Part 12
„Ik ben gekomen om je tot mijn vrouw te maken, Nepeese. Hier, op deze plaats,—vandaag nog, vanavond—en morgen ga je met me mee naar Nelson House en dan naar Lac Bain—voor altijd”. Hij voegde er deze laatste woorden aan toe als een nagedachte. „Voor altijd”, herhaalde hij. „Ik bedoel niet, zooals Marie. Die is teruggegaan naar haar eigen stam.”
Mc Taggart nam geen blad voor den mond. Zijn moed en vastberadenheid groeiden aan, toen hij haar tegen den muur zag aanvallen. Zij was machteloos. Zij was de zijne. Waarom nu nog woorden te verspillen?—hij had haar aan het verstand gebracht, dat zij hem toebehooren zou—voor immer. Het kookte in zijn hersens toen hij op haar toetrad om haar in zijn armen te nemen, zooals hij haar aan den rand van de kloof in zijn armen genomen had. Er was geen ontsnappen mogelijk. Pierrot was vertrokken. Baree was dood. Zij waren alleen en de deur was op slot.
Hij had niet gedacht, dat eenig levend wezen zich zóó snel kon bewegen als de Wilg deed, toen hij de armen naar haar uitstrekte. Zij gaf geen geluid, toen zij onder een van zijn armen doordook. Hij greep naar haar, met kracht, en zijn vingers pakten in heur haar. Hij hoorde het afknappen, toen zij zich vrij maakte en naar de deur vloog. Zij had den grendel al weggeschoven, toen hij haar bereikte en met zijn armen omvatte. Hij sleepte haar terug en nu begon zij te schreeuwen—zij riep in haar wanhoop om haar vader, om Baree, om een wonder van God, dat haar zou kunnen redden. En zij vocht. Zij wrong zich in zijn armen, tot zij hem in het gezicht zag. En hoe meer zij vocht, hoe meer zij hem in het gelaat sloeg en krabde, hoe sterker haar zijn ruwe armen klemden, totdat zij het gevoel kreeg of haar rug zou breken. Zij kon niet meer zien. Zij werd half verstikt in de massa van heur haar. Het bedekte haar gelaat en borst en bovenlichaam, haar handen en armen verwarden er zich in, maar toch bleef zij worstelen. In deze worsteling struikelde Mc Taggart over Baree en zij vielen op den grond. Nepeese was volle vijf sekonden eerder op dan de man. Zij zou de deur hebben kunnen bereiken. Maar opnieuw was het heur haar, dat een beletsel werd. Zij bleef stilstaan om het naar achteren te werpen, opdat zij zou kunnen zien en Mc Taggart was eerder bij de deur dan zij.
Hij grendelde deze niet meer, maar stond tegenover haar. Zijn gelaat was vol krabbels en bloedde. Hij was geen man meer, maar een duivel. Nepeese was geheel gebroken—een zacht snikken vermengde zich met haar ademhaling. Zij bukte en raapte een stuk hout op. Mc Taggart kon zien, dat haar krachten bijna uitgeput waren. Zij omklemde den stok, toen hij haar opnieuw naderde. Maar Mc Taggart had alle bezinning verloren. Hij had haar tegen zich aan voelen hijgen en worstelen en alle menschelijke gevoelens vereenigden zich in hem tot een woest verlangen, haar te bezitten. Hij besprong haar als een dier. Het stuk hout viel op den grond. En weer was het Lot tegen het meisje. In haar ontzetting en wanhoop had zij den eersten den besten stok opgeraapt—een dun stuk brandhout. Met haar laatste krachten sloeg zij hiermee naar Mc Taggart. Hij deinsde even achteruit, toen de slag op zijn hoofd neerkwam, maar liet haar niet los. Voor zij opnieuw kon toeslaan, had hij haar weer in de schroef van zijn armen gekneld. Zij gaf een schreeuw van pijn en de stok vloog over zijn schouder heen, het vertrek door.
Vruchteloos vocht zij nog met hem—niet langer om hem te slaan of te ontsnappen—maar om haar adem te herkrijgen. Zij trachtte wederom te schreeuwen, maar ditmaal kwam er geen geluid over haar hijgende lippen. Enger en enger omsloten zijn armen haar. Zij waren vreeselijk, die armen, en als een bliksemstraal schoot Nepeese de herinnering te binnen aan dien dag, toen zij bijna bedolven was onder die groote rots. Het was een zonderlinge gedachte om op dit oogenblik te krijgen—maar zij kreeg haar nu eenmaal—en Mc Taggart's armen drukten erger dan de rots! Zij verpletterden haar! Haar rug brak er van! En zij leunde slap tegen Mc Taggart's borst. Met een uitzinnigen triomfkreet liet hij haar los en zij viel achterover in zijn armen, haar lange haren sleepten over den vloer. Haar oogen waren nog half open. Zij had niet geheel het bewustzijn verloren, maar was volkomen hulpeloos.
Hij lachte weer en terwijl hij lachte, hoorde hij de deur open gaan. Deed de wind dit? Hij keerde zich om, haar nog steeds in zijn armen houdend.
In de open deur stond Pierrot.
XX.
Nepeese doet haar keus.
Het korte tijdsverloop, dat nu volgde, kort, gemeten volgens den harteklop van den mensch, scheen in de hut bij den Grijzen Fuut een eeuwigheid te duren, een eeuwigheid, die soms tusschen leven en dood schijnt te liggen.
Pierrot bewoog zich niet, in de deur staande. Mc Taggart, met het volle gewicht van Nepeese in zijn armen, staarde Pierrot aan, eveneens bewegingloos. Maar de oogen van de Wilg werden geopend. Een stuiptrekking ging door Baree, die nog steeds tegen den muur lag. Men hoorde geen enkele ademhaling. En toen klonk er door die stilte een hijgende snik van Nepeese.
En dit scheen Pierrot tot het leven terug te doen keeren. Evenals Mc Taggart had hij zijn jas en wanten buiten gelaten. Hij sprak en zijn stem geleek niet op die van Pierrot. Het was een vreemd geluid, dat hij voortbracht.
„De Groote God heeft me bijtijds terug doen keeren, m'sieu,” zeide hij. „Ik ben ook in oostelijke richting gereisd en zag uw spoor hierheen leiden.”
Neen, dit geleek niets op Pierrot's stem! Mc Taggart ontzette er van, thans, en langzaam liet hij Nepeese los. Zij viel op den grond. Langzaam nam hij een strakke houding aan.
„Is het niet waar, m'sieu?” vroeg Pierrot opnieuw. „Ik ben nog op tijd?”
Welke macht was het—welke groote vrees wellicht, dreef Mc Taggart er toe, te knikken en met zijn dikke lippen heesch de woorden: „Ja, op tijd,” te vormen?
En toch was het geen vrees. Het was iets grooters, iets almachtigers dan dat. En Pierrot zeide, met dezelfde zonderlinge stem: „Ik dank den Grooten God!”
De oogen van een razenden man ontmoetten die van een anderen razende. De Dood was tusschen hen. Beiden zagen het. Beiden dachten, dat zij de richting zagen, waarin zijn beenige vinger wees. Beiden waren er zeker van. Mc Taggart's hand dwaalde niet naar het pistool in zijn holster en Pierrot raakte niet aan het mes in zijn gordel. Toen zij aanvielen, vlogen zij elkander naar de keel, er waren twee beesten, in plaats van één, want Pierrot had nu de kracht en de woede in zich van den wolf, de kat en den panter.
Mc Taggart was de grootste en zwaarste van de twee mannen, een reus van kracht, maar toch werd hij bij Pierrot's eersten woesten uitval tegen de tafel aangeworpen en kwam met een smak op den vloer terecht. Hij had meermalen in zijn leven gevochten, maar hij had nooit een greep aan zijn keel gevoeld als de greep van Pierrot's handen. Zij persten bijna dadelijk alle leven uit hem. Zijn nek kraakte—als het nog wat langer duurde zou hij breken. Hij sloeg in den wilde naar Pierrot en wrong zich, om het gewicht van den halfbloed van zich af te krijgen. Maar Pierrot had zich aan hem vastgeklemd, zooals Sekoosew, de hermelijn, zich aan de keelader van den patrijs had vastgeklemd en Bush Mc Taggart's mond werd langzaam geopend en zijn gelaatskleur ging van rood in paars over.
Koude lucht, die door de open deur naar binnen stroomde, Pierrot's stem en het lawaai van het gevecht hadden Nepeese tot haar bewustzijn terug doen keeren en haar de macht gegeven, van den grond op te staan. Zij was vlak bij Baree neergevallen en toen zij haar hoofd oprichtte, rustten haar oogen een moment op den hond, voor zij zich naar de vechtende mannen wendden. _Baree was nog levend!_ Er gingen stuiptrekkingen door zijn lijf, zijn oogen waren geopend, hij deed een poging, zijn kop op te heffen, terwijl zij naar hem keek.
Toen scharrelde zij overeind, op haar knieën en keek naar de mannen en Pierrot moest zelfs, te midden van zijn bloedroode woede om te dooden, den scherpen vreugdekreet gehoord hebben, dien zij uitte, toen zij ontdekte, dat de agent van Lac Bain onder lag. Met geweldige inspanning wist zij geheel op te staan en eenige oogenblikken stond zij zoo, in wankelende houding, terwijl zij haar best deed, haar lichaam en geest meester te worden. Juist terwijl zij keek naar het zwartblauwe gelaat, waaruit Pierrot's vingers het leven knepen, tastte Mc Taggart's hand in den blinde naar zijn pistool. En hij vond het. Zonder dat Pierrot het zag, trok hij het uit zijn holster. Een der zwarte duivels van het noodlot begunstigde hem weer, want in zijn opwinding had hij, na het schot op Baree, den haan niet in de rust gezet. Hij had nog juist kracht genoeg, den trekker over te halen. Twee keer trok hij. Twee keer ontstond er een doodelijke ontploffing, vlak bij Pierrot's lichaam.
Aan Pierrot's gelaat zag Nepeese wat er gebeurd was. Haar hart stond stil van ontzetting, toen zij de snelle en vreeselijke verandering gadesloeg, daar door plotselingen dood op teweeg gebracht. Langzaam verstijfde Pierrot's houding. Zijn oogen stonden wijd geopend en strak. Hij gaf geen geluid. Zij kon zijn lippen niet zien bewegen. En toen viel hij naast haar neer, zoodat Mc Taggart's lichaam van hem bevrijd werd. Blindelings en met een smart, die te hevig was voor woord of kreet, wierp zij zich naast hem neer. Hij was dood. Hoe lang zij daar lag, hoe lang zij wachtte tot hij zich weer zou bewegen, zijn oogen openen, ademen, zou zij nooit weten. In dien tusschentijd was Mc Taggart opgestaan en stond tegen den muur geleund, met het pistool in zijn hand, zijn verdooving was aan het verdwijnen, zijn hartstochten herleefden, toen hij zijn overwinning begreep. Wat hij gedaan had, deed hem niet ontstellen. Zelfs in dit tragisch oogenblik, terwijl hij daar tegen den muur leunde, maakte hij zijn verdediging—zoo hij er ooit een noodig mocht hebben—al gereed. Pierrot, de halfbloed, had hem met moordlustige plannen aangevallen—zonder reden. Uit zelfverdediging had hij hem daarop gedood. Hij was immers handelsagent te Lac Bain? Zouden de Compagnie en de Wet niet meer geloof slaan aan zijn woord dan aan dat van het meisje? De oude opwinding maakte zich weer van hem meester. Het zou nooit zoover komen—tot een verraden van de aanleiding tot de worsteling en dood in deze hut—nadat hij met haar had afgerekend! Zij zou niet voor altijd bekend willen zijn als _La Bête Noire_. Neen, zij zouden Pierrot begraven en daarna zou zij met hem mee teruggaan naar Lac Bain. Als zij tevoren al hulpeloos geweest was, nu was zij nog tienmaal hulpeloozer. Zij zou nooit spreken over wat er in de hut was voorgevallen, nadat hij met haar had afgerekend!
Hij vergat de aanwezigheid van den dood, toen hij naar haar keek, zooals zij daar over haar vader heen gebogen lag, terwijl heur haar hem bedekte als een zijden lijkwade. Hij stak het pistool weer in zijn holster en haalde diep adem. Hij stond nog wat onvast op zijn beenen, maar op zijn gelaat lag weer een duivelsche uitdrukking. Hij deed een stap naar voren en toen hoorde het meisje een geluid, dat haar deed opschrikken. In de schaduw van den muur was Baree overeind gekrabbeld, en nu gromde hij. Langzaam lichtte Nepeese het hoofd op. Een macht, die zij niet weerstreven kon, dreef haar er toe, de oogen op te slaan en Bush Mc Taggart aan te zien. Zij had bijna het feit, dat hij tegenwoordig was, vergeten, haar zintuigen waren verdoofd en het was alsof haar eigen hart had opgehouden te kloppen, gelijktijdig met dat van Pierrot. Maar wat zij las op het gelaat van den agent, deed haar ontwaken uit de verdooving van haar verdriet en den omvang van het gevaar begrijpen, dat zij zelf liep. Hij stond over haar heen gebogen. Op zijn gelaat stond geen medelijden te lezen, geen grijntje afschuw over wat hij gedaan had—alleen een krankzinnige opwinding bij het kijken, niet naar Pierrot's lijk, maar naar _haar_. Hij strekte zijn hand uit en liet die rusten op haar hoofd. Zij voelde zijn grove vingers woelen in heur haar en zijn oogen gloeiden als vonken, onder een vochtig waas. Zijn vingers openden en sloten zich, zij kon zijn adem hooren, toen hij zich dieper naar haar overboog en zij worstelde om op te rijzen—maar hij hield haar neergedrukt.
„Groote God!” hijgde zij.
Zij gaf geen ander geluid, uitte geen bede om genade, het was enkel een droge, hopelooze snik. Op dit oogenblik zagen noch hoorden zij Baree. Tweemaal, terwijl hij den vloer der hut overstak, hadden zijn achterpooten hem begeven. Nu was hij dicht bij Mc Taggart. Hij verlangde een enkelen sprong te nemen op den rug van den bruut en zijn dikke keel kapot te knauwen, zooals hij een kariboe-been gekraakt zou hebben. Maar hij had geen kracht daartoe. Hij was nog gedeeltelijk verlamd, zijn achterlijf tenminste. Maar zijn kaken waren als van ijzer en zij sloten zich woest om Mc Taggart's been. Met een gil van pijn liet de agent de Wilg los en zij strompelde overeind. Een kostbare halve minuut lang was zij van hem verlost en terwijl de agent schopte en stompte om zich van Baree te bevrijden, rende zij de deur der hut uit en kwam in het volle daglicht. De koude lucht sneed in haar gelaat en vulde haar longen met nieuwe kracht en zonder nog recht te weten, waar zij redding zou vinden, rende zij door de sneeuw het bosch in.
Mc Taggart verscheen aan de deur, nog juist intijds om haar te zien verdwijnen. Zijn been was opengereten op de plaats waar Baree zijn tanden gezet had, maar hij voelde geen pijn, toen hij het meisje achterna zette. Zij kon niet ver meer gaan. Een opgewonden kreet, onmenschelijk, kwam uit zijn naar adem snakkenden mond, toen hij zag, dat zij van zwakte wankelde onder het loopen. Hij was halverwege den zoom van het bosch toen Baree zich over den drempel sleepte. Zijn bek bloedde, daar Mc Taggart hem verscheidene malen geschopt had, voor hij zijn been had weten te bevrijden. Tusschen zijn ooren was een gezengde plek, alsof er een roodgloeiende pook tegenaan was gehouden. Hier was Mc Taggart's kogel langs gegaan. Een halven centimeter dieper en hij zou dood geweest zijn. Maar nu had hij het gevoel gehad, alsof hij een geweldigen slag met een knuppel gehad had, die hem verdoofd en machteloos tegen den muur geworpen had. Hij kon nu weer loopen zonder te vallen en langzaam volgde hij het voetspoor van den man en het meisje.
Terwijl zij vluchtte, wist Nepeese, dat zij geen genade te wachten had. Er bleven haar nog slechts eenige minuten—sekonden wellicht—en haar geest werd plotseling helder en zij kon weer overleg plegen. Zij sloeg het nauwe pad in, waarlangs Mc Taggart haar al eens eerder gevolgd had, maar vlak voordat zij de kloof bereikte, zwenkte zij scherp naar rechts. Zij kon Mc Taggart zien. Hij liep niet hard, maar won toch voortdurend op haar, alsof hij zich vermeide in het aanschouwen van haar hulpeloosheid, zooals hij zich daar vroeger op een andere wijze in verlustigd had. Tweehonderd meter verder dan de diepe poel, waarin zij den agent indertijd geduwd had,—vlak achter de zandbank, waarop hij zich toen in veiligheid had weten te brengen, was het begin van de Blauwe Veer Kolk. Een verbijsterende gedachte vormde zich in haar brein en werd met elke nieuwe hijgende ademhaling, die zij uitstiet, tot een grootere en heerlijke hoop. Eindelijk bereikte zij de kolk en keek naar beneden. En terwijl zij dit deed, welde er uit haar ziel naar haar trillende lippen de Zwanenzang van haar moeder's stam:
_Onze vaders—komt! Komt uit de vallei. Geleidt ons, want heden sterven wij. En de winden fluisteren van den dood._
Zij had de armen opgeheven. Tegen de witte verlatenheid achter zich stak zij af, lang en tenger, heur haar reikend tot aan de knieën, glansde in het zonlicht. Vijftig meter achter haar bleef de agent van Lac Bain plotseling stilstaan. „God!” fluisterde hij. „Is zij niet prachtig?” En achter hem aan, sneller en sneller loopend, kwam Baree.
Opnieuw keek de Wilg omlaag. Zij stond aan den rand van den afgrond, want zij kende geen vrees in deze ure. Meermalen had zij haars vaders hand vastgegrepen, als zij over den rand in de diepte keek, want wie daarin viel, kon er onmogelijk het leven afbrengen. Vijftig voet beneden haar klotste het water, dat nimmer bevroor, zich tot schuim tusschen de rotsen. Het was diep en zwart en afschuwwekkend, want tusschen de nauwe rotswanden kon geen enkele zonnestraal het bereiken. Het geraas er van dreunde in de ooren van de Wilg.
Zij keerde zich om en wachtte Mc Taggart af.
Zelfs toen giste hij nog niet wat zij van plan was, maar kwam weer naar haar toe, zijn armen uitstrekkend, alsof hij haar lichaam er al mee kon omvatten. Vijftig meter! Dat was niet veel en de afstand minderde snel.
De lippen van de Wilg bewogen zich nog eens. Het is de ziel van onze moeder, die ons vertrouwen schenkt, wanneer wij de eeuwigheid ingaan, zelfs al is zij heidensch, en het was de geest van haar moeder, dien Nepeese aanriep in dit uur des doods. Met dezen Roep op de lippen stortte zij zich in den afgrond, terwijl haar fladderende haren een glinsterende lijkwade vormden.
XXI.
Alleen!
Een oogenblik later stond de agent van Lac Bain aan den rand van de kloof. Hij had een heesch gebrul voortgebracht—een woesten kreet van ongeloovigheid en afgrijzen, die Nepeese's naam vormde, toen zij verdween. Hij keek naar beneden, zijn groote roode handen in elkaar klemmend en staarde, bleek van onzekerheid, naar het kokende water en de zwarte rotsen in de diepte. Er was niets te zien, geen enkele aanduiding waar zij verdwenen was in het witte schuim. En zij was _daartoe_ overgegaan—om zich voor hem te redden!
De ziel van den bruut werd er door geschokt, zoo zelfs, dat hij achteruit deinsde, met beneveld oog en wankelend op zijn beenen. Hij had Pierrot vermoord en dit was een triomf geweest; zijn heele leven lang had hij de rol van wreedaard gespeeld, zonder eenige gewetenswroeging—en nooit was hij zoo door zijn gevoel overweldigd; het scheen hem op de plaats te verlammen. Hij zag Baree niet. Hij hoorde niet het gejank van den hond aan den rand van den afgrond. Een paar oogenblikken scheen de wereld voor hem in zwart gehuld en toen, zich herstellend van zijn verbijstering, begon hij zenuwachtig langs den rand van de kolk te loopen, overal rondkijkend of hij ook maar een glimp van haar kon ontdekken. Eindelijk begon hij de hoop op te geven. Zij was weg, voor goed,—en zij had dat gedaan om aan hem te ontsnappen!
Hij mompelde dit telkens weer in zichzelf, stom weg, met een dikke tong, alsof zijn trage hersens buiten dit feit niets meer bevatten konden. Zij was dood. En Pierrot was ook dood. En _hij_ had dit alles in eenige minuten bewerkt.
Hij keerde terug naar de hut—niet het pad nemend, waarlangs hij Nepeese vervolgd had, maar recht door het dichte struikgewas. Groote sneeuwvlokken waren beginnen te vallen. Hij keek op naar de lucht; uit het Zuidoosten kwamen donkere wolken aandrijven. De zon werd onzichtbaar. Er was een storm op til—een zware sneeuwstorm. De groote vlokken, neerdalend op zijn bloote handen en gezicht, brachten hem weer aan het denken. Deze sneeuwstorm was een goed ding voor hem. Hij zou alles bedekken, zelfs de versche voetsporen en het graf, dat hij voor Pierrot zou delven. Een man van zijn karakter had niet veel tijd noodig om zich te herstellen van een geestelijken schok. Toen hij de hut in 't gezicht kreeg, was zijn geest weer aan het werk—om uit te maken, wat er in de tegenwoordige omstandigheden gedaan moest worden. Het vreeselijkste van alles was niet, dat Pierrot en Nepeese beiden dood waren, maar dat zijn droom, de verwachtingen, die hij gekoesterd had, verstoord waren. Het deed hem geen verdriet, dat Nepeese dood was, maar dat _hij_ haar verloren had. Dit was zijn bitterste teleurstelling. Over de rest—zijn misdaad—zou hij wel gauw heen komen.
Het was geen weekhartigheid, die hem er toe bracht, Pierrot's graf vlak naast dat van zijn vrouw te maken. Dàt hij een graf voor hem groef, was louter uit voorzichtigheid, niet uit edeler gevoelens. Hij gaf Pierrot een fatsoenlijke begrafenis, zooals de eene blanke man die een anderen bereidt.
Daarna goot hij Pierrot's petroleumvoorraad uit op de plaatsen, waar hij er het meeste nut van zou hebben en bracht er een lucifer bij. Hij bleef aan den zoom van het bosch staan tot de hut niet meer was dan een vlammenmassa. De sneeuw viel dicht. Het versch-gegraven graf vormde een wit heuveltje en ook de paden zagen al wit. Voor zijn waarneembare daden gevoelde Mc Taggart geen vrees, terwijl hij naar Lac Bain terugkeerde. Niemand zou ooit het graf van Pierrot Du Quesne openen. En als zulk een wonder al gebeurde, zou niemand hem kunnen verraden. Maar van één herinnering zou zijn zwarte ziel zich nooit kunnen bevrijden. Altijd zou hij het bleeke gelaat van de Wilg voor zich zien, zooals zij hem in haar oogenblik van triomf had aangezien, den dood verkiezend boven hem, toen hij had uitgeroepen: „God, is zij niet prachtig!”
Zooals Bush Mc Taggart Baree vergeten had, zoo had Baree ook hem vergeten. Terwijl Mc Taggart langs den rand van den afgrond liep, was Baree op de plek gebleven waar Nepeese het laatst gestaan had, zijn voorpooten schrap zettend, terwijl hij in de diepte keek. Hij had haar den sprong zien doen.
Dezen zomer had hij haar meermalen gevolgd op haar moedig duiken in het diepe, kalme water van den poel. Maar dit was een ontzaglijke afstand. Op een dergelijke plaats was zij nog nooit gedoken. Hij kon de zwarte toppen van de rotsen zien, verschijnend en weer verdwijnend in het klotsende schuim, als zeemonsters, die aan het spelen zijn; het geraas van het water dreunde in zijn ooren; hij zag verbrokkeld ijs snel voortglijden tusschen de rotswanden. En zij was daarin gesprongen.
Hij gevoelde een groot verlangen, haar te volgen, haar na te springen, zooals hij haar altijd nagesprongen was. Zij was stellig daar beneden, al kon hij haar niet zien. Misschien speelde zij wel tusschen de rotsen en verstopte zich onder het witte schuim, zich afvragend waarom hij niet kwam. Maar hij aarzelde—aarzelde, met kop en nek over den rand van den afgrond, terwijl zijn voorpooten wat meegaven in de sneeuw. Krachtig drong hij zich weer achteruit en jankte. Hij rook den verschen reuk van Mc Taggart's mocassins in de sneeuw en het janken veranderde langzaam in een langen, woedenden grauw. Hij keek weer over den rand. Nog steeds kon hij haar niet zien. Hij blafte—het korte, scherpe signaal, waarmee hij gewoon was haar te roepen. Geen antwoord. Hij blafte nog eens en nog eens en altijd was het eenige geluid, dat hem antwoordde, het geraas van het water. Daarna bleef hij eenige oogenblikken stilstaan en luisterde, terwijl zijn lijf sidderde door den vreemden angst, die hem bekroop.