot kwam het jammerende, langgerekte gehuil, dat de hond in de wildernis aanheft, buiten de tent, waarin zijn pas gestorven meester ligt.
Mc Taggart, juist op den terugweg naar Lac Bain, hoorde dit gehuil en rilde.
De rooklucht, die steeds sterker werd, bereikte eindelijk ook Baree's neusgaten en deed hem naar de hut terugkeeren. Er was niet veel meer van overgebleven, toen hij de open plek bereikte. Waar eens de hut gestaan had, lag nu een roodgloeiende, smeulende puinhoop. Lang bleef Baree er naar kijken, nog steeds wachtend en luisterend. Hij voelde niet langer de uitwerking van den kogel, die hem verdoofd had, maar zijn zinnen ondergingen nu weer een verandering, even onwezenlijk als hun worsteling tegen den dood, zooeven in de hut. In een kleine tijdsruimte, van niet langer dan een uur, was de wereld voor Baree geheel veranderd. Toen zat de Wilg nog voor haar spiegeltje in de hut, praatte tegen hem en lachte vroolijk, al worstelend met haar nieuw kapsel, terwijl hij in volmaakte tevredenheid op den vloer lag uitgestrekt. En nu bestond er geen hut meer, geen Nepeese en geen Pierrot. Bedaard worstelde hij om dit alles in zich op te nemen. Het duurde nog een poos voor hij onder de dichte balsemstruiken uitkwam, want een groeiende achterdocht begon zijn handelingen al te leiden. Hij naderde de smeulende overblijfselen van de hut niet dichter, maar ging omzichtig langs de open plek, naar de hondenverblijfplaats. Zoodoende kwam hij onder de hooge sparren. Een volle minuut bleef hij hier staan en snuffelde aan het nieuwe heuveltje onder zijn mantel van sneeuw. Toen hij verder ging, sloop hij nog dichter langs den grond en lagen zijn ooren plat op zijn kop. De hondenverblijfplaats stond open en was leeg. Daar had Mc Taggart voor gezorgd. En opnieuw ging Baree zitten en joeg zijn doodsgehuil de lucht in. Ditmaal was het voor Pierrot bestemd. De klank er van verschilde met het gehuil aan den rand van den afgrond. Er klonk overtuiging in. Zekerheid. Bij den afgrond was er nog eenige twijfel in geweest—een vragende hoop—en in zijn smart had zoo iets bijna menschelijks geklonken, dat Mc Taggart er een rilling van gekregen had. Baree _wist_ wat er in dat versche, door sneeuw bedekte graf lag. Een schamele drie voet aarde kon dat geheim niet voor hem verbergen. Hier was de dood, onherroepelijk. Maar wat Nepeese aangaat—hij hoopte en zocht nog steeds.
Tot den middag toe bleef hij in de buurt van de hut, maar niet meer dan ééns naderde hij den zwarten hoop hout, waar de sneeuw nog op neerviel en snuffelde er aan. Telkens en telkens weer liep hij de open plek rond, steeds in de buurt van het struikgewas blijvend, snoof in de lucht en luisterde. Tweemaal ging hij terug naar den afgrond. Laat in den middag kreeg hij plotseling een inval, die hem snel door het bosch deed loopen.
Hij deed het nu niet openlijk; voorzichtigheid, achterdocht en vrees hadden opnieuw de wolf-instinkten in hem gewekt. Met zijn ooren plat op zijn kop liggend, zijn staart neerhangend, zoo laag, dat de punt er van door de sneeuw sleepte en zijn rug doorbuigend op die eigenaardige wolvenmanier, kwam hij ternauwernood uit de schaduw der balsemstruiken en sparren. Hij aarzelde niet, welken weg hij nemen zou, hij ging recht op zijn doel af, het bosch door en kwam tegen het invallen van de schemering op de open plek, waarheen Nepeese met hem gevlucht was, dien dag, toen zij Mc Taggart in het water had geduwd. Inplaats van het hutje van balsemstruiken, stond er nu een van waterdichten berkebast, dat Pierrot en de Wilg in den afgeloopen zomer gemaakt hadden. Baree ging er recht op af en stak zijn kop naar binnen met een zacht gejank, vol verwachting. Er volgde geen antwoord. Het was donker en koud in het hutje. Hij kon duidelijk de twee dekens onderscheiden, die er altijd lagen; de rij groote blikken doozen, waarin Nepeese hun provisie bewaarde en de kachel, die Pierrot geimproviseerd had uit resten van ijzer en blik. Maar Nepeese zag hij niet. En hij kon buiten evenmin een spoor van haar ontdekken. De sneeuw was onbetreden, behalve door hemzelf. Het was donker geworden toen hij naar de afgebrande hut terugkeerde. Hij bleef den heelen nacht in den omtrek van de verlaten hondenverblijfplaats en de sneeuw bleef nog aanhoudend vallen, zoodat hij, toen hij bij het aanbreken van den morgen zich naar het open gedeelte begaf, er tot aan zijn schouders inzonk.
Maar de hemel klaarde toch op. De zon kwam op en de wereld bood een bijna te schitterenden aanblik voor de oogen. Zij verwarmde Baree's bloed door nieuwe hoop en verwachtingen. Zijn brein worstelde nog heviger dan den vorigen dag om te begrijpen. Vast en zeker zou de Wilg nu spoedig terugkeeren! Hij zou haar stem weer hooren. Zij zou plotseling uit het bosch te voorschijn komen. Hij zou een teeken van haar krijgen. Eén van deze dingen, of alles tegelijk, _moest_ gebeuren. Hij bleef oogenblikkelijk staan zoodra hij maar een geluid hoorde en snoof den wind in, in alle richtingen. Hij trok onophoudelijk voort. Hij liet diepe sporen achter in de sneeuw, rondom en over den grooten witten heuvel, waar eens de hut gestaan had; zij liepen van de hondenverblijfplaats naar de hooge sparren en zij waren zoo talrijk als de sporen van een geheelen wolventroep, een halve mijl in den omtrek van den afgrond.
Dien tweeden dag, 's middags, kreeg hij zijn tweeden grooten inval. Het was geen zuiver instinkt en toch ook weer niet geheel beredeneerd. Het was een worsteling er tusschenin, de primitieve geest, die zijn best deed, iets abstracts te begrijpen—iets, dat niet door het oog gezien kon worden of door het oor gehoord. Nepeese was niet in de hut, omdat er geen hut meer was. Zij was ook niet in het kleine hutje. Hij kon geen spoor van haar meer ontdekken bij den afgrond. Zij was ook niet bij Pierrot in het graf onder de hooge sparren.
Daarom ging hij, zonder er redenen voor te kunnen opgeven, maar volkomen zeker van zijn zaak, de oude vallenlijn volgen, het noordwesten in.
XXII.
Een winter van wachten.
Niemand heeft nog ooit begrepen, hoe de hond in de noordelijke streken ingewijd wordt in de geheimenissen van de nabijheid des doods. Zij schijnen tot hem te komen door den wind, meestal _moeten_ zij hem door den wind worden meegedeeld en toch zouden zeker wel tienduizend meesters willen zweren, dat hun honden voor de nabijheid van den dood gewaarschuwd hebben, uren voor deze er in werkelijkheid was en menigeen van deze duizenden weet bij ervaring, dat hun spannen stilstaan op een kwart mijl afstands van een onbekende hut, waarin een doode nog onbegraven ligt.
Gisteren had Baree den dood geroken en hij wist, zonder verder ophelderend proces, dat die doode Pierrot was. Hoe hij dit wist en waarom hij dit feit als onveranderlijk beschouwde, is weer een van die raadselen, die soms een uitdaging schijnen voor hen, die aan het dier geen verstand toeschrijven, buiten het instinkt. Maar van één ding was hij overtuigd. Hij zou Pierrot nooit terugzien; hij zou diens stem nooit meer hooren; hij zou nooit meer het _slip_, _slip_, _slip_ hooren van zijn sneeuwschoenen op het pad, dat nu vóór hem lag, en daarom keek hij op de vallenlijn in 't geheel niet uit naar Pierrot. Pierrot was weg, voor altijd. Maar hij had nog niet Nepeese in verband gebracht met den dood. Hij was vervuld met een groote onrust; daar, aan den rand van den afgrond, had hij gesidderd van angst en onzekerheid, hij voelde toen vaag iets vreemds, iets dat hem boven het hoofd hing en toch, toen hij dat doodsgehuil had aangeheven, moest het voor Pierrot geweest zijn. Want hij geloofde, dat Nepeese nog in leven was en hij was er nu even vast van overtuigd, dat hij haar zou inhalen op de vallenlijn, als hij er den vorigen dag op gerekend had, haar in het hutje van berkebast te zullen aantreffen.
Sedert zijn ontbijt met de Wilg, den vorigen dag, was hij steeds doorgeloopen zonder te eten; zijn honger te stillen, beteekende, dat hij zou moeten jagen en hij was te veel met gedachten aan Nepeese vervuld om dat te doen. Hij zou dien heelen dag zijn blijven hongerlijden, als hij niet, drie mijlen van de hut verwijderd, een val ontdekt had, waarin een groot sneeuwschoenkonijn gevangen zat. Het konijn leefde nog, hij maakte het af en at zijn bekomst. Tot het donker werd, liep hij regelmatig alle klemmen af. In een er van zat een lynx, in een andere een marter en in een heuveltje van sneeuw, midden op het bevroren meer, besnuffelde hij het lijk van een rooden vos, gedood door Pierrot's giftaas. De lynx en de marter waren beiden nog springlevend en de stalen ketenen van hun klemmen rinkelden, toen zij zich voorbereidden op een gevecht met Baree. Maar Baree stelde geen belang in hen. Hij haastte zich voort, terwijl zijn onrust begon aan te groeien naarmate de dag vorderde en hij geen spoor van de Wilg kon ontdekken.
Het was een buitengewoon heldere nacht, die volgde op dezen sneeuwstorm; koud en schitterend en de schaduwen teekenden zich zoo scherp af, dat zij wel levende wezens geleken. Nu kreeg Baree zijn derden inval. Hij had—zooals alle dieren—nooit meer dan één gedachte tegelijk, alles werd bij hem overheerscht door één hoofdgedachte. En de inval, dien hij kreeg onder den schitterenden sterrenhemel, was, zoo snel mogelijk het eerste van de twee hutjes te bereiken, door Pierrot vervaardigd op de vallenlijn. Dààr zou hij Nepeese vinden! Hij begon vallen over te slaan, in zijn haast om dien afstand af te leggen—om de hut te bereiken. Van Pierrot's afgebrand tehuis tot aan die eerste hut vergde vijf en twintig mijlen en Baree had er, toen de nacht inviel, tien afgelegd. De overgebleven vijftien waren het moeilijkst. Op de open plekken zakte hij tot aan zijn buik in de zachte sneeuw; meermalen zonk hij in een sneeuwhoop weg en werd er eenige oogenblikken geheel onder begraven. In het begin van den nacht hoorde Baree driemaal den woesten lijkzang der wolven. Eens was het een woest triomflied, toen de jagers hun slachtoffer hadden neergeveld, een halve mijl dieper het bosch in. Maar hun stem oefende geen aantrekkingskracht meer op hem uit. Zij was zelfs terugstootend voor hem geworden. Een stem, waaruit verraad sprak. Iederen keer, dat hij haar hoorde, bleef hij staan en gromde, zijn rug krommend.
Het was middernacht toen hij het kleine heuvelachtige terrein bereikte, waar Pierrot hout geveld had voor de eerste hut. Wel een minuut lang bleef Baree aan den rand der open plek staan, zijn ooren gespitst, zijn oogen schitterend van verwachting, terwijl hij de lucht opsnoof. Er was geen rook, geen geluid, en geen lichtschijnsel te zien door het eenige venster der houten hut. De teleurstelling daalde al op hem neer, terwijl hij daar nog stond; opnieuw voelde hij sterk zijn eenzaamheid, het twijfelachtige van den uitslag op zijn onderzoek. Hij baande zich een weg door de sneeuw naar de deur, in ontmoedigde houding.
Baree had vijf en twintig mijlen aan een stuk doorgereisd en was uitgeput, maar hij had zijn vermoeidheid niet gevoeld tot op dit oogenblik. De sneeuw lag hoog opgehoopt tegen de deur en hier ging Baree zitten en begon te janken. Het was nu niet langer het zenuwachtige, vragende janken van eenige uren geleden. Er sprak hopeloosheid uit en diepe wanhoop. Een half uur bleef hij zitten, tegen de deur gedrukt en zijn kop in de richting van de door de sterren verlichte wildernis, en toch bleef hem nog een flauwe hoop, dat Nepeese hem achterna zou reizen. Toen groef hij zich een gat in de diepe sneeuw en bracht de rest van den nacht door in een onrustigen slaap.
Bij het aanbreken van den dag zette hij zijn reis voort. Hij was niet zoo opgewekt, dezen morgen. Hij liet zijn staart neerslachtig hangen—dit teeken noemen de Indianen de _akoosewin_—, het bewijs dat een hond ziek is. En Baree was ziek—niet naar lichaam, maar naar geest. Zijn hoop was niet heel levendig meer en hij verwachtte niet langer de Wilg te vinden. Toch werd zijn hart getrokken naar de tweede hut, aan het einde der vallenlijn, maar hij ging er niet met zooveel moed naar toe als bij de eerste. Hij legde zijn weg langzaam af en met tusschenpoozen, de opwinding van zijn onderzoek had weer plaats gemaakt voor achterdocht omtrent het donkere bosch. Hij naderde elke klem en val van Pierrot omzichtig en twee keer toonde hij zijn slagtanden—eens aan een marter, die een uitval naar hem deed van onder een boomwortel, waarheen hij de klem, waarin hij gevangen zat, gesleept had en den tweeden keer aan een vetten sneeuwuil, die aas had willen stelen en nu gevangen was aan het eind van een stalen ketting. Misschien zag Baree hem aan voor Oohoomisew en herinnerde hij zich nog levendig den verraderlijken aanval en het hevige gevecht, dien nacht, toen hij nog maar een heel jong hondje was en zich pijnlijk en vermoeid en angstig had voortgesleept onder de hooge boomen. Want hij ging verder dan het vertoonen van zijn tanden. Hij reet den sneeuwuil in stukken.
Er waren volop konijnen in Pierrot's vallen en Baree behoefde dus niet hongerig verder te gaan. Hij bereikte de tweede hut der vallenlijn in den laten namiddag, nadat hij tien uur voortgetrokken was. Hem wedervoer hier geen groote teleurstelling, want hij had niet veel verwacht. De sneeuw lag tegen deze hut nog hooger dan bij de eerste, zij lag drie voet hoog tegen de deur en het venster vertoonde een dikke vorstlaag. Op deze plek, die dicht bij een woestenij was en zonder de beschutting van de dichte bosschen, had Pierrot een opslagplaats voor zijn brandhout gemaakt en hier koos Baree tijdelijk zijn verblijf. Den heelen volgenden dag bleef hij in den omtrek van die opslagplaats, bleef aan den rand van het onbeschutte gedeelte en stelde een onderzoek in langs de kleine zijlijn, die een stuk of twaalf vallen bevatte, die Pierrot en Nepeese hadden uitgezet in een moeras, waar vele sporen van een lynx te zien waren. Pas den derden dag keerde hij terug naar den Grijzen Fuut.
Hij haastte zich niet, gebruikte twee dagen om den afstand van vijf en twintig mijlen tusschen de beide hutten af te leggen. Bij de tweede hut bleef hij drie dagen en pas op den negenden dag bereikte hij den Grijzen Fuut. Hier was niets veranderd. Er waren geen sporen in de sneeuw te zien, behalve zijn eigene, negen dagen geleden gemaakt. Zijn zoeken naar Nepeese werd nu langzamerhand onwillekeurig, een soort van dagelijksche sleur. Een week huisde hij in de verlaten hondenverblijfplaats en ten minste tweemaal per dag ging hij een kijkje nemen in het berkebasthutje en aan den rand van den afgrond. Zijn spoor, spoedig in de sneeuw vastgevroren, was even regelmatig als Pierrot's vallenlijn. Het ging recht door het bosch naar Nepeese's hutje, week daarna een weinig oostelijk af, zoodat het de bevroren oppervlakte van den zwempoel van de Wilg kruiste. Van het hutje beschreef het een cirkel door een gedeelte van het bosch, waar Nepeese dikwijls armenvol vuurbloemen ingezameld had en daarna weer naar den afgrond. Hier ging het de helling af en weer op en dan weer recht door terug naar de hondenverblijfplaats. En toen bracht Baree er plotseling een verandering in. Hij bracht een nacht door in het hutje. Naderhand, telkens wanneer hij bij den Grijzen Fuut was, ging hij in dat hutje slapen. De twee dekens vormden zijn bed—en zij waren een deel van Nepeese. En daar, den heelen langen winter door, bleef hij wachten.
Als Nepeese in Februari was teruggekeerd en Baree onverwachts had overvallen, zou zij hem geheel veranderd gevonden hebben. Hij was steeds meer op een wolf gaan lijken, toch huilde hij nooit meer op wolvenmanier en altijd gromde hij, diep in zijn strot, wanneer hij den roep van den troep hoorde. Wekenlang had de oude vallenlijn hem van voedsel voorzien, maar nu ging hij weer jagen. Het hutje, van binnen en er buiten, was bezaaid met konijnebont en beenderen. Eens—maar ook niet meer dan eens—ving hij een ree, toen de sneeuw hoog lag, en doodde haar. En ook achtervolgde hij bij noodweer in Februari een jongen kariboestier zoo van dichtbij, dat deze over een rots naar beneden viel en den nek brak. Hij leidde een goed leventje en in lichaamsgrootte en sterkte werd hij snel een van de grootste van zijn geslacht. Binnen zes maanden zou hij even groot zijn als Kazan en zijn kaken waren nu al bijna even geweldig. Dezen winter had hij driemaal een gevecht geleverd, eens met een lynx, die hem besprongen had, terwijl hij bezig was een pas gedood konijn op te eten, en tweemaal met losloopende wolven. De lynx havende hem duchtig, vóór hij de vlucht nam. Den jongsten der beide wolven doodde hij; het andere gevecht bracht hij er op het kantje af. Hij werd hoe langer hoe meer een uitgestootene, eenzaam levend in zijn droomen en smeulende verwachtingen. En hij droomde voortdurend. Meermalen hoorde hij, terwijl hij in de hut lag, de stem van Nepeese in zijn verbeelding. Hij hoorde haar zachte roepstem, haar lach, den klank van zijn naam en dikwijls sprong hij overeind—een paar oogenblikken weer de oude Baree—om weer neer te zinken op zijn leger, met een zacht, droevig janken. En altijd wanneer hij een tak hoorde knappen, of een ander geluid in het bosch, kwam de gedachte aan Nepeese het eerst bij hem op. _Den een of anderen dag zou zij terugkeeren._ Dat geloof was een deel van zijn bestaan, evengoed als de zon, de maan en de sterren.
De winter ging voorbij, de lente kwam en nog steeds ging Baree voort, zijn oude tochten af te leggen, zelfs ging hij soms wel tot aan de eerste hut op de vallenlijn. De klemmen waren verroest en kapot, de dooiende sneeuw bracht beenderen en veeren aan den dag, die er in overgebleven waren; in de valkuilen lagen stukken berenhuid en op het ijs van de meren skeletten van vossen en wolven, die van het giftaas hadden gegeten. De laatste sneeuw smolt. De gezwollen riviertjes zongen in de bosschen en kloven. Het gras werd groen en de eerste bloemen kwamen.
Stellig, nu was het tijd voor Nepeese om terug te komen! Hij keek vol vertrouwen naar haar uit. Hij ging steeds vaker naar hun zwempoel in het bosch en bleef dicht in de buurt van de afgebrande hut en de hondenverblijfplaats. Tweemaal sprong hij in den poel en jankte terwijl hij er in rondzwom, alsof hij verwachtte, dat zij spoedig mee zou komen doen in hun waterspelletje. En nu, terwijl de lente verging en de zomer kwam, zonk er langzaam de groote somberheid en ellende van hopeloosheid op hem neer. De bloemen waren nu alle uitgekomen en zelfs de bakneeshwingerd gloeide als rood vuur in de bosschen. Heele tapijten van groen begonnen den verkoolden hoop hout te bedekken, waar eens de hut had gestaan, en zelfs de blauwbloemige wingerd, die het pad van Nepeese's moeder bedekte, reikte nu ook tot aan Pierrot's graf, alsof de geest van zijn vrouw daarin voortleefde. Dit alles was gebeurd en de vogels hadden gepaard en genesteld en nog steeds was Nepeese niet thuis gekomen! En ten laatste brak er iets in Baree's binnenste, zijn laatste hoop—misschien wel zijn laatste droom—was verstoord en op een goeden dag zeide hij den Grijzen Fuut vaarwel.
Niemand kan zeggen wat het hem kostte, te vertrekken; niemand kan zeggen hoe heftig hij streed om zich los te maken van alles wat hem aan het hutje bond en den ouden zwempoel, de bekende boschpaden en de twee graven, die nu zoo eenzaam waren onder de hooge sparren. Hij vertrok. Hij had er geen reden voor, maar hij ging eenvoudig weg. Mogelijk is er een Meesterhand, die het dier leidt, zoo goed als den mensch en wij weten juist genoeg van deze leidende hand om haar instinkt te noemen. Want door zich hier vandaan te sleepen, ging Baree het Groote Avontuur tegemoet.
Het wachtte hem daarginds, in het Noorden—en hij trok het Noorden in.
XXIII.
Naar het Noorden.
Het was begin Augustus toen Baree den Grijzen Fuut verliet. Hij had geen bepaald plan. Maar er was in zijn brein nog flauw de herinnering achtergebleven aan zijn vroegere dagen, zooals de indrukken van licht en schaduw op een negatief. Zaken en gebeurtenissen, die hij bijna vergeten was, kwamen hem nu weer te binnen, terwijl hij zich hoe langer hoe verder van den Grijzen Fuut verwijderde; en zijn vroegere ondervindingen werden nu weer werkelijkheid voor hem, hij zag ze weer vóór zich, nu hij de laatste banden verbroken had, die hem bonden aan het tehuis van de Wilg. Onwillekeurig volgde hij den draad dezer gebeurtenissen en langzamerhand hielpen zij hem, nieuwe belangstelling bij zich wakker te roepen. Een jaar van zijn leven beteekende voor hem een heelen tijd—stond wel gelijk met tien jaren van een menschenleven. Het was meer dan een jaar geleden, sedert hij Kazan en Wolvin en het hol onder de omgewaaide boomen verlaten had en toch kwamen nu duidelijk de herinneringen aan zijn allervroegste jeugd terug, aan de kreek, waarin hij getuimeld was en aan dat woedende gevecht met Papayuchisew. Het waren zijn avonturen uit den laatsten tijd, die deze herinneringen bij hem opwekten. Hij kwam aan de doodloopende kloof, waar Nepeese en Pierrot hem achterna gejaagd hadden. Dat scheen pas gisteren gebeurd te zijn. Hij ging naar de kleine weide en stond naast de groote rots, waaronder Nepeese bijna verpletterd was en toen herinnerde hij zich, dat Wakayoo, zijn groote vriend de beer, hier den dood gevonden had onder Pierrot's geweerschoten—en hij ging Wakayoo's verbleekte beenderen besnuffelen, die verspreid lagen in het groene gras, terwijl aan alle kanten de bloemen er omheen bloeiden. Een dag en een nacht bracht hij in deze weide door, voor hij de kloof weer uitging en op zoek naar den poel, waarin Wakayoo voor hem had staan visschen. Er was nu een andere beer aan den rand daarvan, die eveneens stond te visschen. Misschien was hij wel een zoon of kleinzoon van Wakayoo. Baree rook waar hij zijn opslagplaats voor de vangst had gemaakt en drie dagen leefde hij op visch, voor hij naar het Noorden koers zette.
Nu zette, voor het eerst sedert vele weken, een restje van de oude vurigheid bij Baree er den spoed in en zooals hij naar den Grijzen Fuut zou zijn teruggekeerd met een gevoel van naar huis te gaan als Nepeese daar geweest was, zoo keerde hij nu terug naar den ouden bevervijver.