De zoon van Kazan

Part 10

Chapter 103,980 wordsPublic domain

Hij moest pas aan den zoom van het bosch geweest zijn, want binnen eenige sekonden was hij terug aan haar zijde. Maar hij was regelrecht op haar aan komen rennen, als een pijl uit den boog en hij jankte, naar haar gelaat kijkend. Nepeese legde haar handen op zijn kop.

„U hebt gelijk, _mon père_,” zeide zij. „Hij zal nu met de wolven meegaan, maar hij komt zeker terug. Hij zal nooit lang van me wegblijven.” Met haar eene hand nog steeds op zijn kop, wees zij met de andere naar de pikzwarte duisternis van het bosch. „Ga maar naar hen toe, Baree!” fluisterde zij. „Maar je moet terugkomen. Je moet, hoor _Cheamao_!”

* * * * *

Zij trad met Pierrot de hut weer binnen, zij sloten de deur achter zich en Baree bleef alleen. Er heerschte een lange stilte. In deze stilte kon hij de zachte geluiden van den nacht hooren, het rammelen van de kettingen, waarmee de honden vastgeklonken waren, het onrustige woelen, dat zij deden, het gesuis der vleugels van een voorbijvliegenden vogel, den adem van den nacht zelf. Want deze nacht, zelfs in zijn groote rust, scheen voor Baree te leven. Hij begaf er zich opnieuw in en dicht bij het bosch bleef hij weer stilstaan om te luisteren. De wind was gedraaid en de klagelijke, opwindende kreet van den troep werd er op voortgestuwd.

Ver in het westen wendde een eenzame wolf zijn snoet hemelwaarts en antwoordde op den verzamelkreet van zijn stam en toen kwam uit het oosten een dergelijk geluid, zoo ver van de hut verwijderd, dat het wel een echo leek, die wegstierf in de uitgestrektheid van het duister. Er smoorde een geluidje in Baree's strot. Hij wierp den kop omhoog. Recht boven hem stond de Roode Maan, hem uitnoodigend de geheimzinnige wereld te gaan bewandelen. Het geluid in zijn strot zwol aan en langzaam nam het toe in kracht, totdat zijn antwoord opsteeg naar de sterren. In de hut hoorden Wilg en Pierrot het. Pierrot haalde de schouders op.

„Hij is weg,” zeide hij.

„Ja, hij is weg, _mon père_,” antwoordde Nepeese door het venster turend.

XVII.

De uitgestootene.

Het donkere bosch hield niet meer zooals vroeger verschrikkingen in voor Baree. Dezen nacht was zijn Jachtkreet opgestegen naar de sterren en de maan en met dien kreet had hij voor het eerst duisternis en ruimte getart, het was zijn waarschuwing voor alle bewoners der wildernis, zijn toetreden tot de Broederschap. In dien kreet, en in de antwoorden, die hij er op ontving, voelde hij een nieuwe macht—de zekerheid, hem door de natuur geschonken, dat de bosschen en de dieren, die er in huisden, niet langer vreesaanjagend voor hem waren, maar dat _alles hem vreesde_. Daarginds, ver buiten het gebied, dat bij de hut behoorde, en onder Nepeese's invloed uit, was alles, wat zijn wolvenbloed op het oogenblik het meest verlangde: gezelschap van leden van zijn eigen geslacht, de opwinding van het avontuurlijke, het roode, zoete bloed van de jacht—en de paring. Dit laatste was het sterkst in hem van al die onbekende verlangens en toch begreep hij er het allerminste van.

Hij liep recht het donkere noordwesten in, laag onder de struiken doorsluipend, met hangenden staart en gespitste ooren—geheel en al de houding van den wolf, zooals hij er bij nacht op uittrekt. De troep was het noorden ingetrokken en reisde sneller dan hij, zoodat hij na een half uur hem niet meer kon hooren. Maar het gehuil van den eenzamen wolf uit het westen was naderbij gekomen en drie maal gaf Baree er antwoord op. Na verloop van een uur hoorde hij den troep opnieuw, die naar het zuiden zwenkte. Pierrot zou gemakkelijk begrepen hebben, waarom. Hun prooi had zich in veiligheid weten te brengen in een meer, of aan den overkant er van en de _muhekuns_ waren achter een nieuw spoor aan. Nu was Baree niet meer dan een kwart mijl van den eenzamen wolf verwijderd, maar deze was een oud gediende, trok, door ondervinding geleid, in de richting van den troep voort, zijn weg zóó uitkiezend, dat hij dien steeds wat vóór bleef. Dit was een kunstje van de Broederschap, dat Baree nog leeren moest, en de uitslag van zijn onwetendheid en gebrek aan doorzicht was, dat hij binnen het volgende half uur vlak bij den troep raakte, tot tweemaal toe, en hem toch niet wist te bereiken. Eindelijk volgde een lange stilte, die bleef aanhouden. De troep had zijn prooi gedood en gaf geen enkel geluid meer, nu hij aan zijn feestmaal was.

De rest van den nacht zwierf Baree alleen rond, tenminste tot het tijdstip, waarop de maan sterk begon te verbleeken. Hij was nu ver weg van de hut en zijn weg was onregelmatig en met vele zwenkingen gegaan, maar hij werd ditmaal niet gekweld door het troostelooze gevoel, verdwaald te zijn. De laatste twee of drie maanden was zijn oriënteeringsvermogen sterk ontwikkeld, dat „zesde zintuig”, dat de duif onfeilbaar den weg doet vinden, dien zij nemen moet en een beer regelrecht doet afgaan op de plek, waar hij het vorige jaar zijn overwinteringshol gevonden heeft. Hij had Nepeese niet vergeten. Meermalen had hij zijn kop omgedraaid en gejankt en altijd had hij het gedaan in de richting, waar de hut lag. Maar hij keerde niet terug. Naarmate de nacht voortduurde, bleef zijn zoeken naar dat geheimzinnige iets, wat hij niet gevonden had, aanhouden. Zijn honger was, zelfs toen de maan verbleekte en de grauwe dageraad aanbrak, niet hevig genoeg om hem naar voedsel te doen zoeken. Het was koud en het leek nog kouder toen de glans van de maan en de sterren wegstierf. Onder zijn zachtgekussende pooten had zich, vooral op open plekken, een dik wit tapijt gevormd, waarin zoo nu en dan duidelijk de sporen van zijn nagels te zien waren. Hij had urenlang gestadig doorgereisd en hij was moe, toen het begon te dagen. En toen kwam het oogenblik, dat Baree, met een scherp toeklappen van zijn kaken, stokstijf staan bleef.

Eindelijk was zij dan toch gekomen—de ontmoeting met datgene waarnaar hij gezocht had. Het gebeurde op een open plek, die verlicht werd door het koude morgenlicht, op een kleinen heuvel, die op het Oosten uitzag. Met haar kop naar hem toegewend en naar hem uitkijkend, toen hij van uit de schaduw te voorschijn kwam, zijn reuk in haar neusgaten, stond Maheegun, de jonge wolvin. Baree had haar niet geroken, maar hij zag haar dadelijk, toen hij van uit de balsemstruiken op de vlakte trad. Hij bleef stilstaan en een volle minuut lang bewoog geen van beiden een spier of scheen ook maar te ademen. Zij scheelden geen paar weken in leeftijd, maar toch was Maheegun verreweg de kleinste van de twee; haar lijf was langer, maar ook slanker; zij stond op tengere pooten, die wel vossepooten geleken en de welving van haar rug was als een licht gekromde boog, wat aanduidde, dat zij zich zoo snel als de wind kon voortbewegen. Zij stond gereed op de vlucht te slaan, zelfs toen Baree zijn eerste passen in haar richting deed en toen ontspande zich haar lijf heel langzaam en toen hij dichter naderde stonden haar ooren niet meer zoo achterdochtig overeind en vielen eindelijk plat neer. Baree jankte even. Zijn eigen ooren stonden recht overeind, zijn kop was vol levendigheid, zijn staart was ruig en stond omhoog. Slimheid, zoo al geen listigheid, maakte al deel uit van zijn mannelijk overwicht en hij zette niet te veel haast achter de zaak, in het begin.

Hij was op vijf voet afstand van Maheegun gekomen toen hij, als bij toeval, zich van haar afwendde en naar het oosten begon te turen, waar fijne roode en gouden lijntjes de komst van den dag aankondigden. Eenige oogenblikken bleef hij snuiven en rondkijken en stak zijn neus in den wind met grooten ernst, alsof hij zijn nieuwe kennis aan het verstand wilde brengen—zooals zoo menig tweebeenig dier vóór hem gedaan heeft—dat hij toch eigenlijk een persoon van zoo buitengewoon veel belang was in de wereld. En Maheegun geraakte er naar behooren van onder den indruk. Baree's bluf werkte even doelmatig als de bluf van tweebeenige dieren. Hij snoof met zulk een opgewonden en achterdochtigen ijver de lucht op, dat Maheegun's ooren zich opnieuw spitsten en zij mee begon te snuiven; hij keerde zijn kop zoo nadrukkelijk van punt tot punt verder, dat vrouwelijke nieuwsgierigheid haar er toe aandreef hetzelfde te doen en toen hij even jankte, alsof hij iets geheimzinnigs in die lucht ontdekte, wat zij met geen mogelijkheid begrijpen kon, klonk er een antwoordend geluidje in haar strot, maar dit was gesmoord en zacht, zooals de uitroep van een vrouw, die niet weet of zij haar heer en meester mag storen of niet. Toen Baree's scherpe ooren dit geluid opvingen stevende hij op haar af, met lichte, trippelende passen en het volgende oogenblik beroken zij elkanders neus.

* * * * *

Toen de zon opging, een half uur later, bevonden zij zich nog steeds op het heuvelachtige gedeelte in die open plek, met den zoom van het bosch beneden hen en in de verte een vlakte, die er, in zijn mantel van vorst, uitzag als een lijkwade. De eerste roode gloed van den dageraad vertoonde zich en naarmate de zon hooger rees werd het uitzicht van de vlakte minder doodsch.

Baree noch Maheegun voelden neiging, zich te bewegen en een paar uren lang bleven zij zich koesteren op de helling, met wijdgeopende oogen rondkijkend in de hier en daar met bosch bedekte, uitgestrekte vlakte, die het voorkomen had van een groote zee. Maheegun had ook getracht, den jagenden troep te bereiken en, evenals Baree, was het haar mislukt. Zij waren moe, een beetje ontmoedigd en hongerig—maar toch aan den anderen kant opgewonden door verwachting en rusteloos door de nieuwe en vreemde gewaarwording, een gezel gevonden te hebben. Wel zesmaal stond Baree op en begon om Maheegun heen te snuffelen, terwijl deze in de zon lag, zachtjes tegen haar jankend en haar zachte huid met zijn snoet aanrakend, maar een tijdlang lette zij weinig op hem. Eindelijk stond zij op en volgde hem. En dien geheelen dag zwierven en rustten zij tezamen. Wederom viel de nacht in.

Deze was zonder maan en sterren. Grijze wolkenmassa's gleden langzaam uit het noorden en westen langs en er was ternauwernood een zacht gefluister van den wind in de boomtoppen. De sneeuw begon tegen de schemering zwaar te vallen en vormde een dikke laag. Het was niet koud. Maar het was windstil. Zoo stil was het rondom, dat Baree en Maheegun na elke paar meters dat zij waren voortgeloopen stil bleven staan om te luisteren. Op deze wijze trokken alle nachtelijke zwervers uit het bosch, als zij van verblijfplaats veranderden. Het was het begin van de Groote Sneeuw. Voor de vleeschetende dieren uit de bosschen, geklauwd en gevleugeld, beteekende de Groote Sneeuw het begin van de winterpret, bestaande uit slachting en vreetpartijen, uit woeste avonturen in de lange nachten, uit onbarmhartige gevechten op de bevroren paden. De dagen van het voortbrengen, van moederschap—de vrede van lente en zomer—waren voorbij; uit de lucht kwam het ontwaken in het Noorden, de roepstem van alle vleeschetende schepselen om zich klaar te maken voor de Lange Jacht en in de eerste siddering er van bewogen de dieren zich nog maar weinig, dien nacht, en dan nog achterdochtig en waakzaam.

Hun jeugd maakte dit alles nieuw voor Baree en Maheegun; hun bloed stroomde snel, hun pooten vielen zacht op den grond neer, hun ooren waren gestemd tot het opvangen van het geringste geluid. Bij het begin van de Groote Sneeuw voelden zij den opwindenden harteklop van een nieuw leven. Het verlokte hen, steeds verder te gaan. Het verleidde hen, op avontuur uit te gaan in die witte, stille geheimzinnigheid en gedreven door de onrust en verlangens der jeugd, trokken zij door. De sneeuw werd dieper onder hun pooten. Op open plekken moesten zij er tot aan de knieën doorwaden—en zij bleef doorvallen in een uitgestrekte witte wolk, die gestadig uit den hemel viel. Het was bijna middernacht toen zij ophield. De wolken dreven weg van de maan en de sterren en langen tijd stonden Baree en Maheegun onbeweeglijk op een helling neer te kijken op een verrukkelijk mooie wereld.

Nooit hadden zij zoover kunnen zien, behalve bij daglicht. Onder hen was de vlakte. Zij konden de bosschen zien, alleenstaande boomen, die als schaduwen uit de sneeuw opstaken, een riviertje—nog niet bevroren—schitterend als glas waarin vuur weerspiegeld wordt. Baree ging op dit riviertje aan. Hij dacht niet meer aan Nepeese en hij jankte van onderdrukte blijdschap toen hij halverwege staan bleef en zich omkeerde om Maheegun te besnuiven. Hij verlangde in de sneeuw om-en-om te rollen en met zijn gezellin te stoeien; hij verlangde te blaffen, zijn kop op te gooien en te huilen, zooals hij tegen de Roode Maan gehuild had, daarginds bij de hut. Maar er was iets, dat hem weerhield, deze dingen te doen. Misschien was het Maheegun's gedrag. Zij nam zijn vriendelijkheden stokstijf in ontvangst. Een paar keer leek zij wel bang te worden; tweemaal had Baree haar tanden op elkaar hooren klikken, sedert zij den heuvelrug beklommen waren.

Gedurende den vorigen avond en den nacht was hun vriendschap intiemer geworden, maar nu begon Maheegun een merkwaardig koele houding aan te nemen. Pierrot zou dit hebben kunnen verklaren. Met de witte sneeuw onder en rondom zich, en de schitterende maan en sterren boven zich, had Baree, evenals de nacht, een verandering ondergaan. Zijn vel zag er uit als gepolijst git. Elk haar van zijn lijf glinsterde zwart. _Zwart!_ Dat was het. En de natuur trachtte Maheegun te doen gevoelen, dat van alle schepselen, die haar ras haatte, _zwarte_ dieren de meest gehate en gevreesde waren. Zij wist dit niet door ondervinding, maar door instinkt—dit sprak tot haar van de eeuwenoude veete tusschen den grijzen wolf en den zwarten beer. En Baree's vel was in het maanlicht en de sneeuw zwarter dan Wakayoo's vacht ooit geweest was, zelfs in de goede vischdagen van Mei. Voordat zij de groote vlakte bereikt hadden, was de jonge wijfjeswolf Baree zonder aarzelen gevolgd; nu was er een groeiende onzekerheid en besluiteloosheid in haar manieren en tweemaal stond zij stil en deed alsof zij Baree zonder zich wilde laten verder gaan.

Een uur nadat zij de vlakte betreden hadden, kwamen plotseling uit het westen de geluiden van den wolventroep tot hen. Zij waren niet ver af, misschien een mijl, en het snelle, korte blaffen, dat na hun eerste wilde uitbarsting volgde, gaf er blijk van, dat de langtandige jagers plotseling een prooi gezien hadden—een kariboe of een jongen eland—en dien nu dicht op de hielen zaten. Toen zij de stem van haar eigen stam hoorde, legden Maheegun's ooren zich plat op haar kop en ging zij er vandoor als een pijl uit den boog. De onverwachtheid van deze beweging en de snelheid van haar vlucht gaven haar een grooten voorsprong op Baree, toen zij over de vlakte stoven. Zij rende in den blinde voort, begunstigd door het geluk. Voor een tusschenpoos van misschien vijf minuten was de troep zoo dicht bij hun doel, dat zij geen geluid gaven en de jacht nam een zwenking en kwam regelrecht op Baree en Maheegun af. Baree was niet meer dan zes lichaamslengten achter de jonge wolvin, toen een gekraak in het kreupelhout vlak naast hen, hen zóó plotseling stil deed staan, dat zij de sneeuw openreten met hun schrapgezette pooten. Tien sekonden later brak de jonge kariboe door het struikgewas heen en schoot pijlsnel de vlakte over, op nog geen twintig meter afstands van de plek, waar zij stonden. Zij konden hem hooren hijgen toen hij verdween. En daarna volgde de troep.

Bij het gezicht van deze snelbewegende grijze lijven, sprong Baree's hart hem naar de keel. Hij vergat Maheegun en dat zij van hem was weggeloopen. De maan en de sterren verdwenen uit zijn bestaan. Hij voelde niet langer de koude van de sneeuw onder zijn pooten. Hij was wolf—geheel en al wolf. Met den warmen reuk van den kariboe in zijn neusgaten en den hartstocht om te dooden als vuur in zich brandend, zette hij den troep achterna. Zelfs hierbij was Maheegun hem nog wat vóór. Hij miste haar niet—in de opwinding van zijn eerste jacht voelde hij niet langer de begeerte, haar aan zijn zijde te hebben. Al heel spoedig kwam hij tot de ontdekking, dat hij zijde aan zijde voortdraafde naast een van de grijze monsters van den troep; een halve minuut later schoot een nieuwe mede-jager uit de struiken te voorschijn en toen een tweede en daarna een derde. Nu en dan rende hij schouder aan schouder met zijn nieuwe metgezellen; hij hoorde hun onderdrukt gejank van opwinding; het dichtklappen van hun kaken—en in het gouden maanlicht voor hem uit het zware neerploffen van den kariboe, als hij over heesters en omgevallen boomstammen sprong, in dezen jacht op leven en dood. Het was alsof hij altijd bij den troep had behoord. Hij had er zich als vanzelf sprekend bijgevoegd, zooals andere losse wolven dit gedaan hadden; zij hadden er geen drukte over gemaakt, zij hadden hem niet, zooals Maheegun in de vlakte, welkom geheeten, maar hem ook geen vijandigheid betoond. Hij behoorde bij deze schrale, snelvoetige uitgestootenen der oude bosschen en zijn eigen kaken klapten ook op elkander en zijn bloed golfde heet, toen de reuk van den kariboe sterker werd en het geluid van zijn neerploffend lichaam duidelijker.

Het scheen den kariboe toe, dat zij hem vlak op de hielen zaten, toen zij weer de vlakte inzwenkten, een dorre vlakte, zonder een boom of struik, schitterend in het licht van maan en sterren. Over het nog onbetreden sneeuwtapijt spoedde de kariboe zich voort, nauwelijks honderd meter voor den troep uit.

Nu volgden de twee aanvoerders niet langer recht in het spoor, maar maakten een hoek, naar rechts en links van den achtervolgde en als goedgeoefende soldaten verdeelde de troep zich en spreidde zich waaiersgewijs uit, voor den laatsten aanval. De twee uiteinden van den waaier kromden zich en sloten den kariboe in, totdat de aanvoerders op gelijke hoogte met hem meerenden, met vijftig of zestig voet tusschenruimte. Op deze wijze vormde de troep, handig en snel en met vreeselijke nauwkeurigheid, een hoefijzervormige linie van slagtanden, waaraan maar op één manier te ontkomen was en wel door rechtuit te blijven gaan. Het beteekende den dood voor den kariboe, als hij ook maar een halven graad te veel naar rechts of links hield. Het was de plicht van de aanvoerders, de uiteinden van het hoefijzer dichter naar elkaar toe te leiden, zoo dicht tot zij beiden den noodlottigen uitval naar de kniepeezen konden doen. Daarna was de zaak eenvoudig genoeg. De troep zou den kariboe eenvoudig op het lijf vallen als een overstrooming.

Baree had een plaats gevonden aan het breedste gedeelte van de linie, zoodat hij tamelijk wel in de achterhoede was, toen de climax kwam. De vlakte ging plotseling schuin naar beneden. Recht vooruit zag de kariboe water glinsteren—een zachte schittering onder den sterrenglans en bij het gezicht daarvan spande hij zijn laatste, hem begevende krachten in. Veertig sekonden zouden beslissen over zijn leven of dood. Baree voelde sterk de spanning van deze oogenblikken en spoedde zich naar voren, terwijl een van de aanvoerders een sprong deed naar de kniepeezen van den jongen stier. Hij miste. Een tweede wolf probeerde hetzelfde. Beiden hadden hun sprong gemist. Er was geen tijd voor anderen, om hun plaatsen in te nemen. Aan het verbrokkelende gedeelte van den hoef hoorde Baree den zwaren plons, toen de kariboe in het water plofte. Terwijl hij zich weer bij den troep voegde, een razende, schuimbekkende horde, was Napamoos, de jonge kariboestier, middenin de rivier en zwom gelijkmatig naar de overzijde.

Toen stond Baree plotseling weer naast Maheegun. Zij hijgde, haar roode tong hing haar uit de open kaken, maar toen zij zijn nabijheid bemerkte, bracht zij ze met een klap weer op elkander en sloop haastig midden tusschen de teleurgestelde wolvenbende, die geheel buiten adem was. De wolven waren in een kwaad humeur, maar Baree was hiervan niet doordrongen. Nepeese had hem geleerd, als een otter in het water te springen en hij begreep niet, waarom dit smalle riviertje hen tot stilstand gebracht had. Hij liep langs den oever naar beneden en stond tot aan zijn buik in het water, een oogenblik opkijkend naar de woeste bende boven zich en zich er over verbazend, dat zij hem niet volgde. En hij was zwart—_zwart_. Hij klom weer naar boven en voegde zich bij hen en voor het eerst merkten zij hem op.

Hun onrustige bewegingen bedaarden. Zij bleven stokstijf staan van verbazing en belangstelling. Hun tanden sloten zich knarsend op elkaar. Een eindje verder zag Baree Maheegun staan, met een grooten grijzen wolf naast zich. Hij ging weer naar haar toe en ditmaal bleef zij staan, haar ooren plat op haar kop liggend, totdat hij haar nek besnuffelde. En toen, met een vinnigen grauw, beet zij naar hem. Haar tanden zonken diep in het zachte vleesch van zijn schouder en verschrikt door het onverwachte van haar aanval, gaf hij een schreeuw. Het volgende oogenblik wierp de groote grijze wolf zich op hem.

Opnieuw overvallen en onverwachts viel Baree op den grond, met den wolf aan zijn keel. Maar hij had het bloed van Kazan in zich, den lichaamsbouw en de spieren van Kazan en voor het eerst van zijn leven vocht hij zooals Kazan gevochten had, dien verschrikkelijken dag op de Zonnerots. Hij was jong; hij moest de sluwheid en de krijgslisten van dezen veteraan nog leeren; maar zijn kaken waren als de ijzeren klampen, die Pierrot gebruikte voor zijn berenvallen en er was een plotselinge blinde woede in zijn hart, en begeerte om te dooden, die alle gevoelens van pijn of vrees overheerschte. Dit gevecht zou, als alles eerlijk toegegaan was, geëindigd zijn met de overwinning van Baree, ondanks zijn jeugd en onervarenheid. De troep had behooren af te wachten; het was de wet van den troep—totdat een van de twee het opgaf. Maar Baree was _zwart_. Hij was een vreemdeling, een indringer, een schepsel, dat zij ontdekt hadden op een tijdstip, dat hun bloed kookte van woede en teleurstelling, omdat zij hun prooi gemist hadden.

Een tweede wolf kwam er bij, Baree verraderlijk van opzij aanvallend en terwijl hij daar in de sneeuw lag en den voorpoot van zijn eersten vijand duchtig knauwde, wierp de heele bende zich tegelijk op hem. Zulk een aanval zou den jongen kariboestier in minder dan een minuut het leven gekost hebben. Elke tand zou raak gebeten hebben. Het werd Baree door de omstandigheid, dat hij onder zijn eerste twee aanvallers lag, bespaard, dadelijk in stukken gescheurd te worden. Hij wist, dat hij voor zijn leven vocht. De wilde horde rolde grauwend over hem heen; hij voelde de brandende pijn van tanden, die zich in zijn vleesch begroeven; hij werd half gesmoord, honderd messen schenen in hem te steken en toch gaf hij geen geluid, geen smartkreet ontsnapte hem in de ontzetting en hopeloosheid van dit alles. Het zou spoedig afgeloopen geweest zijn, als de worsteling niet vlak bij den oever geweest was. Een gedeelte van den zanderigen grond bezweek en Baree rolde met den halven troep op zich de helling af. Oogenblikkelijk flitste de gedachte aan den kariboe, die zich door het water had weten te redden, door zijn brein. Voor een enkel oogenblik had deze zandinstorting hem van de bende wolven bevrijd en in die tusschenruimte nam hij een grooten sprong, over de grijze ruggen van zijn vijanden heen en kwam in het diepe water van den stroom terecht. Achter hem klapten een half dozijn kaken dicht—in de lucht. En zooals het den kariboe gered had, redde dit water, glinsterende onder het licht van maan en sterren, ook Baree het leven.