De zoon van Kazan

Part 11

Chapter 114,101 wordsPublic domain

Het riviertje was niet meer dan honderd voet in oppervlakte, maar Baree kon toch maar met de uiterste krachtsinspanning den overkant bereiken. Vóór hij zich aan land sleepte, had hij den omvang van zijn wonden nog niet gevoeld. Zijn eenen achterpoot kon hij niet gebruiken, zijn linker schouder lag open tot op het been, zijn kop en lijf waren opengehaald en terwijl hij langzaam wegkroop van den waterkant, vormde hij een spoor in de sneeuw, dat rood zag van het bloed. Het druppelde van zijn hijgende kaken, waartusschen ook zijn tong bloedde; liep langs zijn pooten en flanken en buik en druppelde van zijn ooren, waarvan één zoo gehavend was, alsof men er met een mes van afgesneden had. Zijn instinkten waren verdoofd, zijn gezicht beneveld, alsof er een mist voor zijn oogen hing. Hij hoorde niet het teleurgestelde huilen van den wolventroep aan den anderen kant der rivier eenige minuten later en hij bemerkte niet langer het bestaan van maan en sterren. Half dood sleepte hij zich verder, tot hij bij toeval een groepje dwergsparren ontdekte. Hier sleepte hij zich in en viel toen neer, volkomen uitgeput.

Verminkt, met litteekens die fel hem brandden, lag hij door de hevig opvlammende koorts op het randje van den dood.

Toch overwon het leven; de koorts verminderde en tegen den middag stond hij op. Hij was zwak en wankelde op zijn pooten. Zijn eene achterpoot sleepte hem nog steeds na en hij werd door pijn gemarteld. Maar het was een schitterende dag. De zon was warm. De sneeuw was aan het smelten.

De hemel geleek een groote blauwe zee en de levensvloed stroomde weer warm door zijn aderen. Maar nu waren, voor altijd, zijn verlangens veranderd en zijn voortdurend zoeken was geëindigd. Een roode woestheid blonk in zijn oogen, terwijl hij gromde in de richting, waar zijn gevecht met de wolven den vorigen nacht had plaats gehad. Zij waren niet langer van hetzelfde ras als hij. Zij waren niet langer van hetzelfde bloed. Nooit zou de jachtroep meer aantrekkingskracht op hem uitoefenen of de stem van den troep dat oude verlangen bij hem opwekken. Er was iets nieuws in hem geboren, een onvernietigbare haat tegen al wat wolf was, een haat, die zou aangroeien tot bijna een organisch ongemak, iets dat hij nooit heelemaal kwijt was en dat om weerwraak riep. Den vorigen nacht was hij tot hen gekomen als een kameraad. Vandaag was hij een uitgestootene. Gewond en verminkt, litteekens met zich meedragend, die nooit meer zouden verdwijnen, had hij zijn les van de wildernis geleerd. Morgen en overmorgen, en tallooze dagen daarna, zou deze les hem versch in het geheugen blijven.

XVIII.

De agent neemt zijn besluit.

In de hut bij den Grijzen Fuut was Pierrot aan het rooken van zijn pijpje, na een stevig avondmaal van kariboe-lende, die hij had meegebracht, den vierden avond na Baree's vertrek, en Nepeese luisterde naar zijn verhaal over de merkwaardigheid van zijn schot, toen een geluid aan de deur hen storen kwam. Nepeese opende haar en Baree kwam binnen. De welkomstkreet bestierf het meisje op de lippen en Pierrot keek alsof hij niet gelooven kon, dat dit dier, dat teruggekeerd was, de wolfshond was.

Drie dagen en drie nachten van honger, waarin hij niet had kunnen jagen, omdat hij nog steeds met zijn eenen poot sleepte, hadden hem totaal verzwakt. Met litteekens bezaaid en bedekt met klonters geronnen bloed, dat nog steeds aan zijn lange haren kleefde, bood hij zulk een jammerlijken aanblik, dat Nepeese naar adem snakte. Een zonderlinge glimlach verspreidde zich over Pierrot's gelaat, terwijl hij in zijn stoel voorover leunde en toen stond hij langzaam op, bekeek Baree van naderbij en zeide tot Nepeese:

„_Ventre saint gris!_ Ja! Hij is bij den troep geweest, Nepeese, en de troep heeft hem aangevallen. Het was geen tweegevecht! Het moet de heele troep geweest zijn. Hij is op vijftig verschillende plaatsen gebeten. En—_mon Dieu_—hij heeft er het leven afgebracht!”

In Pierrot's stem klonk groeiende verbazing. Hij was ongeloovig en toch kon hij niet twijfelen aan hetgeen zijn oogen hem zeiden. Wat er gebeurd was, grensde aan een wonder en een tijdlang sprak hij niet meer, maar bleef zwijgend toekijken, terwijl Nepeese, uit haar verbijstering gewekt, Baree begon te verzorgen en hem voedsel gaf. Nadat hij als een razende gegeten had van koude maispap, begon zij zijn wonden te betten met warm water en daarna zalfde zij ze met berenvet, voortdurend tegen hem pratend in haar zachtklinkend Cree. Na de pijn en den honger en de verraderlijkheid van den aanval was dit een verrukkelijke thuiskomst voor Baree. Hij sliep dien nacht aan den voet van Nepeese's bed. Den volgenden morgen werd zij gewekt door de liefkoozing van zijn koele tong op haar hand.

En zoo hervatten zij vanaf dezen dag hun kameraadschap, die afgebroken was geweest door Baree's tijdelijke afvalligheid. De gehechtheid was van Baree's kant grooter dan ooit. Hij had uit eigen beweging de Wilg verlaten, om de roepstem van den troep te volgen, en het leek soms wel alsof hij den omvang van zijn trouweloosheid begon te bevatten en nu zijn best deed, het weer goed te maken.

Ongetwijfeld was er een groote verandering over Baree gekomen. Hij volgde Nepeese als een schaduw. In plaats van 's nachts te gaan slapen in het warme nest van sparregroen, dat Pierrot voor hem gemaakt had, groef hij zichzelf een gat, dicht bij de deur der hut. Pierrot dacht, dat hij begreep waarom, en Nepeese dacht, dat zij het nog veel beter begreep, maar in werkelijkheid berustte de sleutel van dit geheim bij Baree zelf. Hij speelde nu niet meer, zooals hij gespeeld had vóór hij het bosch introk. Hij vloog niet meer op takjes af en rende niet meer tot hij buiten adem was, enkel en alleen om het plezier van het rennen. Zijn jonge hondjes-tijd was voorbij. In plaats daarvan trad een groote vereering en een pijnlijke bitterheid, een liefde voor het meisje en een haat jegens den wolventroep en al wat er mee te maken had. Wanneer hij wolvegehuil hoorde, bracht dit een woedend gegrom teweeg in zijn strot en hij ontblootte zijn slagtanden, totdat zelfs Pierrot hem uit den weg ging. Als de hand van het meisje hem even aanraakte, bedaarde hij.

Binnen een paar weken begon de sneeuw zwaarder te vallen en Pierrot begon zijn tochten te maken over het vallengebied. Nepeese had een gewichtige overeenkomst met hem aangegaan, dezen winter. Pierrot had haar als firmant opgenomen. Elke vijfde klem, elke vijfde val en elk vijfde giftaas zou haar eigendom zijn en al wat daarin gevangen of gedood werd, zou haar een beetje nader brengen tot de verwezenlijking van een schoonen droom, die in de ziel van Nepeese groeide.

Pierrot had haar een belofte gedaan. Als zij een voordeeligen winter hadden, zouden zij tegen het einde van het sneeuwseizoen naar Nelson House reizen en het kleine orgel koopen, dat daar was aangeboden; en als het orgel soms al verkocht was, zouden zij nog een winter werken om een ander te koopen. Dit plan gaf Nepeese een levendige en hartstochtelijke belangstelling in de vallenlijn. Het was van Pierrot een soort van krijgslist geweest. Hij zou alles hebben willen geven, om Nepeese dat orgel te kunnen geven; hij had zich vast voorgenomen, dat zij het krijgen zou, of die vijfde klem en val en giftaas aan zijn bestemming voldeed of niet. Die overeenkomst tusschen hen beiden had, wat dat betrof, niets te beteekenen. Maar het gaf Nepeese in zeker opzicht het gevoel van mee zaken te doen en mee te werken. Dit had Pierrot haar ingeprent, met een bedoeling. Hij wilde haar bij zich hebben als hij niet in de hut was. Hij wist, dat Bush Mc Taggart weer naar den Grijzen Fuut zou komen, waarschijnlijk wel meer dan eens, gedurende dezen winter. Zijn honden liepen snel en het was een korte reis. En als Mc Taggart terugkwam, moest Nepeese niet in de hut zijn—alleen.

Pierrot's jachtgebied liep naar het Noorden en Westen, alles bijeengenomen een oppervlakte van vijftig mijlen beslaande en gewoonlijk volgden twee klemmen, één val en een giftaas op elkander. Het was een gebied vol kronkelingen, nu en dan opzettelijk langs water geleid ter wille van wezels, otters en marters, dan weer door het dichtst van het bosch voor de lynxen en over dorre open plekken, waar giftaas uitgezet kon worden voor vossen en wolven. Halverwege dit gebied had Pierrot een kleine houten hut gebouwd en een eind verder nog een, zoodat het werk van één dag vijf en twintig mijlen omvatte. Dit was gemakkelijk genoeg voor Pierrot en viel Nepeese niet zwaar, na de eerste paar dagen. Gedurende de heele maand October, November en het grootste gedeelte van December maakten zij deze uitstapjes geregeld, zij deden elke zes dagen de ronde, rustten één dag in de hut bij den Grijzen Fuut en één dag in de hut aan het einde van hun gebied. Voor Pierrot beteekende dit alles zijn gewone werk, den arbeid van velen van zijn voorgeslacht, voor Nepeese en Baree was dit een vroolijk avontuur, dat hen geen dag verveelde. Zelfs Pierrot bleef niet geheel ongevoelig voor hun opgewektheid. Zij was aanstekelijk en drie maanden lang was hij gelukkiger dan hij geweest was sedert den dag, waarop hij zijn vrouw begroef.

Het waren prachtige maanden. De pelzen waren dik en het was gestadig koud, zonder sneeuwstormen. Nepeese droeg niet alleen een pakje op de schouders, om Pierrot's last te verlichten, maar wende er ook Baree aan, een paar kleine manden te dragen, die zij vervaardigd had. In deze manden droeg Baree het aas. Een derde gedeelte van het aantal vallen bevatte altijd wel, wat Pierrot noemde „kleingoed”: konijnen, uilen, Vlaamsche gaaien en eekhoorns. Dezen vormden, geplukt of gestroopt, weer nieuw lokaas voor de volgende vallen.

In het begin van December, toen zij terugkeerden naar den Grijzen Fuut, bleef Pierrot, die Nepeese eenige passen vooruit was, plotseling stilstaan en keek naar de sneeuw. Een derde sneeuwschoenspoor had zich bij het hunne gevoegd en wees in de richting van hun hut. Een halve minuut lang bleef Pierrot zwijgen en bewoog nauwelijks een spier, terwijl hij naar den grond staarde. Het spoor kwam regelrecht uit het Noorden—en daar lag Lac Bain. Het waren groote sneeuwschoenen en blijkbaar had er een lange man op geloopen. Voor Pierrot iets gezegd had, had Nepeese al begrepen, waaraan hij dacht.

„M'sieu de agent van Lac Bain!” zeide zij.

Baree snuffelde achterdochtig aan dit vreemde spoor. Zij hoorden hem onderdrukt grommen en Pierrot's schouders trokken zich samen.

„Ja, de M'sieu,” zeide hij.

Het hart van de Wilg klopte sneller toen zij verder gingen. Zij was niet bang van Mc Taggart, niet lichamelijk bang tenminste, maar toch rees er een onrust in haar gemoed, als zij er aan dacht, hem weer te zien bij den Grijzen Fuut. Waarom was hij daar? Pierrot behoefde geen antwoord te geven op deze vraag, zelfs al had zij die gesteld. Zij wist het zelf wel. De agent van Lac Bain had niets in hun hut te maken—hij kwam alleen om haar te zien. Het bloed brandde haar rood in de wangen, toen zij weer dacht aan dat oogenblik aan den rand van de kloof, toen hij haar bijna verpletterd had in zijn armen. Zou hij dat nog eens wagen? Haar vader, diep verzonken in zijn eigen sombere gedachten, hoorde nauwelijks den eigenaardigen lach, dien zij plotseling deed hooren. Baree had opnieuw gegromd. Het was een zacht geluid geweest, maar schrikaanjagend. Toen zij nog maar een halve mijl van de hut verwijderd waren, maakte zij de manden van zijn schouders los en droeg ze zelf. Tien minuten later zagen zij een man hun tegemoet komen.

Het was Mc Taggart niet. Pierrot herkende hem en met een hoorbaren zucht van verlichting wuifde hij hem toe. Het was De Bar, die zijn jachtterrein had in het Onvruchtbare Land ten noorden van Lac Bain. Pierrot kende hem goed. Zij ruilden dikwijls vergiften met elkaar. Zij waren vrienden en er was blijdschap in hun handdruk.

Daarna staarde De Bar in bewondering naar Nepeese.

„_Tonnerre_, zij is een vrouw geworden!” riep hij en als een ware vrouw keek Nepeese hem strak aan en de kleur werd donkerder op haar wangen, toen hij diep voor haar boog, met een hoffelijkheid, dagteekenend uit vroeger eeuwen.

De Bar liet geen tijd verloren gaan met het uitleggen van het doel zijner komst en voor zij de hut bereikten, wisten Pierrot en Nepeese, wat hij bij hen kwam doen. M'sieu de agent van Lac Bain zou over vijf dagen op reis gaan en hij had De Bar speciaal gezonden om Pierrot te verzoeken, gedurende zijn afwezigheid den klerk en den halfbloed, die op het magazijn moest passen, te komen bijstaan. Pierrot vroeg geen verklaring, in het begin, maar hij dacht na. Waarom had Mc Taggart juist _hem_ laten halen? Waarom had hij niet iemand uitgekozen, dichter in zijn eigen buurt? Niet voordat er een flink vuur knapperde in de plaatijzeren kachel in de hut en Nepeese druk bezig was met het bereiden van het avondmaal, stelde hij deze vragen aan den vossenjager.

De Bar haalde de schouders op.

„Hij vroeg eerst aan mij, of ik kon blijven. Maar ik heb een vrouw met zwakke longen, Pierrot. Zij heeft de ziekte opgedaan met de vorst van verleden jaar en ik durf haar niet lang alleen laten. Hij heeft groot vertrouwen in jou. Bovendien ken jij alle strikkenzetters, die in de boeken van de Compagnie staan. Daarom heeft hij een boodschap naar jou gestuurd en hij zegt, dat je je maar niet moet bekommeren over je eigen vangst, want dat hij je het dubbele zal betalen van wat je anders zou krijgen, in den tijd dat je op den Post bent.”

„En—Nepeese?” vroeg Pierrot. „Verwacht M'sieu, dat ik haar mee zal brengen?”

Bij de kachel boog de Wilg het hoofd om te luisteren en zij haalde verruimd adem bij De Bar's antwoord.

„Daar heeft hij niets van gezegd. Maar—het zal wel een groote verandering voor de kleine m'selle wezen.”

Pierrot knikte.

„Misschien, Netootam.”

Zij praatten dien avond niet langer over de zaak. Maar den heelen nacht bleef Pierrot er over liggen denken en honderd maal vroeg hij zich hetzelfde af—waarom had Mc Taggart _hem_ juist laten halen? Hij was niet de eenige man, die de strikkenzetters van de Compagnie goed kende. Daar had je bijvoorbeeld Wassoon, den halfbloed-Skandinaviër, wiens hut maar vier uur reizens van den Post was, of Baroche, den witgebaarden ouden Franschman, die zelfs nog dichterbij woonde en wiens woord even betrouwbaar was als de Bijbel. Het moest wel zijn, besloot hij ten laatste, dat M'sieu _hem_ had laten halen, omdat hij, door den vader van Nepeese te bevoorrechten, de vriendschap van Nepeese zelf dacht te winnen. Want ongetwijfeld was het als een groot eerbewijs voor hem bedoeld. En toch, op den bodem van zijn hart leefde nog achterdocht.

Toen De Bar den volgenden morgen afscheid nam, zeide Pierrot:

„Zeg maar aan M'sieu, dat ik overmorgen naar Lac Bain vertrek.”

Nadat De Bar vertrokken was, zeide Pierrot tot Nepeese:

„En jij moet hier blijven, _ma chérie_. Ik neem je niet mee naar Lac Bain. Ik heb een droom gehad, dat M'sieu niet op reis gaat, maar dat hij gelogen heeft en dat hij _ongesteld_ zal zijn als ik op den Post aankom. En toch, als je soms graag mee wilt—”

Nepeese richtte zich plotseling rechtop, zooals een riet, dat door den wind gegrepen is.

„Neen,” riep zij, zoo heftig, dat Pierrot lachte en zich in de handen wreef.

Zoo gebeurde het, dat twee dagen na het bezoek van den vossenjager Pierrot naar Lac Bain reisde en Nepeese hem aan de deur bleef nawuiven tot hij uit het gezicht was.

Op den morgen van dienzelfden dag stond Mc Taggart op, toen het nog geheel donker was. De tijd was gekomen, het uur en de dag, waarop hij gewacht en gerekend had, en dien heelen nacht had hij de oogen niet geloken in slaap. Twintig maal had hij het mooie portretje van Nepeese in den gloed der lamp gehouden en telkens had het gezicht er van gewerkt als olie op vlammen. Al de krachten van zijn natuur waren versmolten in één grooten hartstocht en lang en zorgvuldig had hij aan de vervulling daarvan gewerkt. Hij had geaarzeld voor een moord—voor een uit den weg ruimen van Pierrot en hij had er iets beters op bedacht. Nepeese kon hem op die manier niet ontsnappen. Hij zou haar alleen aantreffen, hulpeloos en volkomen in zijn macht. En daarna—hij lachte en balde zijn groote handen in opwinding. Ja—daarna—zou Nepeese gewillig zijn vrouw worden. Zij zou niet willen, dat zij bij de bewoners van de wildernis bekend werd als _La Bête Noire_. Neen! Zij zou uit vrije beweging tot hem komen. En Pierrot zou er nooit achter komen, wat er in de hut was voorgevallen, want zou Nepeese hem dàt vertellen? Het was een prachtig plan, zoo gemakkelijk uit te voeren en de uitslag zoo onafwendbaar in zijn voordeel. En Pierrot zou al dien tijd in de meening verkeeren, dat hij weg was, op een zending naar het Oosten!

Hij gebruikte zijn ontbijt en ging op weg, toen het nog niet heelemaal licht was. Met opzet hield hij oostwaarts, zoodat Pierrot, uit het zuidwesten komend, de sporen van zijn slede niet ontdekken zou. Want hij wilde er zeker van zijn, dat Pierrot het nooit te weten kon komen en zelfs geen vermoeden had; al kostte het hem nog zooveel mijlen, hij zou dezen omweg maken en den Grijzen Fuut pas den tweeden dag bereiken. Het was misschien ook maar beter, een dag later te komen, daar het mogelijk was, dat Pierrot opgehouden was. Daarom deed hij geen poging om snel te reizen. Hij genoot al van tevoren van de voldoening, die hij smaken zou. Hij liep geen kans, teleurgesteld te worden. Hij was er van overtuigd, dat Nepeese haar vader niet vergezeld had op zijn reis naar Lac Bain. Zij zou in de hut bij den Grijzen Fuut zijn—en alleen. Zijn gelaat werd donkerder rood, telkens wanneer hij daaraan dacht.

De eenzaamheid wekte bij Nepeese geen gedachte aan gevaar op. Er waren nu tijden, dat het denkbeeld, alleen te zijn, aantrekkelijk voor haar was; dat zij verlangde, te kunnen droomen, ongestoord, dat zij zich visioenen voorstelde, in welker geheimzinnigheid zij zelfs Pierrot niet in kon wijden. Zij was bezig op te groeien tot een vrouw—zij was nog maar een bloem in knop—nog maar een meisje, met het zachte fluweel der maagdelijkheid in de oogen, maar het geheim der ontwakende vrouwelijkheid beroerde reeds zacht haar ziel, alsof de Groote Hand aarzelde en niet goed wist, of zij haar zou wekken of nog wat langer laten sluimeren. Bij zulke gelegenheden, als zij een paar uur voor zichzelf wist te ontfutselen, trok zij haar roode japon aan en kapte haar prachtige haar volgens de aanwijzingen der tijdschriften, die Pierrot tweemaal 's jaars uit Nelson House werden toegezonden. Den tweeden dag van Pierrot's afwezigheid kleedde zij zich weer zoo, maar nu liet zij heur haar los om zich heen golven, in glanzenden tooi en om haar voorhoofd bond zij een rood lint. Maar hiermee was zij nog niet klaar. Vandaag had zij heerlijke plannen. Tegen den muur, vlak bij den spiegel, had zij een groote plaat geprikt uit een modeblad en op deze plaat prijkte een allerliefst kopje, vol krullen. Er onder stond de naam „Mary Pickford”. Vijftienhonderd mijlen ten noorden van het zonnige Californische atelier, waarin de fotografie genomen was, worstelde Nepeese met pruilende lippen en gerimpeld voorhoofd om het kunststuk van „kleine Mary's” krullenkapsel te volbrengen!

Zij keek in haar spiegel, haar wangen gloeiden en haar oogen schitterden in de opwinding, om een van de zoo vurig verlangde krulletjes te maken, toen de deur achter haar geopend werd en Bush Mc Taggart naar binnen stapte.

XIX.

Een vergeefsche worsteling.

De Wilg stond met haar rug naar de deur, toen de agent van Lac Bain de hut binnentrad en het eerste oogenblik keerde zij zich niet om. Haar eerste gedachte was aan haar vader. Om de een of andere reden was hij zeker teruggekeerd, maar terwijl deze gedachte nog nauwelijks bij haar was opgekomen, hoorde zij een woesten snauw in Baree's strot, die haar op deed schrikken en naar de deur kijken.

Mc Taggart was niet onvoorbereid binnengetreden. Hij had zijn bagage, zijn geweer en zijn zware overjas buiten gelaten. Hij stond nu tegen de deur geleund en staarde naar Nepeese—in het mooie rood van haar japon en haar golvende lokken—alsof hij verstomd was van verbazing over dit schouwspel. Het Noodlot, of het toeval, was ditmaal tegen Nepeese. Als er maar een sprankje sluimerende ridderlijkheid of zelfs barmhartigheid in Mc Taggart's ziel was overgebleven, werd het gedoofd door wat hij nu zag. Nooit was Nepeese mooier geweest, zij was zelfs nog bekoorlijker dan op dien dag, dat Mac Donald, de kaartenmaker, haar portret genomen had. Het was de manier, waarop het zonlicht, door het venster naar binnen stroomend, haar prachtig haar bescheen, zoodat haar blozend gelaat in die donkere omlijsting een getinte camee geleek, die hem een tijdlang den adem deed inhouden van bewondering. Hij had droomen gehad. In de begeerte van zijn brute natuur had hij zich Nepeese afgeschilderd in al de liefelijkheid, die een door hartstocht bewogen verbeelding aan de werkelijkheid kon toevoegen. Maar hij had zich niets kunnen droomen, dat geleek op dit wezentje, zooals het daar vóór hem stond, de oogen wijd opengesperd van angst en met een blos, die van haar gelaat week, terwijl hij naar haar keek. Het duurde niet lang, dat hun oogen op elkander bleven rusten in deze verschrikkelijke stilte—verschrikkelijk voor het meisje. Woorden waren overbodig. Eindelijk en ten laatste begreep zij het—begreep, welk gevaar zij geloopen had, dien dag aan den rand der kloof—toen zij zonder argwaan den spot gedreven had met de bedreiging, die daar nu weer tegenover haar stond. Zij stond te lezen op Mc Taggart's gelaat, onbeschrijfelijk—in de afschuwelijke, opvlammende vreugde in zijn oogen, de glinstering van zijn brokkelige tanden, het roode bloed, dat hem naar het gelaat steeg, terwijl hij naar haar keek. In een oogwenk had zij de waarheid begrepen. Het was een poets, die hij haar gespeeld had—en Pierrot was weg.

Een zucht, die wel een snik geleek, kwam van haar lippen.

„M'sieu!” trachtte zij te zeggen. Maar er kwam slechts een gehijg voort, een poging. Zij dacht te zullen stikken.

Duidelijk hoorde zij de bout van den ijzeren grendel, waarmede hij de deur sloot. Mc Taggart deed een stap naar voren.

Het was maar één stap. Baree was op den grond blijven liggen, onbeweeglijk als een steenen beeld. Hij had zich niet verroerd. Hij had, na dat waarschuwende gegrom geen geluid gegeven—totdat Mc Taggart dien stap deed. En toen, snel als het weerlicht, was hij opgesprongen en stond vóór Nepeese; alle haren stonden hem recht overeind en bij het woedende grommen, dat hij hooren deed, leunde Mc Taggart achterover tegen de gegrendelde deur. Een woord van Nepeese en het zou bedaard zijn. Maar er ging een oogenblik verloren—voor zij een kreet uitte. In dat oogenblik werkten de hand en de geest van een man onbegrijpelijk snel en terwijl Baree Mc Taggart naar de keel sprong, kwam er een vuurstraal en een oorverdoovende uitbarsting, bijna in de oogen van de Wilg. Het schot was lukraak geweest, een schot van de heup af met Mc Taggart's automatisch pistool. Baree viel, voor hij zijn doel bereikte. Hij kwam met een bons op den vloer terecht en rolde daarna tegen den muur aan. Er was geen beweging meer in hem te zien. Mc Taggart lachte zenuwachtig, terwijl hij het pistool weer in den holster schoof. Hij wist, dat alleen een schot in de hersens deze uitwerking kon hebben.

Met haar rug tegen den verst verwijderden muur, stond Nepeese af te wachten. Mc Taggart kon haar hijgende ademhaling hooren. Hij naderde haar halfweg het vertrek.

„Nepeese, ik ben gekomen om je tot mijn vrouw te maken,” zeide hij.

Zij antwoordde niet. Hij kon zien, dat zij bijna stikte van benauwdheid. Zij bracht haar hand aan haar keel. Hij deed nog twee stappen in haar richting en bleef toen staan. Hij had nooit zulke oogen gezien—neen, zelfs niet als hij had toegekeken bij andere gemartelde vrouwen—nooit had hij zulk een ontzettenden schrik gezien, bij leven of dood. En het was niet alleen schrik. Er stond nog iets anders in die oogen te lezen, iets dat hem aan de plaats geboeid hield en hij zeide opnieuw: